Wie zijn wij, als mens? De tegenstrijdige definities die de westerse
religieuze en wetenschappelijke orthodoxie daarvan geven zijn pessimistisch:
de zondige schepselen van een ondoorgrondelijke God, of volslagen materialistische
dieren die zich hebben ontwikkeld door toevallige fysische processen.
De moderne psychologie werd op deze grondslagen gevestigd en pas onlangs
hebben enkele psychologen een vollediger en positiever beeld van de
mens als een fysiek, psychisch en spiritueel wezen geaccepteerd. Tegelijkertijd
begint de kunstmatige scheidslijn in het westen tussen wetenschap en
religie, en tussen geest en stof te vervagen, naarmate wetenschappers
steeds meer gebruik maken van de overleveringen van de wereld om inzicht
te krijgen in de menselijke staat en onze plaats in het heelal.
Om aan godsdienstige vervolging en controle te ontkomen, hebben westerse
geleerden het metafysische en niet-stoffeljke uit hun uitspraken over
de materiële wereld weggelaten. De psychologie als wetenschappelijke
discipline accepteerde in de eerste helft van de 20ste eeuw de materialistische
19de eeuwse theorieën als een axioma. Een voorbeeld van deze houding
is het behaviourisme, dat zich geheel bezighoudt met neurologische reflexen
en prikkels en reactiemechanismen om er achter te komen hoe gedrag kan
worden voorspeld, beheerst en gemanipuleerd. De theorieën ervan
zijn hoofdzakelijk gebaseerd op dierproeven en wijzen onderzoek van
het innerlijk van de mens af als irrelevant.
De school van de psychologie met de grootste invloed op onze beschaving
is de klassieke psychoanalyse, geïntroduceerd door Sigmund Freud.
Hij vormde zijn ideeën op basis van materialistische fysische en
medische wetenschappen en kwam met een deterministische, reductionistische,
mechanistische kijk op de menselijke aard, die berustte op de theorie,
dat aangeboren lagere instincten de basis vormen van de menselijke psyche.
De sterkste van de driften was de sexualiteit, gevolgd door die van
agressie en angst voor de dood. Freud concludeerde dat de menselijke
psyche is samengesteld uit het individueel onbewuste en id (lagere instincten),
waaruit het ego en de superego voortspruiten, alles gedomineerd door
onderliggende instincten – een eventueel hoger menselijk gedrag
werd of verworven of opgelegd, maar was niet natuurlijk.
Ofschoon veel van hun theorieën zijn aangepast, vervangen of verworpen,
hebben behaviourisme en psychoanalyse nog veel invloed. Beide maken
echter de fout om wat geldt voor de oppervlakkige gebieden van het menselijk
bewustzijn, te generaliseren naar de aard van de totale mens. Abraham
Maslow, die zulke denkwijzen verwierp, gaf in het begin van de jaren
zestig de stoot tot de humanistische psychologie. Deze beweging wijst
erop dat het een misvatting is om theorieën voornamelijk te baseren
op de resultaten van studies met dieren of neurotische en psychotische
patiënten, omdat die voorbijgaan aan onze unieke menselijke aspiraties
en edele eigenschappen. In plaats daarvan richt Maslow zich op gezonde,
aan zichzelf werkende mensen, en gelooft dat de mens een ingeboren hiërarchie
bezit van hogere waarden en behoeften, alsmede de neiging om naar groei
te streven. Hij zegt ook dat mystieke of ‘piek’ervaringen
eerder bovennormaal zijn dan pathologisch en legt de nadruk op persoonlijke
vrijheid, het vermogen van het individu om zijn eigen leven te bepalen
en te beheersen, de eenheid van lichaam en geest, en de betekenis van
onderlinge relaties.
In 1976 ging Maslow een stap verder en formuleerde de beginselen van
de transpersoonlijke psychologie, gebaseerd op de gedachte dat spirituele
ervaringen en hogere menselijke behoeften en eigenschappen niet kunnen
worden teruggebracht tot, of afgeleid van, lagere instincten. De transpersoonlijke
psychologie erkent de geestelijke en kosmische aspecten van het menselijk
bewustzijn en de mogelijkheid voor het bewustzijn om te evolueren. Ze
bouwt voort op de ideeën van Carl Jung, die de nadruk legde op
de betekenis van de onbewuste, mysterieuze, mystieke, niet-rationele
en scheppende elementen van het bewustzijn en het bestaan suggereerde
van een collectief onderbewustzijn, waartoe de hele mensheid toegang
heeft. De transpersoonlijke psychologie, een veelomvattende denkwijze,
erkent het bestaan van ervaringsgebieden buiten de fysiologische, biografische
en individuele, en houdt rekening met kosmische, spirituele, vorig-leven
en voorgeboortelijke ervaringen, zowel als met sjamanistische verschijnselen,
veranderde bewustzijnsstadia, mythen en archetypen, enz.
De terugkeer van een spirituele dimensie in de psychologie beïnvloedt
de manier waarop symptomen van ‘mentale ziekten’ worden
gezien en behandeld, en ook onze kijk op de menselijke groei. Bijvoorbeeld,
als we mensen zien als meer dan hun alledaagse zelf, betekent dit een
andere benadering van het ego:
het voornaamste probleem is niet het beschermen en
opbouwen van een ego . . ., maar het scheppen van een ondersteunend
raamwerk waarbinnen het ego zich door ervaring kan overstijgen. De
ervaring van de dood van het ego en de daaropvolgende ervaringen van
eenheid . . . worden dan bronnen van nieuwe kracht en persoonlijke
identiteit.1
De waarde van het overstijgen van het ego wordt in het Verre Oosten
algemeen erkend, waar de noodzaak van deskundige begeleiding en onderricht
bij dit streven vanzelfsprekend wordt gevonden: zeer reële gevaren
wachten diegenen, die zich alleen en onvoorbereid storten op het ervaren
van onbekende bewustzijnstoestanden. Geconfronteerd te worden met ons
gehele zelf betekent, dat we uiteindelijk onze negatieve, egocentrische,
onbeheerste gedachten en emoties tegenkomen – deze zijn actieve
entiteiten en niet alleen abstracties. Zodra we de betrekkelijke veiligheid
van het stoffelijk lichaam en het gewone bewustzijn verlaten, ontmoeten
we dergelijke bewoners van de etherische, oorzakelijke gebieden. Als
we deze zelf-geschapen energieën niet kunnen herkennen voor wat
ze zijn, en de aspecten van onszelf die deze voortbrengen en voeden
niet hebben omgevormd, kunnen we er gemakkelijk het slachtoffer van
worden en, in extreme gevallen, vatbaar zijn voor astrale bezetenheid,
krankzinnigheid, ziekte of zelfs de dood. Het volgende verslag uit de
eerste hand van iemand die zijn mentale evenwicht daarbij tijdelijk
verloor, geeft een levendige beschrijving van deze toestand:
In mijn poging de andere wereld binnen te dringen
ontmoette ik haar natuurlijke bewakers, de belichaming van mijn eigen
zwakheden en gebreken. Eerst dacht ik dat deze demonen lagere bewoners
waren van de andere wereld, die mij als een bal konden bespelen, omdat
ik deze gebieden onvoorbereid binnenkwam en er verdwaalde. Later dacht
ik dat het afgesplitste delen van mijn eigen gedachten (hartstochten)
waren, die zich dicht bij me in de vrije ruimte bevonden en gedijden
op mijn gevoelens. Ik geloofde dat iedereen die had, maar ze niet
waarnam dankzij de succesvolle bescherming van het bedrieglijke gevoel
van een persoonlijk bestaan. Ik dacht dat dit laatste een product
was van het geheugen, gedachten-complexen, enz., een pop die aardig
genoeg was om van buiten naar te kijken, maar niets werkelijks in
zich had.
In mijn geval was het persoonlijk zelf poreus geworden
door mijn vervaagde bewustzijn. Door middel daarvan wilde ik mijzelf
dichter bij de hogere bronnen van het leven brengen. Ik had mezelf
gedurende een lange periode hierop moeten voorbereiden door in mij
een hoger, onpersoonlijk zelf op te roepen, want ‘nectar’
is niet bestemd voor sterfelijke lippen. Het werkte destructief op
het dierlijk-menselijk zelf, en splitste dit in onderdelen. Deze vielen
geleidelijk uiteen, de pop was echt kapot en het lichaam beschadigd.
Ik had ontijdig de toegang geforceerd tot de ‘bron van het leven’,
en de vloek van de ‘goden’ daalde op mij neer. Ik zag
te laat in dat er duistere elementen in het spel kwamen. Ik ging ze
leren kennen nadat ze al te veel macht hadden gekregen. Er was geen
weg terug. Ik was nu in de geestenwereld die ik zo graag had willen
zien. De demonen stegen op uit de peilloze afgrond, zoals de bewaker
Cerberus, om onbevoegden de toegang te ontzeggen. Ik besloot om de
strijd op leven en dood aan te gaan. Dat betekende uiteindelijk voor
mij een beslissing om te sterven, omdat ik alles opzij moest zetten
dat de vijand instand hield maar dat was ook alles dat het leven in
standhield. Ik wilde sterven zonder gek te worden en stond voor de
Sfinx: ofwel jij de afgrond in of ik!
Toen kwam er verlichting. Ik vastte en drong zo binnen
in de ware aard van mijn verleiders. Het waren handlangers en bedriegers
van mijn geliefd persoonlijk zelf, dat even waardeloos leek als zij.
Een groter en ruimer zelf kwam tevoorschijn en ik kon de vorige persoonlijkheid
met haar gehele entourage afstoten. Ik zag dat deze vroegere persoonlijkheid
nooit bovenzinnelijke gebieden zou kunnen binnengaan. Ik voelde daardoor
een scherpe pijn als een vernietigende slag, maar ik was gered. De
demonen verschrompelden, verdwenen en vergingen. Er begon voor mij
een nieuw leven en voortaan voelde ik me anders dan anderen. Een zelf
dat bestond uit conventionele leugens, schijn, zelfbedrog, geheugenbeelden,
een zelf zoals dat van anderen, ging weer in me groeien, maar daarachter
en daarboven stond een groter en meeromvattend zelf dat me doordrong
met iets dat eeuwig, onveranderlijk, onsterfelijk en onschendbaar
is en dat sindsdien altijd mijn beschermer en toevlucht is gebleven.
Ik geloof dat het voor velen goed zou zijn als ze bekend zouden zijn
met zo’n hoger zelf en dat er mensen zijn die dit doel met vriendelijker
middelen hebben bereikt.2
Wat zijn deze ‘vriendelijker middelen’? Mystici, wijzen
en geestelijke leraren van alle tijden en culturen zijn tot op zekere
hoogte in deze innerlijke onderneming geslaagd. Psychologen die zulke
verschijnselen serieus onderzoeken ontwikkelen eveneens therapeutische
middelen om mensen te helpen tot een positieve oplossing te komen. Deze
moderne praktijken verkeren echter nog in een experimenteel stadium
en sommige therapeuten en psychologen wenden zich voor inspiratie en
leiding tot de geestelijke tradities van de wereld, de schatkamer van
de mystieke en spirituele bevindingen van de mens, waarvan elk methoden
aanbiedt ter voorbereiding van zoekers naar het bovenzinnelijke.
Het boeddhisme bijvoorbeeld is fundamenteel een praktisch programma
dat leidt naar het bereiken van absoluut bewustzijn en onbelemmerde
waarneming van de werkelijkheid, en zijn ingewikkelde psychologie heeft
grote praktische waarde voor wie zich bezighouden met zelfonderzoek.
In zijn beschouwing van wat de mens is benadrukt het boeddhisme dat
ons gevoel van egoïteit een illusie of begoocheling is, gevormd
tijdens levens van foutieve waarneming van de werkelijkheid op materiële
gebieden. Ieder mens is een centrum waaromheen bundels eigenschappen
zijn verzameld, die gedurende ieder leven worden gewijzigd, bij de dood
worden afgeworpen en weer door dat ‘centrum’ worden aangetrokken
als dit opnieuw incarneert, aangetrokken tot het aardse leven door de
begeerte naar het stoffelijk bestaan.
In deze zin is het ego dat wij identificeren als ons zelf een illusie,
opgebouwd uit gedachten, emoties, herinneringen en bewustzijnsgewoonten.
Ons bestaan is een stroom bewustzijnsenergieën die we voortdurend
in beweging zetten, hoewel we onszelf als relatief permanent beschouwen.
Op dezelfde manier lijkt ons lichaam gedurende lange perioden relatief
onveranderd, ofschoon de substantie ervan aan voortdurende verandering
onderhevig is. Zoals G. de Purucker zegt:
Er bestaat geen blijvende, eeuwigdurende ziel die
van leven tot leven gaat, en als het ware in voor haar vreemde, menselijke
lichamen afdaalt. Die gedachte is een product van de verbeelding.
Maar wel is er bewustzijn dat zich in velerlei vormen uitdrukt, en
elke incarnatie is slechts het karma, de vrucht van het onmiddellijk
daaraan voorafgaande. Dat bedoelde Gautama Boeddha met zijn leer dat
het een illusie is dat er in de mens een eeuwige, onsterfelijke ziel
bestaat, die na zijn dood eeuwig in de hemel vertoeft; want alles
wat van een mens bij zijn dood overblijft, is zijn karma. Wat een
mens is op het ogenblik van zijn stoffelijke ontbinding is hijzelf,
dat wil zeggen, zijn karma, het resultaat van wat hij het voorafgaande
ogenblik was. Niet een van ons is in ieder opzicht precies dezelfde
die we een seconde daarvoor waren; in nog mindere mate zijn we nu
wat we een jaar geleden waren.
– Bron van het Occultisme,
blz. 465
Iedere entiteit, gebeurtenis of eigenschap is het gevolg van een voorafgaande
oorzaak. Door onze beslissingen en daden vormen we onszelf en beheersen
ons lot. Menselijke groei ligt in het transcenderen van het beperkte
idee van een zelf of een ego om zo een steeds helderder beeld van de
werkelijkheid te krijgen door zuivering en verscherping van het bewustzijn.
In het boeddhisme zijn de ‘vriendelijker middelen’, die
bij dit proces betrokken zijn, samengebracht in de discipline van het
Achtvoudige Pad dat door Gautama Boeddha zelf werd uiteengezet –
juiste opvatting, juist besluit, juist spreken, juist gedrag, juiste
bezigheid, juiste inspanning, juiste overpeinzing en juiste concentratie.
Deze oefeningen brengen uiteindelijk alle aspecten van het leven van
een mens in harmonie, terwijl ze het bewustzijn trainen en zuiveren.
Van even groot belang is het beoefenen van de bovenzinnelijke deugden
– edelmoedigheid of liefde, deugdzame voorschriften, geduld, geestkracht,
onverschilligheid voor plezier en pijn, meditatie en intuïtieve
wijsheid; soms worden hieraan onverzettelijke moed, onderscheidingsvermogen
en volmaakte verlichting toegevoegd. Door het beoefenen van deze deugden
worden egoïsme en illusie bij de wortels afgesneden.
Wanneer iemand is bevrijd van gehechtheid aan het zelf en aan de verschillende
geopenbaarde werelden, en grondig is getraind en gezuiverd door op de
juiste manier te leven en te denken, en de bovenzinnelijke deugden te
beoefenen, overstijgt hij de begoochelingen van de materiële werelden.
In het algemeen zijn er voor een menselijk bewustzijn onafgebroken inspanningen
gedurende vele levens nodig om zo bewust of volmaakt te worden. Bij
het bereiken van dit stadium van verlichting moet de mens kiezen of
hij het nirvana zal binnengaan – een absolute en onbeperkte staat
van bewustzijn – om te ontkomen aan het lijden van deze wereld
en eonen van geluk te ervaren, of dat hij achterblijft om te werken
ten voordele van alle andere levens op hun reis naar uiteindelijke verheffing.
Dit is de beslissing die verborgen ligt achter alle pogingen tot groei,
alle ambities en aspiraties, alle verlangens naar het bovenzinnelijke
en naar geestelijke vervulling. En de keuze van het pad hangt af van
het motief van het zoeken: persoonlijk succes en redding, of altruïsme
en een allesomvattende liefde. Welk doel is edeler? Mededogen spreekt
en zegt: ‘Kan er gelukzaligheid zijn, wanneer al wat leeft moet
lijden? Zult u gered worden en de hele wereld horen klagen?’3
Ofschoon een beslissing over het nirvana nog ver achter onze huidige
horizon ligt, lopen we nu op ieder moment vooruit op het doel dat we
dan zullen kiezen door de motieven achter onze daden en onze levenswijze.
In feite hangt ons succes of ons falen als mensen af van de vraag of
we ons richten op zelfzucht of onzelfzuchtigheid.
In deze tijd worden de axioma’s en theorieën die het westerse
denken lang aan banden hebben gelegd steeds meer in twijfel getrokken.
Moderne opvattingen over het wezen van de mens vormen een spectrum dat
zich uitstrekt van de traditionele christelijke en materialistische
tot de freudiaanse, darwinistische, humanistische, transpersoonlijke
en die van de wereldreligies – in eindeloze combinaties. Wat een
smorgasbord is hier voor ons uitgestald! Daaruit moeten wij
bepalen wat gezond en realistisch is, wat slecht is bereid of giftig
en wat het product is van wensdromen of van weinig nadenken. Er is een
nieuwe westerse synthese aan het ontstaan, die ervaring en wetenschappelijke
bevindingen combineert met elementen van het metafysische erfgoed van
de gehele mensheid. Een legioen van constructieve en destructieve praktijken
en leerstellingen vragen om wetenschappelijke en algemene acceptatie
en het is vaak moeilijk hierin het kaf van het koren te scheiden. De
komende decennia zullen uitmaken of de nadruk zal liggen op het spirituele
of op het sensationele, op zelfdiscipline of genotzucht, kennis of bijgeloof,
egoïsme of altruïsme. Door te weigeren theorieën –
wetenschappelijke of andere – op geloof of gezag te accepteren,
maar ze zelf zorgvuldig te beoordelen, kan ieder van ons bewust deelnemen
aan dit proces, waarvan het leidend beginsel is ‘ken uzelf’.
Noten
- Stanislav Grof, Beyond the
Brain, blz. 160; Ned. vertaling: Geboorte, dood en transcendentie:
nieuwe dimensies in de psychologie, Rotterdam, Lemniscaat,
1987.
- Uit Karl Jaspers, Algemene
Psychopathologie, geciteerd in R.D. Laing, Politics of
Experience, blz. 134-6.
- H.P. Blavatsky, De Stem van
de Stilte, blz. 68.