Boekbespreking

 

Broken Brains or Wounded Hearts: What Causes Mental Illness [Een beschadigd verstand of een gewond hart: de oorzaak van psychische aandoeningen], door Ty C. Colbert, Ph.D., Kevco Publishing, Santa Ana, CA, 1996, 332 blz., isbn 0-9643635-4-2, gebonden.

 

Het wordt met de dag duidelijker dat de meeste van onze geïnstitutionaliseerde manieren van denken en doen – in wetenschap, godsdienst, bedrijfsleven en bestuur – ontoereikend en niet langer van toepassing zijn. . . . Het denken [moet] zich nu heroriënteren om aan nieuwe eisen te voldoen. Deze heroriëntering moet worden gebaseerd op nieuwe denkwijzen. De denkwereld van de volgende eeuw wordt nu vormgegeven door het denken en schrijven van weinig bekende mannen en vrouwen. De meesten van hen handelen uit eigen beweging, zonder steun van gevestigde instellingen of aanmoediging van collega’s.           – Hugh Harrison1

 

Een van deze progressieve denkers is Ty Colbert, schrijver van deze klassieke kritiek op de Amerikaanse biopsychiatrie. In de tweede helft van deze eeuw begonnen enkele eenzame stemmen de theorie en praktijk van de geïnstitutionaliseerde (en door de overheid gesteunde) psychiatrie te bekritiseren. Deze stemmen vormen inmiddels een heel koor dat zich uit in een stroom van boeken die pleiten voor een holistische kijk op psychisch leed en het naar voren komen van de beweging van consumenten/overlevenden/ex-patiënten.

Geplaatst tegen de achtergrond van de gevestigde biopsychiatrie laat dr. Colbert een ander perspectief zien op psychisch lijden. De heersende theorieën in de psychiatrie zijn gebaseerd op een reductionistisch, mechanistisch, lineair wereldbeeld van menselijke nood. Alle mentale symptomen (waaronder persoonlijke en sociale) worden beschouwd als het resultaat van biologische, neurochemische of genetische afwijkingen. Individuen met kenmerken van een geestelijk ziektepatroon worden gezien als biologisch afwijkend en onveranderlijk verschillend van alle andere mensen. In Deel Een daagt dr. Colbert het biomedische model uit, geeft een overzicht van het huidige onderzoek en stelt duidelijk vast dat deze gesteldheid niet is terug te voeren op genetische of chemische ‘onevenwichtigheden’ of biologische tekortkomingen.

De meeste mensen zijn verbaasd als ze vernemen dat diagnoses zoals schizofrenie, angst, verslaving, depressiviteit en ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder: verminderd concentratievermogen en hyperactiviteit) niet zijn gebaseerd op een of ander identificeerbaar biologisch probleem. Er is geen fysieke of neurologische afwijking, en geen bloedproef, urinetest, hersenscan of genetisch kenmerk bekend waaraan men zulke gesteldheden kan herkennen. Deze informatie komt als een verrassing omdat we allemaal krantenkoppen hebben gelezen zoals ‘Genetische sleutel gevonden voor alcoholisme’ of ‘Scans tonen aan dat de hersenen van hyperactieve volwassenen een verminderde glucosestofwisseling te zien geven’. Wat de meeste mensen niet zien is het berichtje op de laatste pagina van de krant acht maanden later, die de eerdere conclusie weer intrekt. Ook weet men meestal niet dat hoewel er de eerste keer een kleine statistische afwijking was geconstateerd, deze niet werd ondersteund toen het hersenscan-onderzoek werd herhaald. Ze werden er ook niet over ingelicht dat alle scans in beide studies normale resultaten te zien gaven en dat het volkomen onmogelijk is in individuele gevallen een hyperactieve scan te onderscheiden van een normale.

Deze veronderstelde ‘biochemische onevenwichtigheid’ of ‘genetische fout’ is gebaseerd op de opvattingen van één persoon over het gedrag van een ander. De diagnoses die worden beschreven in het DSM (Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders: Diagnostisch en statistisch handboek voor geestelijke afwijkingen) worden aangedragen en goedgekeurd door commissies van psychiaters en bestaan uit lijsten met gedragsclassificaties. Iemand die men onderzoekt wordt geacht bijvoorbeeld zes van negen gedragspatronen van de lijst te vertonen om voor de ziekten in aanmerking te komen. Door zijn meer politieke dan wetenschappelijke aard is deze procedure gevoelig voor vooroordelen en modegrillen.

De controversiële diagnose van ADHD is een voorbeeld van zo’n moderne Amerikaanse gril. De negen symptomen op de lijst van in het handboek genoemde criteria zijn onder andere: beweegt vaak onrustig met handen of voeten; verlaat vaak zijn stoel in de klas op een moment dat hij geacht wordt te blijven zitten; rent vaak rond of klimt opvallend veel; vindt het vaak moeilijk om rustig te spelen; slaagt er niet in om zijn schoolwerk of taken af te maken; vermijdt taken die mentale inspanning vergen of heeft daar een hekel aan (zoals huiswerk); verliest vaak dingen die hij nodig heeft om zijn taken uit te voeren (bijv. schoolopgaven, potloden, boeken of andere hulpmiddelen). Hoe onmogelijk het ook klinkt, dit zouden de wetenschappelijke criteria zijn op grond waarvan drie miljoen kinderen worden bestempeld als biologisch onvolwaardig en giftige stimulerende middelen krijgen toegediend, zelfs al bestaat er geen hard bewijs dat ADHD een afwijking of ziekte is en geen onbetwistbaar bewijs van enige fysieke afwijking in de hersenen of het lichaam van deze kinderen.

Omdat de psychiatrie, zoals zijzelf toegeeft, geen enkele mentale ziekte kan genezen, handhaaft de gangbare ideologie het standpunt dat niemand kan veranderen of uit zijn of haar emotionele pijn kan evolueren. Het meest positieve resultaat dat iemand kan verwachten te bereiken is een levenslange handicap: ‘de geschiedenis en ontwikkeling van de moderne psychiatrie is stevig gefundeerd op het geloof dat het genezen van psychische aandoeningen wordt bereikt door het toedienen van een of ander uiterlijk geneesmiddel zonder al te diep te kijken naar de pijn en wonden binnenin de patiënt’ (blz. 25).

Medicijnen zijn de ‘behandeling’ die in het biomedische model bij voorkeur wordt toegepast. Dr. Colbert laat zien dat deze medicijnen in werkelijkheid het individu afstompen en verzwakken door de centra van de hogere hersenfuncties onwerkzaam te maken in plaats van een specifiek therapeutisch resultaat teweeg te brengen. De werking van de hersenen is niet zo simplistisch dat men kan zeggen dat een gebrek aan serotonine depressies veroorzaakt of een teveel aan dopamine schizofrenie, zoals men oorspronkelijk in de jaren vijftig veronderstelde toen er nog maar drie neurotransmitters waren ontdekt. Omdat we nu meer dan honderd neurotransmitters kennen, die ieder op tot vijftien typen receptoren die nu bekend zijn inwerken, ‘is het klinkklare onzin om te denken dat we door het nemen van een of andere pil zo’n systeem weer in evenwicht kunnen brengen – als het systeem al ooit niet in evenwicht was’ (blz. 43). Volgens prof. E.S. Valenstein van de Universiteit van Michigan verdraaien de georganiseerde psychiatrie en de farmaceutische industrie de feiten over wat bekend is over de chemische achtergrond van psychische aandoeningen en de effectiviteit van medicijnen, om alternatieve behandelmethoden in diskrediet te brengen en hun eigen financiële en politieke belangen te behartigen.

Ritaline bijvoorbeeld, dat vaak wordt voorgeschreven voor ADHD verbetert academische prestaties of sociale relaties niet. Wat het volgens dr. Peter Breggin2 wel doet is ‘de creatieve, spontane en autonome activiteit in kinderen onderdrukken, waardoor ze gedweeër en gehoorzamer worden’ met het risico van blijvende neurologische tics, door medicijnen veroorzaakte gedragsstoornissen, psychose, waanzin, vertraging in de groei, drugsmisbruik en verslaving. Neuroleptica zoals thorazine en haldol worden voorgeschreven aan individuen die als schizofreen worden gekenschetst, dat wil zeggen 20% van de bewoners van inrichtingen en mensen met ontwikkelingsstoornissen. Deze medicijnen reduceren ongewenste symptomen door het grootste deel van het vermogen van de betreffende persoon om te denken en te handelen te ontwrichten, maar waarvoor in de plaats ze rustiger en meegaander worden. Naast andere ernstige problemen brengt het gebruik van neuroleptica per jaar een risico van ruim 5% van neurologische beschadigingen met zich mee, wat tardieve dyskenesie wordt genoemd, gepaard gaand met een verscheidenheid aan onbeheersbare bewegingen, beven, krampen en lipsmakken. De epidemie van beschadigingen die daarvan het gevolg is, heeft men ‘een van de ergste door medicamenten veroorzaakte rampen in de geschiedenis’ genoemd.

In Deel Twee introduceert dr. Colbert het emotionele-pijnmodel. Het verschil tussen wie als geestesziek wordt aangemerkt en wie niet wordt in dit nieuwe model niet gebaseerd op het feit van de nood waarin iemand verkeert, maar op de mate waarin dit het geval is. We hebben allemaal pijn ervaren als consequentie van het menszijn, we zijn allemaal wel eens in een toestand geweest waarin we niet in staat waren productief te handelen. ‘Onze gevoeligheid voor pijn vindt zijn oorsprong in het menselijke bewustzijn. Omdat we het vermogen bezitten om ons bewust te zijn en ons hart te leggen in datgene waar we onze aandacht op vestigen, hebben we de mogelijkheid om ons open te stellen voor wat ons diep kan kwetsen’ (Colbert, blz. 120).

De reeks van keuzen die iemand maakt, en niet zijn genetische of biochemische gesteldheid, bepalen zijn zelfbewustzijn om te gaan. We kunnen ons geschonden voelen door de dood van iemand van wie we houden, of doordat misbruik van ons wordt gemaakt, enz., en die keuze is niet noodzakelijk bewust, maar een of ander element van keuze speelt daarbij altijd een rol. Iemand kan een onvrijwillige keuze maken om zijn wonden te beschermen, zoals een kind dat leert om niet te kijken naar een ouder die hem uitscheldt, waardoor het de gewoonte ontwikkelt om iemand niet aan te kijken. ‘Later, als volwassene, realiseert hij zich misschien dat zijn communicatieve vermogens behoorlijk te lijden hebben door de wijze waarop hij als kind gedwongen was met zijn pijn om te gaan’ (blz. 125). Met dit nieuwe inzicht kan hij zijn angst onder ogen zien en andere keuzes maken wat betreft oogcontact.

Symptomen van geestesziekte ontstaan als mechanismen om met wonden en geschokt vertrouwen om te gaan. In het emotionele-pijnmodel gaat het er echter niet om iemand of iets de schuld te geven, maar om toe te geven dat we menselijk zijn: ‘Het gaat erom dat er niets mis is met onze geest, afgezien van het feit dat ons hart is gebroken en dat we allemaal pijn lijden’ (blz. 132).

In Deel Drie bespreekt dr. Colbert hoe de psychiatrie er niet in is geslaagd het probleem van het psychisch lijden op te lossen doordat ze emotionele pijn en haar verband met ‘symptomen’ ontkent, en evenzeer door haar vertrouwen op medicijnen die zich niet richten op de eraan ten grondslag liggende oorzaak. Het biomedische model laat de gekwetste persoon erbuiten en ontkent dat hij de nodige hulpmiddelen kan verkrijgen en het noodzakelijke helingsproces kan ondergaan, die tot volledig herstel zouden kunnen lijden. Dr. Colbert stelt een benadering in drie fasen voor, waarbij (1) mensen wordt geleerd gevoelens te identificeren en conflicten op te lossen, (2) symptomen worden gezien als indicatoren van een te zware last aan emotionele pijn, en (3) niet-medische, veilige milieus worden gecreëerd waar een helende werking van uitgaat (blz. 220). Men wordt in staat gesteld zelf keuzes te maken, waardoor men zowel minder afhankelijk wordt van medicatie als van welzijnswerk en geestelijke gezondheidszorg.

Als we geestesziekte als een kwaal zien, betekent dat dat we de pijn in onze maatschappij niet zien, en dat we er niet in slagen te leren hoe we verder kunnen gaan langs een meer coöperatieve en geweldloze weg. Als we de pijn zien die schuilgaat achter het gedrag van mensen die als schizofreen zijn gediagnosticeerd, en de verplichting op ons nemen zo iemand te helpen dan genezen we een potentiële genezer.

. . . Als we iemand die in emotionele moeilijkheden verkeert ‘ziek’ noemen en zijn pijn blokkeren met medicijnen, betekent dat dat we ons vermogen om onze eigen pijn te zien en geraakt te worden door de liefde van anderen verliezen.      – blz. 283-4

Voor degenen die geloven dat ons leven, ons lijden en onze symptomen belangrijke boodschappen bevatten over wat nodig is om onszelf te genezen, voorziet dr. Colberts emotionele-pijnmodel in een welkom alternatief voor de mechanistische ideologie. Als gediplomeerd verpleegster en woordvoerster voor Mental Health Employees for Ethical Treatment [medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg die ethische behandelmethoden voorstaan], heb ik gezien hoe onbewezen biologische verklaringen leiden tot kunstmatige barrières tussen mensen, barrières tussen ons gezonde en hen zieke mensen; tussen ons deskundigen en hen de patiënten die geen ‘inzicht’ hebben in hun ‘ziekte’; en zelfs tussen ons de overlevenden en hen de vertegenwoordigers van macht en dwang die ons opsluiten, vastbinden en onze hersenen met giftige geneesmiddelen en elektroshocks beschadigen.

Zoals de Dalai Lama zei: ‘We zijn mensen die bestaan uit een menselijk lichaam en een menselijke geest. Onze fysieke structuur is eender, en onze geest en onze emotionele aard zijn ook eender.’      – Linda Sisson

 

Verwijzingen

  1. Een tijd van verandering’, Sunrise, mei/juni 1999.
  2. Talking Back to Ritalin, Common Courage Press, Maine, 1998.
 
Andere artikelen over wetenschap: Psychologie, psychiatrie
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency