Uit een toespraak gehouden in het Theosophical
Library Center, 7 november 1997.
Het schijnt me dat Athene veel dat voortreffelijk
en goddelijk is heeft voortgebracht en aan ons leven heeft bijgedragen,
maar niet iets dat beter is dan die mysteriën waardoor wij vanuit
een ruwe en wilde toestand van de mensheid worden gevormd en gekneed;
en, inderdaad, in de mysteriën nemen we de echte beginselen van
het leven waar, en leren niet alleen gelukkig te leven, maar ook om
vol goede verwachtingen te sterven. –
Cicero, Over de Wetten II.14
Vele jaren geleden kwam ik, toen ik een theosofisch tijdschrift aan
het lezen was, een artikel van twee bladzijden tegen met als titel ‘De
leraar en de leerling uit de oudheid’ door Herbert Coryn,
en werd getroffen door de helderheid, de diepte, en de betekenis ervan.
Elke herlezing daarna leidde tot nieuwe inzichten en ik heb vaak gedacht
wat jammer dat het artikel zo weinig toegankelijk is.
Herbert A.W. Coryn werd in 1863 in Engeland als zoon van een arts geboren.
Nadat hij zijn M.D. had gehaald en zich bij de ‘Royal College
of Surgeons’ (Koninklijke academie van chirurgen) in Londen had
aangesloten, oefende hij samen met zijn vader het vak uit. Voordien
agnosticus, schreef hij dat hij ‘toevallig een exemplaar van The
Occult World’ — gebaseerd op brieven van H.P. Blavatsky’s
leraren — tegenkwam en vervolgens ‘naar H.P.B. op Lansdowne
Rd. 17 in Londen toeging.’ Op 7 februari 1889 werd hij lid van
de Theosophical Society en werd later door H.P.B. uitgenodigd om zich
aan te sluiten bij de ‘Inner Group’ van haar eigen leerlingen.
In de tijd dat de Society werd opgesplitst, in 1895, vier jaar na HPB’s
dood, steunde dr. Coryn William Q. Judge en vervulde hij een belangrijke
rol in het organiseren van de Theosophical Society in Europa. Daarna
kwam hij naar de Verenigde Staten om aan het hoofdkwartier in New York
op Madison Avenue 144 te werken, en toen dit in 1900 naar Point Loma
werd verplaatst, vroeg hij Katherine Tingley of hij inwonend staflid
kon worden. Daar onderscheidde hij zich door zijn werk bij de medische
en literaire staf (waaronder zijn redacteurschap van The New Way)
tot zijn dood op 7 november 1927.
Zijn artikel werd na zijn dood gepubliceerd in mei 1931, dat samenviel
met de herdenking van HPB’s dood veertig jaar daarvoor en die
honderd jaar na haar geboorte plaatsvond. Van meer specifiek belang
is echter de ondertitel: ‘Uit aantekeningen gedicteerd door Katherine
Tingley, juli 1902.’ Dit gaf aanleiding tot het idee van een herdenking
dit jaar, want honderd jaar geleden, op 23 februari 1897, legde Katherine
Tingley de hoeksteen van de S.R.L.M.A. Door de gebeurtenissen die aan
de oprichting van de School voorafgaan, ziet men de opmerkingen van
Katherine Tingley in perspectief en ze geven ook een idee van de opdracht
die ze met het leiderschap van de Society ontving en de uitzonderlijke
hulp die haar al die tijd werd geboden.
Slechts vijf weken na het overlijden van Judge hield de Theosophical
Society in Amerika zijn tweede jaarlijkse conventie in New York. De
avondsessie van zondag 26 april 1896 met 2.000 aanwezigen, was een openbare
bijeenkomst waarbij eer werd bewezen aan Judge. Volgens het verslag
in het tijdschrift Theosophy:
Na de ceremonie trad Claude Falls Wright naar voren
en zei dat de echte stichters van de Theosophical Society [HPB’s
leraren] voorbereidingen troffen voor het oprichten van een School
for the Revival of the Lost Mysteries of Antiquity [School voor het
doen herleven van de verloren mysteriën van de oudheid], en dat,
om dit doel te verwezenlijken, er een verzoek tot fondsverwerving
zou worden gedaan, een geschikt terrein zou worden aangekocht en gebouwen
zouden worden neergezet. De doeleinden en mogelijkheden van zo’n
onderneming moeten duidelijk zijn voor leden van de Society, die de
macht en de instelling hebben haar te realiseren. Mw. P.B. Tingley
kwam na Wright en maakte een paar opmerkingen over het oprichten van
de School. – Juni 1896, blz. 93
Dit was de eerste keer dat de School in het openbaar werd genoemd.
Katherine Tingley’s opmerkingen waren heel kort en in de volgende
maanden gaf ze weinig verdere toelichting erover. Net zoals veel kunstenaars
terughoudend zijn over werk in uitvoering, omdat anders de inspiratie
verloren gaat, vond KT het belangrijk, toen haar werk in de beginfase
zich begon te ontvouwen, er niet te vroeg over te spreken. In 1905 verwees
ze naar een gesprek dat ze met Judge had gehad. Hij zei dat hij ‘HPB
altijd vragen stelde wanneer ze deze grote School van Occultisme in
het westen noemde, en zij knipoogde dan lachend en zei, ‘Wacht
maar tot je haar vindt’; en wat jij [KT] nu zegt sluit hierbij
aan, maar het feit dat we dit plan bespreken is gevaarlijk.’ Hoewel
Judge in november 1894 kort aan deze school refereerde, wanneer hij
verklaart dat HPB hierop in De Sleutel tot de Theosofie zinspeelde,
had hij dit op verzoek van zijn leraar als vertrouwelijke informatie
geschreven om leerlingen te helpen om de grotere belangen die in die
heel moeilijke tijd op het spel stonden te begrijpen. Gezien de omstandigheden
zou een openbare aankondiging waarschijnlijk tegenstand oproepen. ‘En
daarom’, voegde KT eraan toe, ‘was ik over mijn plan zo
zwijgzaam en wilde ik het aan enkele van de oude leden op Madison Avenue
144, New York, niet geven.’1
Half juni 1896, minder dan twee maanden na het aankondigen van de
S.R.L.M.A., vertrokken KT en zes anderen op een ‘Kruistocht’
rond de wereld om leden in het buitenland te ontmoeten, openbare lezingen
te houden, waar mogelijk afdelingen op te richten, en gratis ‘broederschapsmaaltijden’
voor de daklozen en armen te verzorgen — een reis die bij hun
terugkeer haar hoogtepunt zou bereiken door het leggen van de hoeksteen
van de School. In het eerste gedeelte van de tour stopte ze in Killarney,
Ierland, en koos daar een steen uit die bedoeld was ‘deel uit
te maken van de eerste steen van de School’. Een lid in Californië
werd bericht ‘een geschikt terrein’ op Point Loma, een schiereiland
dat San Diego Bay omsluit, te zoeken en stappen te ondernemen voor de
aankoop ervan. Bij haar aankomst in Genève op 2 september ontving
ze een telegram met uitermate teleurstellend nieuws: ‘Onmogelijk
het terrein dat u noemt te kopen; het is staatseigendom van de VS.’
Ze was er zeker van dat dit niet juist was en begon een antwoord te
schrijven.
Een van de leden van haar gezelschap, Claude Falls Wright, was intussen
naar een kantoor van de krant gegaan om een aankondiging van een openbare
bijeenkomst te verzorgen. Toen de chef van de afdeling advertenties,
een Ierse Schot, deze las, vroeg hij of dit de Theosophical Society
was met Katherine Tingley aan het hoofd. Toen hij hoorde dat dit zo
was, zei hij: ‘Ik heb een vriend, [Gottfried] de Purucker, die
al vele jaren lid is van uw Society, en ik denk dat het hem veel plezier
zou doen Mw. Tingley en haar vrienden te ontmoeten.’ Nadat hij
zijn zaken had afgehandeld, ging Wright onmiddellijk naar Purucker,
toen een jongeman van 22, en vertelde hem van KT’s bezoek en hoe
hij aan zijn adres was gekomen. Purucker zei dat het hem een groot genoegen
zou zijn haar te ontmoeten en de twee gingen dadelijk op weg naar het
hotel. KT vervolgt:
Ik herinner me dat ik kortaf was tegen deze jonge
vreemdeling. Ik verklaarde dat ik hem in de avond graag zou willen
ontmoeten maar dat ik op dit moment door de meest belangrijke zaken,
die niet konden worden uitgesteld, werd opgehouden. Toen hij aanstalten
maakte om te gaan, vroeg ik, ‘Heb je ooit in Amerika gewoond?’
Toen hij antwoordde, ‘Ja!’ vroeg ik vlug, ‘In welk
deel?’ Hij antwoordde, ‘Californië!’ Vervolgens
met een dringende en popelende vraag, ‘Ben je ooit in San Diego
geweest?’ ‘Ja, mevrouw’, zei hij, ‘Ik ben
daar enkele jaren geweest.’ –
The Searchlight, blz. 26-7
Claude Falls Wright keek plotseling op en zei, ‘Mijn God!’
KT legde haar dilemma uit en de jongeman tekende een kaart die in het
meest zuidelijke puntje van het schiereiland het eigendom van de overheid
liet zien en die aangaf dat het aangrenzende land ten noorden ervan
privé-eigendom was.2 Onmiddellijk
telegrafeerde ze de noodzakelijke informatie naar haar vertegenwoordigers
die dadelijk aan het werk gingen om ervoor te zorgen dat het werd aangekocht.
 |
| G.
de Puruckers schets van Point Loma getekend in Genève, 2
september 1896 |
KT noemde in haar verslag ook een opmerking van Judge over De Purucker.
Ongeveer een jaar eerder, voordat ze in de Society bekend was, vertelde
Judge haar over een ‘jonge Europeaan die in Californië woonde’
(Purucker was een Amerikaan die zijn opleiding in Europa had genoten)
die daar volgens hem een moeilijke situatie in het theosofisch werk
zou kunnen oplossen.
[Judge] ging toen verder me de geschiedenis van die
jonge student in theosofie te vertellen. ‘Maar’, zei hij,
‘Ik ben bang dat hij Amerika heeft verlaten.’ ... De volgende
morgen zei hij tegen me, ‘Eens reis je misschien door Europa,
en als je deze man ooit tegenkomt, verlies hem dan niet uit het oog.’
– The Searchlight, blz. 26
Ze verloor hem niet uit oog. In zijn verslag zei Purucker dat KT hem
had uitgenodigd met hen op de ‘Kruistocht’ mee te gaan.
Hij antwoordde dat andere verplichtingen hem beletten de uitnodiging
aan te nemen. ‘Ik ging naar huis, en o! ik kan niet tot uitdrukking
brengen hoe graag ik met K.T. wilde meegaan. Ik dacht er de hele nacht
aan, droomde ervan, tijdens het beetje slaap dat ik had. Maar ik had
mijn woord gegeven en het leek niet juist het te breken.’3
Het zou zeven jaar duren voordat hij zich bij de staf zou voegen die
aan het hoofdkwartier in Point Loma woonde, waar hij KT’s leerling
werd, privésecretaris en, op 11 juli 1929, opvolger als Leader
van de Theosophical Society.
Het februarinummer van 1897 van het tijdschrift Theosophy
begon met een artikel geschreven door E. August Neresheimer over de
‘School R.L.M.A.’ met een artistieke schets van het daarvoor
geplande eerste gebouw. Het terrein was op 22 januari aangekocht en
men verwachtte dat met de bouw onmiddellijk zou worden begonnen. Het
gebouw moest voorzien in:
een bibliotheek, woon- en studeervertrekken als accommodatie
voor leraren en studenten . . . Andere en meer uitgebreide gebouwen
zullen worden opgetrokken, de hoeksteen van een ervan zal bij terugkomst
door de ‘Kruisvaarders’ aan het eind van deze maand worden
gelegd. De School for the Revival of the Lost Mysteries of Antiquity
. . . stelt zich de volgende doeleinden: ‘de gemeenschappelijke
verbetering van religieuze kennis door de vergelijkende studie van
religies; onderzoek naar de geheime mysteriën van de oudheid;
het verrichten van liefdevolle en welwillende diensten’;
de plannen en aanwijzingen voor het bestuur van zo’n school
werden voorbereid en hebben ons vanaf het begin van de theosofische
beweging in deze eeuw voortdurend voor ogen gestaan. –
blz. 321-2
Katherine Tingley en haar gezelschap arriveerden half februari in San
Diego. De steen uit Killarney was niet aangekomen en dus moest een plaatselijke
steen voor de ceremonie worden uitgehakt. Hij is vierkant van vorm;
en elke zijde is ongeveer 75 cm. en bovenop staat het volgende gegraveerd:
HOEKSTEEN
S.R.L.M.A.
GELEGD OP 23 FEBRUARI 1897
DOOR DE
STICHTSTER KATHARINE A. TINGLEY.
UNIVERSELE BROEDERSCHAP
NIEUWE CYCLUS JAAR ÉÉN.
De hoofdgedachte van de School — universele broederschap —
staat hier duidelijk gegraveerd. Want het voornaamste doel van de mysteriën
was en is om de ziel van de ketenen van zelfzucht en onwetendheid te
bevrijden, uit de gevangenis van het materialisme, zodat ze de goddelijke
eenheid beter kan herkennen — de ‘vriendschap en gemeenschap
met God’ waardoor ons een directe kennis wordt verleend van onze
transcendente oorsprong en van onze innige verbondenheid met alle wezens.
De mysteriën van de oudheid werden hooglijk gewaardeerd en hun
aanwezigheid in elke grote, religieuze traditie, in een of andere vorm,
wordt in de geschiedenis vermeld. Ze werden als een universiteit van
de ziel beschouwd en de moderne theosofische beweging heeft nooit een
geheim gemaakt van zijn doeleinden, die zijn geïnspireerd door
en gemodelleerd naar het heilige origineel.4
Door het leggen van een hoeksteen met universele broederschap als voornaamste
verklaring, is Katherine Tingley’s doel voor de S.R.L.M.A. duidelijk.
Sommigen hebben zich afgevraagd of de School ooit werd gebouwd. Sinds
de oprichting ervan, een eeuw geleden, is daarvoor geen enkel gebouw
opgetrokken. Het theosofische hoofdkwartier in Point Loma was getuige
van de oprichting van verschillende scholen en de constructie van vele
gebouwen, maar geen van deze was de School zelf. Ogenschijnlijk bestaat
er niets behalve de ‘oprichtingsstenen’ en het idee. En
misschien was dit zo bedoeld — want hoe brengt men een school
onder die het universum omvat?
Afgezien van de stenen, zijn bijna alle andere overblijfselen van
S.R.L.M.A. met de dood van Katherine Tingley verloren gegaan —
de School wordt in de literatuur die door haar opvolgers is uitgegeven
nauwelijks genoemd. Misschien was ook dit zo bedoeld. Zaden hebben tijd
nodig om te ontkiemen en in stilte wortel te schieten. De enige directe
vermelding die ik me kan herinneren werd gemaakt door James A. Long,
de Leader van de Society van 1951-1971, minder dan zes weken vóór
zijn dood op 19 juli. Het was ons laatste gesprek en ik herinner me
de bijzondere nadruk die hij aan zijn slotwoorden gaf: dat zijn werk
was ‘voor het doen herleven van de verloren mysteriën uit
de oudheid’.
Ik ken de omstandigheden niet die voor KT aanleiding waren om over
de relatie tussen leraar en leerling te spreken, en weet evenmin waarom
Herbert Coryns aantekeningen werden gepubliceerd. Niettemin dragen deze
woorden, voor diegenen die zoeken naar een dieper inzicht en wensen
bij te dragen aan het wereldreservoir van mededogen, het waarborgstempel
van ervaring, ze kunnen op vele niveaus worden toegepast en werden ons
in alle vrijheid ter overweging aangeboden.
Noten
- ‘Anniversary Meeting,’
The Searchlight, 15 oktober 1905, blz. 27-8.
- ‘The Finding of Point Loma’,
verslag door G. de Purucker van zijn eerste ontmoeting met Katherine
Tingley in Genève, Zwitserland; uit stenoverslagen opgetekend
op 26 april 1930; gepubliceerd in The Eclectic Theosophist,
juli/aug. 1985, blz. 6-9.
- ‘The Finding of Point Loma’,
blz. 8.
- Zie ‘Ons
verbinden met de ‘gemeenschap van het mysterie’’,
Sunrise sep/okt. 1991, blz. 150-6.