De wijsheid van leegte
Jim Belderis

 

Begrijpen wat ‘leegte’ is wordt in het boeddhisme voorgesteld als het hoogtepunt van religieuze training. Ze wordt bereikt door het systematisch beoefenen van de volmaakte deugden, samen met de diepste vorm van meditatie, hetgeen leidt tot de verlichting van de hoogste wijsheid. Wanneer deze training is voltooid, verkrijgt men inzicht in leegte als de uiteindelijke aard van het bestaan.

De filosofie achter dit inzicht is gebaseerd op een fundamentele gedachte van het mahayanaboeddhisme: bij alle dingen ontbreekt een op zichzelf staande duurzame essentie. Ze zijn tijdelijk en illusoir; in wezen zijn ze leeg. Dit betekent niet dat ze niet bestaan – het betekent eerder dat ons dualistische beeld ervan een illusie is. We vinden deze gedachte ook in theosofische leringen:

Vanaf het moment dat de manifestatie begint, werkt deze dualistisch, dat wil zeggen, dat alles in de natuur vanaf dat ogenblik zich voordoet in paren van tegengestelden . . . en dat al deze dingen in wezen mayavisch of illusoir zijn . . . Het onvolmaakte verstand ziet geen volmaakte waarheid.
      – Occulte Woordentolk, blz. 106-7

In feite ziet elke onvolmaakte geest een denkbeeldige wereld, dus alles wat in die denkbeeldige wereld bestaat is leeg.

Echter, wat zou een volmaakte geest zien? Volgens de T’ien-t’ai boeddhistische school zou een volledig verlichte geest ‘drie niveaus van waarheid’ zien: de waarheid van de leegte, de waarheid van verschijnselen, en de waarheid van de middenweg. De eerste waarheid is het besef dat alle verschijnselen geen werkelijkheid bezitten. De tweede waarheid laat zien dat alle verschijnselen volledig bestaan, maar hun bestaan is afhankelijk en tijdelijk. De derde waarheid omvat de andere twee in een ‘onderlinge identiteit’: leegte en verschijnselen zijn één. De waarheid van een onderlinge identiteit is zo alomtegenwoordig dat alle delen van het geheel elkaar doordringen. Het hele universum is ‘immanent in een enkel ogenblik van gedachte’. Alle verschijnselen zijn uitdrukkingen van het universele denkvermogen, ‘en elke manifestatie is het denkvermogen in zijn totaliteit’.1

We vinden dezelfde gedachte in het zenboeddhisme in de ‘vijf stadia van bewustwording’. Als het denken voor het eerst is verlicht, ziet het het vele binnen het ene – bewustzijn wordt gedomineerd door verschijnselen, maar deze worden waargenomen als innerlijke uitdrukkingen van het universele Zelf. In het tweede stadium ziet men het ene binnen het vele – het denken is innerlijk verbonden met de enige ware aard van alle dingen. Gedurende de derde realisatie ‘vallen’ bewustzijn van lichaam en geest ‘weg’ en is er alleen nog leegte. Hier bereikt men een nog grotere verlichting – leegte is nu de volheid van de natuur en ‘van ieder voorwerp wordt de hoogste graad van uniciteit waargenomen’. Hierna is het denken gereed om het ene en het vele zonder enig onderscheid te omvatten – leegte en volheid doordringen elkaar zo volkomen dat men de ‘volmaakte innerlijke vrijheid’ heeft om met de natuur te werken.2

Volgens vele denkwijzen worden deze beelden van leegte en volheid alleen ervaren door middel van de meest rigoureuze meditatietraining, waardoor het lijkt alsof ze in het leven van alledag niet haalbaar zijn. Maar er is een weg naar de ‘wijsheid van leegte’ waar we elk ogenblik toegang tot hebben – door middel van onze natuurlijke eigenschap om onszelf te vergeten. Als we volkomen opgaan in iets waarvan we houden, ontdoen we ons van oordeel en onderscheid, en zijn we vervuld van wat er gebeurt. Als we de gedachten loslaten over hoe we willen dat de dingen zijn, en de wil van de natuur volgen, zijn we één met de levensstroom. Als ons denken geheel onbevooroordeeld is, zonder enig gevoel van afgescheidenheid, verlicht het leven zelf ons met wijsheid.

Dit maakt in feite deel uit van de filosofie van de Tao Te Ching – ‘Het boek van de weg en zijn deugd’. Tao is de intelligentie van het universum, de wijze waarop de natuur werkt om dingen te doen ontstaan door alle manifestatieniveaus heen: van leegte naar volheid, van het ene naar het vele. Het is het werk dat geschiedt voordat iets een fysieke vorm aanneemt, wanneer er een voorafschaduwing van wordt gevormd op de innerlijke niveaus – steeds etherischer niveaus van ‘oneindige diepzinnigheid’.3 Als we deze universele intelligentie vertrouwen, als we onszelf openstellen voor wat er buiten ons gebeurt, beginnen we ons bewust te worden van dit ‘innerlijke leven’ en ‘worden we steeds meer naar de diepten van het mysterie ervan gebracht’.4

Hier realiseren we ons de macht van tao. We zijn ons bewust van de vorming van de gebeurtenissen voordat ze plaatsvinden, en we weten dat het innerlijke moet worden gesteund voordat het uiterlijke in balans kan komen. We begrijpen hoe het evenwicht wordt bereikt, hoe tegengestelde krachten op elkaar moeten inwerken om een manier te vinden om bij elkaar te komen – en we laten dit proces zijn natuurlijke verloop hebben. Maar bovenal laten we tao door ons heenwerken om de mensen om ons heen sterk te beïnvloeden – niet door onze woorden of handelingen, maar door een openhartige houding die de wijze waarop hun leven zich ontvouwt ondersteunt – en dit helpt hen zich bewust te worden van het innerlijke leven binnenin hen.

Zo is de wijsheid van tao, die het resultaat is van het niet denken aan onze eigen wil en het vertrouwen hebben in de wil van de natuur. Maar hoeveel ervan is een alledaagse ervaring? We hebben allemaal momenten waarop we opgaan in iets waarvan we houden – een geliefde bezigheid of een karwei waarvoor veel ervaring nodig is, een muziekstuk of een kunstwerk, of eenvoudigweg geven om hen die ons dierbaar zijn. Op deze bijzondere momenten hebben we een besef van ‘leegte’: we zijn vervuld van waar we van houden, we zijn één met wat er gebeurt, en zonder na te denken weten we wat we moeten doen. Zolang als dit duurt, zelfs al is het maar een ogenblik – werkt de intelligentie van het leven door ons.

Het probleem voor de meesten van ons is dat dit éénzijn niet blijft. We worden altijd afgeleid. Maar de wijze die de Tao Te Ching schreef, leert ons een manier om de macht van tao levend te houden: ‘ik hoef slechts drie dingen te onderwijzen: eenvoud, geduld en mededogen. Deze drie zijn uw grootste schatten.’5 Dit lijkt geen erg diepzinnige leer, ook biedt het niets speciaals om te beoefenen. Hoe kunnen deze ‘schatten’ zo groot zijn? Hoe kunnen ze zich meten met de methode van het beoefenen van de boeddhistische deugden, de rigoreuze meditatietraining, de drie niveaus van waarheid, of de vijf stadia van bewustwording?

Zoals met elke spirituele discipline, hangt het ervan af hoe we deze gebruiken. Als de leringen ervan worden gebruikt om ons het besef te geven dat wij beter zijn dan anderen, versterken we in feite ons besef van afgescheidenheid. Elke leer die dit voorkomt kan zeker ‘groot’ worden genoemd – en dit is de kracht van de drie schatten. Als we eenvoudig, geduldig en meedogend zijn, is dit voor ons geen reden om te denken dat we hoger staan. In deze discipline kan het denken zich niet terugtrekken in verfijnde abstracties – het moet eenvoud, geduld en mededogen bestuderen in het dagelijks leven, het moet deze bestuderen in menselijke verhoudingen en in de werking van de natuur.

Het op deze wijze bestuderen van de ‘schatten’ vormt de sleutel tot het verstevigen van de eigenschap om onszelf te vergeten. Het zuivert het denken voortdurend van loze oordelen, zodat dit kan worden vervuld van de levende waarheid. Er is niets eenvoudigers dan dit soort leegte – iedereen kan haar gebruiken om ‘terug te keren tot de bron van het zijn’.6 Uit deze bron stroomt het innerlijke leven, en er is niets dat geduldiger is – het schenkt ons de wijsheid ‘achter te blijven’ tot alles is vervuld. En als we zowel het innerlijke als het uiterlijke omvatten, is er niets dat meedogender is – het is ‘de liefde’ die het hele proces van het leven ‘beschermt en voedt’.7

Is deze ervaring iets anders dan de religieuze verlichting, of gaat het slechts om een gradueel verschil? Wat zou er gebeuren als we ‘de eigenschap om onszelf te vergeten’ ontwikkelden tot een universele levenswijze? Zou dit soort ‘dagelijkse leegte’ ons het meest verheven inzicht kunnen geven in de aard van het bestaan? Uiteindelijk kunnen alle spirituele leringen in ons normale leven worden bestudeerd. Wat ze ons ook leren – hoe edel ook – wordt altijd weerspiegeld in de menselijke natuur en in de natuur als geheel. Hoe meer we deze ‘alledaagse mysteries’ onderzoeken, hoe meer ze tot leven komen in alles dat ons omringt. Zij maken het denken leeg en vervullen het hart, en het leven zelf wordt een meditatie. Eenvoudige dingen worden boeiend. Wachten en kijken worden subliem. Medeleven wordt heilig. En een gewone vriendschapsdaad is de intelligentie van het universum.

 

Verwijzingen

  1. A Sourcebook in Chinese Philosophy, vert./samenst. Wing-tsit Chan, 1963, blz. 396-7.
  2. The Three Pillars of Zen: Teaching, Practice, and Enlightenment, red./samenst./vert. Philip Kapleau, 1966, blz. 330-1.
  3. Tao Te Ching, Eng. vert. Ch’u Ta-Kao, 1959, hfst. 1.
  4. Tao Teh King, Eng. vert. Isabella Mears, 1983, hfst. 1, noot.
  5. Tao Te Ching, Eng. vert. Stephen Mitchell, 1988, hfst. 67.
  6. Ibid.
  7. The Tao Te Ching, Eng. vert. Ellen Chen, 1989, hfst. 67, noot 2.
 
Andere artikelen over boeddhisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency