Het onderzoeken van de vermogens in de mens
H.P. Blavatsky

 

     [Vanaf 1878 is in de formuleringen van de doelstellingen van de Theosophical Society een verklaring opgenomen over het onderzoek van de vermogens die latent in de mens aanwezig zijn, en soms wordt er gesproken over ‘onverklaarde wetten’ of ‘de verborgen mysteriën van de natuur’. Al voor de oprichting van de TS in het najaar van 1875 had H.P. Blavatsky de fundamentele doelen ervan, waaronder het idee van universele broederschap, aangeduid in haar eerste theosofische artikel – dat ze schreef ongeveer op het moment dat ze van haar leraren opdracht had gekregen ‘om een filosofisch-religieuze Society op te richten’. De eerste statuten van de TS bevatten maar één algemene doelstelling: ‘kennis verzamelen en verspreiden over de wetten die aan het universum ten grondslag liggen’, waarbij broederschap werd geïmpliceerd in het feit dat de Society leden aannam ongeacht hun ‘ras, geslacht, huidskleur, nationaliteit of geloofsovertuiging’. Deze verklaring werd drie jaar later in 1878 nader uitgewerkt in een circulaire (zie hieronder) en in 1882 waren deze geformuleerd als de ‘Drie doelstellingen’, die tegenwoordig globaal worden samengevat als 1) universele broederschap; 2) studie van de religies, wetenschappen en filosofieën die de wereld rijk is; en 3) het onderzoeken van de vermogens in de mens. De tweede en derde doelstelling werd door Blavatsky en haar leraren altijd beschouwd als ondergeschikt aan het broederschapsideaal en als voornaamste middel om dit te verwezenlijken, zoals blijkt uit haar commentaren hieronder.      – W.T.S. Thackara]


Mei 1878: ‘The Theosophical Society: Its Origin, Plan and Aims’ [The Theosophical Society: Haar oorsprong, ontwerp en doelen], een circulaire met hulp van HPB opgesteld door H.S. Olcott, president-oprichter. Herdrukt in H.P. Blavatsky, Collected Writings (BCW) 1:376-7

     VI. De Society heeft verschillende doelstellingen. Ze stimuleert haar leden om een grondige kennis te verwerven van de natuurwetten, in het bijzonder de occulte manifestaties daarvan. Omdat de mens fysiek en spiritueel de hoogstontwikkelde uitingsvorm van de scheppende oorzaak op aarde is, dient hij ernaar te streven het mysterie van zijn wezen op te lossen. Hij is, fysiek gezien, de voortbrenger van zijn soort, en hij moet, omdat hij de aard van de onbekende maar tastbare oorzaak van zijn eigen schepping heeft geërfd, in zijn innerlijke psychische zelf deze scheppende kracht in mindere mate eveneens bezitten. Hij dient daarom te studeren om deze latente vermogens in zichzelf te ontwikkelen en zich vertrouwd te maken met de wetten van magnetisme, elektriciteit en alle andere vormen van kracht van de zichtbare en onzichtbare universa. De Society onderwijst de hoogste moraliteit en religieuze aspiratie en verwacht van haar leden dat ze daarvan in hun persoonlijke leven een voorbeeld zijn; dat ze het materialisme van de wetenschap en elke vorm van dogmatische theologie bestrijden . . . ; en dat ze de lang onderdrukte feiten betreffende de oosterse religieuze filosofieën en de ethiek, chronologie, esoterie en symboliek ervan aan de westerse wereld bekendmaken . . . ; dat ze kennis van de verheven leringen van dat zuivere esoterische stelsel van het archaïsche verleden verspreiden dat men weerspiegeld vindt in de oudste veda’s en in de filosofie van Gautama de Boeddha, Zarathoestra en Confucius; en tenslotte en voornamelijk, dat ze bijdragen aan het vestigen van een broederschap van de mensheid, waarin alle goede en zuivere mensen van ieder ras elkaar zullen herkennen als gelijkwaardige gevolgen (op deze planeet) van één ongeschapen, universele, oneindige en eeuwigdurende oorzaak.


     Mei 1889: ‘Het baken van het onbekende’, BCW 11:251

Deze voltooiing [‘de vereniging van de goddelijke vonk die de mens bezielt met de oudervlam die het goddelijke Al is’] is de ultima Thule van die theosofen die zich geheel wijden aan dienstbaarheid aan de mensheid. Naast deze mensen kunnen anderen die nog niet gereed zijn om alles op te geven, zich bezighouden met de transcendentale wetenschappen, zoals mesmerisme en de moderne verschijnselen in al hun talrijke vormen. Ze hebben het recht dat te doen in overeenstemming met de clausule die een van de doelstellingen van The Theosophical Society omschrijft als ‘het onderzoek van de onverklaarde wetten van de natuur en de psychische vermogens die latent in de mens aanwezig zijn’.
     Van het eerstgenoemde type mensen zijn er niet veel – want volledig altruïsme is een rara avis [zeldzame vogel], zelfs onder de huidige theosofen. De andere leden kunnen zich bezighouden met wat ze maar willen.

 

     Juli 1889: De Sleutel tot de Theosofie, blz. 45-6

     Belangstellende: En hoe staat het met de derde doelstelling, het tot ontwikkeling brengen van de sluimerende geestelijke of psychische vermogens in de mens?

     Theosoof: Dit moet ook door publicaties worden bereikt in die plaatsen waar lezingen en persoonlijk onderricht niet mogelijk zijn. Het is onze plicht de geestelijke intuïtie in de mens wakker te houden; dweperij in elke vorm, op godsdienstig, wetenschappelijk of maatschappelijk terrein, en vooral huichelarij, in de vorm van godsdienstig sektarisme of geloof in wonderen of iets bovennatuurlijks, te bestrijden en te voorkomen – na gedegen onderzoek en na het absurde ervan te hebben aangetoond. Wat we moeten doen is proberen kennis te verkrijgen van alle natuurwetten en die te verspreiden; de studie aan te moedigen van die wetten die door de mensen nu het minst worden begrepen, de zogenaamde occulte wetenschappen, gebaseerd op de ware kennis van de natuur, in plaats van, zoals tegenwoordig het geval is, op vormen van bijgeloof die berusten op blind geloof en gezag. Als ze nauwkeurig worden onderzocht, kunnen volksgeloof en overleveringen, hoe fantastisch ze soms ook zijn, tot de ontdekking leiden van lang verloren, maar belangrijke natuurgeheimen. Daarom streeft de Society ernaar dit soort onderzoek te doen, in de hoop het terrein van wetenschappelijke en filosofische waarnemingen uit te breiden.



     Juli 1889: ‘De kracht van het vooroordeel’, BCW 11:334-5

De Society is noch een sektarisch noch een religieus lichaam, maar eenvoudig een kern van mensen die toegewijd zijn aan het zoeken naar de waarheid, waarvandaan die ook komt. . . .
     De tweede doelstelling van de T.S., dat wil zeggen een esoterische interpretatie van de oosterse filosofie, heeft tot nog toe altijd ertoe bijgedragen tal van problemen op te lossen voor degenen die serieus studie ervan maken. Alleen die andere mensen die, zonder dat ze van nature mystici zijn, zich zonder enige voorzorg storten op de mysteriën van de onverklaarde psychische vermogens die latent in ieder mens aanwezig zijn . . . lijden gewoonlijk schipbreuk en stellen de T.S. verantwoordelijk voor hun eigen mislukking.
     . . . Geen enkel lid is verplicht volkomen welwillend te staan tegenover elk van de drie doelstellingen; om in aanmerking te komen voor lidmaatschap van de T.S. is het voldoende als hij sympathie voelt voor een van de drie, en bereid is de andere twee niet te bestrijden.

 

     September 1889: ‘Onze drie doelstellingen’, BCW 11:392-9

Als we ze indelen in passende rubrieken, luiden ze als volgt:

     I. Broederschap . . .
II. Oosterse filosofie, literatuur, enz. . . .
          III. Occultisme

     Hoewel slechts een minderheid van onze leden naar het mystieke neigt, is het feitelijk toch zo dat de sleutel tot al ons welslagen . . . de herkenning is van het feit van het hogere zelf – kleurloos, kosmopolitisch, onsektarisch, geslachtloos, onwerelds, altruïstisch – en ons werk op die basis te doen. . . .
     Sociale differentiaties, het gevolg van lichamelijke evolutie en materiële omgeving, kweken rassenhaat en sektarische en sociale antipathieën die onoverkomelijk zijn als de buitenkant ervan wordt aangepakt. Maar omdat de menselijke aard altijd gelijk is, staan alle mensen evenzeer open voor invloeden die zich richten tot het ‘hart’ van de mens en een beroep doen op de menselijke intuïtie; en daar er slechts één absolute waarheid bestaat, en deze de ziel en het leven is van alle menselijke geloofsovertuigingen, is het mogelijk om een wederkerig verbond voor het onderzoeken en verspreiden van die fundamentele waarheid tot stand te brengen. We weten dat een veelomvattende term voor die eeuwige waarheid de ‘geheime leer’ is; we hebben dit gepredikt, hebben luisteraars getrokken, we hebben in zekere mate oude barrières omver geworpen, onze kern van broederschap gevormd, en, door de literatuur van het oude India opnieuw leven in te blazen, hebben we ervoor gezorgd dat kostbare religieuze, filosofische en wetenschappelijke leringen tot in de meest verafgelegen landen werden verspreid.
     Ook al hebben we geen reguliere scholen voor adeptschap in de Society geopend, we hebben tenminste een bepaalde hoeveelheid bewijs aangedragen dat adepten bestaan en dat adeptschap een logische noodzaak in de natuurlijke orde van menselijke ontwikkeling is. We hebben zo het westen geholpen aan een waardiger ideaal van de menselijke mogelijkheden dan het vroeger bezat. De studie van de oosterse psychologie heeft het westen een sleutel gegeven tot bepaalde mysteriën die voorheen verbijstering wekten, zoals bijvoorbeeld die op het gebied van mesmerisme en hypnose, en van de veronderstelde contacten na de dood van het geëxcarneerde wezen met de levenden. Ze heeft ook een theorie verschaft over de relatie tussen kracht en materie die in de praktijk kan worden geverifieerd door ieder die de experimentele methoden van de oosterse scholen van occulte wetenschap leert en toepast. Onze eigen ervaring leidt ons ertoe te stellen dat deze wetenschap en de filosofie die deze aanvult licht werpen op een aantal van de diepste problemen van de mens en de natuur; in de wetenschap overbruggen ze de ‘onoverbrugbare kloof’, in de filosofie wordt het mogelijk een consistente theorie te formuleren over de oorsprong en bestemming van de hemellichamen en hun nakomelingschap van natuurrijken en verschillende gebieden.


Augustus 1890: ‘Recente vooruitgang in de theosofie’, BCW 12:302-4, 307-8

     [Over de drie doelstellingen:] Iedereen die lid wordt van de Society wordt geacht sympathiek te staan tegenover het principe van essentiële broederschap; een verwantschap die op het gebied van het hogere zelf bestaat, niet op dat van de raciale, sociale en mentale verschillen en antipathieën. Deze elementen van tweedracht horen bij de fysieke mens en zijn het gevolg van verschillen in ontwikkeling overeenkomstig de wet van evolutie. Wij geloven dat het menselijk lichaam slechts het omhulsel, de bedekking of sluier is van het ware wezen; en zij die de esoterische filosofie en de theorie van ‘karma’ (de universele wet van ethische oorzakelijkheid) accepteren, geloven dat de entiteit op haar reizen langs bepaalde grotere en kleinere cycli van bestaan, samen met de hele menigte mensen, een ander lichaam aanneemt bij de geboorte en zich hiervan weer ontdoet bij de dood overeenkomstig de werking van deze karmische wet. Maar toch, hoewel ze zich in een reeks incarnaties dus kleedt en duizenden malen weer opnieuw kleedt, blijft de entiteit onveranderd, en kan ook niet worden veranderd omdat ze van goddelijk aard is, verheven boven alle milieus op het aardse gebied. Het is alleen het fysieke lichaam dat een bepaald raciaal type, huidskleur, geslacht, vijandschappen, ambities en voorliefden bezit. Als we dus het idee van universele broederschap naar voren brengen, willen we dat het duidelijk is dat dit niet in utopische zin wordt bedoeld, hoewel we er niet van dromen dat het op het vlak van de sociale of nationale betrekkingen onmiddellijk zal worden gerealiseerd. Zeer zeker zou, indien het idee van de verwantschap van de hele mensheid universeel zou worden geaccepteerd, het verbeterde besef van morele verantwoordelijkheid die dit zou teweegbrengen de oorzaak ervan zijn dat het meeste sociale kwaad en veel van de internationale spanning zou verdwijnen; want een waar altruïsme zou over de hele wereld heersen in plaats van het huidige egoïsme. Daarom hebben we als eerste van de doeleinden die we nastreven deze altruïstische verklaring opgeschreven, en we hebben praktisch werk verricht om een begin te maken met het toepassen van die betere wet.
     Onze tweede doelstelling spreekt zo duidelijk voor zichzelf dat ik er verder niet bij stil hoef te staan, behalve op heel terloopse wijze. De oprichters van de Theosophical Society vonden dat ze alle reden hadden te geloven dat er in de oude literatuur van India, Sri Lanka, Tibet, China, Japan en andere oosterse landen een enorme hoeveelheid waarheid verborgen ligt die van groot belang en grote waarde zou zijn voor de huidige generatie, indien men toegang ertoe zou kunnen hebben. . . .
     Wat betreft de derde verklaring zien we dat slechts een deel van onze leden zich bezighoudt met de studie van de occulte eigenschappen van de materie en de psychische vermogens van de mens. De Society als geheel is dus niet betrokken bij deze tak van onderzoek. En dat is ook vanzelfsprekend, want van iedere tienduizend mensen die we ontmoeten hebben waarschijnlijk maar een heel kleine minderheid de tijd, belangstelling, of de mogelijkheid om zulke delicate en verbijsterende studies aan te pakken. Degenen die dat doen zijn geboren mystici, en, uiteraard, theosofen van nature; waarbij met een theosoof iemand wordt bedoeld die op zoek is naar goddelijke wijsheid – dat wil zeggen het begrijpen van de uiteindelijke oorzaken van kracht, onderlinge verbanden en psychische ontwikkeling, de methode om alle raadsels van het leven op te lossen. Personen met zo’n aard kunnen geen dwepers zijn; ze ergeren zich aan het juk van het sektarisme en ze hebben een warm hart van sympathie voor allen die lijden, die zuchten onder de sociale last die voortkomt uit onwetendheid, voor iedereen van elk ras, geloof of elke huidskleur die naar kennis streeft. Deze mensen zijn ware theosofen, de broeders van de mensheid en wanneer ze zich volledig hebben ontwikkeld, zijn ze de spirituele voorbeelden, gidsen, leraren, weldoeners van onze mensheid. We dachten goed eraan te doen dit soort onderzoek tot de derde van onze drie doelstellingen te maken. Voor diegenen die daarin zijn geïnteresseerd en voor alle onderzoekers die zij kunnen bereiken en aanmoedigen, zijn de mystieke filosofische boeken van heden en verleden geschreven. Voor het algemene publiek zijn deze boeken kaviaar.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency