Plicht, de vorstelijke talisman
Dara Eklund

 

Plichtsvervulling is een begrip dat tegenwoordig door velen wordt verafschuwd, toch worden we op een bijzondere manier geraakt door het leven van William Q. Judge, dat een voorbeeld was van de ware betekenis ervan. Judge offerde zowel zijn persoonlijke leven als zijn gezondheid op aan het doel van de theosofie. Om in de begintijd zijn kleine kantoor in stand te kunnen houden, werkte hij niet alleen lange uren als advocaat, maar ook tot diep in de nacht aan zijn theosofische geschriften. Zoals blijkt uit zijn brieven aan Damodar was het niet gemakkelijk om in Amerika achter te blijven en de theosofie op te bouwen, terwijl H.P. Blavatsky en H.S. Olcott in oud Aryavarta waren, het vaderland van de oude wijsheid. Tijdens ziekten, waardoor hij in zijn latere jaren werd geplaagd, klaagde hij eens bij Julia Keightley over zijn onvoorbereide lezingen en stapels brieven die nog moesten worden beantwoord. In deze tijd kijken we met ontzag naar zijn omvangrijke correspondentie die bijna tot aan de dag van zijn sterven doorging. In zijn laatste jaren spoorde hij degenen die geërgerd waren door de aanvallen op hem aan om met het werk door te gaan. Hij schrijft in Letters That Have Helped Me [Brieven die me hebben geholpen] (2:32):

Ik zit tot over mijn oren in het werk, maar ben vol goede moed, en ik voel de hulp die mij vanuit de juiste plaats wordt geboden.

Laten we voortgaan van plaats tot plaats en van jaar tot jaar; wie of wat er ook van buitenaf onze aandacht opeist, we zijn ieder het eigendom van het zelf.

Voor Judge was plicht: ‘de vorstelijke talisman . . . onbaatzuchtigheid. Volharding in het vervullen van zijn plicht is de hoogste yoga’ (op. cit., 2:30). De term ‘talisman’ stamt af van het Griekse woord telein, dat ingewijd worden in de mysteriën betekent – een soort toewijding (telesma), niet slechts een object of magisch teken. In theosofische termen is rajayoga de ‘vorstelijke of koninklijke yoga’, die weinig te maken heeft met de houdingen of ademhalingsoefeningen van hathayoga. De wetenschap van rajayoga erkent dat de geestelijke toestand de sleutel is tot het geheel. We worden chela’s. We verheffen onze geestelijke toestand naar die van de leraar, de hoogste leraar die ons hogere zelf is, het ware zelf dat in ons allen schijnt. De goeroe is slechts de gids, of hij die ons in evenwicht brengt. De student bereidt zich voor op chelaschap door zijn eigen dagelijkse leven onder ogen te zien, niet door het uit de weg te gaan. Hindoe-aspiranten voor chelaschap zijn soms naar huis gezonden om voor familie te zorgen. De yoga of vaardigheid in handelen ontstaat door te beslissen welke van de vele plichten worden vervuld – die aan de mensheid, aan de familie of aan de natuur? Duidelijk is dat het web van het leven alle gebieden van activiteit beïnvloedt, en dat een groot inzicht nodig is.

Zelfs als we onze taak niet kennen, is dat op zichzelf een karmisch onvermogen dat we te boven moeten komen. Elke poging om onszelf en anderen te verbeteren kweekt verdienste aan, in de zin van toekomstige mogelijkheden waarin we hulp kunnen bieden, en houdt niet meer in dan dat te doen wat voor ons ligt. In eerste instantie werken we in en aan onszelf, met als doel zelf-verlichting ten bate van anderen. In de Bhagavad-Gita – voor Judge een boekje voor dagelijkse bezinning – adviseert Krishna aan Arjuna: ‘Zelfs als alleen maar het welzijn van de mensheid door u in beschouwing wordt genomen, zal duidelijk zijn wat uw plicht is; . . .’ (3:20).

Katherine Tingley, die in de laatste jaren van Judge zijn naaste medewerker was, schreef over de wederopbouw van de mensheid:

Hoe zullen we het aanpakken? De eerste stap, meen ik, is aan de mensheid te verklaren: U bent goddelijk! Binnenin u is het zielenleven, en indien u dat leven naar buiten WILT brengen, zal het u de waarheid onthullen: het zal u licht geven bij iedere stap die u doet. Het voornaamste is wel dat het u zal tonen wat uw plicht is.      – Theosofie: Het Pad van de Mysticus, blz. 24

Men kan de verborgen weg naar ware kennis alleen vinden door de deur van het leven. De hele natuur illustreert dat leven door inspanning evolueert, en wij kunnen hieraan toevoegen, door opoffering. Bij de mens is één vorm van opoffering, zelfbeheersing. We zouden ons bijvoorbeeld op het gebied van het denken moeten weerhouden van negatieve gedachten die, wanneer ze vrijkomen, anderen die meer tot slechte gewoonten neigen zullen beïnvloeden. Een theosoof schreef enige tijd geleden dat verslaafden en criminelen ‘slechts brandpunten zijn in het algemeen menselijke bewustzijn waarin de neigingen die in veel mensen bestaan samenkomen en zich opstapelen.’1 Onze taak is om heilzame zaden in de gedachtewerelden te zaaien.

Zo’n zelfbeheersing leidt, wanneer we ons gedachteleven vernieuwen, tot het gericht zijn op de bevrijding van anderen, niet alleen van onszelf. H.P. Blavatsky omschreef plicht als dat wat we de mensheid verschuldigd zijn:

Plicht is dat wat de mensheid, onze medemensen, buren en familie toekomt, en vooral wat wij verschuldigd zijn aan allen die armer en hulpelozer zijn dan wijzelf. Als die schuld in het leven niet wordt betaald, leidt dat in onze volgende incarnatie tot geestelijk onvermogen en moreel bankroet. Theosofie is de kwintessens van plicht.      – De Sleutel tot de Theosofie, blz. 213

Als plicht dat is wat ‘de mensheid toekomt’, moeten we ons leven op een nieuwe manier inrichten. En hoewel het onze taak is allen te helpen, betekent dat niet dat we doelloos moeten rondrennen, maar hen helpen die ons het meest nabij zijn.

Hoe kunnen we in praktische zin herkennen wat onze plicht is? Plicht is het verrichten van de dingen die zich aandienen, niet slechts van wat we graag zouden doen. Dit is het yoga-element. Dit is de hoogste harmonie waarover in de Bhagavad-Gita wordt gesproken: die gelijkmoedigheid in het tegemoet treden van alles wat op onze weg komt. Krishna verklaart aan Arjuna, ‘Wanneer hij onder elke omstandigheid de gebeurtenissen, gunstig of ongunstig, met een gelijke gemoedstoestand zonder voorkeur of afkeer tegemoet ziet, dan zal wijsheid zijn deel worden’ (2:57). We hoeven niet met een ernstig gezicht rond te lopen, of het plezier waar anderen aan gehecht zijn te veroordelen. Een voortdurende beschouwing over alles wat we moeten doen zal onze vrienden en familie alleen maar vervelen. We kunnen beter actief zijn, maar vredig van binnen.

In dit opzicht is plicht een gelegenheid om oud karma af te werken. Elke gebeurtenis waarmee we worden geconfronteerd kan worden gezien als een verhulde occulte zegen, die ons voorbereidt op verhevener taken en een hoger werk, een inwijding voorafgaand aan de mysteriën. Plicht wordt dan die toewijding die al onze daden op het altaar van het hart plaatst.

Dit hogere werk, deze hoogste yoga, deze vereniging met het doel van de natuur, is de enige beloning op het occulte pad, want ze bereikt het grootste aantal medeschepsels en maakt het ons mogelijk op een meer verlichte manier te helpen tijdens onze voortgang op het rajayoga-pad. Dit pad brengt ons in harmonie met de natuur. Dit werd knap verwoord door Mohini M. Chatterji, die een adept beschouwde als een echte ‘mede-werker met de natuur’, omdat ‘men niet één kan zijn met het Al, tenzij al onze daden, gedachten en gevoelens samenvallen met de voortgaande ontwikkeling van de natuur’. Mohini geeft ook aan dat veel yogi’s zich vergissen wanneer ze ervan uitgaan dat een mens aan de wet van karma kan ontsnappen door een starre onthouding van fysieke daden. Ze vergeten hierbij de voortgaande activiteiten op de hogere astrale en spirituele gebieden,

de inherente neiging van het denken om te werken. Er is een tendens, in elke afdeling van de natuur, dat een daad zichzelf herhaalt; dus het karma aangemaakt in de direct voorafgaande geboorte probeert altijd nieuwe schakels in de keten te vormen en leidt daarbij tot voortzetting van het materiële bestaan; en deze neiging kan alleen worden tegengegaan door het onzelfzuchtig vervullen van alle plichten die behoren tot de sfeer waarin iemand wordt geboren . . .
     – ‘Moraliteit en pantheïsme’, in H.P. Blavatsky, Collected Writings, 5:338

Zoals eerder vermeld, is gelijkmoedigheid een gedachte die in de hele Bhagavad-Gita herhaaldelijk tot uitdrukking wordt gebracht. Krishna vertelt dat ‘het motief voor de handeling in de handeling zelf moet liggen en niet in het gevolg daarvan’ (2:47). Hij adviseert Arjuna:

Vervul uw plicht, volhardend in yoga, O Dhanañjaya, en geef elk verlangen naar eigen voordeel uit handelingen op, en laat de uitkomst u onverschillig zijn, of het nu een succes of mislukking is. Gelijkmoedigheid wordt yoga genoemd. (2:48)

Een aanwijzing om te komen tot deze instelling wordt gegeven in een manuscript toegeschreven aan Judge, waarin hij schreef:

De ware student in rajayoga weet dat alles zijn oorsprong vindt in het denkvermogen; dat zelfs dit universum het aan het goddelijke denkvermogen voorbijtrekken van beelden is die hij wenst te laten verschijnen.

. . . Al die verschillende veranderingen in het leven, hetzij van materiële aard of uitsluitend in mentale toestanden zijn kenbaar omdat de leidende geest binnenin niet onderhevig is aan die wijzigingen. . . . Alle objecten en alle toestanden van wat de westerse filosofie het denkvermogen noemt, zijn [slechts] wijzigingen [van bewustzijn].      – Echoes of the Orient 3:262-3

Om al deze wijzigingen te overstijgen, moet aanspraak worden gemaakt op de moeilijkere oefeningen die worden uiteengezet in Judge’s interpretatie van De Yoga-aforismen van Patañjali. Zijn voorwoord verwijst naar de hathayoga-oefeningen waarmee Indiase asceten vertrouwd zijn en die beperkt zijn tot hun fysiologische training en waarvan de voordelen niet tot in de volgende incarnatie voortduren. Rajayogi’s proberen het denken zelf te beheersen door de regels van de grootste adepten te volgen. De regels van Patañjali verplichten de discipel om alle deugden te beoefenen door de wisselende indrukken van de zintuigen en op een gegeven moment zelfs die van de lagere mentale beelden te overstijgen. Alleen zo kunnen we zuivere concentratie verwerven, die Patañjali omschrijft als ‘het tegengaan van de wijzigingen van het denkend beginsel’ (1:2).

Zo komen we tot die vaste kalmte, die ons verheft naar de toestand van ware meditatie waarin men ziet dat het universum ‘bestaat voor de ervaring en bevrijding van de ziel’ (Yoga-aforismen, 2:18). Dit universum wordt doordrongen door de geest, dit ene bewustzijn dat is verspreid in een enorme kosmische schepping, het waarachtige fundament voor zowel onthechting als juist handelen. De ware toestand van rajayoga wordt uitgedrukt in een mooie spreuk: ‘De ziel is de waarnemer; is ongetwijfeld het inzicht zelf, puur en eenvoudig; onveranderlijk; en beschouwt de ideeën rechtstreeks’ (2:20).

Judge heeft veel te zeggen over de esoterische betekenis van rajayoga, en waarschuwt voor de gevaren van het beoefenen van hathayoga zonder gids. Onze huidige behoefte is die rajayoga-training te volgen, die ons dagelijkse pad ons biedt, met alle karmische kiezels die op die weg verspreid liggen. Ik hoop dat de uitvoering van onze plicht op een hoger niveau even natuurlijk wordt als de ademhaling, wanneer we in harmonie leren leven met de grote taak of yoga die het denken in staat stelt het universum te omvatten, voorbij de illusies van tijd of ruimte. Het is die dharma welke het hart versnelt tot

Het volgen van het wiel van het leven; het volgen van het wiel van plicht tegenover ons land en gezin, tegenover vriend en vijand, en niet meer te denken aan vreugde of verdriet. Put de wet van karmische vergelding uit.      – H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, Fragment II

 

Verwijzing

  1. The Angel and the Demon, Theosophical Manuals, No. 12, 1920, blz. 3.
 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency