H.P.
Blavatsky en The Society for Psychical Research
Grace F. Knoche
Boekbespreking: H.P. Blavatsky
en de SPR: Een onderzoek van het Hodgson Rapport uit 1885 door Vernon
Harrison, Theosophical University Press Agency, 1998, 120 blz., isbn
9070328461, gebonden.
In 1882 werd in Londen, Engeland, The Society for Psychical Research
(SPR) opgericht, met als doel op wetenschappelijke wijze onpartijdig
onderzoek te doen naar paranormale vermogens die volgens de gangbare
regels onverklaarbaar zijn. Men was geïntrigeerd door bepaalde
gebeurtenissen die naar men zei plaatshadden door of in aanwezigheid
van H.P. Blavatsky en die volgens verschillende SPR-leden – nadat
ze zich zorgvuldig van de feiten op de hoogte hadden gesteld –
nader onderzoek verdienden; er werd daarom een speciale commissie benoemd
om bewijsmateriaal te verzamelen bij theosofen die in de zomer van 1884
Londen bezochten – namelijk Henry S. Olcott, H.P. Blavatsky en
Mohini M. Chatterji, een advocaat uit Calcutta, India; ook Alfred P.
Sinnett, die in zijn boek The Occult World (1881) naar een
aantal uitzonderlijke gebeurtenissen had verwezen.
Hoewel hun bevindingen niet tot een definitieve conclusie leidden,
werden er door verscheidene goed aangeschreven theosofen een aantal
vreemde voorvallen gemeld; deze waren voor de SPR-commissie aanleiding
om in december 1884 een ‘voorbereidend en voorlopig Rapport’
uit te brengen. In verband met het voorlopige karakter ervan werd het
in beperkte kring verspreid en hoewel de commissie zich ervan onthield
te onderschrijven wat zij hadden gezien en gehoord, was de verslaggeving
over het algemeen redelijk en onbevooroordeeld.
In het theosofisch hoofdkwartier in India hadden de zaken echter een
radicaal andere wending genomen. Tijdens de afwezigheid van HPB en Olcott,
die enkele maanden in Europa waren, had de door Olcott benoemde raad
van toezicht Emma en Alexis Coulomb – aan wie HPB in 1880 onderdak
had verleend en verantwoordelijke posities had gegeven – wegens
schandelijk wangedrag ontslagen. Hun sleutels van HPB’s kamers
werden aan dr. Franz Hartmann overhandigd. Men ontdekte dat Alexis Coulomb
bezig was een geheime doorgang in de muur achter de ‘schrijn’1
en op andere plaatsen in haar kamers valluiken en schuifpanelen te maken
– kennelijk in de hoop te ‘bewijzen’ dat berichten
aan en van de adepten slechts een door HPB bedachte schijnvertoning
waren.
Uit wraak overhandigde Emma Coulomb aan dominee George Patterson, redacteur
van een zendelingenblad, het Madras Christian College Magazine,
een aantal brieven die door HPB zouden zijn geschreven.2
Fragmenten ervan verschenen onder de titel ‘De Val van Koot Hoomi’
in de nummers van september en oktober 1884. Als die echt waren geweest,
zouden ze hebben bevestigd dat HPB, geholpen door de Coulombs, betrokken
was bij het op grote schaal verrichten van wonderen door bedrog.
Het lijkt nogal partijdig van Patterson dat hij ‘bezwarende’
brieven heeft geaccepteerd die alleen volgens het zeggen van Emma Coulomb
door H.P. Blavatsky waren geschreven. Een paar maanden na haar ontslag
organiseerde Mw. Coulomb op 18 oktober 1884 een ‘feestje’
voor de mensen uit Madras en verklaarde dat de verschijnselen die zogenaamd
spontaan plaatshadden, vervalst waren en dat zij en haar echtgenoot
Mw. Blavatsky hadden geholpen die voort te brengen.3
Toen het bericht van deze laaghartige aanval op haar eer en die van
haar leraren en The Theosophical Society HPB bereikte – ze was
toen in Elberfeld, Duitsland – was ze buiten zichzelf en al snel
zette zij met Olcott koers naar India. Volkomen onwaar, zei HPB, gesteund
door Olcott, die sinds zijn periode in New York genoeg verschijnselen
had meegemaakt om te weten dat de veelal mysterieuze voorvallen in Adyar
die rondom HPB gebeurden – veel ervan in zijn aanwezigheid –
in geen geval vervalst waren, hoewel vaak moeilijk wetenschappelijk
te verklaren.
De geur van ‘fraude’ is subtiel en doordringend, en Henry
Sidgwick, Frederic Myers en hun SPR-collega’s kregen al snel lucht
van de mogelijkheid dat HPB zich kon hebben ingelaten met bedrog. Hoewel
ze hun oordeel opschortten, besloten ze de situatie zelf te onderzoeken.
Een van hun jongere leden, Richard Hodgson, een afgestudeerde uit Cambridge
die in Australië was geboren en onderzoeker van paranormale verschijnselen,
werd afgevaardigd om naar India te gaan en uit de eerste hand te onderzoeken
of de gerapporteerde verschijnselen in het theosofisch hoofdkwartier
in Adyar, Madras, al dan niet hadden plaatsgevonden en of de brieven,
die naar men beweerde van chela’s en/of mahatma’s waren
ontvangen, echt waren. Kennelijk was het nooit bij de SPR of bij Hodgson
opgekomen dat hij slecht was toegerust om zo’n delicate en belangrijke
taak op zich te nemen als van hem zou worden verlangd.
Bij aankomst te Adyar, in december, kreeg Hodgson een warm onthaal
van zowel HPB als Damodar, een jonge brahmaan die afstand had gedaan
van zijn familie en kaste om met een volledige dagtaak aan het theosofisch
hoofdkwartier te kunnen werken. Al dadelijk in het begin verklaarde
HPB stellig dat de in het Christian College Magazine gepubliceerde
brieven vervalsingen waren. Aanvankelijk was Hodgson geneigd in haar
onschuld te geloven, maar al snel nam hij het standpunt van Emma Coulomb
over: dat zij (Emma) niet alleen HPB had geholpen bij frauduleuze bezigheden,
maar dat HPB zelf de zogenaamde ‘Mahatma’ brieven had geschreven.
Het is verbazingwekkend dat de SPR-commissie naliet te controleren
of de veroordelingsgronden van Hodgson wel helemaal waarheidsgetrouw
waren en dat ze ook de beweringen van Emma Coulomb kritiekloos accepteerde.
Even verbazingwekkend is het samenvattend commentaar van de speciale
commissie van de SPR dat voorafgaat aan het Rapport van Richard Hodgson:
Wat ons betreft, we zien haar [H.P. Blavatsky] noch
als spreekbuis van verborgen zieners, noch als een gewone avonturierster;
wij menen dat ze het recht heeft verkregen in onze herinnering te
blijven voortleven als een van de meest begaafde, vindingrijke en
interessante bedriegers in de geschiedenis.
– Verklaring en Conclusies van
de Commissie4
Dit oordeel, totstandgekomen zonder het vereiste systematische onderzoek
waar HPB recht op had, vormt de inleiding van Richard Hodgsons ‘Verslag
van mijn eigen onderzoek in India, en bespreking van het auteurschap
van de ‘Koot Hoomi’ brieven’. Van het totaal van 200
gedrukte bladzijden richt een groot gedeelte zich op de bewering van
Hodgson dat Mw. Blavatsky de zogenaamde Mahatma Brieven heeft ‘vervalst’
die zij (en anderen) volgens haar hadden ontvangen van hun leraren,
de adepten die het stichten van The Theosophical Society in 1875 hadden
gesteund. Meer dan een eeuw lang is de ‘uitspraak’ van Hodgson
geciteerd in encyclopedieën, dictionaires en biografieën als
het algemeen aanvaarde historische oordeel. Om die bewering te weerleggen
werden er onmiddellijk bezielde verdedigingen opgesteld door William
Q. Judge, A.P. Sinnett, Annie Besant en anderen, en in de loop van de
jaren is zij in uitstekende boeken verdedigd, zoals in The Real
H.P. Blavatsky, A Study in Theosophy, and a Memoir of a Great Soul,
1928, door William Kingsland; Defence of Madame Blavatsky,
Deel II, ‘The Coulomb Pamphlet,’ 1937, door Beatrice Hastings;
Madame H.P. Blavatsky: Her Occult Phenomena and The Society for
Psychical Research, 1951, door K.F. Vania; en Obituary: The
‘Hodgson Report’ on Madame Blavatsky, 1885-1960; Re-examination:
Discredits the Major Charges Against H.P. Blavatsky, 1963, door
Adlai E. Waterman (pseudoniem van Walter Carrithers jr.).
Het doet genoegen te vernemen dat Sir William Barrett, initiatiefnemer
van de SPR, die met zijn collega’s uit Cambridge had geloofd dat
HPB betrokken was geweest bij fraude in verband met het voortbrengen
van ongewone verschijnselen, van idee was veranderd. Volgens dr. J.H.
Cousins vertelde hij jaren later, in 1915, toen hij met Sir William
in een tram in Dublin reed, aan dr. Cousins dat Richard Hodgson ‘in
net zulke buitengewone dingen was gaan geloven als hij in het geval
van Mw. Blavatsky had verworpen, en hij [Sir William] hoopte dat het
Rapport dat een smet wierp op de handelingen van de SPR ooit zou worden
herroepen.’5
Dit is helaas niet gebeurd en de uitspraak van de SPR heeft nog steeds
een belangrijke plaats in de academische wereld en blijft het grote
publiek misleiden. De positieve kant is dat HPB altijd trouwe verdedigers
heeft gehad, en ook nu nog heeft, niet alleen onder theosofen, maar
eveneens bij bewonderaars die onafhankelijk de kracht van haar boodschap
erkennen. Ze staan allen perplex van de gewetenloze behandeling die
generaties van lasteraars haar hebben gegeven. Jammer genoeg vinden
velen het eenvoudiger een heersende opvatting te accepteren dan de feiten
zelf te toetsen.
Onder de huidige verdedigers valt dr. Vernon Harrison uit Engeland
op. ‘Gedreven door een sterk gevoel van de noodzaak van RECHTVAARDIGHEID’,
heeft deze handschriftkundige en professionele onderzoeker van betwiste
documenten een grondige studie gemaakt van de handschriften van de Mahatma
Brieven die in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw door
Alfred P. Sinnett en Alan O. Hume zijn ontvangen.6
Het gaat dr. Harrison nu niet om de inhoud, evenmin om de schrijvers
– bij de lezers van H.P. Blavatsky’s geschriften bekend
als de mahatma’s Morya (M) en Koot Hoomi (KH). Zijn interesse
is erop gericht vast te stellen of HPB al dan niet in een verdraaid
handschrift de Mahatma brieven zelf heeft geschreven, zoals Richard
Hodgson stellig beweerde.
In 1986 schreef dr. Harrison ‘een ernstige kritiek’ op
het Rapport van Richard Hodgson, ‘J’accuse: Een onderzoek
van het Hodgson Rapport uit 1885’, gepubliceerd in het Journal
of the Society for Psychical Research.7
Hierin weerlegt hij op logische wijze, stap voor stap, de uitgangspunten
waarop Hodgson zijn beschuldiging baseerde en zijn argumenten aanvoerde
tegen de onkreukbaarheid van HPB. Dit jaar schreef dr. Harrison ‘J’accuse
d’autant plus [Ik beschuldig nog veel meer]: Een verdere studie
van het Hodgson Rapport,’ dat, samen met zijn Verslag uit 1986,
nu in één band verkrijgbaar is, met 13 afbeeldingen in
kleur, onder de titel: H.P.Blavatsky en de SPR: Een Onderzoek van
het Hodgson Rapport uit 1885.
Dr. Harrison, die als jongeman lid werd van de SPR en er nog steeds
actief in is, vindt het ongelooflijk dat de SPR-commissie blind was
voor de buitengewone gelegenheid die zich voordeed om HPB te kunnen
observeren en uit de eerste hand van haar, een voortreffelijke middelaar
– maar geen medium – te leren, en bovendien dat zij zonder
nauwkeurige analyse een niet gecontroleerd verslag accepteerden van
een jongeman die ongeschikt was om een onderzoek van deze omvang en
van dit gewicht te verrichten, al was hij naar gewone maatstaven goed
onderlegd.
Dr. Harrison onderwierp elk van de 1323 dia’s die een volledige
set van de brieven in de British Library vormen, aan een nauwkeurig
microscopisch onderzoek, en waar dat nodig was las [hij] ‘het
handschrift in een regel voor regel scan met een vergroting van 50x
de diameter.’8 Na uitgebreide en gedetailleerde
bestudering is hij het Hodgson Rapport gaan beschouwen als ‘een
hoogst eenzijdig document dat geen enkele aanspraak op wetenschappelijke
onpartijdigheid kan maken. Het is het requisitoir van een officier van
justitie die niet aarzelt bewijsmateriaal te selecteren zoals het in
zijn kraam te pas komt en daarbij alles negeert en weglaat dat zijn
stelling dreigt tegen te spreken’ (blz. 4-5). In zijn beedigde
verklaring zegt hij: ‘(4) Na de Mahatma Brieven te hebben gelezen,
heb ik sterk de indruk dat de schrijvers ‘KH’ en ‘M’
echte en van elkaar verschillende mensen waren, geen halfgoden of ‘schillen’
. . .’ en onder (8) verklaart hij verder:
Ik heb geen bewijs gevonden dat de Mahatma Brieven
die in de British Library worden bewaard door Helena Blavatsky bewust
en met opzet in een verdraaide vorm van haar eigen handschrift werden
geschreven, een vorm die zij volgens Richard Hodgson in de loop van
enkele jaren heeft ontwikkeld. Dat wil zeggen, ik vind geen bewijs
voor een gemeenschappelijke oorsprong van de handschriften van ‘KH’,
‘M’ en ‘HPB’. In elke gewone rechtszaak zou
ik ze beschouwen als verschillende handschriften en ze aan drie verschillende
personen toeschrijven.’
Volgens dr. Harrison blijven er nog ‘onbeantwoorde vragen’
over HPB en over de aan haar toegeschreven verschijnselen, vooral tijdens
de eerste jaren van haar verblijf in India, eerst in Bombay en later
in Adyar, Madras. Daarover kan hij geen mening geven omdat ‘Alle
getuigen en voorwerpen die bewijs uit de eerste hand waren, zijn verdwenen,
en het is mij niet mogelijk na te gaan of enige van de gerapporteerde
‘verschijnselen’ echt waren; maar na de methoden van Richard
Hodgson te hebben bestudeerd, ben ik zijn verslag en verklaring van
de genoemde ‘verschijnselen’ gaan wantrouwen’ (10).
Daarom concentreerde hij zich op wat beschikbaar is: de handschriften
van de Mahatma Brieven en de brieven van Blavatsky in de British Library.
Hij besluit zijn beëdigde verklaring met het volgende:
DAAROM VERKLAAR IK dat het mijn MENING als
deskundige is, gebaseerd op een studie van deze zaak die een periode
van meer dan vijftien jaar bestrijkt, dat toekomstige geschiedkundigen
en biografen van genoemde Helena Petrovna Blavatsky, de samenstellers
van naslagwerken, encyclopedieën en woordenboeken en ook het
grote publiek, zich moeten realiseren dat HET
RAPPORT VAN DE COMMISSIE AANGESTELD
OM DE VERSCHIJNSELEN TE ONDERZOEKEN DIE VERBAND HOUDEN MET
THE THEOSOPHICAL SOCIETY,
uitgegeven in 1885 door de Society for Psychical Research, met grote
voorzichtigheid moet worden gelezen, zo niet genegeerd. In plaats
van een model te zijn voor onpartijdig onderzoek zoals gedurende meer
dan een eeuw zo vaak werd geclaimd, vertoont het ernstige tekortkomingen
en is het onbetrouwbaar.
Het profetische gezegde dat ‘De waarheid altijd aan het licht
komt,’ blijkt opnieuw van kracht te zijn. Zij van wie het gedachteleven
en de lotsbestemming een verandering ten goede hebben ondergaan door
theosofische waarden in zich op te nemen, zijn HPB nu uitermate dankbaar
dat zij de onopgesmukte moed, trouw aan de waarheid en een onverschrokken
wil heeft gehad om de overbrenger te worden van een levensfilosofie
die tegelijk universeel en toch ook strikt persoonlijk is om aan de
innerlijke behoefte van iedere mens tegemoet te komen.
Verwijzingen
- Een kast in een kamer op
de bovenverdieping die HPB en anderen hadden gebruikt voor overdracht
en ontvangst van brieven en boodschappen van mahatma’s; maar
sporen van onafgemaakt timmerwerk wezen erop dat HPB de kast al
enige tijd niet had gebruikt.
- De zogenaamde Blavatsky-Coulomb
brieven zijn nooit teruggevonden, ondanks ijverige pogingen van
verschillende onderzoekers om ze aan de vergetelheid te onttrekken.
Alleen een getekende cheque voor de aankoop ervan door dr. Elliott
Coues van dominee Patterson is gevonden in het Coues-archief van
de State Historical Society van Wisconsin, Madison, WI (Michael
Gomes, ‘The Coulomb Case, 1884-1984’, The Theosophist,
febr. 1985, blz. 185).
- Zie K.F. Vania’s Madame
H.P. Blavatsky: Her Occult Phenomena and The Society for Psychical
Research, blz. 238-41.
- ‘Rapport van de commissie
aangesteld om de verschijnselen te onderzoeken die verband houden
met The Theosophical Society’, Proceedings of the Society
for Psychical Research, Deel IX, december 1885, blz. 207.
- Geciteerd in ‘On the
Watch-Tower’, The Theosophist, oktober 1925, blz.
5.
- De Mahatma
Brieven aan A.P. Sinnett, samengesteld en ingeleid door A.
Trevor Barker, vertaling van de 2de uitgave, Theosophical University
Press, Den Haag, 1979.
- April 1986 (53:803), blz.
286-310. Zie redactioneel artikel ‘In het Belang van de waarheid
. . .’ Sunrise, november/december 1986, blz. 209-14.
- H.P. Blavatsky en de
SPR, Beëdigde verklaring, blz. 82.