Boekbespreking: The Egyptian Book
of the Dead: The Book of Going Forth by Day. De eerste Authentieke
Weergave van de Complete Papyrus van Ani met de volledige tekst en afbeeldingen
in kleur. In het Engels vertaald door de Britse Egyptoloog, wijlen dr.
Raymond O. Faulkner, Inleiding en Commentaren van dr. Ogden Goelet jr.,
Voorwoord van Carol A.R. Andrews; Chronicle Books, San Francisco, 1994;
175 blz. 9,5” x 14", paperback. Het bijgevoegde waardevolle
materiaal bestaat uit onderdelen die wel voorkomen in de Thebaanse Recensie
van het Dodenboek maar niet in de Papyrus van Ani. De werkelijke titel
was Reu nu pert em hru, gewoonlijk vertaald als ‘het
boek van het heengaan overdag’, of ‘intrede in het licht’.
Verkrijgbaar bij TUPA.
De nieuwe uitgave van de zeer oude Egyptische Papyrus van Ani, die
nu wordt aangeboden zoals hij er kan hebben uitgezien toen het origineel
duizenden jaren geleden voor het eerst werd geschilderd, is een groot
meesterwerk van de kunst van het uitgeversvak. Ani was ‘koninklijk
schrijver voor alle aan de goden gewijde offergaven’, d.w.z. secretaris/administrateur
van de inkomsten van de voornaamste religieuze instellingen. Het kleinood
op de papyrusrol is het tafereel waarin het oordeel over de ziel wordt
uitgebeeld, het wegen van het hart van Ani op de schaal tegen de veer
van Maat, de Waarheid.
De boekrol werd in 1888 ontdekt door dr. E.A. Wallis Budge, die hem
verwierf voor het British Museum in Londen waar hij conservator van
Egyptische en Assyrische oudheden werd en in een aantal zalen de expositie
van Egyptische kunstvoorwerpen inrichtte. Het is te begrijpen dat hij
enthousiast was over zijn vondst, want het is een prachtige uitbeelding
in kleur die met verfijnd kunstgevoel ‘de oude Egyptische denkwijze
over de mysteriën van leven en dood’ weerspiegelt. Omdat
de papyrus een afmeting had van circa 23 meter bij 38 cm, was het een
geweldige onderneming hem voor transport naar Engeland gereed te maken.
Met de gedachte aan de publikatie ervan in boekvorm, besloot hij de
boekrol in 37 stukken van ongeveer gelijke lengte te laten snijden,
die hij op houten planken liet lijmen voor de verscheping naar Londen.
In 1890 was het Sir Peter Le Page Renouf die de leiding had bij het
tot stand komen van de facsimile-uitgave op ‘olifantsfolio’
(bladzijden van circa 37,5 x 53 cm). Vier jaar later gaf het British
Museum een tweede editie van het facsimile uit, gecorrigeerd door Budge
en in 1895 volgde de eerste vertaling van de papyrus door Budge.
Waarom is deze nieuwe uitgave van de Papyrus van Ani van zo’n
onschatbare waarde? Ongetwijfeld door het herstel van de volgorde van
en het verband tussen tekst en vignetten en het ononderbroken verloop
van de symbolische voorstellingen dat de papyrus oorspronkelijk bood,
maar verloren ging door het willekeurig versnijden van de boekrol in
stroken van gelijke lengte. Maar laat James Wasserman, die op het idee
kwam en de uitvoering van de nieuwe uitgave tot standbracht zelf het
verhaal vertellen:
Eenentwintig jaar geleden ging ik bij Samuel Weisers
occulte boekhandel in New York City werken. Mijn lunchpauzes besteedde
ik aan het verkennen van het souterrain, dat vermaard was om de verzameling
zeldzame boekwerken die daar gedurende meer dan 50 jaar waren bijeengebracht
door ‘s werelds toonaangevende specialisten op het gebied van
metafysische boeken. Tussen de vele stapels bevond zich een facsimile-uitgave
uit 1890 van de Papyrus van Ani, een van de grafboekrollen,
bekend als Het Egyptische Dodenboek. Toen ik het kwetsbare
en bovenmaatse boek vasthield, werd ik overweldigd door de kracht
en helderheid van de 3500 jaar oude gekleurde afbeeldingen en vervuld
van een enthousiasme dat nooit meer is verminderd.
Het Egyptische Dodenboek, juister bekend
als Het Boek van het Naar Voren Treden bij Dag, is een verzameling
van oude religieuze geschriften uit Egypte, die bedoeld waren als
gids voor het leven na de dood. Ani, een aanzienlijke schrijver van
de tempel, koos uit ongeveer 200 beschikbare gebeden, hymnen, bezweringsformules
en rituele teksten de 80 die hem en zijn vrouw Tutu het meest aanspraken
en de portretten van het paar werden tussen de gedetailleerd vervaardigde
hiëroglyfische vignetten geschilderd. Deze aan de persoon aangepaste
boekrol, die met hen zou worden begraven, moest in het leven na de
dood een weg ontsluiten. Als ze erin slaagden de beproevingen waaraan
ze daar werden blootgesteld te doorstaan, verwachtten ze tenslotte
met de goden van het rijke Egyptische pantheon te feesten en zich
met hen te onderhouden.
. . . Sir Wallis Budge . . . gaf daarna opdracht
voor de nauwgezette lithografische facsimile-uitgave van 1890, die
ik bijna een eeuw later zou ontdekken. Helaas was de oorspronkelijke
papyrus beschadigd door lijm op de kwetsbare bladen en door de blootstelling
aan direct zonlicht uit een dakraam boven de museumexpositie. Droevig
was ook de aantasting van het chronologische verband van de papyrus,
veroorzaakt door de ‘duimstok’-methode van Budge bij het
versnijden. Zijn vertaling, die vijf jaar later werd uitgebracht,
onthulde dat hoofdstukken en afbeeldingen vaak achteloos midden in
een zin waren doorgeknipt en dat zorgvuldig vervaardigde complete
afbeeldingen over verschillende bladen waren verdeeld.
Mijn belangstelling voor de wijsheid van de ouden
bracht mij ertoe de tekst te bestuderen van Het Egyptische Dodenboek
(zo genoemd omdat de graftombeplunderaars in de 19e eeuw, die de boekrollen
aan geschiedkundigen te koop aanboden, ze het ‘Boek van de doden’
noemden). Ik trof de vertaling van Budge uit 1895 aan in een eigentijdse
paperbackuitgave. Deze vertaling was bedoeld als bijlage bij de afbeeldingen
in het . . . facsimile, wat nuttig was geweest als ook de boekrol
voor het publiek beschikbaar zou zijn. Ik besefte met een gevoel van
ironie dat ik een van de weinige lezers uit deze tijd was die zelfs
maar op de hoogte waren van het bestaan van de afbeeldingen.1
In 1979 kocht Wasserman Budge’s uitgave van deze zeldzame papyrus
van Donald Weiser, met de bedoeling die te zijner tijd in kleur te reproduceren.
In het voorwoord schrijft hij:
In februari of maart van dat jaar reed ik om drie
uur ‘s ochtends alleen in een verlaten metrowagon, toen ik mijzelf
letterlijk zag ‘kijken’ naar een visioen van het boek,
dat bezig was gestalte te krijgen en dat u nu in handen hebt –
namelijk de prachtige papyrus in kleur, langs de bovenkant van de
bladzijde, met daaronder een leesbare, overzichtelijke Engelse vertaling.
Toen in 1985 de kleurenfoto-editie van de Faulkners Thebe-versie bij
Macmillan uitkwam, dacht ik eerst dat mijn idee al tot verwerkelijking
was gekomen. Maar bij onderzoek van het boek bleek dat het niet in
overeenstemming was met het majestueuze boekdeel dat ik me had voorgesteld.
Nu is het visioen verwezenlijkt – een weergave
van een zeer oude Egyptische papyrus die na 3500 jaar het dichtst
het idee van het oorspronkelijke nadert en waarin de woorden en afbeeldingen
opnieuw als een eenheid zijn behandeld. –
blz. 9
In overleg met geleerden van het British Museum, het Metropolitan Museum
en de New York university, vond het karwei van het hermonteren uiterst
zorgvuldig plaats om de moeilijkheden van eerdere edities en vertalingen
te ondervangen, al staat de Faulkner-vertaling in voor de juiste volgorde
van de nu ononderbroken rij afbeeldingen en teksten, waarbij de Engelse
tekst op dezelfde bladzijde voorkomt als op de oorspronkelijke. Dit
is een ‘primeur’. De nieuwe uitgave geeft nauwkeurig en
in kleur en op bijna magische wijze een beeld van het oude Egyptische
religieuze, filosofische en spirituele denken. Zoals Carol A.R. Andrews
in het voorwoord opmerkt: ‘Het lijdt geen twijfel dat dit op zichzelf
staande prachtige boek een hooggewaardeerd bezit zal worden van ieder
die enige belangstelling heeft voor de wereld van het oude Egypte, en
een toegankelijk instrument voor degenen die zich bezighouden met studie
en onderzoek’ (blz. 12).
 |
. . . Osiris, met Isis en de vier zonen van Horus
(vervolg van eerste plaatje)
|
Westerse Egyptologen hebben de algemene naam ‘Dodenboek’
gebruikt voor verscheidene in graftomben gevonden papyri en voor de
reprodukties ervan op muren van tomben en piramiden, zoals die van de
farao Unas die veel eerder leefde. Maar deze motieven vinden we ook
op tempelmuren waarvan sommige dateren uit een tijd die dichter bij
ons ligt, zoals bijvoorbeeld het mooie tafereel van het ‘wegen
van de ziel’, geschilderd op de muur van de tempel te Deir-el-Medineh.
Het is dus een dwaling de voorstelling van taferelen die dood, begrafenis,
religieuze litanieën en de ‘oordeelscène’ afbeelden,
te beperken tot rituelen die alleen zijn verbonden met de lichamelijke
dood en het verlies van een dierbare door bepaalde families. Want de
ceremonie laat duidelijk zien dat er ooit een systeem van karaktertraining
moet zijn geweest dat in symbolische vorm is uitgebeeld – uiteenlopende
reliëftekeningen en vignetten die kanten van de menselijke natuur
voorstellen waarvan ieder aspect als een reëel wezen werd beschouwd:
elk een noodzakelijk onderdeel van de volledige man of vrouw. Voor de
oude Egyptenaren waren de ‘beginselen’ (neteru) niet zozeer
de gepersonifieerde goden die westerlingen aan het systeem toekennen.
Ze waren veeleer de creatieve intelligenties, energieën en substanties
die de kosmos waar wij bestanddelen van zijn hebben gevormd en die deze
ondersteunen met een bepaald ‘iets’ dat we leven
noemen.
Deze opvatting hebben veel moderne Egyptologen botweg verworpen als
zijnde ‘mystiek’. Maar Budge erkende in zijn commentaar
op het 112e hoofdstuk van de Pert-em-Hru dat de woorden in
de litanieën – sahu, ka, ba, khu,
khaibit, sekhem en ren – duiden op
verschillende componenten van het menselijk wezen.2
Deze woorden komen al voor in de tijd van de piramide-teksten. Men behoeft
slechts van Herodotus het gedeelte over de Egyptische beschaving te
lezen en de verhandeling van Plutarchus Over Isis en Osiris,
of zelfs de vertalingen van Gaston Maspéro van bewaard gebleven
korte verhalen, om op de achtergrond een ander ‘gezicht’
te zien – het mysterieuze dat de Grieken bestempelden met de naam
Egyptische ‘wijsheid’. Inderdaad kan de krachtige invloed
van de oudere beschaving op haar buren worden toegeschreven aan meer
dan alleen ‘het opbouwen van een wereldrijk’, zoals sommige
prozaïsche geleerden aanvoeren, of aan de enorm grote bekwaamheden
die werden gedemonstreerd door het oprichten van zulke geweldige bouwwerken
als de piramiden van Gizeh, de nog altijd mysterieuze sfinx en het reusachtige
tempelcomplex in Karnak, met de kleinere tempel voor Apet, die door
dr. R.A. Schwaller de Lubicz in zijn magnum opus The Temple of Men
zo grondig werd bestudeerd. Het is dit geheimzinnige aanzicht dat uit
de stralende schoonheid van de nieuwe uitgave van Ani’s papyrus
lijkt op te doemen. Toch houdt eerder werk zoals dat van Budge, Schwaller
de Lubicz en dr. M.W. Blackden3 stand
door de eigen kenmerkende waarde ervan.
James Wasserman heeft zijn visioen van een authentieke weergave
van de volledige Papyrus van Ani verwezenlijkt en een stuk van het erfgoed
van de mensheid uit het verre verleden teruggegeven aan het laatste
deel van de twintigste eeuw. Het is van belang op te merken dat onze
eeuw getuige is geweest van de brede verspreiding van materiaal dat
voorheen als heilig en geheim gold. Wat heeft de Papyrus van Ani ons
te bieden in onze tijd van dorre technologie? De overweging van James
Wasserman is:
Ik geloof dat de kracht, wijsheid en geestelijke
visie die in de volgende bladzijden worden aangeboden, buitengewoon
nuttig kunnen zijn voor onze hedendaagse cultuur. Misschien kunnen
we, door onze geestelijke wortels aan het licht te brengen, de gouden
draad die nu nagenoeg verloren is gegaan, opnieuw ontdekken. De oude
Egyptenaren leerden dat de mens die een rein leven leidde en standhield
onder enorme beproevingen, daarna zou aanzitten aan het feestmaal
van de goden. Dit is een in alle opzichten verkwikkend oordeel over
de onvervreemdbare goddelijke aard van de mens. Als wij, als cultuur,
zouden worden herinnerd aan een dergelijke verheven, geestelijke staat,
zou dan het daardoor ontstane gevoel van ware trots ons niet helpen
een einde te maken aan de onverantwoordelijke houding die men overal
in onze wereld aantreft? Per slot van rekening geldt: noblesse
oblige! – blz. 10
Noten
- ‘Re-creating a Classic’, U&lc,
The International Journal of Type and Graphic Design (21:2),
herfst 1994, International Typeface Corporation, blz. 22-3.
- Zie Budge: The Book of the Dead, The Hieroglyphic
Transcript of the Papyrus of Ani, University Books, eendelige
uitgave, 1960, blz. 80-1. Zie ook ‘Een klein heelal,’
Sunrise, sept./okt. 1994, voor bespreking van de voornaamste
elementen van de mens, met gebruikmaking van Egyptische en Sanskrietwoorden.
- Vooral zijn studie over de Psychostasia of
‘het wegen van het geweten’ zoals hij het noemde, een
in eigen beheer uitgegeven, gedrukte vertaling en toelichting van
het ‘Rituel of the mystery of the judgement of the Soul’,
verschenen bij Bernard Quaritch in Londen (z.j.) voor de Societas
Rosicruciana in Anglia. Het onderdeel dat Blackden heeft gekozen is
Ani, B(ritish) M(useum), 10, 470, bladen 29-30.