De grondslag van deugdzaamheid
Nhilde Davidson

 

De laatste decennia is deugdzaamheid uit de mode geraakt – vergeten als een doel dat waard is om naar te streven. Dit komt grotendeels door een gebrek aan aandacht, gepaard met het idee dat deugdzaamheid ons door anderen ‘van buitenaf’ wordt opgelegd, en niet iets innerlijks, intiems en persoonlijks is. Zelfs in moderne woordenboeken is het alleen maar een synoniem van moraliteit en het voldoen aan een bepaalde maatstaf van wat juist is. We lijken onze oorspronkelijke ruime, filosofische visie en de grote invloed daarvan op het gedachtenleven en de daden van de mensheid in de ons bekende geschiedenis verloren te hebben. Met dit verlies zijn we minder vriendelijk en vergevingsgezind geworden ten opzichte van onze medemensen en minder bedachtzaam en attent op de ruimte en gevoeligheden van anderen.

Deugdzaamheid, de kern van alle grote religies, was altijd verbonden met wijsheid – in feite is een deugdzaam mens een wijs mens. Neem de bijbel, de veda’s, de purana’s, Griekse en Latijnse filosofen als Socrates, Plato, Zeno, Cicero, Seneca en Marcus Aurelius – niet te vergeten schrijvers als Homerus, Bunyan en Maeterlinck – allemaal brengen ze dezelfde boodschap: dat we met moed en persoonlijke deugdzaamheid, door ijverig zoeken, zelfdiscipline en altruïsme, boven de wisselvalligheden van het leven kunnen uitstijgen en het Allerhoogste bereiken.

Het is gemakkelijk deugden op te sommen als voorzichtigheid, vastberadenheid, matigheid, rechtvaardigheid, geloof, hoop en naastenliefde, en na te gaan wat de gevolgen ervan zijn als die zich in het leven van een individu weerspiegelen, maar dit verklaart niet waarom deugdzaamheid heilzaam is – behalve dan door het voor de hand liggende feit dat er gemakkelijker te leven en te onderhandelen valt met eerzame mensen dan met tirannen, vrekken en oplichters. De vraag waar het om gaat is: wat is deugdzaamheid in filosofische zin? Hoe kan ze, door haar in ons eigen leven tot bloei te laten komen, leiden tot een toestand van welzijn?

Om deugdzaamheid te begrijpen is het nodig de innerlijke gebieden van het menselijk wezen te onderzoeken. Wanneer we ons voldaan of schuldig voelen over een bepaalde daad, komt dit gevoel dan voort uit een uiterlijke, aangeleerde reactie, of ligt de oorsprong in wat we werkelijk zijn? We zijn onsterfelijk, geworteld in het goddelijke, en ons menselijke zelf ontvouwt als een knop langzaam zijn blaadjes totdat het tot bloei komt als een volledig gemanifesteerde god door de ervaringen van vele, vele levens. Het is in dit goddelijke aspect van onszelf, waar we naar de grondslag van deugdzaamheid en de wortel van onze gevoelens van tevredenheid en innerlijke rust moeten uitzien. We moeten ook inzien dat onze gevoelens van onvrede en schuld ontstaan wanneer we in onze onwetendheid in gebreke blijven naar ons spiritueel geweten te luisteren.

H.P. Blavatsky zegt over wijsheid en ons innerlijk wezen:

Adhi-Budha . . . ‘opperste Wijsheid’ . . . is een Sanskrietterm . . . gegeven aan de onbekende godheid; . . . Het [woord] betekent de absolute wijsheid. Eeuwigheden van onnoemelijke duur moeten zijn verstreken vóór de benaming ‘Boeddha’ bij wijze van spreken zó was vermenselijkt, dat deze mocht worden toegepast op stervelingen en tenslotte werd bestemd voor iemand van wie de ongeëvenaarde deugden en kennis hem de titel bezorgden van ‘de Boeddha van onbewogen wijsheid’. Bodha betekent het aangeboren bezit van goddelijk verstand of ‘begripsvermogen’; ‘buddha’ het verkrijgen daarvan door persoonlijke inspanning en verdienste; terwijl buddhi het vermogen is zich bewust te worden van het kanaal waarlangs goddelijke kennis de ‘ego’ bereikt en om goed en kwaad te onderscheiden; het is ook het ‘goddelijke geweten’ en de ‘geestelijke ziel’, het voertuig van atma.     – De geheime leer 1:3

Atma, onze innerlijke goddelijke natuur, brengt via zijn voertuig buddhi ons egoïsche zelf ertoe om te leren onderscheiden wat universeel waar is. We kunnen ieder moment kiezen ons denkvermogen te gebruiken om op te stijgen naar het gebied waar het door buddhi wordt overschaduwd – en dus met het goddelijke is verbonden. Hier ligt ons ‘goddelijk geweten’, waar de aangeboren kennis van wat goed en kwaad is verblijft. Het spoort ons op onpersoonlijke wijze aan – en ieder van ons kan overeenkomstig zijn of haar verdienste universele waarheid vinden, ongeacht wie we zijn, wat ons werk is, of waar we ons bevinden op deze planeet.

Deugdzaamheid is onpersoonlijke waarheid die niet wordt beïnvloed door menselijke sofisterij en argumenten, en die zich vollediger manifesteert naarmate de spiraal van evolutie zich voortzet.

Van het kleinste elektron tot een supernova en verder, zijn het de myriaden levensvormen die veranderen naarmate hun begrip van de waarheid door geestelijke groei toeneemt. Wijsheid en deugd zijn de maatstaf voor de hoeveelheid waarheid die zich in ons leven manifesteert.

De Griekse filosoof Herakleitos, die het woord logos gebruikte als de ‘eeuwige, vooraf bestaande, altijddurende oorzaakloze oorzaak’, verklaart dat de materiële en spirituele werelden verschijnen door de logos en dat het onze plicht is de logos te gehoorzamen, waardoor we onszelf in harmonie brengen met de natuur; en verder dat deugdzaamheid de morele wet is die het gedrag van alle wezens beheerst. Plato vergelijkt wijsheid met bedachtzaamheid, noemt wijsheid het vermogen om onszelf te leiden en in toom te houden door gebruik van de goddelijke rede. Omdat deugdzaamheid de blauwdruk is van goddelijkheid, worden we als wij deugdzaam worden ook wijs.

Al is deugdzaamheid een aspect van het goddelijke, het zegt ons niet noodzakelijkerwijs wat het betekent om deugdzaam te zijn of wat een deugdzaam leven is. Een vluchtig onderzoek zou aantonen dat de meesten van ons aannemen dat een deugdzaam gedrag betekent dat we ons niet agressief opstellen, dat we vriendelijk en eerlijk zijn, kortom een goed mens.

Filosofisch gezien moet het antwoord echter meer omvatten. Als wij bedenken dat Boeddha het Allerhoogste kon bereiken door het verwerven van deugdzaamheid en kennis door persoonlijke inspanning en verdienste, is het duidelijk dat iets veel fundamentelers is bedoeld dan alleen ‘aardig’ of goed zijn in de gebruikelijke zin van deze woorden.

De hele natuur is op een ontdekkingsreis. De ruimten van de ruimte zijn vol van entiteiten op ieder gebied van het bestaan en de evolutie – ieder is een wezen dat zich altijd in het middelpunt bevindt. Het altruistische, goddelijke aspect van de natuur heeft de geopenbaarde werelden zo opgebouwd dat symbiose er de kern van uitmaakt. Voor ons mensen zijn er die ons voorgingen, die ons inspireren en helpen, terwijl wij onze jongere broeders moeten beschermen en koesteren.

Met dit in gedachten is het duidelijk dat we pas na ontelbare eeuwen leren wat het richtsnoer is om wijs te worden en het goddelijke in ons leven tot werkzaamheid te brengen. Degenen die ons voorgingen, zoals de Boeddha, hebben altijd hun wijsheid met anderen gedeeld, in de meedogende hoop dat de mensheid zal luisteren naar hun oproep en het pad van deugdzaamheid naar verlichting zal volgen. De leraar-leerlingrelatie is een axioma voor het vinden van wijsheid: dit heeft niet alleen betrekking op een levende persoon – de zuivere essentie van wijsheid kan men ook vinden in het levende woord. Ieder van ons is de bewaker van onze eigen ziel; niemand anders kan licht ontsteken in ons leven dan wijzelf. Bibliotheken staan vol boeken, maar toch kunnen we alleen zelf kiezen waarmee we onze ziel en ons denken willen vullen. Toen er nog geen boeken waren, inspireerden barden hun luisteraars door middel van verhalen en gedichten en gaven aldus wijsheid aan hen door – ze begrepen heel goed dat herhaling van lang vergeten waarheden een sleutel verschaft voor het doen ontwaken van de ziel. Omdat we vergeten, is het nodig herinnerd te worden – we zijn langzaam in het leren en in spiritueel groeien. Er verloopt een zekere tijd tussen het horen van een waarheid en het zich eigen maken ervan. Voor het verbeteren van ons gedrag, in die zin dat het nieuw inzicht omvat, is meer nodig dan alleen het herkennen van een waarheid. Toch veroorzaakt een waarheid die we horen of lezen een schok voor ons wezen, als ons innerlijk oor de waarde van de uitspraak herkent – langzaam worden we ons bewust van een grotere werkelijkheid. John Bunyan zegt hierover:

Zoekt gij iets bijzonders, en nuttigs bovendien?
Zoudt gij een waarheid in een fabel willen zien?
Vergeet gij snel? Wilt ge alles onthouden, zonneklaar,
Van nieuwjaarsdag tot het einde van het jaar?
Lees dan mijn verhalen, ze blijven hangen als klitten,
En kunnen voor de hulpelozen steun bezitten.

We zouden kunnen vragen: ‘Wat is een deugdzaam leven, en wat zijn de kenmerken van een wijs mens?’ Zij die hun hartstochten beheersen, hebben zelfdiscipline en beseffen dat de bron van alle daden òf in de eigenschap sattva ligt (waar waarheid verblijft), òf in de eigenschap rajas (waar de hartstochten regeren), òf in die van tamas (waar onwetendheid heerst), en omdat ze deze eigenschappen volledig begrijpen, richten zij hun leven in overeenkomstig de sattva-eigenschap en zijn bekend als wijze mensen.

Zoals de Bhagavad Gita verklaart, is diegene deugdzaam en wijs

die vrij is van vijandigheid, welwillend ten opzichte van ieder levend wezen, barmhartig, volkomen vrij van trots en zelfzucht, dezelfde in pijn en vreugde, verdraagzaam bij onrecht, tevreden, altijd toegewijd, beheerst, vastberaden, en wiens verstand en hart alleen op mij [de goddelijkheid] zijn gericht . . . voor wie de mensheid niet bevreesd is en wie geen vrees heeft voor de mens; die vrij is van de onrust van vreugde, van moedeloosheid en angst voor het kwaad . . . die geen verwachtingen koestert en zuiver, rechtvaardig, onpartijdig en vrij van vrees is, en elke belangstelling voor de resultaten van zijn handelen heeft verzaakt. Hij is mij dierbaar. Hij . . . die zich noch verheugt, noch haat, . . . die klaagt noch begeert . . . die belangstelling voor goede en slechte resultaten heeft verzaakt . . . die gelijkgestemd is jegens vriend en vijand . . . bij eer en oneer, koude en hitte, pijn en genot . . . voor wie lof en blaam als één zijn . . . tevreden met wat er ook gebeurt, . . . [hij is wijs].

De vrucht van juiste daden wordt zuiver en heilig genoemd . . . degenen in wie de sattva-eigenschap is gevestigd, stijgen tot grote hoogte . . .

Wanneer de wijze mens bespeurt dat de enige oorzaken voor handelen deze eigenschappen zijn . . . wanneer het belichaamde zelf boven deze drie eigenschappen van goedheid, handelen en onverschilligheid [ten aanzien van persoonlijk succes of tegenspoed] uitstijgt . . . is [hij] bevrijd . . . en drinkt van het water van de onsterfelijkheid.1

 

Verwijzing

  1. Bhagavad-Gita combined with Essays on the Gita, Theosophical University Press, Pasadena, 1978, blz. 70-1, 79.
 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency