De laatste decennia is deugdzaamheid uit de mode geraakt – vergeten
als een doel dat waard is om naar te streven. Dit komt grotendeels door
een gebrek aan aandacht, gepaard met het idee dat deugdzaamheid ons
door anderen ‘van buitenaf’ wordt opgelegd, en niet iets
innerlijks, intiems en persoonlijks is. Zelfs in moderne woordenboeken
is het alleen maar een synoniem van moraliteit en het voldoen aan een
bepaalde maatstaf van wat juist is. We lijken onze oorspronkelijke ruime,
filosofische visie en de grote invloed daarvan op het gedachtenleven
en de daden van de mensheid in de ons bekende geschiedenis verloren
te hebben. Met dit verlies zijn we minder vriendelijk en vergevingsgezind
geworden ten opzichte van onze medemensen en minder bedachtzaam en attent
op de ruimte en gevoeligheden van anderen.
Deugdzaamheid, de kern van alle grote religies, was altijd verbonden
met wijsheid – in feite is een deugdzaam mens een wijs mens. Neem
de bijbel, de veda’s, de purana’s, Griekse en Latijnse filosofen
als Socrates, Plato, Zeno, Cicero, Seneca en Marcus Aurelius –
niet te vergeten schrijvers als Homerus, Bunyan en Maeterlinck –
allemaal brengen ze dezelfde boodschap: dat we met moed en persoonlijke
deugdzaamheid, door ijverig zoeken, zelfdiscipline en altruïsme,
boven de wisselvalligheden van het leven kunnen uitstijgen en het Allerhoogste
bereiken.
Het is gemakkelijk deugden op te sommen als voorzichtigheid, vastberadenheid,
matigheid, rechtvaardigheid, geloof, hoop en naastenliefde, en na te
gaan wat de gevolgen ervan zijn als die zich in het leven van een individu
weerspiegelen, maar dit verklaart niet waarom deugdzaamheid heilzaam
is – behalve dan door het voor de hand liggende feit dat er gemakkelijker
te leven en te onderhandelen valt met eerzame mensen dan met tirannen,
vrekken en oplichters. De vraag waar het om gaat is: wat is deugdzaamheid
in filosofische zin? Hoe kan ze, door haar in ons eigen leven tot bloei
te laten komen, leiden tot een toestand van welzijn?
Om deugdzaamheid te begrijpen is het nodig de innerlijke gebieden van
het menselijk wezen te onderzoeken. Wanneer we ons voldaan of schuldig
voelen over een bepaalde daad, komt dit gevoel dan voort uit een uiterlijke,
aangeleerde reactie, of ligt de oorsprong in wat we werkelijk zijn?
We zijn onsterfelijk, geworteld in het goddelijke, en ons menselijke
zelf ontvouwt als een knop langzaam zijn blaadjes totdat het tot bloei
komt als een volledig gemanifesteerde god door de ervaringen van vele,
vele levens. Het is in dit goddelijke aspect van onszelf, waar we naar
de grondslag van deugdzaamheid en de wortel van onze gevoelens van tevredenheid
en innerlijke rust moeten uitzien. We moeten ook inzien dat onze gevoelens
van onvrede en schuld ontstaan wanneer we in onze onwetendheid in gebreke
blijven naar ons spiritueel geweten te luisteren.
H.P. Blavatsky zegt over wijsheid en ons innerlijk wezen:
Adhi-Budha . . . ‘opperste Wijsheid’
. . . is een Sanskrietterm . . . gegeven aan de onbekende godheid;
. . . Het [woord] betekent de absolute wijsheid. Eeuwigheden van onnoemelijke
duur moeten zijn verstreken vóór de benaming ‘Boeddha’
bij wijze van spreken zó was vermenselijkt, dat deze mocht
worden toegepast op stervelingen en tenslotte werd bestemd voor iemand
van wie de ongeëvenaarde deugden en kennis hem de titel bezorgden
van ‘de Boeddha van onbewogen wijsheid’. Bodha
betekent het aangeboren bezit van goddelijk verstand of ‘begripsvermogen’;
‘buddha’ het verkrijgen daarvan door persoonlijke inspanning
en verdienste; terwijl buddhi het vermogen is zich bewust
te worden van het kanaal waarlangs goddelijke kennis de ‘ego’
bereikt en om goed en kwaad te onderscheiden; het is ook het ‘goddelijke
geweten’ en de ‘geestelijke ziel’, het voertuig
van atma. – De geheime leer
1:3
Atma, onze innerlijke goddelijke natuur, brengt via zijn voertuig
buddhi ons egoïsche zelf ertoe om te leren onderscheiden
wat universeel waar is. We kunnen ieder moment kiezen ons denkvermogen
te gebruiken om op te stijgen naar het gebied waar het door buddhi wordt
overschaduwd – en dus met het goddelijke is verbonden. Hier ligt
ons ‘goddelijk geweten’, waar de aangeboren kennis van wat
goed en kwaad is verblijft. Het spoort ons op onpersoonlijke wijze aan
– en ieder van ons kan overeenkomstig zijn of haar verdienste
universele waarheid vinden, ongeacht wie we zijn, wat ons werk is, of
waar we ons bevinden op deze planeet.
Deugdzaamheid is onpersoonlijke waarheid die niet wordt beïnvloed
door menselijke sofisterij en argumenten, en die zich vollediger manifesteert
naarmate de spiraal van evolutie zich voortzet.
Van het kleinste elektron tot een supernova en verder, zijn het de
myriaden levensvormen die veranderen naarmate hun begrip van de waarheid
door geestelijke groei toeneemt. Wijsheid en deugd zijn de maatstaf
voor de hoeveelheid waarheid die zich in ons leven manifesteert.
De Griekse filosoof Herakleitos, die het woord logos gebruikte
als de ‘eeuwige, vooraf bestaande, altijddurende oorzaakloze oorzaak’,
verklaart dat de materiële en spirituele werelden verschijnen door
de logos en dat het onze plicht is de logos te gehoorzamen, waardoor
we onszelf in harmonie brengen met de natuur; en verder dat deugdzaamheid
de morele wet is die het gedrag van alle wezens beheerst. Plato vergelijkt
wijsheid met bedachtzaamheid, noemt wijsheid het vermogen om onszelf
te leiden en in toom te houden door gebruik van de goddelijke rede.
Omdat deugdzaamheid de blauwdruk is van goddelijkheid, worden we als
wij deugdzaam worden ook wijs.
Al is deugdzaamheid een aspect van het goddelijke, het zegt ons niet
noodzakelijkerwijs wat het betekent om deugdzaam te zijn of wat een
deugdzaam leven is. Een vluchtig onderzoek zou aantonen dat de meesten
van ons aannemen dat een deugdzaam gedrag betekent dat we ons niet agressief
opstellen, dat we vriendelijk en eerlijk zijn, kortom een goed mens.
Filosofisch gezien moet het antwoord echter meer omvatten. Als wij
bedenken dat Boeddha het Allerhoogste kon bereiken door het verwerven
van deugdzaamheid en kennis door persoonlijke inspanning en verdienste,
is het duidelijk dat iets veel fundamentelers is bedoeld dan alleen
‘aardig’ of goed zijn in de gebruikelijke zin van deze woorden.
De hele natuur is op een ontdekkingsreis. De ruimten van de ruimte
zijn vol van entiteiten op ieder gebied van het bestaan en de evolutie
– ieder is een wezen dat zich altijd in het middelpunt bevindt.
Het altruistische, goddelijke aspect van de natuur heeft de geopenbaarde
werelden zo opgebouwd dat symbiose er de kern van uitmaakt. Voor ons
mensen zijn er die ons voorgingen, die ons inspireren en helpen, terwijl
wij onze jongere broeders moeten beschermen en koesteren.
Met dit in gedachten is het duidelijk dat we pas na ontelbare eeuwen
leren wat het richtsnoer is om wijs te worden en het goddelijke in ons
leven tot werkzaamheid te brengen. Degenen die ons voorgingen, zoals
de Boeddha, hebben altijd hun wijsheid met anderen gedeeld, in de meedogende
hoop dat de mensheid zal luisteren naar hun oproep en het pad van deugdzaamheid
naar verlichting zal volgen. De leraar-leerlingrelatie is een axioma
voor het vinden van wijsheid: dit heeft niet alleen betrekking op een
levende persoon – de zuivere essentie van wijsheid kan men ook
vinden in het levende woord. Ieder van ons is de bewaker van onze eigen
ziel; niemand anders kan licht ontsteken in ons leven dan wijzelf. Bibliotheken
staan vol boeken, maar toch kunnen we alleen zelf kiezen waarmee we
onze ziel en ons denken willen vullen. Toen er nog geen boeken waren,
inspireerden barden hun luisteraars door middel van verhalen en gedichten
en gaven aldus wijsheid aan hen door – ze begrepen heel goed dat
herhaling van lang vergeten waarheden een sleutel verschaft voor het
doen ontwaken van de ziel. Omdat we vergeten, is het nodig herinnerd
te worden – we zijn langzaam in het leren en in spiritueel groeien.
Er verloopt een zekere tijd tussen het horen van een waarheid en het
zich eigen maken ervan. Voor het verbeteren van ons gedrag, in die zin
dat het nieuw inzicht omvat, is meer nodig dan alleen het herkennen
van een waarheid. Toch veroorzaakt een waarheid die we horen of lezen
een schok voor ons wezen, als ons innerlijk oor de waarde van de uitspraak
herkent – langzaam worden we ons bewust van een grotere werkelijkheid.
John Bunyan zegt hierover:
Zoekt gij iets bijzonders, en nuttigs bovendien?
Zoudt gij een waarheid in een fabel willen zien?
Vergeet gij snel? Wilt ge alles onthouden, zonneklaar,
Van nieuwjaarsdag tot het einde van het jaar?
Lees dan mijn verhalen, ze blijven hangen als klitten,
En kunnen voor de hulpelozen steun bezitten.
We zouden kunnen vragen: ‘Wat is een deugdzaam leven, en wat
zijn de kenmerken van een wijs mens?’ Zij die hun hartstochten
beheersen, hebben zelfdiscipline en beseffen dat de bron van alle daden
òf in de eigenschap sattva ligt (waar waarheid verblijft),
òf in de eigenschap rajas (waar de hartstochten regeren),
òf in die van tamas (waar onwetendheid heerst), en omdat
ze deze eigenschappen volledig begrijpen, richten zij hun leven in overeenkomstig
de sattva-eigenschap en zijn bekend als wijze mensen.
Zoals de Bhagavad Gita verklaart, is diegene deugdzaam en
wijs
die vrij is van vijandigheid, welwillend ten opzichte
van ieder levend wezen, barmhartig, volkomen vrij van trots en zelfzucht,
dezelfde in pijn en vreugde, verdraagzaam bij onrecht, tevreden, altijd
toegewijd, beheerst, vastberaden, en wiens verstand en hart alleen
op mij [de goddelijkheid] zijn gericht . . . voor wie de mensheid
niet bevreesd is en wie geen vrees heeft voor de mens; die vrij is
van de onrust van vreugde, van moedeloosheid en angst voor het kwaad
. . . die geen verwachtingen koestert en zuiver, rechtvaardig, onpartijdig
en vrij van vrees is, en elke belangstelling voor de resultaten van
zijn handelen heeft verzaakt. Hij is mij dierbaar. Hij . . . die zich
noch verheugt, noch haat, . . . die klaagt noch begeert . . . die
belangstelling voor goede en slechte resultaten heeft verzaakt . .
. die gelijkgestemd is jegens vriend en vijand . . . bij eer en oneer,
koude en hitte, pijn en genot . . . voor wie lof en blaam als één
zijn . . . tevreden met wat er ook gebeurt, . . . [hij is wijs].
De vrucht van juiste daden wordt zuiver en heilig
genoemd . . . degenen in wie de sattva-eigenschap is gevestigd, stijgen
tot grote hoogte . . .
Wanneer de wijze mens bespeurt dat de enige oorzaken
voor handelen deze eigenschappen zijn . . . wanneer het belichaamde
zelf boven deze drie eigenschappen van goedheid, handelen en onverschilligheid
[ten aanzien van persoonlijk succes of tegenspoed] uitstijgt . . .
is [hij] bevrijd . . . en drinkt van het water van de onsterfelijkheid.1
Verwijzing
-
Bhagavad-Gita combined with
Essays on the Gita, Theosophical University Press, Pasadena,
1978, blz. 70-1, 79.