Volgens de Chandogya Upanishad kwamen vele goden en mensen
naar Prajapati toe om onderwijs te ontvangen, toen hij verkondigde dat
alle werelden hem zouden toevallen en alle verlangens zouden worden
vervuld van hem die zou begrijpen dat ‘het Zelf vrij is van zonden,
vrij van ouderdom, vrij van dood en verdriet en vrij van honger en dorst’.
Maar deze kennis komt niet snel, zoals twee jonge studenten ontdekten.
Ze hadden 32 jaar gestudeerd voordat Prajapati aandacht aan hen schonk.
Hij zei hen in een pan met water te kijken en vroeg hen te beschrijven
wat ze zagen. ‘We zien onszelf,’ antwoordden ze, ‘zelfs
de nagels aan onze vingers en ons haar.’
‘Dat is het Zelf’, verklaarde de Meester. ‘Dat is
het onsterfelijke, het onbevreesde. Dat is Brahma!’
De leerlingen dachten dat ze het Zelf hadden ontdekt dat vrij is van
zonde, ouderdom, dood en verdriet, honger en dorst, en vertrokken verheugd
om de lering te verspreiden dat het lichaam mooi en gelukkig gemaakt
moest worden en moest worden aanbeden. Maar al voordat ze erg ver gekomen
waren, stopte een van hen, en realiseerde zich dat dit niet waar kon
zijn: Het ware Zelf wordt niet blind als het lichaam blind wordt, en
ook sterft het niet als het lichaam sterft. In verwarring keerde hij
terug en ging verder met studeren totdat hij tenslotte beter begreep
wat het uiteindelijke Zelf of de atman was en hiermee kennis
verkreeg over ‘alle werelden en alle verlangens’.
Wat waren de leringen die hem deze kennis verschaften? Ongetwijfeld
omvatten ze leringen die nu in de Veda’s en Upanishads zijn opgetekend,
die inzicht geven in de wonderbaarlijke en complexe aard van onze ziel,
dat wil zeggen van onze psychische gesteldheid, waarvan ons lichaam
niet meer is dan een weerspiegeling, zoals onze ziel een reflectie en
uitdrukking is van ons ware Zelf (atman). Het is dit ware Zelf, zo vertelt
men ons, dat aan ieder deel van onze spirituele, psychische en fysieke
geaardheid – zelfs ‘de nagels aan onze vingers en ons haar’
– leven, kracht, gezondheid, gewaarwording, een blauwdruk en richting
schenkt.
Deze oude geschriften leggen verder uit dat dit Zelf de bron is van
ons bewustzijn dat, omhoog en omlaag beweegt door de niveaus van ons
wezen, en ons in staat stelt ons gewaar te zijn tijdens onze diverse
dagelijkse activiteiten, gedurende verheven meditatieve ervaringen,
en zelfs tijdens onze dromen. In het Sanskriet worden deze bewustzijnsniveaus
aangeduid als jagrat, het waakbewustzijn; svapna,
van svap, ‘slapen, dromen’; en sushupti,
een toestand van diepe slaap die verwijst naar het hogere bewustzijn
van de ervaringen van onze geestelijke ziel wanneer ons lichaam in diepe
slaap is verzonken. Overdag, wanneer onze aandacht is gericht op persoonlijke
zaken, familieaangelegenheden, sociale activiteiten of zakelijke bezigheden,
verkeert ons lichaam in de jagrat-toestand – een toestand die
vol is van illusies en dingen die we verkeerd begrijpen, die het gevolg
zijn van onze zintuiglijke waarnemingen. De svapna-toestand is eveneens
vol illusies – voortgekomen uit onze mentale verwarring en vooroordelen.
Zulke vervormingen kunnen aanleiding geven tot nachtmerries, maar soms,
wanneer er enig ‘licht’ doordringt, worden we gezegend met
inzichten en visioenen van schoonheid. Wat betreft de sushupti-toestand:
dit is een periode waarin het spirituele zelf ons verlaat om zijn eigen
activiteiten voort te zetten op gebieden waar waarheid en deugd meer
tot hun recht komen. Wat het gedurende die tijd ervaart is zo intens
en verheven dat onze hersenen daar weinig van kunnen registreren behalve
misschien een gevoel van de alles overtreffende vrede en vreugde die
daarin werd ervaren.
Leerlingen werden aangemoedigd en getraind om hun natuur te zuiveren
en te disciplineren zodat zij zich bewust konden worden van deze hogere
ervaringen en zich als ze wakker worden zelfs herinneren wat er is gebeurd
in de vierde of turiya bewustzijnstoestand. Dit is een toestand van
allerhoogste verlichting, wanneer de mysteriën van het menselijke
en kosmische leven even duidelijk zijn als een open boek. H.P. Blavatsky
geeft in haar De Stem van de Stilte1
een manier aan om deze verlichting te bereiken:
Drie hallen, overwinnaar van Mara, zullen u door
drie toestanden (jagrat, svapna, sushupti) brengen in de vierde (turiya)
en van daaruit naar de zeven werelden, de werelden van eeuwige rust.
Als u hun namen wilt weten, luister dan en onthoud.
De naam van de eerste hal is onwetendheid –
avidya.
Het is de hal waarin u het levenslicht aanschouwde,
waarin u leeft en zult sterven. (De uiterlijke wereld van de zintuigen
en van het aardse bewustzijn – meer niet.)
De naam van de tweede hal is de Hal van Lering. Daarin
zal uw ziel de bloesems van het leven vinden, maar onder iedere bloem
een opgerolde slang. (Het astrale gebied, de psychische wereld van
bovenzinnelijke waarnemingen en bedrieglijke taferelen. . . . Nooit
werd een bloesem, in die gebieden geplukt, hier op aarde gebracht
zonder zijn om de stengel gekronkelde slang. Het is de wereld van
de grote illusie.)
De naam van de derde hal is Wijsheid, waarachter
zich de oeverloze wateren van akshara uitstrekken, de onvernietigbare
bron van alwetendheid. (Het gebied van volledig geestelijk bewustzijn.
Voor wie dat heeft bereikt bestaat geen gevaar meer.)
Als u de eerste hal veilig door wilt komen, laat
dan niet uw denken de vuren van begeerte, die daar branden, aanzien
voor het zonlicht van het leven.
Als u de tweede veilig door wilt komen, houd dan
niet stil om de geur van haar bedwelmende bloesems op te snuiven.
Als u van de karmische ketenen bevrijd wilt zijn, zoek uw goeroe dan
niet in die mayavische gebieden.
Zoek hem die u tot leven zal wekken in de Hal van
Wijsheid, de hal die daar voorbij ligt, waarin alle schaduwen onbekend
zijn en waar het licht van waarheid met niet vervagende glorie schijnt.
. .
.
Als u door de Hal van Wijsheid het Dal van Gelukzaligheid
wilt bereiken, discipel, sluit dan uw zintuigen goed af tegen de grote
rampzalige ketterij van afgescheidenheid die u van anderen vervreemdt.
. . .
Pas dan kunt u een ‘hemelganger’ worden
die de winden boven de golven bewandelt, maar van wie de voetstappen
de wateren niet aanraken. – blz. 5-9, 73-74
In een andere benadering van de aard van het bewustzijn worden drie
guna’s, hoedanigheden of kwaliteiten, genoemd door middel waarvan
het bewustzijn wordt uitgedrukt, en die onze ziel, helaas, aan dit bestaansgebied
binden. De Bhagavad-Gita somt deze kwaliteiten, die inherent
zijn aan alle wezens en dingen, op als tamas, onverschilligheid,
traagheid, onwetendheid en daarmee duisternis; rajas, hartstocht
en verlangen; en sattva, goedheid, waarheidsliefde, en daardoor
verlichting. Ze verklaart:
Het inzicht dat handeling en niet handeling kent,
weet wat gedaan behoort te worden en wat dient te worden nagelaten,
wat gevreesd dient worden en wat niet gevreesd dient te worden, wat
de ziel (dat inzicht) bindt en haar bevrijdt, O Partha (Arjuna), heeft
de eigenschap ‘goedheid’ [sattva].
Dat waardoor men op een verkeerde manier onderscheid
maakt tussen wat juist is en wat onjuist, wat gedaan behoort te worden
en wat behoort te worden nagelaten – dat inzicht, O Partha,
heeft de eigenschap ‘hartstocht’ [rajas].
Dat wat, gehuld in duisternis, als juist ziet wat
onjuist is en alle dingen op verdraaide wijze ziet (tegengesteld aan
de waarheid), dat inzicht, O Partha, heeft de eigenschap ‘traagheid’
[tamas].
– 18:30-2 (naar Eng. vert. Radhakrishnan)
Iemand in wie tamas overheerst, is omhuld door een mantel van duisternis,
omdat hij typisch lui, egocentrisch en misleid is; zijn disharmonische
gedachten en handelingen brengen hemzelf en anderen lijden. Een persoon
in wie rajas overheerst, is omhuld door een aura die is vertroebeld
door zijn hartstochten en verlangens, en hoewel hij misschien creatief,
scherpzinnig, soms zelfs heroïsch kan zijn, zal zijn vooruitgang
worden tegengehouden als hij te veel op zichzelf, op bezittingen en
persoonlijk gewin is gericht. Iemand in wie sattva domineert wordt omringd
door een stralende halo die zijn deugdzame, wijze en meedogende aard
weerspiegelt. Zijn toewijding aan het welzijn van anderen brengt in
elke situatie vrede en stabiliteit teweeg. Maar zelfs hij zal, als hij
te zeer gehecht is aan wat edel, schoon en waar is, worden belet om
hogere gebieden binnen te gaan.2
Zoals we merken, beweegt ons bewustzijn voortdurend omhoog en omlaag
door deze niveaus en toestanden. Als we slapen, zijn we in de tamasische
toestand; als we wakker en actief zijn, in de rajasische; en als we
denken en werken voor anderen, of verdiept zijn in geestelijke overpeinzingen,
verkeren we in de sattvische toestand. Deze kwaliteiten komen echter
zelden afzonderlijk voor. Hun interactie brengt afwisseling in ons leven,
niet alleen door ons voor uitdagingen te stellen, maar door hun neiging
de invloed die de ene of de andere guna uitoefent in balans te houden,
te versterken en/of te neutraliseren. Deze kwaliteiten zijn ook van
toepassing op alle wezens in de kosmos, van de goddelijke tot de microkosmische.
Wat is de waarde en de bedoeling van al deze ingewikkelde en interessante
leringen? Ze kunnen ons helpen de aard, beweging en functie van ons
veelvoudige bestaan te begrijpen, en geven ons de stimulans en de gereedschappen
waardoor we ons leven kunnen vervolmaken en onze evolutie versnellen.
Door ons van gehechtheden te bevrijden en dan deze kwaliteiten in onze
aard te verfijnen – door tamas in kalmte om te zetten, rajas in
meedogend handelen en sattva in goddelijk altruïsme – verheffen
we ons brandpunt van bewustzijn van jagrat via svapna naar sushupti
en treden we de gebieden van turiya binnen. Maar dit doel wordt niet
snel bereikt. Er doemen obstakels op. De belemmeringen van onwetendheid,
eigenliefde en gehechtheden testen onze vastberadenheid en houden ons
gevangen in deze wereld van illusie. Maar we kunnen overwinnen. We kunnen
één worden met ‘het Zelf dat vrij is van zonden,
vrij van ouderdom, vrij van dood en verdriet’. Onze hele natuur
zal dan zo zijn vergeestelijkt dat de werelden en verlangens die we
wilden bereiken de onze zullen zijn om ze te zegenen en te verheffen.
Noten
- Tussen haakjes geplaatste opmerkingen
zijn afkomstig van haar voetnoten.
- Vgl. Heinrich Zimmer, Philosophies
of India, blz. 231.