Het overwinnen van onze vrees
Armin Zebrowski

 

Hoed u voor vrees, die zich als de zwarte geluidloze vlerken van de middernachtelijke vleermuis uitspreidt tussen het maanlicht van uw Ziel en uw verheven doel dat zich vaag in de verte aftekent.

Vrees, O discipel, doodt de wil en belemmert elk handelen. Als de pelgrim de deugd sila mist, zal hij struikelen en zullen karmische kiezels op het rotsige pad zijn voeten verwonden.
               – H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, Fragment III

Wij kennen allen de kwellende, beperkende, verlammende dagelijkse gevoelens van vrees die zoveel tenietdoen: vrees ongelijk te hebben, vrees een fout te maken, vrees onvoorbereid te zijn, vrees te falen, vrees voor ouderdom, ziekte en dood. Hoewel het moeilijk is na te gaan waar deze gevoelens vandaan komen, geloof ik dat ze grotendeels het gevolg zijn van ervaringen gedurende vele incarnaties.

Volgens het theosofische standpunt was de mens aan het begin van zijn evolutie een zuiver wezen – uiterst spiritueel maar in hoge mate onbewust. We leefden in vrede, maar de evolutie was heel traag. Om deze vooruitgang te versnellen, hadden we hulp van de goden nodig. De slang in Genesis, die de goddelijke wijsheid voorstelt, verlokte Adam en Eva te eten van de Boom van Kennis van goed en kwaad, en toen dat denkvermogen eenmaal was geactiveerd, werd een begin gemaakt met de grote cyclus van het ‘ik ben ik’. Terwijl ze leefden in hun menselijke ego of mentale zelf begonnen de mensen zichzelf te leren kennen en werd een begin gemaakt met het zelfbewuste evolutieproces. Omdat iedereen bezig was voor zichzelf te zorgen, was het met de vrede en stilte in het Paradijs gedaan. Er was geen eenheid meer, want al snel verkeerde de mensheid in de waan dat individuen van elkaar gescheiden zijn. Deze situatie wordt gesymboliseerd door de verbanning uit de Hof van Eden.

Vandaag zijn we precies datgene wat we van onszelf in de loop van de lange reeks incarnaties als mens hebben gemaakt. We zijn het resultaat van onze eigen daden en gedachten, het totaal van al onze ervaringen. En welk soort ervaringen hebben we tot nu toe gehad? Grotendeels hielden ze, denk ik, verband met ons ego. Het gevoel van ‘ik ben ik’ kenmerkt ons dagelijks bewustzijn. Dit menselijke zelf heeft bij de afdaling in de diepten van de stoffelijke natuur ongetwijfeld talloze ervaringen verzameld – waarvan vele moeilijk zijn geweest. De vrees voor routine, vrees voor het leven, vrees voor de volgende stap, kunnen onbewuste herinneringen aan vroeger falen en onvermogen zijn.

Evenals in de oude allegorie strijden de krachten van licht en duisternis om de menselijke ziel. Deze krachten zijn een deel van onszelf. Goethe sprak over dit krachtenspel: ‘Inderdaad, er wonen twee zielen in mijn borst’. Wat zijn deze krachten? Lager dan het mentale beginsel of het menselijke ego staat ons dierlijke ego, gevormd uit begeerten, hartstochten, wensen en emoties. Boven het menselijke ego staat ons geestelijke ego; de meedogende kracht daarvan is ons hoogste ideaal. Het wordt vertegenwoordigd door de intuïtie, want het goddelijke deel van ons verschaft ons inspiratie, mits we ernaar willen luisteren.

Vrees is een gevoel van ons menselijke ego dat ontstaat wanneer dit ego omlaag wordt getrokken naar de dierlijke ziel, wanneer de denker wordt beheerst door de sterke gevoelens van zijn lagere begeertenatuur. Ziehier de gevolgen van vrees: in het lichaam vindt een uitstorting van hormonen plaats, het denken raakt versluierd, alle zintuigen concentreren zich op het ene punt dat het menselijke ego zou kunnen schaden. De ziel tracht vergeefs de persoon naar een menselijke gemoedstoestand terug te voeren. Vrees beheerst de persoon; zij maakt ons machteloos om te doen wat redelijk is. Het gaat hier niet alleen om concrete gevoelens van vrees – zoals een bus die ons omver dreigt te rijden – het betreft het dagelijks leven. Vaak falen we omdat we niet moedig genoeg zijn om de noodzakelijke en juiste stap te zetten, zelfs wanneer we weten wat juist is, omdat we bang zijn voor de gevolgen van onze handelingen. We falen dikwijls omdat we geen vertrouwen hebben in ons vermogen het karwei af te maken, wat het gevolg is van onze projecties die ons ego doen geloven dat we een belachelijke of onervaren indruk maken.

Onlangs had ik te maken met een motorrijder die onder zijn motorfiets lag na een botsing met een vrachtauto. Al waren er veel mensen ter plaatse aanwezig, niemand wilde helpen. Ik moest de zware motor alleen van de man wegtrekken hoewel ik om hulp had gevraagd. De anderen keken slechts naar de eerste hulp. Hebben ze juist gehandeld of waren ze bang iets verkeerds te doen, hun kleren met bloed en olie te besmeuren, bang voor AIDS of om te laat op het werk te komen? Ik vraag me nog steeds af wat hen bewoog. De enige verklaring die ik heb gevonden was vrees: ze verwaarloosden hun broederlijke plicht omdat allen door vrees waren overmand. Wat een verschrikkelijke gevolgen heeft vrees voor ons!

Vrees en zielsangst zijn gevoelens van de lagere natuur die we moeten leren overwinnen als we onze evolutie willen voortzetten. We zien dat deze situatie in beeld wordt gebracht in de Bhagavad-Gita, waar Arjuna, de held, het menselijke ego voorstelt. Hij staat op het slagveld tussen twee legers en moet het besluit nemen te strijden. De twee legers stellen de twee zielen voor waarover Goethe sprak. Bij het onderzoek naar zijn plicht, wordt Arjuna door moedeloosheid overweldigd en vraagt Krishna – zijn geestelijke ego of intuïtie – waarom hij moet vechten. Hij probeert te ontsnappen aan de plicht die hij moet vervullen. Krishna vermaant hem om zijn zwakheid en zegt hem zijn plicht te doen, maar Arjuna antwoordt, na blijk te hebben gegeven van zijn diepe mededogen voor beide partijen die gereed staan om oorlog te voeren: ‘Ik zal niet strijden.’ Daarop zegt Krishna:

Zij die wijs zijn op geestelijk gebied treuren noch over de levenden, noch over de doden. Nooit was ik niet, noch gij, noch al de vorsten van deze aarde, noch zullen we hierna ooit ophouden te zijn. Zoals de heer van dit sterfelijke omhulsel daarin kindsheid, jeugd en ouderdom ervaart, zo zal hij in de toekomstige incarnaties hetzelfde ondergaan. Hij die hierin vast gelooft, wordt niet verontrust door wat er ook zal gebeuren. De zintuigen die zich richten op de hun toegewezen dingen, zijn voortbrengers van hitte en koude, vreugde en smart, zij komen en gaan, zijn kortstondig en veranderlijk; verdraag hen, O zoon van Bharata! Want de wijze mens, die hierdoor niet wordt verstoord, voor wie smart en vreugde hetzelfde zijn, is geschikt voor de onsterfelijkheid. . . .

Van deze eindige lichamen, die de zielen omhullen die erin wonen, wordt gezegd dat ze Hem toebehoren, de eeuwige, de onvernietigbare, niet te bewijzen Geest, die in het lichaam is: besluit daarom te strijden, Arjuna!      – Hoofdstuk 2:11-15, 18 (naar de vertolking van W.Q. Judge)

We kunnen niet aan de ervaringen van het leven ontkomen als we eenmaal aanvaarden dat we alle problemen die ons te wachten staan moeten oplossen: we kunnen ze niet uit de weg gaan, we kunnen ze hooguit uitstellen. Wanneer we erkennen dat ons bestaan niet is beperkt tot dit ene armzalige leventje op aarde, en weten dat onze diepste essentie onsterfelijk is, dan hebben we een prachtige basis voor ons toekomstig handelen.

Maar hoe kunnen we het overweldigende gevoel van angst benaderen? Op z’n minst is één ding duidelijk: gedachten vormen de mens. Daarom moeten we de kracht van ideeën, de verbeeldingskracht, gebruiken en bovenal het vermogen van de intuïtie, om onszelf te bevrijden van de invloeden van de dierlijke ziel en ons opnieuw te wenden tot de geestelijke aspecten van onszelf. Met de woorden van G. de Purucker:

Liefde is een geweldige kracht. Volmaakte liefde bant alle vrees uit. Hij die een hart heeft dat van liefde en mededogen is vervuld, kent nooit vrees, daarvoor is in zijn hart geen plaats. Koester liefde voor al wat leeft, dan verbindt u zich met onoverwinnelijke, kosmische krachten en wordt u sterk, en geestelijk en intellectueel helderziend. U zult nooit iets vrezen als uw hart van liefde en begrip is vervuld, want liefde – volmaakte liefde – brengt begrip. U zult dan nooit vrees hebben voor armoede, u zult nooit angst hebben voor de dood.

U kunt de vrees overwinnen door u grootse en moedige daden voor de geest te roepen. Stel u voor dat u moedige daden verricht. Bestudeer en bewonder dappere daden van anderen. Bestudeer en bewonder moedige ideeën van anderen. Kweek het verlangen aan naar moed, zodat u het in praktijk gaat brengen. Dan wordt u moedig en zal de vrees verdwijnen als de ochtendnevel voor de opkomende zon. Het geheim van het overwinnen van de angst ligt in het gebruik van de scheppende verbeeldingskracht.

. . . De mens zal door vrees worden beheerst zolang hij van zichzelf houdt; want hij is dan bang voor alles wat gaat gebeuren – bang om iets te wagen, bang om te handelen, te denken, uit vrees te verliezen. En dan zal hij verliezen. ‘Wat ik vreesde is me overkomen!’ Zo gaat het altijd. Het zijn de groten die geen vrees hebben, die wagen, die handelen, die doen – want zij zijn de mensen van de daad; en zij zijn ook de denkers in de wereld, want in beide gevallen hebben ze geen angst. Ze houden van wat ze doen. Daarom hebben ze geen vrees.      – Levensvragen, blz. 120-22

Het doel van evolutie is een volledig ontwikkelde mens – een god. Ieder van ons, zelfs het kleinste centrum van bewustzijn in ons en om ons heen, zal het niveau van een boeddha bereiken en daarna verdergaan. Als heel grote of kleine gevoelens van vrees ons verhinderen de juiste stap te zetten, moeten we leren deze te overwinnen. En iedereen kan dit zelf doen.

 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency