[Al sinds zijn artistieke jeugd houdt Jaromír
Skrivánek van India. Buiten zijn universitaire opleiding las
hij alles wat hij maar kon lezen over de geschiedenis, tradities,
filosofie en literatuur van dat land. In 1967 en 1974 kon hij als
student een bezoek brengen aan India dankzij de Tsjechische Kunstenaarsbond.
Hij had alleen het hoognodige bij zich: een schetsboek, potloden,
blocnotes, een paar oplettende ogen en een open hart. Zijn reizen
door het land per vliegtuig, trein, bus en vaak te voet waren echte
‘pelgrimstochten naar de tempelsteden’. Zijn Indiase vrienden
maakten het hem mogelijk tot afgelegen en verborgen plaatsen door
te dringen om iets van de ziel van dit mysterieuze land van culturele
tegenstellingen te zien, te schetsen en in zich op te nemen.
Na zijn terugkeer in het toenmalige Tsjecho-Slowakije
schreef en illustreerde hij Za krásami Indie: Op zoek
naar de schoonheid van India. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd
in 1967 door Orbis in Praag en daarna in 1988 door Albatross in diezelfde
stad. We hebben het genoegen onze lezers kennis te laten nemen van
een verkorte versie van hoofdstuk 2, uit het Tsjechisch vertaald door
mevrouw Kamath uit Bombay. — Red.]
Op een winterochtend ging ik in het donker op weg naar een van de heilige
bergen van India, de Satrunjaya, die zich als een violet schaduwbeeld
in de verte tegen de lucht aftekende. Ik had een hele dag klimmen en
een verblijf op de bergtop in het vooruitzicht. Na een muur van grijze
cactussen te hebben gevolgd, bereikte ik de voet van de trap, die zich
over de hele route bergopwaarts tot aan de beroemde tempelstad van de
jains uitstrekte. Toen het licht begon te worden kocht ik twaalf bananen,
stopte ze in mijn tas en begon samen met andere pelgrims omhoog te klimmen.
Ik zag mannen die vlug en handig kleine stoeltjes droegen, met touwen
aan bamboestokken opgehangen, waarin vrolijke kinderen, stevige dames
of gebrilde heren zaten die uit kleine boekjes kalm hun geestelijke
teksten reciteerden.
Ik werd bestormd door een leger bedelaars, maar toen de zon te heet
werd, trokken ze zich terug in de schaduw van de bomen langs het pad.
Bedelende jonge meisjes met naakte kinderen op hun schoot zaten op vodden
in het stof; invaliden en blinde vrouwen met witte ogen riepen om aalmoezen
op een manier die deed denken aan scènes uit oude treurspelen.
Hier ging het niet om een enkeling die bedelde uit eigen behoefte, maar
om een oerschreeuw door onnoemelijk leed. Alsof ik een van de dragers
was, voelde ik die last op mijn schouders rusten, werkelijk een zware
last. Hij was te zwaar. Ik kon hun niets geven, ik kon geen hulp bieden.
De beklimming werd onderbroken door vele pauzes bij kleine schaduwrijke
tempels en kapelletjes, en door het uitzicht over de rode vlakte waarop
kleine dorpjes eruit zagen als her en der verspreid liggende hoopjes
wit zand. Maar uiteindelijk stond ik dan toch bij de stadsmuren van
grijs zandsteen en graniet, bedekt met groen korstmos en aangetast door
de tijd. Ze eindigden in kantelen in de vorm van omgekeerde lotussen.
Was dit een burcht om de schatten van de tempel te bewaken, of symboliseerde
het de kracht van geest? De scheidslijn tussen werkelijkheid en symboliek
lijkt in dit land inderdaad nauwelijks waarneembaar.
Van oudsher hebben de jains heiligdommen gebouwd op deze plaats waar
hun stichter – Adinatha Risaba, de eerste tirthankara en de vader
van Bharata, naar wie India werd vernoemd – verlichting bereikte.
De oudste overgebleven monumenten dateren echter uit de 11de eeuw, toen
hordes moslims de stad binnenvielen, plunderden en bijna in puin legden.
Omdat het de wens van iedere orthodoxe jain is haar in elk geval eens
te bezoeken en, als dat mogelijk is, er een kapel van marmer te bouwen,
herstelde de stad in korte tijd en is nu met haar beeldhouw- en reliëfwerk
een gedenkteken dat de hele jainistische mythologie bevat.
Voor de tweede poort werd ik in het wachthuisje van de bewakers geleid.
Het hoofd van de tempelbewakers bekeek me nauwlettend. Zijn blik werd
streng toen hij mijn leren tas zag. ‘Het is een voorschrift in
deze heilige plaats dat geen levend schepsel op haar grondgebied mag
worden gedood, zelfs geen vlieg of mier. Daarom mogen overblijfselen
van gedode schepselen niet in de tempelstad worden meegenomen. Voor
u binnengaat, moet u uw tas achterlaten.’ Gehoorzaam legde ik
deze op de tafel en gingen we het hek door waar bewakers vriendelijk
glimlachend temidden van een hoop sandalen en schoenen zaten. Ik keek
een poosje hulpeloos om me heen en wist niet waar ik mijn linnen schoenen
moest laten zodat ik ze ook weer terug zou kunnen vinden. Een oude poortwachter
stond op, nam mijn schoenen aan, zette ze in een hoek en ging er met
een glimlach bovenop zitten.
Eenmaal in de stad, bevond ik me in een doolhof van marmeren kapelletjes,
tempels en onderaardse grotten – een soort waterval in marmer
waar je uren rond kunt dwalen. Er heerste vrede en rust. In de nissen
stonden duizenden gebeeldhouwde met gekruiste benen zittende figuren
– de apostelen van het jaingeloof, de tirthankara’s. Tussen
hun marmeren oogleden waren glanzende parels of halfedelstenen aangebracht,
zodat hun intens fonkelende blik me vanuit alle nissen scheen te volgen.
De hoofdwachter leidde me over steile trappen, breed maar zonder leuning,
uit deze doolhof. Eerst had ik steun aan de vestingmuur, maar we klommen
daar voorbij en liepen langs koepels waar elk houvast ontbrak. Ik keek
over de kantelen in de afgrond en over de vlakte van Gujarat. Uiteindelijk
bereikten we een smalle galerij op het hoogste punt van de tempeldaken,
waar ik verzwakt door honger en dorst ging zitten. De bewaker ging weg;
ik opende mijn schetsboek en keek naar de tempelstad. Zover het oog
reikte zag ik een wirwar van torens en koepels, prachtige afbeeldingen
van marmer op muren, decoratieve symbolen, dansende mythologische figuren
die oprezen als naar de wolken wijzende vingers. Vanuit een kleine nis
onder me glimlachte het vriendelijke gezicht van een grijzende monnik
me toe; achter hem stonden nog twee monniken. Kort daarna kwam een van
hen naar boven, zette een kruik koud water voor me neer en glimlachte.
Na drie schetsen te hebben gemaakt, daalde ik af naar een andere binnenplaats
waar een religieuze plechtigheid plaatsvond. Honderden gelovigen, gekleed
in speciale sari’s, granaatrood of in de kleur van rijpe sinaasappels,
bewogen zich van altaar naar altaar en legden rode rozen of bloemblaadjes
voor de beelden, die door anderen met sandelolie werden ingewreven.
Velen zongen daarbij de mantra Om, namo arihantanam, ‘Om,
wij buigen voor de overwinnaar van de vijanden!’ Deze vijanden
bevinden zich niet buiten, maar ín ieder van ons: haat, jaloezie
en zinnelijkheid.
Na om de centrale tempel te zijn gelopen, ging ik op een marmeren trap
zitten, vlakbij de plaats die als de heiligste wordt beschouwd. Men
zegt dat de ‘reyenboom’ die daar staat 5000 jaar oud is;
in zijn schaduw bereikte een van de tirthankara’s de verlichting
en maakte hij in de grond een afdruk van zijn voeten. Deze afdrukken
zijn veel voorkomende jain- symbolen en zijn in basreliëf uitgehouwen
in marmeren platen naast de boom met een glanzende afbeelding van de
swastika in het midden van de voetzolen.
Geleidelijk verlieten de mensen de tempelstad door verschillende poorten.
Het hoofd van de bewakers bracht me naar zijn kamer, nam uit een kast
een stuk geel papier, en spreidde het op de tafel uit. Zijn vinger bewoog
zich over de plattegrond en bleef bij een bepaalde plek rusten. ‘Hier
in de bergen bevindt zich een grot waar mijn goeroe woont’, en
uit zijn zak haalde hij een foto van een atletisch uitziende Indiër
met een verfijnd gelaat en met haar en een baard, die eruit zag als
een man in de kracht van zijn leven. ‘Deze man is 250 jaar oud.
Hij heeft mij bepaalde yogaoefeningen geleerd. Als het u interesseert,
hij komt hier morgenochtend voor zonsopgang en zal u leren hoe u de
kracht van de slang (kundalini) moet opwekken.’
Deze leer dateert uit het begin van de Indiase cultuur. Het opwekken
van ‘de kracht van de slang’ in zichzelf wordt dichterlijk
omschreven als het tegen de stroom keren van de rivier. Deze kracht
is volgens de yogaleer geconcentreerd aan de basis van de wervelkolom.
Na bepaalde oefeningen stijgt ze langs de ruggegraat omhoog tot bovenin
het hoofd. Indiase leraren en beoefenaars beweren dat iemand die dat
bereikt voor onbepaalde tijd lichamelijk jong kan blijven, zolang hij
dat wenst. De hoofdwachter verklaarde verder dat de meerderheid van
de Indiërs naast hun schoolopleiding ook instructies krijgen van
een geestelijk leraar, iemand die een voorbeeldig leven leidt en de
een of andere richting van hun religieuze leringen volledig beheerst.
Zijn vermogen op anderen over te dragen hoe de eenwording met het universele
bewustzijn te bereiken, wordt echter als zijn belangrijkste eigenschap
beschouwd. Elk individueel bewustzijn is maar een fragment van het nog
niet ontwikkelde geheel; yoga is een van de methoden om eenwording te
bereiken. Je zou kunnen zeggen dat in heel India een onzichtbaar netwerk
van leerlingen en leraren bestaat.
We namen afscheid van elkaar, en ik begon de trappen af te dalen. Een
student hield me gezelschap en drukte een rode roos in mijn hand, een
van die vele duizenden die in de tempels werden geofferd. Ik ging al
ruikend aan de geurende bloem op mijn gemak naar beneden.
De volgende ochtend bezocht ik het oudste gedeelte van de stad. Ik
maakte geen gebruik van het verleidelijke aanbod van de hoofdbewaker
om de kracht van de slang te wekken, omdat ik er zelfs niet in slaagde
’smorgens op tijd wakker te worden en me versliep. Trouwens, ik
moest er niet aan denken in volstrekte duisternis zo’n klim te
moeten maken. Toen ik er eenmaal was, bezocht ik verschillende plaatsen
die me de vorige dag hadden aangetrokken. Ditmaal hing er in de stad
een sfeer van volmaakte eenzaamheid – de enige andere levende
wezens bij de stenen muren waren de duiven. Door stilte omgeven ging
ik zitten tekenen. Na enige tijd ging ik terug naar de op een na grootste
tempel, waarin een beeld staat van Adinatha, dat volgens overlevering
vele eeuwen geleden werd gebeeldhouwd toen de mensen nauw verwant waren
met de goden. Men zegt dat de tegenwoordige jaintempels kopieën
zijn van een spreekgestoelte of ‘dais’ dat door de goden
onder leiding van Indra werd opgericht voor de eerste tirthankara. De
spreekgestoelte-tempel, samavasaranam1
genaamd, werd gebouwd toen de tirthankara, dankzij zijn ascetische levenswijze,
alwetendheid bereikte en voor het eerst voor goden, mensen en dieren
moest preken.
Ik ging de hoofdbeuk van de tempel binnen die op het oosten uitzag.
Men zegt dat de figuur op het altaar, gekleed in een met kostbare edelstenen
ingelegd zilveren gewaad ‘leeft’ en dat de drie andere figuren
in de tempel slechts afspiegelingen van god zijn – zijn leer die
over de hele wereld wordt verkondigd voor de verlossing van alle wezens.
De grote op spiegels lijkende ogen straalden met een vochtige glans
en leken zo levensecht dat ik verwachtte ze ieder moment te zien knipperen.
De jains beweren dat sommige van deze oude beelden boven hun sokkels
zweven en in de lucht blijven hangen, zodat men er een zijden sjaal
onderdoor kan trekken.
De hitte op de binnenplaats was drukkend; de koelte van de tempel en
de vermoeidheid van enkele dagen werkten als een slaapmiddel. Geen sterveling
was aanwezig. Ik ging op de marmeren vloer zitten en, vermoeid als ik
was, voelde ik een dromerig verlangen om de jainleer te begrijpen. Een
leer die niet alleen als doel heeft god te vinden, maar die ook het
menselijke handelen verheerlijkt als de enige weg naar bevrijding, omdat
het ons lot voor nu en later bepaalt – en om te ontdekken in hoeverre
ze een antwoord geeft op het mysterie van het menselijk bestaan. Een
melodie in de lucht scheen me in te fluisteren: ‘We verdwalen
in de wereld van kleuren, vormen en verbeelding, en kennen het begin
noch het einde. Het mysterie is ondoorgrondelijk als een kristallen
bol, waarvan de doorzichtigheid gelijkstaat met onzichtbaarheid. Het
mysterie is ook duister, zoals een crypte waar men blind is door gebrek
aan licht. Men weet nooit of men in het midden van de doolhof staat
of aan het begin. Het lijkt onverdraaglijk om oog in oog te staan met
het uiteindelijke Mysterie.’
Ik werd door het gekraak van de zware tempeldeur gewekt. De schemering
die er hing was bijna in duisternis overgegaan. De bewaker was bezig
de poort te sluiten: volgens de jainlegende horen degenen die ’s
nachts in de tempel zijn ingesloten, de muziek van de twaalf musici
die onder de top van de tempelkoepels in steen zijn uitgehouwen en naakt
met hun instrumenten dansen. Ik rende naar de uitgang en riep de bewaker,
die niet in het minst verbaasd was. Ik nam mijn schoenen op en ging
heen. Omlaagziend, achter de gebouwen van de tempelstad, keek ik uit
over de rotsige, met stekelige struiken, cactussen en groepjes bomen
begroeide hellingen. Halverwege de helling lag een klein blauw meer,
ver van het pad en de trappen. Daar dichtbij graasde een kudde geiten
begeleid door een geitenhoeder. Door enkele vrouwen werd de was op het
droge gras uitgespreid. Achter een afscheiding van afgesneden twijgen
stond een groepje eenvoudige hutten van houtblokken, gevlochten takken
en stro.
De doolhof van steen had me volkomen uitgeput. Ik besefte dat alleen
de menselijke geest aan alles leven schenkt en dat het leven zelf van
onschatbare waarde is. Ik had zin om dichtbij het water te gaan liggen
en één te worden met dit simpele leven en niets anders
te voelen dan het gewicht van de transparante lucht op mijn voorhoofd.
Ik besloot om dezelfde avond de stad per trein te verlaten en stopte
op weg naar het station bij een grote hal, waar royaal gastvrijheid
werd verleend aan pelgrims, armen, en ieder die er halt hield. Dat werd
mogelijk gemaakt door een rijke jainpelgrim die zich door goede werken
verdienstelijk wilde maken. Binnen liepen halfnaakte kinderen vrolijk
rond; een rij grote metalen potten stonden op driepoten boven open vuren.
Er klonk gelach en het gerammel van potten en langstelige soeplepels,
waarmee sauzen en soepen op borden of in koppen werden geschept om samen
met witte rijstballen te worden genuttigd.
Ik arriveerde in het volkomen duister op het station en werd toevertrouwd
aan een oude spoorwegbeambte. Hij wendde geen moment zijn vriendelijke
ogen van me af. Toen ik een kop thee kocht bij het houten stalletje,
zag hij nauwlettend toe dat ik het juiste wisselgeld terugkreeg. Hij
zorgde voor een comfortabele plaats op de bank in een hoek van het perron
en stond over me heen alsof hij me met zijn tengere schouders tegen
de nacht moest beschermen. Toen mijn trein kwam, bracht hij me direct
naar de deur van de wagon waar hij, dankzij zijn onfeilbaar instinct,
een plaats voor me vond. Op het moment dat ik wat geld in zijn handen
wilde drukken, was hij de eerste persoon die ik ontmoette die dat met
een glimlach en met waardigheid weigerde.
We schudden elkaar ten afscheid vriendschappelijk de hand en toen de
trein zich in beweging zette, bleef ik vanuit het raam naar hem kijken.
Hij stond daar eenzaam op het perron te wuiven, totdat hij in een klein
stipje veranderde dat door de nacht werd opgeslokt.
Noot
- Letterlijk, plaats van ‘afdaling’ van
een hemelse invloed; een heilige bijeenkomst van de jina’s of
tirthankara’s.