*Verkorte versie van een lezing getiteld ‘Cyclic
Impression and Return and Our Evolution’, gehouden door Judge
op de zesde jaarlijkse conventie van Amerikaanse theosofen in Chicago,
Illinois, 24-25 april 1892, en gepubliceerd in Theosophy, Deel
XI, januari, februari en maart 1897; herdrukt in Echoes of the Orient
1:492.
Volgens de esoterische leer, de innerlijke leer, die in elke oude literatuur
en in ieder religieus boek is te vinden, wordt onze evolutie geleid
door de wet van de cyclussen, de hoogste wet; die cyclische wet werkt
door middel van reïncarnatie en werkt overal. Want wat is reïncarnatie
anders dan een opnieuw tot leven komen, precies wat de oude Egyptenaren
leerden en waarvan wij ontdekken dat het waarschijnlijk waar is; want
op geen andere manier dan door deze cyclische wet van reïncarnatie
kunnen we de problemen van het leven verklaren waarmee we te maken krijgen.
Daarmee verklaren we ons eigen karakter, dat verschilt van ieder ander,
en een kracht bezit die voor ieder mens uniek is.
Omdat dit de hoogste wet is, moeten we nog een andere bespreken, die
ermee verband houdt en dat is de wet van terugkeer van indrukken. We
bedoelen hiermee dat gedachten en verrichte daden een indruk maken.
Dat wil zeggen, dat uw komst naar deze conventie in uw natuur een indruk
achterlaat. Als u op straat loopt en daar getuige bent van een scheldpartij,
dan maakt dat een indruk. Als u vorige week onenigheid had, en bent
uitgevaren tegen een man of een vrouw en u heeft u kwaad gemaakt, dan
schept dat een indruk in u, en deze indruk is evengoed onderworpen aan
de wet van de cyclussen als de maan en de sterren en de wereld, en is
veel belangrijker voor uw ontwikkeling – uw persoonlijke ontwikkeling
of evolutie – dan al deze andere grote dingen, want die treffen
u als deel van het geheel, terwijl deze kleine cyclussen u in het bijzonder
treffen.
De cyclussen en de evolutie van de mensheid moeten ongeveer als volgt
worden beschreven: Stel dat er vóór deze aarde de gasachtige
toestand verliet, in de ruimte ergens een aarde bestond – laten
we haar de maan noemen, want dat is precies de theorie. De maan was
ooit een groot en levend lichaam vol wezens. Ze leefde haar leven, doorliep
haar cyclussen en tenslotte, aan het einde van haar leven, en nadat
enorme tijdperken waren verstreken, brak het moment aan dat ze moest
sterven; dat wil zeggen, er kwam een moment dat de wezens op die aarde
haar moesten verlaten, omdat haar tijd was verstreken, en toen begon
de uittocht van die aarde. U kunt zich dat voorstellen als de trek van
een vlucht vogels.
Toen ik een jongen was en in Ierland woonde, ging ik vaak naar mijn
oom. Achterin zijn tuin stond een oude stenen bouwval en door een of
andere merkwaardige samenloop van omstandigheden verzamelden de zwaluwen
uit alle naburige provincies zich daar. Als de tijd daar was, zag je
ze uit alle windrichtingen aankomen; ze streken neer, kwetterden de
hele dag op deze berg stenen en vlogen soms wat rond. Wanneer de schemering
intrad, vlogen ze tegelijk op en vormden een grote cirkelvormige groep
met een middellijn van meer dan twaalf meter, en die kring van zwaluwen
vloog wel twee uur lang steeds maar rond en rond in de lucht, om de
toren, en hun luid getjilp trok van andere plaatsen zwaluwen aan die
waarschijnlijk die gelegenheid hadden vergeten.
Ze hielden dit verschillende dagen vol, totdat op een dag het moment
aanbrak dat ze weg moesten en dan gingen ze – enkele werden achtergelaten,
sommige gingen wat eerder, andere kwamen te laat. Andere vogels trekken
weer op andere manier. En zo trokken deze menselijke vogels van de maan
naar deze plaats waar de aarde begon (ik weet niet waar dat is –
een plek in de ruimte) en vestigden zich daar als levende wezens, entiteiten,
niet met lichamen, maar wezens, in die massa van stof, op dat punt in
de ruimte, bezielden haar met leven en maakten tenslotte dat deze aarde
een bol werd met wezens erop. Toen begonnen de cyclussen te werken,
want de indrukken die op deze wezens waren gemaakt toen ze in de oude
beschaving van de maan leefden – het gaat ons verstand te boven
om te weten hoe oud – kwamen weer terug toen ze op deze aarde
arriveerden.
Dit is in grote lijnen de theorie, en daarin besloten ligt de theorie
van de zeven grote rassen [stadia in de ontwikkeling van de mensheid],
die achtereenvolgens de aarde bewoonden, de zeven grote Adams die de
aarde bevolkten; en als deze aarde tenslotte aan het einde van haar
leven, van haar periode is gekomen, dan zullen alle wezens van deze
aarde wegvliegen naar een andere plaats in de ruimte om nieuwe werelden
te ontwikkelen in andere ruimten in de natuur. We doen dit niet blindelings.
Het is eerder door anderen gedaan – niemand weet wanneer het begon.
We kunnen de cyclusssen in hun loop niet keren. We zijn volgens cyclische
wetten vanuit de laagste natuurrijken omhooggekomen. Dat betekent dat
we verbonden zijn in een broederschap, die niet alleen de blanke mensen
van de aarde omvat, en de zwarte mensen, en de gele mensen, maar ook
de dieren, de planten, de mineralen, en de onzichtbare elementalenrijken.
Het omvat alles, ieder atoom in dit zonnestelsel. En we komen omhoog
uit lagere vormen en leren hoe de stof waarvoor we verantwoordelijk
zijn – in ons lichaam, ons brein en onze psychische natuur –
zo te vormen en te modelleren, te gebruiken en te misbruiken, of van
indrukken te voorzien dat die stof een verbeterde substantie zal zijn,
om te worden gebruikt door de jongere broeders, die nog lager staan
dan wij, misschien in de steen onder onze voeten. Ik bedoel daarmee
niet dat er in die steen een mens woont. Ik bedoel dat geen atoom in
de steen dode stof is. Er is nergens dode stof, maar ieder atoom in
die steen bevat leven, niet verstandelijk, vormloos, maar potentieel,
en op een moment ver in de toekomst – dat we ons niet kunnen voorstellen
– zullen alle atomen in die steen bevrijd zijn. De stof zelf zal
verfijnd zijn, en tenslotte zal in deze grote cyclus van vooruitgang
alles de sporten van de ladder hebben bestegen, om anderen die nog lager
staan en in een voor ons onbegrijpelijke toestand verkeren, tot zich
te laten opstijgen.
Welnu, deze wet van indrukken kan op de volgende manier worden geïllustreerd:
als men naar een elektrisch licht kijkt, maakt dat een indruk op het
netvlies, en als men de ogen sluit, zal men in het oog deze lichtboog
zien die ontstaan is door een gloeidraad in een booglamp. Als men de
ogen dichthoudt en goed oplet, ziet men het beeld een aantal keren terugkomen,
het blijft enkele tellen, verdwijnt even lang en komt dan weer terug,
terwijl het steeds enigszins verandert, maar het blijft altijd het beeld
van de lichtboog, totdat tenslotte het ogenblik komt dat het kennelijk
verdwijnt omdat andere indrukken het uitwissen of overdekken.
Dit betekent dat er zelfs op het netvlies sprake is van een terugkeer
van de indruk van deze lichtboog. Na de eerste keer verandert de kleur
telkens, en zo komt hij met regelmatige tussenpozen terug, en toont
daarmee aan dat de indruk op het netvlies cyclisch terugkeert; en als
dat voor één plaats geldt, geldt dat voor alle andere
plaatsen. Wanneer we ons morele karakter beschouwen, zien we hetzelfde,
want zoals er in de oceaan getijden zijn, die naar men zegt door de
maan worden verklaard – die ze volgens mij niet verklaart –
zo zijn er ook in de mens getijden, die de terugkeer van deze indrukken
worden genoemd; dat wil zeggen, men doet iets éénmaal
en heeft de neiging het te herhalen; men doet het tweemaal en de invloed
ervan verdubbelt, en er is een grotere neiging hetzelfde nog eens te
doen. En zo komt deze regelmatige terugkeer van cyclische indrukken
in ons hele karakter tot uiting.
We ontvangen deze indrukken vanuit ieder punt in de ruimte, uit iedere
ervaring die we hebben gehad, uit alles wat we ooit mogelijkerwijs doormaken,
zelfs die dingen die onze voorvaderen meemaakten. En dit is niet onrechtvaardig
en wel omdat onze voorvaderen de lijn van belichaming verschaften, en
we kunnen op die lijn niet binnenkomen tenzij we er verwantschap mee
hebben en daarom moeten we op een bepaald punt in die cyclus in het
verleden in diezelfde lijn of familie zijn geweest; ik moet dus in het
verleden een aandeel hebben gehad in het opbouwen van juist deze familielijn
waarin ik nu besta, en ik neem opnieuw de cyclische indruk op die tot
mij is teruggekeerd.
Dit is van het grootste belang voor onze evolutie als individuen. Er
doet zich voor u een gelegenheid voor om iets te doen. U doet het niet;
misschien komt ze in geen honderd jaar terug. Het is de terugkeer tot
u van iets ouds dat goed was, als het iets goeds was, volgens het verloop
van een cyclisch proces. U negeert het misschien, en eenzelfde kans
zal zich weer voordoen, maar let wel, misschien doet ze zich pas voor
in een ander leven, maar ze zal terugkomen volgens diezelfde wet.
Neem nu een ander geval. Ik heb een vriend die alles probeert te weten
te komen over de psychische natuur, maar ik heb ontdekt dat hij niet
de minste aandacht schenkt aan het onderwerp van de onvermijdelijke
terugkeer tot hemzelf van deze indrukken die hij schept. Ik ontdekte
dat hij tijden van depressies kende (en dit geldt voor iedereen) en
een moedeloosheid die hij niet kon verklaren. Ik zei tegen hem, je had
dezelfde moedeloosheid misschien zeven weken geleden, misschien acht
weken, misschien vijf weken geleden. Hij keek zijn dagboek na en raadpleegde
zijn geheugen, en ontdekte dat er inderdaad herhalingen van moedeloosheid
plaatsvonden met ongeveer dezelfde tussenpozen. Wel, zei ik, dat verklaart
voor mij hoe ze terugkomt. Maar wat moet ik doen? Doe wat de Ouden ons
leerden, namelijk dat we alleen goede resultaten kunnen krijgen door
indrukken teweeg te brengen die tegengesteld zijn aan de slechte.
Wat hij had moeten doen, omdat het de terugkeer is van een oude indruk,
was zichzelf dwingen zich blij te voelen, zelfs tegen zijn wil, en als
hij dat niet zou kunnen, dan proberen de vreugde van anderen te voelen.
Door dit te doen, zou hij in zichzelf een andere indruk hebben ingeprent,
één van vreugde, zodat wanneer deze indruk weer zou terugkomen,
ze in plaats van dezelfde kwaliteit en dezelfde omvang te hebben, door
de indruk van vreugde of opgetogenheid zou zijn veranderd. Als die twee
indrukken samenkomen, zouden ze elkaar neutraliseren, zoals twee biljartballen
die elkaar treffen de neiging hebben elkaars bewegingen teniet te doen.
Dit heeft ook betrekking op het vraagstuk van de beschaving waaraan
wijzelf deelhebben. Wie zijn we? Waar gaan we heen? Vanwaar kwamen we?
Ik zei u dat de oude Egyptenaren zijn verdwenen. Naar mijn bescheiden
mening zijn wij de Egyptenaren. We hebben door de onontkoombare wet
van associatie via cyclische herhaling enkele individuen meegebracht
die banden met ons hebben door sommige van onze daden tijdens die grote
oude beschaving die nu is verdwenen.
Niets gaat verloren. Als we het moesten hebben van verslagen, van gebouwen
en dergelijke, dan zouden die snel verdwijnen en zou er nooit iets kunnen
worden herwonnen; er zou nooit enige vooruitgang zijn. Maar ieder individu
in de beschaving, waar hij zich ook bevindt, maakt de aantekeningen
in zichzelf, en wanneer hij daarvoor in gunstige omstandigheden komt,
zal hij de oude indruk naar buiten brengen. De Ouden zeggen dat aan
iedere daad een gedachte ten grondslag ligt, en iedere gedachte veroorzaakt
een mentale indruk; en wanneer het gestel gereed is, ontstaat die nieuwe
omstandigheid in rang, plaats en talent. Zo bewaren we in onszelf de
indruk van alles wat we hebben gedaan, en wanneer de tijd aanbreekt
dat we na vele keren cyclisch weer zijn teruggekeerd, komen we tenslotte
in een omgeving, stoffelijk en in andere opzichten, die ons en anderen
die na ons komen in staat stelt goed te doen. Het is gemakkelijk genoeg
tegen iemand te zeggen: Doe wat goed is, maar na een poosje zal hij
zeggen: Waarom zou ik doen wat goed is als ik er niet voor voel? Als
men op deze wetten wijst, dat hij in zijn cyclus moet terugkomen, dat
hij onderworpen is aan evolutie, dat hij een gereïncarneerde pelgrimsziel
is, dan zal hij de reden daarvoor inzien.
Het belangrijkste doel en streven is de grote verzaking, namelijk dat
men, na tot grote hoogten te zijn opgeklommen – wat men alleen
kan doen door onzelfzuchtigheid – tenslotte tegen zichzelf kan
zeggen: ‘Ik mag mijn gemak nemen waar ik recht op heb’.
Want wat op één plaats geldt, moet ook op andere plaatsen
gelden. Maar als men tegen zichzelf zegt: ‘Ik zal het niet aannemen,
omdat ik weet dat deze wereld en alle mensen erop nog vele duizenden
jaren moeten leven en volhouden en, als ze niet worden geholpen, misschien
zullen falen; ik zal het niet aannemen, maar hier blijven en ik zal
lijden omdat ik hogere kennis en grotere sensitiviteit bezit’
– dat is de grote verzaking.
Ik weet dat wij niet vaak op deze manier spreken, omdat velen van ons
denken dat de mensen, als we over de grote verzaking spreken, onmiddellijk
zullen zeggen: ‘Dat bevalt mij niet; het is teveel gevraagd’.
Daarom spreken we in het algemeen over de prachtige vooruitgang, en
hoe men tenslotte aan de noodzaak van reïncarnatie zal ontsnappen,
en aan de noodzaak dit of dat te doen, maar als u uw plicht doet, moet
u, als u die hoogte bereikt, als u alles zult weten, als u deelneemt
aan het besturen van de wereld, het besluit nemen om, in plaats van
uw tijd in slaap door te brengen, hier te blijven en de achtergeblevenen
te helpen, en dit is de grote verzaking. Dit wordt gezegd over de Boeddha
en over Jezus. Het hele verhaal over Jezus, dat volgens mij niet historisch
kan worden bewezen, is ongetwijfeld gebaseerd op hetzelfde feit dat
wij verzaking noemen. Hij werd gekruisigd na twee of drie jaar te hebben
gewerkt. Dit betekent dat dit goddelijke wezen besloot zich te kruisigen
in de ogen van de wereld, in de ogen van anderen, om mensen te kunnen
verlossen. Boeddha deed hetzelfde, lang vóór de tijd waarop
Jezus zou zijn geboren. Het verhaal dat hij de grote verzaking volbracht,
betekent alleen dat hij – in plaats van dit afschuwelijke gebied,
zoals het ons toeschijnt, te verlaten – in de wereld achterbleef
en zijn leer begon, waarvan hij wist dat ze tenminste door enkelen zou
worden gevolgd. Maar deze grootse leer van verzaking zegt dat men in
plaats van voor zichzelf te werken, moet werken om alles te leren kennen,
om alles te doen wat in ons vermogen ligt voor hen die misschien achterblijven.
Wanneer deze oude leringen niet worden onderwezen, zal er revolutie
komen, en in plaats van op een rustige en normale manier vooruitgang
te boeken, zal men tot betere dingen komen door storm, tegenslag en
verdriet. Men zal natuurlijk verder komen, want zelfs uit revoluties
en bloed ontstaat vooruitgang, maar is het niet beter vooruit te gaan
zonder dat? Deze oude leringen zullen als ze nieuw leven worden ingeblazen
alle problemen verklaren en in het universele plan de mens een plaats
geven als een potentiële god.