Er is een onveranderlijke kern van waarheid in elke mythe, al kan deze
op vele manieren zijn beschreven, en kunnen details verschillen. Het
fantastische karakter van de gebeurtenissen die elkaar in een mythe
opvolgen, heeft velen ertoe gebracht te ontkennen dat ze werkelijk kunnen
zijn gebeurd of enige relevantie hebben voor hun dagelijks leven; in
plaats daarvan zien zij ze liever als fictieve sprookjes zonder basis
van tastbare waarheid. Wanneer men echter dieper in de symboliek en
allegorie van de mythen en de zoektocht van de held duikt, ziet men
verder dan de illusies opgewekt door de woordelijke tekst. Dan komen
er waarheden met een diepere betekenis te voorschijn die belangrijke
aanwijzingen bevatten voor de manier waarop we ons dagelijks leven kunnen
leiden.
Om te beginnen kunnen we ons afvragen wat de oorsprong van een mythe
is. Eigenlijk is er geen oorsprong, omdat de waarheden in mythen even
oud zijn als wijzelf en een wezenlijk deel vormen van het universum
zelf. Mythische afbeeldingen en symbolen staan voor dat wat tenslotte
mysterieus en onkenbaar is, maar kunnen toch het pad verlichten voor
onderzoekende zielen. Naar men zegt brachten hogere wezens die van vitaal
belang zijn voor onze evolutie deze waarheden eeuwen geleden opnieuw
tot leven in het denkvermogen van de vroege mensheid. Door onze voorvaderen
samengestelde verhalen – die herinneringen wakker roepen –
werden geschreven om gecodeerde informatie weer in omloop te brengen
door middel van het symbool als hulpmiddel voor het geheugen, van associatie
en tot op zekere hoogte van amusement – dit laatste diende als
manier om de aandacht te trekken en vast te houden.
Naarmate verschillende culturen opkwamen, verscheen een verscheidenheid
aan personages, vandaar de vele namen voor de koning van de goden, de
vele helden, en de veelheid van misleiders. Hoewel de namen verschillen,
is er een onderliggende eenheid waarover H.P. Blavatsky in De Geheime
Leer (2:331) zegt:
De verbeelding van de massa, hoe wanordelijk en slecht
beheerst deze ook is, kon nooit zoveel monsterlijke figuren, zo’n
rijkdom aan buitengewone verhalen uit het niets hebben verzonnen en
voortgebracht, als zij niet als kern daarvan die zwevende, duistere
en vage herinneringen had gehad, die de gebroken schakels van de keten
van de tijd verenigen om daarmee de geheimzinnige droomachtige grondslag
van ons collectieve bewustzijn te vormen.
Deze ‘bijzondere sprookjes’ spreken paradoxaal genoeg zowel
de hogere als lagere aspecten van onze aard aan. Het materiële
zelf wordt aangetrokken door het beeld van de klassieke held –
pure moed, scherp intellect, discipline en algehele kracht – maar
begint langzaam de geestelijke waarde te beseffen van het betreden van
het pad van de held. Ondertussen weet en ziet het spirituele zelf uit
vroegere ervaring de waarheid daarin en put daaruit kracht.
Laten we eens een mythisch heldenavontuur bezien. Wat is een held?
De beschrijvingen variëren: een man met uitzonderlijke moed of
bovennatuurlijke vermogens, een halfgod. Zijn tocht wordt gewoonlijk
in drie fases verdeeld: het afscheid van deze wereld door de held; de
inwijding waarbij hij na in een andere werkelijkheid te zijn binnengetreden,
strijd levert tegen vijanden die hem willen overmeesteren; en de terugkeer
naar deze wereld na voltooiing van de zoektocht met een trofee of elixer
dat de mensheid sterkt op haar eeuwige zoektocht.
In een toestand van relatieve harmonie hoort de held zijn roeping.
Deze kan iedere vorm aannemen, van een innerlijke impuls die hem naar
het onbekende drijft tot een fysieke gebeurtenis waardoor hij zich laat
leiden. Dit laatste zien we in de Griekse mythologie wanneer Jason,
nadat het koninkrijk van zijn vader door Pelias is verwoest, de taak
aanvaardt het Gulden Vlies te zoeken dat hem in staat zal stellen zijn
recht op de troon weer op te eisen. De gebeurtenis die een voorbode
van de roeping is, is vaak omgeven door tragedie en wanhoop, wat dan
de held aanspoort om in actie te komen. Hij laat zich nooit tot aanvaarding
dwingen want hij weet dat het zijn plicht is en hij voelt een drang
om de taak op zich te nemen. Bovendien is de roeping nooit een toevallige
gebeurtenis, hoewel dat misschien zo lijkt, omdat niets toevallig gebeurt.
Eerder is het zo dat deze precies past in een opeenvolging van gebeurtenissen
waarvan de betekenis pas later tijdens de reis duidelijk zal worden.
Als hij zijn roeping en de daaropvolgende lessen van zijn mentor volgt
– meestal een oude ervaren man die een gunst aan de jonge beschermeling
moet geven, zoals een amulet of wijze woorden – is de held gereed
de grote barrière naar het onbekende te nemen, waar hem een fantastisch
avontuur wacht.
Zodra hij op pad gaat, begint de held op moeilijkheden te stuiten en
hier ontmoet hij die innemende figuur – de misleider, die de rol
van katalysator vervult. Hij verleidt de held op het meest onverwachte
moment tot het gevaar, zodat hij zijn moed en wijsheid kan tonen, besluit
de test te ondergaan, de beproeving doorstaat, en verder kan gaan naar
zijn doel. Aanvankelijk lijken deze misleiders ondeugende, schalkse
wezens, maar heimelijk kunnen ze weldoeners zijn. Deze dubbelzinnigheid
is evident bij de Oceanische Maui, die zich in één sprookje
in de slapende godin Hine-Nui-Te-Po dringt; een daad waardoor hij denkt
de dood te kunnen overwinnen. Maar zij wordt wakker en doodt hem, waardoor
de mens nooit onsterfelijk zal kunnen zijn. Op een ander moment vangt
Maui de zon en vertraagt zijn beweging waardoor de dagen lengen en de
Polynesiërs meer tijd hebben om hun eten te koken.
Natuurlijk is de held niet zeker van de bedoelingen van de misleider.
Ze hebben vele vermommingen maar manifesteren zich meestal als dieren
waarvan zij de bijzondere eigenschappen aannemen om bepaalde doelen
te verwezenlijken. Diersoorten variëren geografisch en naar cultuur,
hoewel wereldwijd veelvuldig verschijningen van raven, spinnen en hazen
voorkomen.
Vooral in de Griekse mythologie wordt de misleider vaak door een goddelijke
entiteit in het drama geïntroduceerd, zoals bijvoorbeeld door Zeus
– de eeuwige Vader bij wie de held boetedoening moet zoeken door
middel van zelfdiscipline, onzelfzuchtigheid en moed. Zowel fysieke
beproevingen als morele en mentale dilemma’s worden op zijn pad
gebracht. Denk aan de harpijen, wezens met lichamen en vleugels van
vogels en hoofden van toverkollen, die door de goden als straf werden
gezonden om koning Phineus van Thracië te kwellen naar aanleiding
van zijn wreedheid en misbruik van de gave van helderziendheid. Jason
en de Argonauten moeten de harpijen verslaan voordat Phineus waardevolle
informatie verschaft die hen naar Colchis en het Gulden Vlies leidt.
Ontdaan van het gepersonifieerde beeld is de misleider een karmisch
gevolg van oorzaken die in beweging zijn gezet, en daarom een aspect
van het bewustzijn van de held. Maar intuïtie en wijsheid zijn
nodig om de afstand tussen de hogere en lagere delen van de aard van
het individu te overbruggen. Als de held probeert zijn goddelijke bestemming
te ontlopen, levert hij strijd om een houvast te krijgen, vecht om terug
te keren naar het pad, slechts om te worden opgewacht door de misleider
of door een val die door hem is gezet.
Het verslaan van de misleider is noodzakelijk. Zijwegen zijn geen optie,
want de uitdagingen die hij vormt komen van binnenuit en kunnen daarom
niet worden ontlopen. De oplossing komt echter ook van binnenuit en
is altijd als gids aanwezig, die dient als een bron van waarheid waaruit
de held kracht put.
Na het overwinnen van alle misleiders en voordat de held zijn doel
bereikt, moet hij de ouderfiguren ontmoeten: vereniging met de Moeder
en eenwording met de Vader. De Moederfiguur verschijnt in vele gedaanten
waarvan de mytholoog Joseph Campbell de karakteristieke trekken omschrijft:
De vrouw vertegenwoordigt in de beeldende taal van
de mythologie de totaliteit van het kenbare. De held is degene die
kennis vergaart. Als hij vooruitkomt in de langzame inwijding die
het leven is, ondergaat de vorm van de godin voor hem een reeks transfiguraties:
ze kan nooit groter worden dan hijzelf, hoewel ze hem altijd meer
kan beloven dan hij tot nu toe kan begrijpen. Ze lokt hem, leidt hem,
gebiedt hem zijn ketenen te verbreken. En als hij haar niveau kan
evenaren, worden de twee, de kenner en het gekende, vrij van elke
beperking. – The Hero with a Thousand
Faces, blz. 116
Na deze verzoening moet de held eenwording met de Vaderfiguur bereiken.
In mythen wordt de schat altijd bewaakt door een draak of monster groter
en krachtiger dan welke misleider dan ook, waarbij de voorafgaande beproevingen
de held hebben voorbereid op deze laatste confrontatie omdat zonder
de daarvóór tentoongespreide onbevreesdheid – die
nu hoog wordt aangeslagen evenals ervaring en wijsheid – hij niet
gereed zou zijn. De Vader buiten is de Vader binnenin en kan in de mythe
de draak zijn. Blavatsky omschrijft deze symboliek in De Geheime
Leer (2:429):
Verder blijkt dat de ‘oorlog in de hemel’
in een van zijn betekenissen betrekking heeft op die verschrikkelijke
worstelingen die de kandidaat voor adeptschap te wachten staan, tussen
hemzelf en zijn (door magie) verpersoonlijkte menselijke hartstochten,
waarbij de innerlijke verlichte mens ze moest doden of moest
falen. In het eerste geval werd hij de ‘drakendoder’,
omdat hij alle verleidingen op gelukkige manier had weerstaan; en
een ‘zoon van de slang’ en zelf een slang, omdat hij zijn
oude huid had afgeworpen en in een nieuw lichaam was geboren,
waarbij hij een zoon van wijsheid en onsterfelijkheid in eeuwigheid
werd.
De sleutel tot die eenwording is volkomen onzelfzuchtigheid en totale
overgave aan vertrouwen en geloof in het almachtige mededogen van de
Vader binnenin.
De held wordt daarna beloond voor zijn inspanningen met een trofee
van onschatbare waarde, bijvoorbeeld het Gulden Vlies, de Heilige Graal
of de Schone Slaapster (Doornroosje). De keuze is dan of men de beloning
aanwendt voor persoonlijk gebruik dan wel om anderen goed te doen, en
hier zien we het denkbeeld van de twee buddhische paden.
Bij het bereiken van de drempel van nirvana moet de aspirant de beslissing
nemen om òf een pratyekaboeddha (het Sanskriet pratyeka
betekent ‘alleen voor zichzelf’) te worden òf een
bodhisattva (‘iemand van wie de essentie wijsheid is’).
Dit besluit is echter gebaseerd op een keuze die hij vele levens, zo
niet eonen, geleden maakte om een speciaal pad te volgen en is een karmische
afspiegeling van het pad dat hij is gegaan. De pratyekaboeddha keert
de mensheid de rug toe en treedt binnen in onuitsprekelijke gelukzaligheid
– nirvana. Diegene die het edeler pad van de bodhisattva neemt,
wijst de nirvanische gelukzaligheid echter af om terug te keren en de
mensheid te helpen op het pad dat hijzelf met succes heeft afgelegd.
Wanneer we de reis van de archetypische held vergelijken met het pad
van de bodhisattva, zien we veel overeenkomsten. Beiden nemen het initiatief
voor hun eigen avonturen, beiden overwinnen fysieke en mentale beproevingen
van pijn en lijden, overwinnen hun angsten met niet aflatende vastberadenheid
en zien af van hun persoonlijke doelstellingen om de behoeftigen te
helpen – alles in naam van mededogen, de drijvende kracht.
De meedogende aard van de bodhisattva is ook buiten het boeddhisme
bekend; mededogen is echter niet altijd de eerste kwaliteit waar we
aan denken als we een held in ogenschouw nemen. Misschien zijn het de
eigenschappen van een fantast of krijger die ons het eerst opvallen.
Maar onderweg is de ideale held altijd meedogend, denkt nooit aan zijn
eigen behoeften, en is zich alleen van de noden van anderen bewust.
En als hij tijdelijk van zijn pad moet afwijken om aan zijn plicht tegenover
de behoeftigen te voldoen, zal hij dat doen. Bedenk dat de Argonauten
de tijd namen om vallen uit te zetten voor de harpijen die Phineus tergden.
Voor hun moeite werden ze beloond met waardevol advies. Deze tijdelijke
‘onderbrekingen’ doen geen afbreuk aan de voortgang van
de zoektocht: de beproevingen vallen samen met de zoektocht en zijn
nodig voor het uiteindelijke succes omdat ze natuurlijke kansen bieden
om de held op alle mogelijke manieren te testen en zo beetje bij beetje
bijdragen aan zijn rijke ervaringen.
Met de heldenmythe hangen vele niveaus van dualiteit samen. Deze doordringt
inderdaad alles. Eigenlijk gaat het om een conflict tussen goed en kwaad,
en die tegenpolen hebben ontelbare manifestaties. De mythe vertegenwoordigt
de strijd in ieder van ons om dichter bij de waarheid te komen. Wij,
als de held of potentiële bodhisattva, zijn op het pad naar het
al-goede, en streven daarbij altijd naar waarheid en bevrijding voor
allen. Dit is de voorwaartse gang van de evolutie. Het kwaad daarentegen
staat ons in de weg en verschijnt als een symbolisch monster dat ons
altijd belemmert in onze zoektocht.
Als we nog dieper gaan, ontdekken we dat elke manifestatie op zichzelf
een symbool is. De mens codeert en decodeert geheugen-informatie door
het gebruik van symbolen. Een bepaalde mythe (of mythen in het algemeen)
kan worden gezien als een halsketting die iedereen past, waarbij de
kralen symbolen zijn die door de onbreekbare draad van waarheid worden
bijeengehouden. Het ontcijferen en begrijpen van mythen en van de zoektocht
van de held, in het bijzonder wanneer we theosofische sleutels toepassen,
kan van onschatbare waarde zijn doordat het ons op weg helpt naar de
ethos van het pad van de bodhisattva.
We identificeren ons met de held omdat we in de eeuwige kwaliteiten
die van hem uitstralen, boodschappen herkennen van ons hogere zelf.
Door te trachten te streven naar de onzelfzuchtige daden en deugden
van de archetypische held, gehoorzamen we aan de roep van onze innerlijke
god die ons door de evolutie leidt.