Wat een meesterwerk is de mens! hoe edel in zijn
denken! hoe rijk aan vermogens! hoe bijzonder en voortreffelijk in
zijn verschijning en beweging! hoe in zijn daden gelijk een engel,
en in zijn inzicht gelijk een god! –
Shakespeare, Hamlet 2:2
Wat een wereld van verschil schijnt er te liggen tussen deze beschouwing
en de hedendaagse kijk op de menselijke natuur, vooral na de ontstellende
gebeurtenissen van deze eeuw. Maar ondanks de wreedheden en de onmenselijkheid
van groepen mensen, moeten we bedenken dat we veel meer zijn dan een
fysiek lichaam dat in een bepaald stadium van evolutie verkeert. We
lijken op onze kosmische ouders, gemaakt uit de stof van het heelal
waarin we leven, waaraan we onze levensenergie ontlenen, waaruit onze
vele ‘zelven’ te voorschijn en tot rijpheid komen. In het
langdurige proces waarin we de elementen die ons samenstellen steeds
meer tot uitdrukking brengen, zal de wisselwerking tussen onze hogere
aspecten en onze lagere eigenschappen de laatstgenoemde ongetwijfeld
verfijnen, hoe lang dit ook kan duren.
Hoe is de ingewikkelde gesteldheid van de menselijke natuur in de verschillende
overleveringen van ons erfgoed tot uitdrukking gebracht? Een Joodse
traditie, ondergeschikt aan de geschreven Torah (Wet), die ooit bekend
stond als de ‘Mondelinge Wet’ (Hochmah Nistorah),
werd doorgegeven door generaties van wijzen, die ingewijd waren in de
heilige (d.i. geheime) traditie. Haar voornaamste exponenten, onder
wie enkele van de ‘profeten’, stonden bekend als Tannaim.
Hieruit ontstond uiteindelijk wat nu bekend staat als de Kabbala, een
woord dat eveneens naar een geheime ‘traditie’ verwijst.
De voorstelling die de Kabbala van de mens geeft, is afgeleid van de
Elohim of goddelijke krachten opgevat als kosmische intelligenties en
energieën. In de zogeheten Sephiroth boom of de levensboom, emaneert
elk individueel lid van de hiërarchie van Elohim of Sephiroth zijn
karakteristieke eigenschap om het heelal te vormen, dat zich op zijn
beurt weerspiegelt in de volledige mens.1
Wij hebben dus hun menselijke tegenhangers in ons, hoewel we nauwelijks
zijn begonnen deze tot uitdrukking te brengen. De weg vóór
ons is inderdaad lang!
In de christelijke traditie schrijft de gnostische Paulus dat de mens
bestaat uit lichaam, ziel en geest. Ziel en geest zijn niet alleen maar
synoniemen, want Hebreeën 4:12 zegt, dat het ‘woord (logos)
van God’ een tweesnijdend zwaard tussen de ziel (psyche)
en de geest (pneuma) kan plaatsen. De Griekse woorden wijzen
op het verschil tussen de begrippen die ze vertegenwoordigen. Misschien
werd het zwaard als ‘tweesnijdend’ beschreven omdat in oude
tradities het denkvermogen tweevoudig is: het ene aspect wordt aangetrokken
tot materiële elementen, het andere tot die van geestelijke aard.
De Egyptische theologie is uit vroeger tijden tot ons gekomen, gekleurd
door de visie van eigentijdse ‘experts’. Het nevenstaande
diagram geeft een beeld van de causale of potentiële mens volgens
de Egyptenaren; de linkerkolom geeft een opsomming van de kosmische
entiteiten, die overeenkomen met hun menselijke tegenhangers, terwijl
aan de rechterkant de Sanskrietequivalenten voor de menselijke elementen
worden vermeld (deze vergelijkingen gelden slechts bij benadering).
Het diagram bevat ook hiëroglifische figuren, zoals de open armen
die hier het ‘model’ of het astrale lichaam voorstellen,
dat de ‘vorm’ van het fysieke lichaam in stand houdt tijdens
de voortdurende uitwisseling van deeltjes tussen het lichaam en de omgeving.
Wanneer de opgeheven armen gekleurd zijn, gewoonlijk rood, stellen ze
de levensenergie of prana voor.
Andere tradities delen de elementen die ons samenstellen op uiteenlopende
manieren in: viervoudig, zevenvoudig, of meer; sommige indelingen hebben
te maken met de gewaden of ‘lichamen’ door middel waarvan
de karakteristieke eigenschappen zich tot uitdrukking brengen, andere
betreffen de respectieve essenties. Maar ze doelen alle op dezelfde
processen van de menselijke ontplooiing van vermogens van binnenuit.
De levenwekkende goddelijke vonk – monade, van het Griekse monos,
één; Sanskriet atman, zelf – zendt een
straal van zichzelf door de verschillende spectra van materialiserende
substantie heen totdat deze het rijk bereikt dat we als stof waarnemen.
Deze goddelijke energie, voorgesteld door de vertikale lijn in het diagram,
emaneert bewustzijnscentra en voertuigen die daarbij passen. En deze
kosmische manifestaties hebben alle hun menselijke tegenhangers.2
Het belangrijke kenmerk van deze vergelijking van kosmische en menselijke
eigenschappen is dat er geen scheiding is tussen het kleine en het grote.
De microkosmos belichaamt en ontwikkelt zich stap voor stap met zijn
ouder, de macrokosmos.
Wat Egyptologen de ‘goden’ hebben genoemd, werd in het
oude Egypte met Neter aangeduid. Dit woord is door R.A. Schwaller
de Lubicz vertaald met ‘beginselen’, zinspelend op de leidende
intelligenties/energieën die het kosmische milieu samenstellen.*
Volgens De Lubicz omvat ‘de heilige wetenschap’ het denkbeeld
dat ‘de geestelijke opgang van de mens het pad is dat verwezenlijkt
moet worden’ in onszelf.3
Het diagram wijst op het tevoorschijn komen van de menselijke essentie
uit de uitgestrekte kosmos, die niet alleen de ouder maar ook de onderhouder
en de gulle schenker van het leven zelf is. Links zien we Ra (of Re),
niet de zon, maar de ‘Heer’ of de essentie van de zon die
de bol waarmee we vertrouwd zijn geraakt bezielt en overtreft. De cirkel
op de aslijn stelt Ra voor, en het paramatman: het Sanskrietwoord voor
‘verder dan atman’. De naaf of het middelpunt van de cirkel
is de goddelijke vonk die in het Egyptisch Ren wordt genoemd,
de ‘geheime naam’ die alleen bekend is aan onze innerlijkste
essentie, en misschien kent zelfs Deze haar niet, omdat ze
onafgebroken in een staat verkeert waarin ze van binnenuit het potentieel
tot ontwikkeling brengt. Osiris en atman staan voor het eerste verschijnen
uit de individualiteit en is in de mens Aakhu (of Khu). Osiris gaf uitdrukking
aan kosmische krachten door middel van Isis, zoals atman dat doet door
buddhi of geest. Het woord Khaibit, dat ‘schaduw’ betekent,
komt op alle gebieden voor waar essenties werkzaam zijn; met andere
woorden, de Khaibit was blijkbaar niet beperkt tot de ‘schaduw’
of persoonlijkheid, zoals dit in moderne teksten wordt aangegeven.

De emanatie die Ba wordt genoemd en gewoonlijk met ‘ziel’
wordt vertaald, is eigenlijk het hogere denkvermogen, de nous van Plato
en andere Griekse schrijvers. De weerspiegeling hiervan in de mens wordt
Ab genoemd, het ‘spiegelbeeld’ van Ba, en wordt hiëroglifisch
voorgesteld door een schaal (of een hart). De rechthoek met de schuine
zijde links is het ‘niveau’ waarop Thoth (of Tehuti)
staat in sommige afbeeldingen van Oordeelscenes, waarin het hart in
de weegschaal wordt gewogen tegen de veer van de waarheid. Thoth als
het denkvermogen van Atum of de ‘godheid’, vertegenwoordigt
het kosmisch denkvermogen, de logos uit de eerste verzen van het evangelie
van Johannes. We moeten tevens bedenken dat Set niet correspondeert
met het westerse begrip van het kwaad of Satan, want als het tegengestelde
van Osiris stond Set voor de stof, inert of onvruchtbaar zoals
de Sahara. Set stond ook voor de begeerte of emotie, in het Sanskriet
kama.
Het bovenste deel van het diagram vormt een driehoek of drieëenheid,
terwijl de figuren daaronder een vierkant vormen met de opgeheven armen,
die het ‘modellichaam’ aangeven van het stoffelijk voertuig
of het omhulsel van het gehele samenstel. Ons fysieke lichaam was Khat
in het Egyptische stelsel, gesymboliseerd door een vis die gestrand
op de kust ligt: een hiëroglief voor het denkbeeld, dat waar we
het meest mee vertrouwd zijn, de neerslag is van een fijnere substantie
dan de stof die onze zintuigen onthullen. Op het niveau van het ‘modellichaam’
bevindt zich de Neter Anubis Anpu: ‘Hij die wegen opent’
naar goddelijkheid. In de afgelopen jaren zijn erg raadselachtige Egyptische
teksten vertaald in The Ancient Egyptian Book of Two Ways [Het
oude Egyptische boek van de twee wegen], een academisch proefschrift
van Leonard H. Lesko.4 Er bestaat
een vignet met daarop een menselijk lichaam met twee hoofden die in
tegengestelde richting kijken: het ene is van Horus met een havikskop,
het andere van Set met een dierekop, die de geestelijke en stoffelijke
polen in ieder van ons voorstellen. De Ankh was de hiëroglief voor
het stadium van onze levensmanifestatie: de cirkel erboven, soms in
de vorm van een traan (‘tranen van Isis’) en de Tau waarop
deze was vastgehecht, het stoffelijk voertuig.
Al deze opmerkingen vormen de kern van wat het diagram illustreert.
Hoeveel ingewikkelder zijn we niet dan volgens de moderne psychologie
– want we gaan ver uit boven de vibraties van ons persoonlijk
zelf, die worden afgeschilderd als ‘gemoedstoestanden’ en
andere uitingen van onze reacties op de dagelijkse gebeurtenissen! Deze
laatste zijn als de golven van de zee: oppervlaktebewegingen, die niets
van de diepten van de oceaan laten zien. Onze eigen innerlijke diepten
zijn inderdaad zeer diep, en reiken tot de wortel van de kosmos.
Noten
- Zie Sunrise, jan. 1977 en feb. 1981 voor
een diepergaande toelichting van deze traditie.
- Vergelijk ‘Egyptian Teachings in the Light of
Theosophy’, L. Whellams en I.M. Oderberg, The Theosophical
Forum, dec. 1941.
- The Sacred Science: The King of Pharaonic Theocracy
(Engelse vertaling) New York, 1982.
- Besproken in Sunrise, sept/okt 1985.