G. de Purucker sprak zijn hele leven lang ontelbare keren met verschillende
groepen mensen, maar zijn missie was altijd duidelijk: een universele
broederschap, gevormd uit alle levende wezens die dagelijks het meest
oprechte altruïsme in praktijk brengen. Veel van zijn werk was
erop gericht de leringen te verhelderen die H.P. Blavatsky voor de mensheid
in haar geschriften had uiteengezet, vaak verborgen onder schijnbare
tegenstrijdigheden, omslachtige formuleringen, woorden om je op het
verkeerde been te zetten, en versluierd taalgebruik. Veel onderzoekers
hebben enige hulp nodig om zich van deze spinsels te ontdoen. G. de
Purucker geeft een geweldige steun wanneer hij toelicht, beschrijft,
en eenvoudig het licht van kennis op haar leringen laat schijnen.
In dit proces van verduidelijking schetst G. de Purucker wat hij de
‘zeven juwelen van wijsheid’ noemt. Met zijn eigen woorden
luiden ze in het kort als volgt:
De oude wijsheid zegt ons dat er zeven leringen bestaan
die de sleutel zijn tot wijsheid en toekomstige inwijdingen. . . .
We kunnen ze de saptaratnani noemen, de ‘zeven juwelen,
edelstenen of schatten’. Het zijn de volgende. Ten eerste, die
werking van de natuur – natuur in de betekenis van het volstrekte
geheel van al wat is, innerlijk en uiterlijk, . . . overal –
die zich in de mens manifesteert als wederbelichaming of
reïncarnatie, kan in het kort worden omschreven als
de verandering van zijn voertuig of lichaam wanneer zijn innerlijke
toestand zich wijzigt; want door de werking van de natuur wordt hij
er tenslotte toe gebracht of voelt hij de noodzaak naar een andere
toestand of een andere plaats te gaan. Dit wordt dood genoemd, maar
het is een andere vorm van leven.
– Beginselen
van de Esoterische Filosofie, blz. 185
De tweede sleutel is karma, de leer van actie en reactie.
Enerzijds is karma in geen enkel opzicht fatalisme;
anderzijds is het evenmin wat algemeen bekend is als ‘toeval’.
Het is in wezen een leer van de vrije wil, want de entiteit die het
initiatief neemt tot een beweging of een handeling — of die
van geestelijke, mentale, psychische, fysieke, of andere aard is —
is daarna natuurlijk verantwoordelijk voor de gevolgen en resultaten
die eruit voortvloeien en die vroeg of laat terugslaan op de dader
of de eerste oorzaak.
Omdat alles in elkaar grijpt en met al het andere
is verbonden en vermengd, en niets en niemand voor zichzelf alleen
kan leven, worden andere entiteiten noodzakelijkerwijs in meerdere
of mindere mate beïnvloed door oorzaken of bewegingen die door
een bepaalde entiteit worden teweeggebracht; maar zulke uitwerkingen
of gevolgen oefenen op andere entiteiten dan de oorspronkelijke veroorzaker
slechts indirect een moreel dwingende kracht uit, 'moreel' in de ware
zin van het woord.
– Occulte
Woordentolk, blz. 86
Het derde juweel is
de leer van de elkaar doordringende wezens of levens,
ook de leer van de hiërarchieën genoemd, die tevens onscheidbare
en elkaar overal doordringende gebieden of sferen zijn. Alles
bestaat in al het andere. Er zijn in feite nergens absolute scheidslijnen,
hoog noch laag, innerlijk noch uiterlijk, goed noch verkeerd, boven
noch beneden. Er is in wezen niets dan een eeuwig ZIJN en een eeuwig
NU. Zoals de oude stoïcijnen het zo prachtig hebben gezegd: ‘Alles
doordringt al het andere’. Zelfs de lucht bijvoorbeeld die we
inademen trilt van de ontelbare levens; de monadische essenties of
levens zijn in de lucht die we inademen, in onze beenderen, in ons
bloed, in ons vlees, in alles. Denk erover na; laat uw gedachten de
vrije loop, maak u innerlijk vrij. Laat uw verbeelding u meevoeren
naar de wonderen die deze sleutels voor ons toegankelijk maken. Een
nauwgezette studie van de oude wijsheid en een zuiver en onzelfzuchtig
leven zullen uw onfeilbare gids zijn.
De vierde sleutel is de leer van svabhava, de leer
van de essentiële karakteristiek van een entiteit, van een geestelijke
radicaal; ook de leer van zelfvoortbrenging of zelfwording in het
gemanifesteerde bestaan, die een bevestiging is van onze eigen verantwoordelijkheid.
Dit is de meest diepzinnige, de meest mystieke van de vier sleutels
die we tot dusver hebben genoemd, want dit is in feite de sleutel
tot de andere drie. – Beginselen,
blz. 185-6
Het vijfde juweel, evolutie of het van binnenuit ontvouwen van latente
kwaliteiten, ‘is de sleutel tot zelfbewust leven en bestaan, .
. . want het doel, de methode en de werking van het universele bestaan
is geheel gericht op de verheffing van het lagere tot het hogere. Dit
grootse werk kan nooit worden volbracht door het ‘pad voor zichzelf’
. . . te volgen’ (op. cit.).
Het zesde juweel is de leer die eveneens door twee
samengestelde woorden met een tegengestelde betekenis tot uitdrukking
wordt gebracht: het eerste is amritayana, een Sanskrietwoord
dat ‘onsterfelijkheidsvoertuig’ of ‘wagen of drager,
of beter pad van onsterfelijkheid’ betekent en betrekking heeft
op de individuele mens; het andere is pratyekayana, een Sanskrietwoord
met de betekenis van (in eigen woorden weergegeven) het ‘pad
van ieder voor zich’. Het is onmogelijk deze laatste samenstelling
met een enkel woord te vertalen. Zowel het denkbeeld als het woord
bestaan bij ons niet. Het kan misschien worden benaderd door de theosofische
gedachte die in het woord persoonlijkheid ligt besloten. Het mysterieuze
verband tussen individualiteit en persoonlijkheid komt in
deze beide samengestelde woorden of technische termen tot uitdrukking,
en daarop berust een hele leer of onderdeel van de prachtige filosofie
van het occultisme, de esoterische leer. . . .
Het laatste of het zevende juweel, naar boven geteld,
wordt atmavidya genoemd, dat letterlijk ‘kennis van
het zelf’ betekent. Deze samenstelling is slechts een woord
zoals de andere, maar ze belichaamt en verhult een leer die inderdaad
verheven is. . . .
. . . de voornaamste en wezenlijke betekenis die
overal in deze wonderlijke leer aanwezig is, en er de grondtoon van
vormt, is: HOE HET ENE HET VELE WORDT; en dit
is het moeilijkste probleem dat de menselijke geest ooit heeft trachten
op te lossen. – Op.cit., blz.
190-1
Het aantal stadia van inwijding was volgens G. de Purucker eveneens
zeven. In dit verband gaf H.P. Blavatsky in haar kleine maar krachtige
boekje De Stem van de Stilte
een opsomming van de zeven sleutels tot de zeven poorten of stadia van
inwijding:
Deze poorten leiden de aspirant over de wateren ‘naar de andere
oever’. Elke poort heeft een gouden sleutel om haar deuren te
openen; deze sleutels zijn:
- Dana, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke
liefde.
- Sila, de sleutel van harmonie in woord en daad,
de sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte
laat voor de werking van karma.
- Kshanti, mild geduld, dat door niets kan worden
verstoord.
- Viraga, gelijkmoedigheid ten opzichte van genot
en leed; de illusie is overwonnen, alleen de waarheid wordt waargenomen.
- Virya, de onverschrokken kracht die zich uit
het slijk van aardse leugens al strijdend een weg baant naar de
hoogste waarheid.
- Dhyana, waarvan de gouden deuren, eenmaal geopend,
de narjol [naljor, adept] toegang geeft tot het rijk van het eeuwige
sat en de onafgebroken contemplatie daarvan.
- Prajña, de sleutel hiervan maakt van de
mens een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s.
Dit zijn de gouden sleutels tot de poorten.
–
Fragment 3, blz. 45-6
Laten we deze zeven sleutels tot de inwijdingsstadia nemen zoals HPB
ze gaf en ze in overeenstemming brengen met G. de Puruckers zeven juwelen,
waarover hij ons vertelt dat ze ‘in de vorm van leringen de zeven
stadia van inwijding vertegenwoordigen’ (Beginselen,
blz. 251). Ten eerste hebben we het begrip reïncarnatie en het
denkbeeld van die liefde die eigen is aan het oude begrip naastenliefde.
We leven als geestelijke wezens vele keren en groeien en leren door
onze ervaring. Onze persoonlijkheid in elk van onze levens op aarde
wordt als een van de vele parels geregen aan de draad van onze onsterfelijke
individualiteit. Een van de redenen dat we reïncarneren is om de
levenslessen te leren, hoe lang het ook duurt. De belangrijkste les
die de kern van de leringen van alle wijzen en zieners vormt is altijd
liefde geweest – die onsterfelijke liefde voor alle levende wezens
die het besef inhoudt dat alles één is.
Karma en harmonie zijn de volgende twee. De universele wet van oorzaak
en gevolg handelt om de harmonie te herstellen en maakt het ons mogelijk
te leren omdat we altijd de resultaten van onze keuzes tegenkomen. Ieder
van ons is verantwoordelijk voor zijn lot en karakter, want onze handelingen
en gedachten zijn de enige vormgevers van onze huidige en toekomstige
situatie. Karma is helemaal niet vergeldend zoals algemeen wordt aangenomen,
maar betreft het herstel van het universele evenwicht. Karma is die
wet die de harmonie in de uitgestrekte sferen van het zijn herstelt.
Vervolgens hebben we hiërarchieën en geduld. Zoals het boven
is, zo is het ook beneden bij de vele zich vermengende bewustzijnstoestanden
en wezens die ons levende heelal vormen. Alles vanaf het subatomaire
tot het supergalactische heeft als hart een evoluerend centrum van bewustzijn.
Ons individuele pad door deze grote hiërarchie of langs de levensladder
houdt niet op na dit leven. Onze reis door de verschillende stadia omvat
ontelbare eonen en zo leren we geduldig te zijn. Er is geen haast, want
we zijn altijd halverwege de duur. De natuur beweegt zich niet met sprongen
en schokken, en we maken deel uit van de eeuwigdurende opbouw ervan.
Ten vierde hebben we individualiteit en het verbreken van illusie.
Elk wezen is een uitdrukking van zijn unieke zelf, en zijn huidige staat
is het resultaat van eonen van zelfontwikkeling. Alle evolutie komt
van binnenuit het individu, vanuit de aangeboren drang van
zijn innerlijke godheid om zich tot uitdrukking te brengen. Tijdens
onze reis van zelfontdekking hebben we vele elkaar doordringende beginselen
om ons heen verzameld die op zichzelf niet het onsterfelijke deel van
ons zijn, maar die het ons mogelijk maken onszelf uit te drukken en
de wereld te leren kennen. Onze taak is om verder te kijken, achter
deze vormen, voorbij de bedrieglijke aspecten van het leven, naar wat
blijvend is, gebaseerd op de achterliggende goddelijke aspecten van
de kosmos.
Evolutie en energie zijn de volgende twee ideeën. De natuur drukt
zich uit door dualiteit en ritmische trillingen zodat elk wezen in oneindig
veel cyclussen van activiteit en rust zijn innerlijke vermogens tot
ontwikkeling brengt. We worden aangedreven door een innerlijke impuls
die identiek is met het hart van het universum. De vooruitgerichte stuwkracht
daarvan is goed te zien als we naar de grote spiraalheelallen aan de
nachtelijke hemel kijken. De vooruitgerichte activiteit van het geheel
klopt voortdurend in onze borst en moedigt ons tijdens ons leven aan.
Ons verlangen naar zelfgeleide evolutie zet ons aan steeds verder te
gaan met onze zoektocht om een blijvende kracht ten goede te worden.
De twee paden en het overdenken van sat komen als zesde. De
eeuwenoude strijd tussen zelfzucht en altruïsme, de voortdurende
keuzes die ieder in zijn dagelijks leven moet maken en onze verlangens
om het meest aan onszelf te denken of onze aandacht te richten op het
welzijn van anderen, vormt de twee paden. Wanneer we ons realiseren
dat sat – de ene eeuwige en absolute realiteit en waarheid
– het hart van het universum is, verlangen we haar in de sferen
van illusie te verwerkelijken en ons denken en leven met deze essentie
van de natuur in overeenstemming te brengen. Zoals HPB aanraadde: ‘Help
de natuur en werk met haar mee; en de natuur zal u als een van haar
scheppers beschouwen en voor u neerbuigen’ (De Stem van de
Stilte, blz. 13).
Tenslotte hebben we zelfkennis en prajña, ‘het van een
mens een god maken’. Dit doet onmiddellijk denken aan de oude
formulering ‘Ken uzelf!’ We kunnen alle kennis door zelfkennis
bereiken want in de kern van ons wezen woont de ene transcendente oorzaak,
de wortel van alles. Elk deel weerspiegelt het geheel en bevat potentieel
alle mogelijkheden in zich, zodat het richten van onze blik naar buiten
of naar binnen uiteindelijk naar hetzelfde doel leidt.
Dit korte overzicht van de samenhang van deze twee zevenvoudige groepen
laat zien dat de juwelen van G. de Purucker zich op een natuurlijke
wijze voordoen als een gedachtestelsel of raamwerk voor groei. Hij verklaart
vervolgens:
Deze zeven juwelen zijn inderdaad een beknopte schets
in de vorm van filosofische beginselen van alles wat door de mens
kan worden gekend; en het hangt van ieder van ons af hoeveel wij van
die kennis kunnen begrijpen.
U zult waarschijnlijk ook hebben opgemerkt dat niet
een van deze juwelen volledig kan worden begrepen als ze op zichzelf
worden beschouwd. Ze vullen elkaar aan en verklaren elkaar. Elk ervan
wordt door de andere zes verklaard, en elk verklaart de andere zes
en vult ze aan. Denk alstublieft geen ogenblik dat het afzonderlijke
en verschillende takken van kennis zijn in materialistische zin. Er
bestaat slechts één kennis, één waarheid,
zoals er slechts één leven is en één uiteindelijk
zijn; maar . . . deze zeven juwelen zijn als het ware verschillende
facetten van die waarheid, verschillende zuilen in de tempel van goddelijke
wijsheid, om een ander beeld te gebruiken.
– Beginselen, blz. 264-5
Wanneer we de vierde trede van inwijding bereiken, streven we ernaar
onszelf te identificeren met onze innerlijke individualiteit. G. de
Purucker geeft als cruciaal punt tussen de drie lagere en de drie hogere
treden deze toelichting waarvan de laatste zin op zichzelf al een leven
van studie en bespiegeling inhoudt:
De eerste drie inwijdingen of stadia of graden van
inwijding bestaan uit leringen. Vanaf de vierde graad wordt een andere
methode gevolgd. Welke methode is dat?
Een van de fundamentele leringen van het occultisme
is dat niets werkelijk kan worden gekend dat niet is ervaren,
doorleefd. Natuurlijk weten we dit allemaal uit eigen ervaring.
Een van de zogenaamde wetten van ons wezen, een van de essentiële
voorwaarden van onze menselijke natuur is dat om iets door en door
te kennen, er diep in door te dringen, het volledig te begrijpen,
we het moeten zijn, we het moeten worden.
We kunnen het pad niet betreden vóór we dat pad worden
en zijn. – Op.cit., blz. 251