Licht op Lucifer
Ina Belderis

 

Is er een verschil tussen Lucifer en Satan? In het westen zal men doorgaans zeggen dat ze dezelfde zijn. Vooral zij die in fundamentalistische kringen verkeren, zullen Lucifer beschouwen als een aartsengel die uit de gratie is gevallen en op grond van ‘zondige trots’ uit de hemel werd geworpen. Zijn ‘zonde’ was dat hij dacht gelijk aan God te zijn en tegen Hem rebelleerde. Deze opstandige engel staat bekend als Satan, Lucifer of de duivel, die ons verleidt om kwaad te doen. Een van de slechtste dingen waartoe Lucifer ons probeert aan te zetten, zo wordt gezegd, is ons te laten denken dat wij God zijn. Dat betekent dat zij die geloven dat al wat leeft in diepste wezen goddelijk is, er vaak van worden beschuldigd de zonde van Satan te begaan, of onder invloed van Lucifer te staan. Waar komen deze ideeën over Satan en Lucifer vandaan? Zijn ze op bijbelteksten gebaseerd?

Lucifer betekent lichtbrenger, van het Latijnse lux ‘licht’ en ferre ‘dragen’ of ‘brengen’. Het woord Lucifer vindt men in de bijbel maar op één plaats – Jesaja 14:12 – maar alleen in de Engelse King James’ vertaling en in de vertalingen die zich daarop baseren: ‘Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, O Lucifer, zoon van de dageraad! . . .’ In de New Revised Standard Version wordt dezelfde passage als volgt vertaald ‘Hoe bent u uit de hemel gevallen, O dagster, zoon van de dageraad!’ In andere vertalingen vinden we: ‘O schitterende ster van de dageraad!’ (Moffatt) of ‘O morgenster, zoon van de dageraad!’ (Hebreeuwse bijbel). De King James vertaling is gebaseerd op de Vulgata, de Latijnse vertaling van Hieronymus. Hieronymus vertaalde het Hebreeuwse helel (heldere of schitterende) met ‘lucifer’, wat een redelijk Latijns equivalent was. En toch werd deze lucifer, de heldere of de lichtbrenger, door velen gezien als de naam voor Satan, de Heer van de Duisternis.

In Jesaja 14 beschimpt de profeet de koning van Babylon: ‘In de symbolische taal van de Hebreeën, . . . betekent een ster een beroemde koning of vorst. . . De monarch waar hier naar wordt verwezen, en die alle andere koningen in koninklijke pracht overtreft, is als de voorbode van de dag, die met zijn schittering de glans van de omringende sterren overtreft.’ Er zijn mensen die beweren dat de werkelijke entiteit die in deze passage wordt toegesproken Satan is, maar daar is geen bewijs voor. Integendeel, in Jesaja (14:16) lezen we: ‘Is dit de man die de aarde deed sidderen, . . .?’, en in (14:18) ‘De koningen van de volkeren liggen allen met ere, elk in zijn eigen graf; maar u bent verbannen. . . ’1 Dit lijken duidelijke verwijzingen naar een mens, de koning van een volk, en niet naar een aartsengel.

Er is nog een andere reden waarom het geen zin heeft om Jesaja 14 te lezen als een verwijzing naar de duivel: de traditionele rol van Satan in het Oude Testament. Satan komt van het Hebreeuwse satan dat ‘tegenstander’ betekent. Volgens Strong’s Concordance komt dit woord voor in 1 Kronieken, Job, Psalmen en Zacharia. In Psalmen wordt ‘satan’ gebruikt in het meervoud (aanklagers) en in onbepaalde zin (een aanklager). In Kronieken en Zacharia is het gebruik ervan dubbelzinnig, terwijl in Job ‘satan’ als De Aanklager alleen in de eerste twee van de 42 hoofdstukken verschijnt. Het is echter belangrijk te bedenken dat de teksten van het Oude Testament pas hun ‘uiteindelijke’ versie bereikten na de Babylonische ballingschap. Vóór deze ballingschap is er geen aanwijzing in de Hebreeuwse geschriften van een Aanklager als een kracht die God tegenwerkt, en zelfs na de ballingschap blijft het twijfelachtig. Hoewel het verhaal van Job heel oud is, wordt de uiteindelijke versie na de ballingschap gedateerd, nadat de Hebreeën in contact waren gekomen met de dualistische religie van Zarathustra met zijn goede en kwade god.

Er bestaat zelfs verdeeldheid onder deskundigen van het Oude Testament over de vraag of het kwade en Satan überhaupt wel met elkaar in verband moet worden gebracht. Sommigen zeggen dat Satan oorspronkelijk niet werd beschouwd als slecht, maar men hem geleidelijk met zijn onaangename functies is gaan vereenzelvigen. Volgens deze benadering is Satan nog steeds Gods dienaar. Er is veel in het Boek Job dat deze opvatting lijkt te steunen. Satan verschijnt alleen in de eerste twee hoofdstukken en verdwijnt dan. Sommigen geloven dat de eerste twee hoofdstukken veel later werden toegevoegd, want in het laatste hoofdstuk lezen we: ‘. . . ze betoonden hem sympathie en troostten hem voor al het kwaad dat de Heer over hem had gebracht’ (42:11).

Het schijnt dat de Hebreeën geen duivelachtige macht als tegenstander van God kenden. Satan, of de Satan zoals hij vaak wordt genoemd, is een engel aan het hof van God met als functie een aanklager (zie Job 1:6). Er zijn ook aanwijzingen dat alles wat ‘slecht’ is samen met alles wat ‘goed’ is van God komt, en niet van Satan. In Jesaja 45:7 zegt God: ‘Ik vorm licht en schep duisternis, ik bewerk het heil en schep onheil; ik de Here doe dit alles.’ Valentine’s Jewish Encyclopedia bevestigt het idee dat er een radicaal verschil is tussen de opvatting ten aanzien van Satan in het Oude Testament en hoe hij wordt gezien in het Nieuwe Testament, en dat zijn nieuwe rol zich niet heeft ontwikkeld uit zijn oorspronkelijke rol: er zijn geen verwijzingen ‘naar opstandige engelen in enig voorchristelijk boek. . . . De figuur Satan in respectievelijk de Hebreeuwse bijbel en het Nieuwe Testament benadrukt het verschil in opvatting. Er is geen sprake van een ontwikkeling maar van een fundamenteel verschil. . . Het Perzische denkbeeld van twee tegengestelde rijken heeft alleen in de christelijke literatuur, met Satan als de tegenstander van God, standgehouden.’2

Er is feitelijk zeer weinig in het Oude Testament om het idee van Satan als rebellerende engel en de macht die God tegenwerkt te steunen. Hij wordt in het algemeen gezien als een hemelse officier van justitie of aanklager die onder God ressorteert, en dit versterkt het argument om in de passage in Jesaja 14:12 niet de figuur Satan te lezen. Jesaja is een van de oudere boeken in de bijbel en beslist van vóór de ballingschap.

Als er geen stevige bijbelse basis is om Lucifer in verband te brengen met Satan, waar komt het verhaal dan vandaan dat hij een opstandige engel is en als gevolg van zijn trots ten val kwam? De christelijke Kerk legde een verband tussen Jesaja 14:12 en Lucas 10:18 (‘Hij zei tot hen: ik zag Satan als een bliksem uit de hemel vallen.’). Dit ongegronde, nietbijbelse verband tussen Lucifer en Satan heeft geleid tot het veel voorkomende misverstand dat Lucifer een andere naam is voor de duivel.3

Als men bedenkt dat Lucifer de morgenster of Venus is, ziet men aan de hand van een drietal passages uit het Nieuwe Testament waar de morgenster wordt genoemd, hoe absurd het is om hem in verband te brengen met de duivel:

En we achten het profetische woord daarom des te vaster, en u doet er goed aan erop te letten als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.       – 2 Petrus 1:19

. . . van mijn Vader. En aan wie overwint zal ik de morgenster geven.      – Openbaring 2:28

Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u dit mede te delen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en de afstammeling van David, en de blinkende morgenster.       – Openbaring 22:16

Alle drie verwijzingen naar de morgenster slaan op Jezus of op dingen die Jezus zegt of geeft. In de Vulgata wordt het woord ‘morgenster’ in 2 Petrus zelfs vertaald met lucifer. Op de twee andere plaatsen staat stella matutina.

Het is een raadsel waarom men ‘bliksem’ in verband zou moeten brengen met Satan in Lucas 10:18, vooral als men er twee andere verwijzingen in Het Nieuwe Testament, Matthëus 24:27 en Lucas 17:24, bij betrekt. Deze twee verwijzingen brengen bliksem in verband met de mensenzoon of Jezus en met zijn tweede komst, wat begrijpelijk is wanneer men de religieuze symboliek van de oudheid bestudeert: ‘In het joodschristelijke denken is bliksem een symbool van de directe aanwezigheid van God . . . of van het laatste oordeel.’4

Zelfs als we aan de vraag hoe we de ‘tegenstander’ van God zouden moeten noemen voorbijgaan, blijft het een feit dat het verhaal van een opstandige engel die ten val kwam als gevolg van zijn trots helemaal niet in de bijbel voorkomt. Sommigen beweren dat de gevallen Satan vanaf het begin aanwezig is, al komt zijn naam niet voor in Genesis. Paulus opperde dat de slang Satan was, en impliceerde dat Satan Adam verleidde. Maar de meeste vroege kerkvaders geloofden dat Satan pas na Adam ten val kwam. Het kostte de Kerk meer dan 200 jaar om vast te stellen dat de zonde van Satan trots was, dat hij ten val kwam vóór de schepping van de mens, en dat hij de slang was die Adam en Eva verleidde.

Om het verhaal te vinden van de val van Satan moeten we andere bronnen dan de bijbel raadplegen. Tussen ruwweg 200 v.Chr. en 150 n.Chr. werd veel geschreven, waaronder de Apocriefen en de Pseudepigrafen. Sommige van deze geschriften zijn apocalyptisch – ze doen voorspellingen van rampen en van het einde van de wereld. In deze literatuur kan men de ontwikkeling zien van het idee van een boze geest, maar zelfs in de apocalyptische literatuur wordt de duivel niet volkomen slecht in zijn oorsprong en essentie. Veel van de boeken uit deze periode weerspiegelen de ellende van het joodse volk door de onderdrukking van Syrië en Rome. Hun geschriften gaan over visioenen van het einde van de wereld, waarbij de wereld in de macht is van de duivel, en de Messias de duivel overwint en een nieuw tijdperk van rechtvaardigheid vestigt. Het Boek Henoch wordt door velen gezien als een van de vroegste en belangrijkste verslagen van de gebeurtenissen aan het hemelse hof (van engelen). Het beschrijft ook de opstand van de engel Satanaïl, en dat hij uit de hemel wordt gestoten (2 Henoch, hfst. 29, alleen in het lange manuscript). Sommige onderzoekers denken dat dit betekent dat het samensmelten van Satan en Lucifer teruggaat tot de eerste eeuw. Een nieuwe datering van 2 Henoch geeft echter een datum na de derde eeuw, misschien zelfs de zevende. Daarom wordt door anderen naar voren gebracht dat Origenes (Exhort. 18) waarschijnlijk de uitvinder was van het vereenzelvigen van Lucifer met Satan.5 Het leven van Adam en Eva (Vita), een joods geschrift dat door geleerden tussen 200 v.Chr. en 200 n.Chr. wordt gedateerd, verhaalt dat Satan aan Adam en Eva vertelt dat zijn val uit de hemel het gevolg is van zijn weigering om Adam, het beeld van God, te vereren. Een soortgelijk verslag wordt ook aangetroffen in de Koran (S 2:34). Deze legenden weerspiegelen een thema dat nauw samenhangt met de oorspronkelijke ‘trots’ die leidde tot de zogenaamde val van Satan.

Omdat het Oude Testament trots of de zondeval niet in verband brengt met Satan, de duivel of de tegenstander, bestaat de enige ‘ondersteuning’ voor deze gedachte uit een verkeerde interpretatie van de val van Lucifer (de koning van Babylon), en uit bepaalde passages in het Nieuwe Testament. Maar het Nieuwe Testament geeft over de val van Satan als gevolg van trots evenmin duidelijke informatie. Er is één plaats waar Lucifer in verband wordt gebracht met trots en dat is in Miltons Paradise Lost. Hij ‘gaf die naam aan de demon van zondige trots’.6

Het schijnt dat het hele verhaal van Lucifer als Satan, de gevallen opstandige engel, is gebaseerd op nietcanonieke bronnen: de zogenoemde Apocriefen en Pseudepigrafen. Er zijn ook veel voorchristelijke mythen en allegorieën die verhalen bevatten over Lucifer, wat de Latijnse naam is voor het Griekse Eosphoros. In zijn Theogonie spreekt Hesiodus over twee goddelijke wezens, de broers Eosphoros (de morgenster) en Hesperos (de avondster). Ze zijn de kinderen van Astraios (de sterrenhemel) en Eos (de dageraad). De ochtendster, evenals de Maagd van de Zee, is een van de titels die wordt gegeven aan de Goddelijke Moedergodinnen zoals de Romeinse Venus, de Foenicische Astarte, de joodse Ashtöreth, en de latere christelijke Heilige Maagd. In de oudste Zoroastrische allegorieën wordt verondersteld dat Mithra de planeet Venus heeft overwonnen. In de christelijke traditie verslaat Michael Lucifer.

De planeet Venus is de lichtbrenger, de eerste schitterende lichtstraal die de duisternis van de nacht verjaagt. Het is een symbool van de ontwikkeling van het goddelijke licht in de mens, voor het eerste ontwaken van zelfbewustzijn, voor onafhankelijk denken en het werkelijk toepassen van de vrije wil. Het betekent het brengen van het licht van meedogend begrijpen aan het menselijk verstand. In deze ruimere opvatting van de morgenster is een verband met Jezus zinvol, omdat mededogen de essentie is van de leringen van Jezus. Deze lering vindt men overal in het Nieuwe Testament: ze wordt genoemd in Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes, Romeinen, Galaten, 1 Thessalonicensen, Hebreeën, 1 Johannes, Jacobus en 1 Petrus. De bekendste verwijzing staat in Mattheüs (22:37-40):

‘U zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede, daaraan gelijk, is:

U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Op deze twee geboden berusten de hele wet en de profeten.’

 

Verwijzingen

  1. A Cyclopedia of Biblical Literature, John Kitto ed., 3rd. ed., J.B. Lippincott and Co, Philadelphia, 1866, 2: 857-8.
  2. Valentine’s Jewish Encyclopedia, A.M. Hyamson & A.M. Silberman eds., Shapiro, Valentine & Co, Londen, 1938, blz. 36.
  3. ‘Lucifer’, Harper’s Bible Dictionary, Paul Achtemeier, gen. ed., Harper & Row, San Francisco, 1985.
  4. ‘Lightning’, Dictionary of Symbolism, Hans Biedermann, A Meridian Book, Penguin Books, New York, 1992.
  5. Satan: The Early Christian Tradition, Jeffrey Burton Russell, Cornell University Press, Ithaca, 1991, blz. 130 & vn.
  6. ‘Lucifer’, A Dictionary of Angels, Gustav Davidson, The Free Press, New York, 1967.
 
Andere artikelen over christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency