Een oproep tot broederschap: de ware boodschap van Jezus
Ina Belderis

 

Boekbespreking: Rescuing the Bible from Fundamentalism: A Bishop Rethinks the Meaning of Scripture [De bijbel behoeden voor fundamentalisme: een bisschop heroverweegt de betekenis van de Schrift], John Shelby Spong, HarperSanFrancisco, 1991; met noten, bibliografie en index, 281 blz., isbn 0-06-067518-7, gebonden. Spong is de Anglicaanse bisschop van Newark, New Jersey, USA.


 

Ik kies voor onzekerheid en het streven naar waarheid. Het alternatief, denk ik, is zekerheid en het scheppen van een tot ondergang gedoemde afgoderij.      – blz. 232

Dit is een van de opmerkelijke conclusies van John Shelby Spong in Rescuing the Bible from Fundamentalism: A Bishop Rethinks the Meaning of Scripture. Hij maakt zich zorgen over een fundamentalisme dat in christelijke kringen veld wint en aandringt op een letterlijke interpretatie van de bijbel en ook over een onrustbarende onbekendheid met de inhoud van de bijbel bij christenen die bij de voornaamste richtingen zijn aangesloten. Terwijl hij wijst op de problemen die ontstaan als men de bijbel letterlijk opvat, verschaft hij een kader waarbinnen de boodschap van de bijbel – en van Jezus in het bijzonder – voor moderne mannen en vrouwen van betekenis kan zijn. Het resultaat is een inspirerend boek dat tot nadenken stemt, en dat qua strekking ver uitgaat boven het beeld dat de meeste mensen van de christelijke godsdienst hebben.

Door de eeuwen heen werd de bijbel door veel christenen beschouwd als het onfeilbare woord van God dat letterlijk diende te worden opgevat. Door Spongs eigen bijbelstudie viel dit hem hoe langer hoe moeilijker. de bijbel bevat een overvloed aan verhalen over tribale gewelddadigheden: stamveten, overspel, aanrandingen, scheldpartijen, bekrompenheid, valse getuigenverklaringen, antisemitisme, diefstal, moord, en de rechtvaardiging daarvan. Het fundamentalisme ziet deze verhalen als het door God geïnspireerde woord en beweert dat de bedoeling ervan is de waarden van gerechtigheid onder de aandacht te brengen en te beklemtonen. Maar Spong gelooft dat het werkelijke doel van zo'n letterlijke interpretatie rechtvaardiging van vooroordelen is, doordat men zich verbindt met een levensvisie die geen uitdaging door nieuwe kennis of inzichten duldt. Nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen van algemene aard zowel als binnen het bijbelonderzoek maken een letterlijke interpretatie van de bijbel onhoudbaar. Bovendien kan Spong geen eerbied hebben voor de God die ons het fundamentalisme voorhoudt, omdat de behoeften en vooroordelen van die godheid minstens even groot zijn als die van hemzelf.

Wat Spong aanbeveelt, is de theologische waarheid te scheiden van intuïtief begrip en haar opnieuw te beschouwen op een wijze die meer overeenkomt met onze eigen ideeën over de werkelijkheid, want dan

wordt de bijbel niet een letterlijk te nemen wegenkaart naar de werkelijkheid, maar een historisch verslag van de reis die onze godsdienstige voorouders hebben gemaakt, waarin de mens eeuwig op zoek was naar begrip van het leven, de wereld, zichzelf en God.

. . . We zoeken en vinden betekenis in het goddelijke, niet altijd zozeer in een uiterlijke God, als wel in de diepste kern van ons menszijn, maar het is niettemin het goddelijke. We ontdekken in onszelf een bovenzinnelijke geest. . . . . We beginnen langzamerhand tot het besef te komen dat God wellicht niet van ons gescheiden bestaat, maar veeleer diep binnenin ons. Het idee omtrent God als het totaal van alles wat is, plus iets meer, wordt steeds aannemelijker.      – blz. 33

De schrijver denkt dat er geen toekomst is voor de christelijke religie als het wezenlijke van de christelijke waarheid niet kan worden losgemaakt uit het fenomenalistische kader van lang vervlogen eeuwen.

Spong is er sterk tegen gekant het brein in ‘een eerste-eeuwse kronkel’ te wringen door vast te willen houden aan beelden die echt niet harmoniëren met onze kennis of ervaring. ‘Ik probeer het bijbelverhaal in een referentiekader te plaatsen dat mijn lezers in staat stelt de realiteit van vandaag te accepteren en te zien wat die werkelijkheid doet voor oude religieuze aanspraken en welke mogelijkheden ze schept voor een nieuw inzicht in de bijbel’ (blz. 38). Daartoe neemt hij de lezer mee op reis door het Oude en het Nieuwe Testament.

In de eerste plaats ontvingen de schrijvers van de verschillende bijbelboeken hun informatie via mondelinge communicatie. Voor het Oude Testament geldt dat de mondelinge overleveringen vele honderden jaren oud waren vóór ze werden opgeschreven. Het gaat echt te ver om voor de resultaten van zo'n werkwijze aanspraak op onfeilbaarheid te maken. De meeste bijbelgeleerden zijn het erover eens dat het Oude Testament zoals het is geschreven, werd gebaseerd op vier documenten uit verschillende tijden en plaatsen, die tenslotte zijn verenigd tot één bijbelverhaal. Het jahwistische document is het oudst en werd in Jeruzalem geschreven in de tiende eeuw v.Chr. God wordt daarin Jahweh genoemd en dit duidt op het overwicht van de provincie Judea. In de negende eeuw werd de elohistische variant van de geschiedenis van Israël samengesteld. Daarin wordt God Elohim genoemd en ze vertegenwoordigt het gezichtspunt van het noordelijke rijk. Spong wijst erop dat tegenstrijdigheden in de tekst van het Oude Testament vaak het gevolg zijn van het feit dat de poging om deze twee versies met elkaar in overeenstemming te brengen nooit werd voltooid.

In de zevende eeuw werd in de tempel in Jeruzalem een wetsrol gevonden die aan Mozes werd toegeschreven. Bekend als Deuteronomium, riep ze op tot godsdienstige hervormingen en werd aan de jahwistische en elohistische verhalen toegevoegd. De resulterende tekst, bewerkt in het licht van deuteronomische inzichten, legde de nadruk op zuivering, verwijdering van vreemde riten en centralisatie van de eredienst onder het priesterschap van Jeruzalem. Alle andere tempels werden gesloten. In het begin van de zesde eeuw v.Chr., toen Judea werd veroverd, nam het volk de jahwistisch-elohistisch-deuteronomische bewerking mee in ballingschap. Daar onderging de geschiedenis van Israël haar laatste en meest uitgebreide herziening: ‘De jahwistisch-elohistisch-deuteronomische versie van de Hebreeuwse heilige traditie werd grondig door de priester-schrijvers aangepast teneinde de oude priestertradities erin op te nemen en om de heiligheid door de hele joodse geschiedenis van die tradities te bevestigen die nu van gelovige joden werd verlangd’ (blz. 53).

Zelfs in het Nieuwe Testament is er een tijdsafstand tussen het gesproken woord van Jezus, die zelf niets heeft geschreven, en de eerste verklaringen over hem. Jezus sprak hoogstwaarschijnlijk Aramees, maar de geschreven bronnen zijn allemaal in het Grieks. Wat is er bij het vertalen verloren gegaan of toegevoegd? De oudste geschriften zijn de brieven van Paulus (52 – 54 n.Chr.). De vier evangeliën zijn in de vijf decennia daarna geschreven. Dit betekent dat na de dood van Jezus 20 tot 70 jaar zijn verstreken vóór er iets over hem werd geschreven – een nogal wankele basis om onfeilbaarheid en letterlijke interpretatie op te baseren. Paulus heeft zeker niet alle aan hem toegekende brieven zelf geschreven. Men moet niet vergeten dat hij Jezus nooit persoonlijk heeft ontmoet en toen hij schreef was nog geen van de evangeliën op schrift gesteld. Bovendien werden de geschriften van Paulus toen niet als heilig beschouwd en zijn betrekkingen met de eerste leiders in Jeruzalem waren gespannen. Als man van zijn tijd weerspiegelde Paulus de normen van die dagen: hij accepteerde het patriarchale gedrag van zijn tijd ten opzichte van vrouwen, en ook de slavernij. De woorden van Paulus als het onfeilbare woord van God te beschouwen, schept heel wat problemen.

Marcus, dat als het vroegste evangelie wordt beschouwd (65 – 75 n.Chr.), blijkt in Rome te zijn geschreven in gebrekkig Grieks met een verwarrende zinsbouw. Het legt sterk de nadruk op een titanische worsteling tussen God de schepper en de demonische geesten onder leiding van Satan, die de schepping hebben overgenomen. In Marcus schijnt de goddelijke aard van Jezus te liggen in zijn vermogen om die demonische krachten uit te drijven – het bevat geen verhaal over opstanding. Hij zag het onschuldige lijden van de rechtschapen afgezant van God als de weg naar verlossing: vereenzelviging met het slachtoffer in zijn lijden zou de mogelijkheid vergroten vergiffenis en beloning te ontvangen.

Het Evangelie naar Mattheüs, waarschijnlijk in het volgende decennium geschreven in Antiochië, biedt een heel ander perspectief. Al wordt voor zo'n 90% gebruik gemaakt van het materiaal in Marcus en verbetert het zijn Grieks, komt Spong door kleine nuances tot de overtuiging dat de auteur een conservatief denkende Levitische jood was. Deze toonde grote belangstelling voor Israël als het uitverkoren volk en voor Jezus als de belichaming van een nieuw Israël, waarbij hij uitgebreid gebruik maakt van de joodse geschriften om zijn stelling te bewijzen. Waar hij gebruik- maakte van Marcus, bracht Mattheüs1 veranderingen aan – het is duidelijk dat Mattheüs Marcus niet letterlijk onfeilbaar achtte. Bij iedere stap paste Mattheüs zijn verhaal aan door een beroep te doen op de joodse traditie, opdat Jezus de rol van een nieuwe Mozes zou vervullen. Ook wilde hij het leven van Jezus een betekenis geven die verder reikte dan Israël. Voor Mattheüs was de bedoeling van God in Christus dat er een wereldomvattende gemeenschap moest worden opgebouwd.

Na de nederlaag van Israël en de vernietiging van de tempel kwam er vrijwel een einde aan de vooraanstaande positie van Jeruzalem in de jonge christelijke beweging en deze werd in toenemende mate een heidense beweging. Lucas was vrijwel zeker een heiden die tussen 83 en 89 n.Chr. in Caesarea schreef. Lucas, die maar de helft van het materiaal in Marcus gebruikt, schreef in termen van vervolgingen, want in die tijd waren er wetten die het stichten van een nieuwe godsdienst verboden. Hij wilde bewijzen dat het christendom een natuurlijke ontwikkeling was binnen een erkende en gerespecteerde joodse religieuze traditie. Hij was uit op de officiële Romeinse erkenning van de beweging. Lucas gaf een min of meer nieuwe versie van het verhaal van Elia als een ‘middel om zijn heidense publiek ertoe te brengen Jezus te zien als een jood die de universele Christus was geworden’ (blz. 181).

In de eerste drie evangeliën wordt een bepaalde geheimhouding betracht rond de goddelijke oorsprong en identiteit van Christus, maar in het Evangelie naar Johannes (ca. 100 n.Chr.) wordt dit met nadruk verkondigd. Het vierde evangelie steunde ook op Hebreeuwse geschriften en stond sterk onder invloed van de wijsheidsliteratuur van het late judaïsme. Omdat wijsheid een zuivere uitstorting was van de glorie van de Almachtige, verbond Johannes Jezus – als de mensenzoon die uit de hemel op aarde was neergedaald – met dit idee. Omdat God werd beschouwd als de basis van het zijn en ‘IK BEN’ de manier was om het onbeschrijfbare te beschrijven, moest Jezus worden begrepen als deel van het grote ‘IK BEN’ van God. ‘ik ben’ was waar de stelling van de Christus van Johannes (‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, enz.). voortdurend aanspraak op maakte. Spong bespreekt ook het antisemitisme in dit evangelie en legt uit dat het werd geschreven in een tijd van toenemende vijandigheid tussen orthodoxe joden en joodse christenen en eerstgenoemden probeerden de anderen uit de synagogen te verdrijven. ‘Wanneer deze auteur naar de joden verwees, doelde hij duidelijk in hoofdzaak op deze onbuigzame verdedigers van het orthodoxe judaïsme . . . Hij kende ook andere joden die hij niet veroordeelde’ (blz. 201).

Om zijn overzicht van de evangeliën af te ronden, vergelijkt Spong de verschillende kerstverhalen en laat hij zien hoe die overvloeien van onderling onverenigbare tradities, historische onjuistheden en flagrante overdrijvingen. Alleen Mattheüs maakt melding van wijze mannen op kamelen, een ster en de heilige familie die naar Egypte vlucht uit angst voor Herodotus; alleen Lucas maakt melding van herders en een stal met de kribbe, en van Jezus die na 40 dagen in de tempel van Jeruzalem verschijnt. Er zijn ook verschillen en discrepanties tussen de evangeliën en de geschriften van Paulus en van Handelingen (vermoedelijk door Lucas geschreven). Vaak verschillen ze zozeer dat de verhalen onverenigbaar zijn. Bij het vergelijken van de letterlijke interpretaties van twee verschillende bronnen, redeneert Spong: één ervan kan juist zijn, beide kunnen onjuist zijn, maar het is niet mogelijk dat beide juist zijn.

Zulke afwijkingen maken het steeds moeilijker de bijbel te blijven zien als het Woord van God dat letterlijk moet worden opgevat. Spong komt echter tot diepgaande conclusies omtrent de boodschap van Christus. Zelfs al vindt hij een letterlijke opvatting en de aanspraak op onfeilbaarheid onaanvaardbaar, toch gelooft hij dat de bijbel goddelijk is geïnspireerd:

De bijbel is het Woord Gods omdat er universele, tijdloze onderwerpen in worden aangeroerd. Het besef te zijn geschapen terwille van een éénzijn met God, het besef te zijn vervreemd van dat éénzijn en het verlangen daarnaar te worden teruggebracht, zijn aanwezig in de kern van iedere menselijke ziel. . . . De bijbel is het Woord Gods als in de historische herinneringen ervan oorspronkelijke en eeuwige waarheden liggen besloten die we, zelfs nu, kunnen ervaren, opnemen en beleven.

. . . Naar mijn mening is voor alle religieuze stelsels, inclusief het christendom, de tijd aangebroken te kijken naar de waarheid die achter de woorden van iedere grote wereldreligie ligt, die waarheid te respecteren, van die waarheid te leren, . . .           — blz. 75, 171

Een belangrijke vraag voor Spong is: wat betekent Christus voor ons in deze tijd? De schrijvers van de bijbel probeerden hun ervaring in de taal en de beelden van hun tijd weer te geven. Later werden die voor het christendom bindend en onherroepelijk en men verwarde de vorm met waar het werkelijk om ging. Veel klassiek-theologische opvattingen zijn niet-bijbels: onze neiging de bijbel te lezen door Griekse en westerse ogen, kunnen we vaak onze eigen geloofsopvattingen niet scheiden van wat de bijbel inhoudt. Marcus zou bijvoorbeeld een idee als incarnatie niet hebben begrepen, en Paulus was geen aanhanger van de leer van de drieeenheid. Ieder evangelie geeft een ander beeld van Jezus en deelt in de waarheid omtrent Christus, maar ze kunnen hem niet vastleggen in hun voorstellingen. ‘Christus betekende en betekent nog steeds veel dingen voor veel mensen. . . . Christus is inderdaad ‘‘de held met duizend gezichten’’ ’ (blz. 230). Maar er is niets heiligs of eeuwigs aan de woorden die vroegere generaties hebben uitgekozen om hun waarheid uit te drukken.

Spong is ervan overtuigd dat er een samenhang bestaat in het beleven van God in ieder tijdperk, hoewel de woorden die worden gebruikt om uitdrukking te geven aan de ervaringen altijd gedateerd en beperkt zijn. Hij wijst erop dat het goddelijke liefde was die Jezus ervoer en dat ‘de God die liefde is niet met aanbidding kan worden benaderd behalve via de ervaring van te leven in die onvoorwaardelijke eigenschap van liefde’ (blz. 239). Hij wil de kerk openbreken en haar bevrijden van haar vooroordelen. Het leven van Jezus stond ‘in contact met een zo krachtige werkelijkheid dat het aan alle menselijke beperkingen ontsnapte. . . . Jezus leefde, leefde volkomen en in die vibrerende vitaliteit werd God ervaren’ (blz. 240-1). Als we de buitenkant van het christendom afpellen, komen we tenslotte bij de diepste kern ervan – de onvoorwaardelijke liefde van het goddelijke en onze taak om die liefde in ons leven tot uitdrukking te brengen. Jezus is een symbool voor deze liefde, maar dit doet geen afbreuk aan het feit dat hij in feite opnieuw uitdrukking geeft aan de gulden regel van universele broederschap: heb uw naaste lief gelijk uzelve.

 

Verwijzing

  1. De evangeliën werden geschreven ‘naar’ Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes, wat erop duidt dat die namen eerder een denkrichting vertegenwoordigen dan de werkelijke auteurs.
 
Andere artikelen over christendom
 
Boekbespreking: Liberating the Gospels, John Shelby Spong
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency