Samengesteld door S.B. Dougherty, op basis van
toespraken verzameld in Theosophy, Religion and Occult Science
(1885) en uit Theosophical Siftings, deel 4, no. 10 (1891).
Ik had al bijna een kwart eeuw belangstelling voor praktische psychologie.
Vanaf mijn jeugd was er geen probleem dat me zo interesseerde als het
mysterie van de mens, en ik had overal gezocht naar licht daarop waar
dat ook maar was te vinden.
[Toen ik H.P. Blavatsky ontmoette,] ontstond onmiddellijk een diepe
vriendschap. Het bleek dat we gelijkgestemd waren, en haar inbreng in
onze uitwisseling van gedachten bestond uit de grote bronnen van een
geest die vol zat met een grote hoeveelheid eruditie met betrekking
tot de oude of esoterische filosofieën van de oudheid. Ik ontdekte
dat ze de meest intellectuele vrouw was die ik ooit in mijn leven had
ontmoet, een heel excentrieke persoon, maar iemand die je dwong om of
haar erg te mogen of om heel vijandig tegenover haar te staan.
Naast het bijzondere literaire en intellectuele werk dat zij tot stand
heeft gebracht, bezat ze ook opvallend sterke psychische vermogens zoals
die waarover in de levensbeschrijvingen van oude wijzen wordt geschreven
en het bewijs van het werkelijke bestaan van die vermogens werd jaren
voordat we uit New York vertrokken op weg naar India aan veel getuigen
in Amerika geleverd; degenen onder ons die haar in die tijd en daarna
kenden, werden dan ook niet beïnvloed door alle aantijgingen tegen
haar karakter die in de latere jaren van haar leven zoveel werden geuit.
Ze was niet volmaakt, maar als we al haar onvolmaaktheden in aanmerking
nemen, was ze groter dan haar lasteraars en we hielden van haar om wat
ze was en om haar grote ideaal.
Ik kijk nu terug op die ontmoeting als de meest gelukkige gebeurtenis
in mijn leven; want daardoor ging er licht schijnen op alle donkere
plaatsen, en werd ik uitgezonden met de opdracht om de oude edele [aryan1]
occulte wetenschap te doen herleven, een wetenschap die met de dag boeiender
wordt.
Stukje bij beetje openbaarde zij zoveel van de waarheid aan mij als
ik — voorzover ik was voorbereid door mijn ervaringen —
kon bevatten. Stap voor stap werd ik gedwongen misleidende geloofsopvattingen
op te geven, die ik twintig jaar had gekoesterd. En naarmate het licht
geleidelijk in mijn geest begon te dagen, werd mijn eerbied voor de
onzichtbare leraren die haar hadden geïnstrueerd steeds groter.
Op hetzelfde moment kwam er in mij een diep en onverzadigbaar verlangen
op om hun gezelschap te zoeken, of tenminste om in een land te gaan
wonen dat door hun tegenwoordigheid werd verheerlijkt, en zelf deel
te gaan uitmaken van een volk dat door hun grootheid werd veredeld.
De tijd daarvoor brak aan toen ik werd gezegend door een bezoek van
een van deze mahatma’s in mijn eigen kamer in New York
— een bezoek van hem, niet in het fysieke lichaam, maar in het
‘dubbel’ of mayavirupa . . . Dit bezoek en zijn
gesprek stuurde mijn hart in één klap rond de aardbol,
over oceanen en continenten, over zee en land, naar India, en vanaf
dat moment had ik een drijfveer in mijn leven, een doel om na te streven.
Het doel was om de wijsheid van de edelen te verkrijgen, en te werken
aan de verbreiding ervan.
Tijdens de drie jaren waarin ik wachtte om naar India te gaan, kreeg
ik nog meer bezoek van de mahatma’s, en het waren niet
alleen maar Hindoes of Kasjmeri’s. Ik ken er ongeveer vijftien,
en daarbij zijn Kopten, Tibetanen, Chinezen, Japanners, Siamezen, een
Hongaar en een Cyprioot. Maar wat ze ook zijn, hoeveel ze uiterlijk
ook mogen verschillen wat betreft ras, religie en kaste, over de occulte
wetenschap en de wetenschappelijke basis van religie zijn ze het volkomen
eens.
De rishi’s kenden de geheimen van de natuur en van de mens, dat
er maar één gemeenschappelijk podium is voor alle religies,
en dat daarop ooit stonden en nu staan in broederlijke eensgezindheid
en vriendschap, de hiërofanten en esoterische ingewijden van de
grote wereldreligies. Dat podium is THEOSOFIE.
Veel praktische problemen die onoplosbaar schijnen te zijn voor individuele
denkers kunnen alleen worden opgelost als de instelling van de mens
verandert. Alle religies proberen deze verandering in het individuele
bewustzijn tot stand te brengen. Maar bijna alle religieuze stelsels
geven de voorkeur aan hun specifieke en kenmerkende leerstellingen boven
de universele basis ervan en het erachter liggende plan, en ze zijn
daardoor in sterke mate disharmonische invloeden geworden in een wereld
die ze een nieuw leven zouden willen inblazen. Daarom is er in de Theosophical
Society geen plaats voor propagandisten van een of ander exclusief geloof.
Religie is een strikt persoonlijke aangelegenheid: ieder mens maakt
zijn eigen religie en zijn eigen God: . . . per slot van rekening, wanneer
het aankomt op uw feitelijke religieuze ervaring, zal het uw
ervaring zijn, gemeten en beperkt door uw eigen persoonlijke,
psychische en theosofische capaciteiten.
[Religie] is ook iets heiligs, iets waar men zich niet op een ruwe
manier in moet mengen of zich ermee bemoeien. De ware ethicus zal zijn
invloed aanwenden om zijn medemensen te laten leven volgens de beste
aspecten van hun respectieve geloof; het is een heel gedurfd experiment
om te proberen stukjes van een aantal goede religies in een nieuw mozaïek
bijeen te brengen.
Wij bevelen theosofie aan als de enige methode waardoor men dat Eeuwige
Iets kan ontdekken, en vragen mensen van een ander geloof niet om onze
opvattingen over te nemen en hun geloof opzij te zetten. Als twee stichters
van de TS verkondigen we een religie van tolerantie, liefdadigheid,
vriendelijkheid, altruïsme, of liefde voor de medemens; een religie
die niet probeert alles wat slecht is te ontdekken in het geloof van
de ander, maar al het goede daarin, en hem aan te sporen getrouw te
leven volgens de beste ethische gedragscode die hij daarin kan vinden.
Het is tijd dat we de bronnen van onze moderne denkbeelden proberen
te ontdekken, en dat we wat we over de natuurwetten denken te weten,
vergelijken met wat de mensen in Azië werkelijk wisten duizenden
jaren voordat Europa door onze barbaarse voorouders werd bewoond, of
dat een Europeaan voet zette op Amerikaanse bodem. Stel dat we voor
de verandering de oosterse volkeren in een wat minder aanmatigende geest
tegemoettreden, en eerlijk bekennen dat we helemaal niets weten over
het begin of einde van natuurwetten, en hen vragen ons te helpen ontdekken
wat onze voorouders wisten. Dit is de policy van de Theosophical Society,
en het heeft al waardevolle resultaten opgeleverd [1880].
Ik heb het geluk niet alleen om de grenzen van de westerse wetenschap
te helpen verleggen door te laten zien waar de geheimen van de natuur
en van de mens experimenteel kunnen worden bestudeerd, en de Engelsen
in India meer respect te laten hebben voor het onderworpen volk waarover
zij heersen, maar ook om in het hart van jonge Indiërs de verschuldigde
eerbied op te wekken voor hun glorieuze voorvaderen, en een verlangen
om hen in hun edele prestaties op het gebied van wetenschap en filosofie
na te volgen.
Zoals ik het zie, verliezen de jonge hindoes, behalve in de hervormingsgezinde
samaja’s [genootschappen], hun oude religieuze opvattingen, zonder
dat ze er een andere voor in de plaats krijgen, of bereid zijn die aan
te nemen. Ze worden precies zoals de grote massa jongeren die in Europa
en Amerika zijn opgevoed . . . Vooral de wetenschap heeft de grondslagen
van de religie ondermijnd; men zou de wetenschap moeten dwingen een
nieuw bouwwerk op te richten. Terwijl een onvolledige studie van de
natuur heeft geleid tot een materialistisch atheïsme2,
zal de geestdriftige onderzoeker door een volledige studie worden teruggevoerd
naar het geloof in zijn innerlijke en edeler zelf, en in zijn geestelijke
bestemming . . . We mengen ons niet in het geloof of de kaste van wie
dan ook; we preken geen dogma; we bieden geen geloofsartikelen. We verwijzen
naar de natuur als de meest onfeilbare van alle goddelijke openbaringen,
en naar de wetenschap als de meest competente leraar van haar mysteries.
Er is maar één waarheid, en die moet worden
gezocht in de mystieke wereld van de innerlijke natuur van de mens;
via de theosofie, en met behulp van de ‘occulte wetenschappen’.
. . . Zoals fysieke feiten kunnen worden waargenomen met het oog van
het lichaam, zo kunnen geestelijke wetten worden ontdekt met die innerlijke
gewaarwording van ons die we het oog van de geest noemen. Dit waarnemingsvermogen
bevindt zich in de innerlijke natuur van de mens; door die goddelijke
eigenschap staat hij hoger dan een beest.
Ieder mens die werkelijk is doorgedrongen in de mysteries van leven
en dood heeft de waarheid in eenzaamheid verkregen en door een machtige
inspanning van lichaam en geest. Zij waren allen theosofen — dat
wil zeggen, oorspronkelijke zoekers naar geestelijke kennis. Wat ze
deden, wat ze bereikten, zou ieder ander mens met soortgelijke kwaliteiten
kunnen bereiken. En dit is de les die wordt geleerd door de Theosophical
Society. Zoals zij de geheimen aan de schoot van de natuur ontfutselden,
zo zouden ook wij dat kunnen doen.
De Theosophical Society is in feite een organisatie die bevordert dat
de mens zelf kennis verwerft over de verborgen dingen van het heelal,
door het opvoeden en vervolmaken van zijn latente krachten. Theosofie
verschilt evenveel van filosofie als van theologie. . . . [Zij] beweert
alle dialectische processen uit te sluiten, en al haar kennis van God
direct aan intuïtie en contemplatie te ontlenen. Deze theosofie
dateert uit de vroegste oudheid waarvan verslagen bewaard zijn gebleven,
en iedere oorspronkelijke stichter van een religie was een zoeker naar
goddelijke wijsheid via het theosofische proces van zelfverlichting.
De lusten van het vlees, de trots van het leven, de vooroordelen van
geboorte, ras, geloof (voorzover dat tot dogmatisme leidt) moeten alle
opzij worden gezet. Het lichaam moet tot een instrument worden gemaakt,
en niet de despoot, van het hogere zelf. De gevangenistralies van de
zintuigen die de mens van stof opsluiten moeten worden weggenomen, en
terwijl hij leeft en een factor vormt in de uiterlijke wereld, moet
de theosoof ook in de innerlijke wereld kunnen zien en daar kunnen binnengaan
en daarin kunnen werken, en dan overladen met goddelijke waarheid daaruit
terugkeren.
De theosoof is iemand die — wat ook zijn ras of geloof is of
de toestand waarin hij verkeert — aspireert om dit niveau van
wijsheid en schoonheid door zelfontwikkeling te bereiken; en daarom
zult u zien dat het in een Theosophical Society zoals wij hebben gesticht
onmogelijk zou zijn om een geloof te hebben dat door onze leden moet
worden onderschreven, of een vorm van gebed dat ze moeten aannemen,
of enige regels die indruisen tegen hun eigen individuele binding met
een kaste, of enige andere sociale en externe omgeving die niet feitelijk
onsympathiek staat tegenover het theosofische onderzoek . . . we preken
geen nieuwe religie, en stichten geen nieuwe sekte, of nieuwe school
in de filosofie of de occulte wetenschap.
Er wordt wel gezegd dat deze beweging van start ging op basis van verschijnselen.
Tot op zekere hoogte is dit waar, maar de fout ligt waarschijnlijk eerder
bij mijzelf dan bij [H.P. Blavatsky]. De dingen die ze deed waren zo
nieuw en opvallend voor mij, ze waren voor mij als levenslange onderzoeker
van de psychologie zo interessant, ze waren van zoveel wetenschappelijk
belang voor het probleem van de vermogens van de mens en de latente
krachten van de natuur, dat ik haar vanzelfsprekend ertoe aanzette die
krachten voor een verscheidenheid van getuigen teweeg te brengen. Aarzelend
gaf ze toe, en het gevolg was hoogst ongelukkig; het toonde de wijsheid
aan van die terughoudendheid die de gedragslijn was geweest van alle
grote wijzen en adepten in het verleden.
Ik ben pessimist noch optimist, maar ben er niet van overtuigd dat
ons ras is gedoemd om te worden vernietigd, nu of in de toekomst, en
evenmin dat het gevoel voor ethiek in de maatschappij onverminderd in
stand kan blijven zonder een voortdurende vernieuwing vanuit de moederbron.
Ik zie de studie van de theosofie en de persoonlijke verlichting als
die bron, en ik beschouw hem als een weldoener van zijn soort die bij
de sceptici, bij de wanhopigen, bij hen die levensmoe zijn, bij de hongerigen
van hart, de aandacht erop vestigt dat de ijdelheden van de wereld de
aspiraties van de ziel niet bevredigen, en dat het ware geluk alleen
kan worden verkregen door innerlijke zelfontwikkeling, zuivering en
verlichting.
Noten
- [Olcott gebruikte altijd de term
aryan voor verwijzingen naar Hindoestan, en vooral naar
de oude wijzen ervan; aryan komt van het Sanskrietwoord
voor ‘edel’ - Red.]
- Atheïsme, in de zin van ongeloof
zelfs ten aanzien van het universele beginsel. — H.S.O.