Zieners tegenover helderzienden
G. de Purucker

 

Wat maakt een mens tot een wijze of ziener? Een wijze en ziener wordt men door de vervolmaking en veredeling van de innerlijke lagen die het essentiële zelf omhullen. Wanneer deze omhulsels door aspiratie, inwijdingsoefening en ook door de grote rijkdom aan ervaring vergaard in vele voorafgaande levens op aarde, zo zijn verfijnd dat ze doorschijnend worden voor de straling van de innerlijke god, dan wordt het breinverstand bijna direct door het stralende licht getroffen, en de mens wordt vervuld van spirituele wijsheid, en kan daarom in feite niet alleen een wijze worden genoemd om zijn wijsheid, maar ook een ziener op grond van zijn inzicht. Dat was het geval bij alle werkelijk grote geestelijke leraren van de mensheid.

In scherpe tegenstelling tot de ware spirituele zieners, verschijnen er van tijd tot tijd in de religieuze geschiedenis van de wereld individuen met een min of meer afwijkend karakter die als ‘helderzienden’ kunnen worden aangeduid. Deze helderzienden hebben bijna onveranderlijk een enigszins fanatiek temperament, en ze verkondigen met meer of minder succes verschillende soorten leringen die, zoals altijd schijnt te worden beweerd, zijn gebaseerd op de leringen van een reeds gevestigde grote religie. Ze hebben veel succes met het jammerlijk verkeerd uitleggen van wat volgens hen gewoonlijk een ‘openbaring’ is van de betekenis van de leringen die ze aannemen, of een ‘openbaring’ waarvan wordt beweerd dat ze van een spiritueler karakter is dan de al bestaande lering, omdat ze tot een later tijdperk behoort.

Deze vernieuwers die niet altijd bedriegers zijn, omdat ze vaak werkelijk door zichzelf zijn misleid, beweren gewoonlijk met religieuze autoriteit te spreken, in zeldzamer gevallen beweert men dat de inspiratie van God kwam, of van een ‘engelachtige’ hoogwaardigheidsbekleder. Ze zien inderdaad ‘visioenen’, maar met weinig kans zich te vergissen kan men zeggen dat de visioenen die zij zien vals zijn; en zelfs wanneer deze helderzienden oprecht zijn, zijn hun ‘visioenen’ de beelden in hun geest, die weerspiegelingen zijn van astrale foto’s in het astrale licht. Een groot aantal mensen is vaak op een dwaalspoor gebracht door het soort helderzienden die, gedreven door hun verbeelding – die van de hak op de tak springt, afdwaalt, zonder leiding is – en hun ongeschoolde intellect, alleen uitdrukking kunnen geven aan ideeën die voor de mensen spiritueel en intellectueel zelden van nut zijn.

Om dit beter te begrijpen, moet men weten dat het astrale licht de bewaarplaats is van alles wat er ooit op aarde heeft geleefd, leeft, of zal leven. We zwemmen erin, bij wijze van spreken; het spoelt aanhoudend door onze hersenen, en door elke molecule van ons lichaam. Elke gedachte die door het brein van de mens gaat: goed, slecht of onverschillig, de verbeelding van een krankzinnige, de spirituele visie van de ziener, zelfs de gedachte van iedere god – alle komen via het astrale licht. Want het astrale licht is een beeldengalerij waarin onze geest steeds ronddwaalt, die, wanneer door verwantschap contact is gemaakt, zo’n astrale optekening of beeld naar het brein overbrengt; en bovendien ontvangt ieder van die astrale beelden of ‘visioenen’ de toegevoegde energische impulsen of karakteristieke indrukken die daarop zijn gemaakt door het brein waar deze beelden doorheen gaan. Maar dit is niet alles. Elk beeld gaat weer terug naar het astrale licht met zijn eraan toegevoegde indruk of verfraaiing die erop is afgedrukt door het brein waar het doorheen is gegaan, en dan neemt een ander menselijk brein het onmiddellijk op, of misschien na honderd jaar of meer, en dat nieuwe brein verandert het of geeft het een nieuwe psychische impuls, en zo oneindig door.

Het astrale licht tekent op die manier in zijn hogere delen de edelste gedachten en emoties en impulsen op die de mensheid als individuen heeft gehad; terwijl de lagere rijken van het astrale licht die halfstoffelijk zijn de bijzondere beeldengalerij zijn of de bewaarplaats van al de lage en weerzinwekkende emoties, beelden, hartstochten en impulsen, waarmee lage en ontaarde mensen deze hebben gevuld. Boosaardige mannen en vrouwen zullen aldus beelden uit het astrale licht krijgen, en door ze opnieuw daarop af te drukken, maken ze die wat slechter of kwalijker. Dan vloeien ze weer uit dat brein en treffen een andere gevoelige geest, en zo verder door de tijd.

Het brein van een mens zou nooit een gedachte kunnen denken, nooit zich iets kunnen voorstellen, noch zou het gemoed door zijn emoties, hetzij hartstochtelijk of anderszins, tot slaaf kunnen worden gemaakt, wanneer niet al deze dingen reeds in het astrale licht bestonden en eraan waren onttrokken – alleen om er weer in te worden teruggebracht. Men moet echter niet vergeten dat het astrale licht bovendien het gebied is dat tussen de fysieke wereld en de onzichtbare spirituele werelden ligt, en daarom in zekere zin een verbindingskanaal is. Ook spirituele gedachten en emoties schieten dus door het astrale licht en slaan geen acht op wat niet aan hen gelijk is; want alles – goed, slecht of onverschillig – moet door het astrale licht heen gaan voor het het brein van een mens bereikt.

Ieder medium ziet in meerdere of mindere mate in het astrale licht; en elke moordenaar is in zijn daad op dat ogenblik onderworpen aan zijn lagere en kwade diepten. Het kubisme en futurisme van de moderne kunst, of de afbeeldingen met hun dierenkoppen gegraveerd op de graven en tempels van het oude Egypte, zelfs de symbolische kunst van de Chinezen, komen alle uit dezelfde kosmische beeldengalerij. Al deze voorbeelden brengen symbolische ideeën tot uitdrukking, weloverwogen pogingen om waarheden weer te geven. Op zichzelf zijn ze scheppende gedachten, maar ze worden met astrale karakteristieke eigenschappen bekleed omdat ze door de gebieden van het astrale licht gaan om het brein van de mens te bereiken, en dan worden ze nog verder gewijzigd. Dus is interpretatie een belangrijke factor om in gedachte te houden. Een aantal mensen kan hetzelfde identieke beeld in de astrale beeldengalerij zien, maar ieder interpreteert het mentaal en emotioneel verschillend, elk volgens zijn eigen aard.

Hierin ligt een van de belangrijkste oorzaken van de altijd aanwezige onbetrouwbaarheid in wat halfmystici en halfzieners of helderzienden vaak omschrijven als ‘visioenen van waarheid’. Ze kunnen alleen die beelden uit het astrale licht naar het fysieke gebied brengen die ze toevallig ‘zien’ en dan alleen door middel van hun eigen respectieve verbeeldingen. Het grote gevaar ligt in het ten onrechte toeschrijven van spirituele waarheid aan hun astrale visioenen, en daardoor leggen ze verkeerde verbanden en geven dus verkeerde interpretaties. Daarom is hier geen sprake van een werkelijk geestelijk zienerschap; omdat de ware ziener de gevaren en vertekeningen van het astrale licht door en door kent, en zijn doordringende blik op de gebieden van de geest richt waar hij waarheden direct kan zien en ze kan overbrengen naar het wachtende brein. De spirituele adept kan echter in zijn bewustzijn volkomen veilig door elke kamer van de astrale beeldengalerij gaan, en met een zo helder inzicht dat hij precies weet wat hij ziet of voelt, en daarom loopt hij geen gevaar zichzelf te bedriegen, of te worden misleid door de maya van dit bedrieglijkste van alle gebieden van de natuur. Anderzijds verbeeldt iemand die alleen maar helderziende is zich, vaak oprecht, dat wat hij ‘ziet’ de werkingen zijn van de ‘geestelijke wereld’, terwijl het enige wat hij werkelijk ervaart een ronddwalen is van zijn veranderlijke en ongetrainde psychomentale gestel door de verschrikkelijk bedrieglijke en illusoire beeldengalerijen van het astrale licht.

Wat gewone mensen betreft zou men kunnen zeggen dat ze onbewust door het astrale licht worden beïnvloed, dat in een onophoudelijke stroom hun denken en hun emotioneel gestel doorvloeit. Bijvoorbeeld, een mens die met opzet een leugen vertelt, doet dat omdat hij op dat ogenblik onderworpen is aan een verkeerde astrale stroom. Dit betekent niet dat hij geen morele natuur heeft, want dat is absurd; er wordt mee bedoeld dat de morele natuur bezwijkt voor een verleiding, terwijl ze krachtig zou moeten reageren op het kwaad en dit afwerpen, en zo opstijgen naar hogere innerlijke gebieden. De mens die gewoonlijk slaafs aan zijn gedachten en gevoelens toegeeft, is eenvoudig iemand die zijn morele instincten en vermogens niet heeft versterkt, en daarom is hij een zwakkeling, min of meer onderworpen aan zulke verkeerde astrale stromen die misschien op een of ander moment door zijn denken vloeien. Men ziet dus hoe noodzakelijk het is om het morele gevoel te versterken, erop te steunen in het leven als op een reddende gids; want de man of de vrouw die op die manier leeft kan evenmin door de slechte emanaties uit het astrale licht worden beïnvloed als dat de rotsen aan de kust zelfs door winterstormen kunnen worden bewogen.

Het sterke maar slechte denkvermogen zal de astrale beelden versterken, de kleuren dikker aanzetten, om zo te zeggen; en zo aan het hele beeld een meer verkeerde en nog slechtere richting geven; en andere zwakke geesten die later in contact komen met deze astrale stroom herhalen dan wat ze zien, en voegen mogelijk eigen verwrongen gedachten eraan toe; en zo draagt de hele, boze aaneenschakeling van oorzaak en gevolg bij tot de last van de karmische ongerechtigheid waaronder de aarde gebukt gaat.

De lagere rijken van het astrale licht zijn daarom het gebied dat al de laagste emanaties van de aarde opneemt en optekent, waaronder die bijzondere soorten onheil waarvan de mensheid de onmiddellijke oorzaak is. Deze lagere astrale regionen zijn daarom de woonplaats van de ‘spoken’ of ‘geesten’ van gestorven mensen die na de dood van het fysieke lichaam uit deze lagere gebieden zijn opgestegen, maar daarin toch hun kamarupa’s – de ‘schaduwen’ van de Ouden – hebben achtergelaten.

Deze kamarupische schaduwen van de astrale wereld zijn altijd om ons heen. We ademen ze in, of drijven ze terug, al naar het geval; we gaan erdoorheen of zij gaan door ons heen met iedere beweging die op een van die gebieden wordt gemaakt. Deze gebieden zijn een omgevende etherische of astrale atmosfeer, zoals de lucht rondom de aarde; deze kamarupische of astrale schaduwen dwalen altijd rond in de lagere sferen van het astrale licht, hierheen en daarheen aangetrokken; en met uitzondering van de elementaren zijn ze alleen maar astrale schillen die als ze worden alleen gelaten en niet worden aangetrokken door psychische bemoeienis-sen van mensen, min of meer snel zich ontbinden in hun samenstellende astrale levensatomen, en even onaangenaam zijn als een zich ontbindend menselijk lijk. Aan zichzelf overgelaten hebben ze niet de macht enig belichaamd mens kwaad te doen, behalve dat, als ze door verwantschap tot een mens worden aangetrokken, ze feitelijk kunnen worden opgezogen in het astrale lichaam van die mens en dus automatisch prikkels worden voor de bijzondere ondeugd of immorele daad waaraan de genoemde mens zich misschien heeft overgegeven. Op zichzelf zijn deze kamarupa’s eenvoudig in verval verkerende astrale lijken, die tijdelijk, tot hun ontbinding komt, door elementalen – natuurkrachten – worden bijeengehouden. Men moet opklimmen naar een volledig kosmisch gebied hoger om belichaamde wezens te ontmoeten met wilskracht en bewustzijn die lijken op die van de mens die op aarde is belichaamd; en de tussensferen van het astrale licht zijn eenvoudig de overgangs-subgebieden tussen ons en dit hogere kosmische gebied, waarbij het astrale licht zelf is verdeeld in gebieden en deze weer in subgebieden.

De enige normale uitzondering zijn de elementaren, de ontlichaamde astrale zielen van verdorven mensen, die door levens van opzettelijk kwaad hun schakel met de spirituele monade hebben verbroken, en zo hun kans op een voortgezet bestaan hebben verloren. Ze zijn vol kwade hartstochten en impulsen, en vormen een duidelijke bedreiging voor alle mensen die zich niet door levens van reinheid en geestelijke aspiratie hebben bekleed met een akasische sluier die geen elementaar ooit kan doordringen.

Aan de andere kant zijn de hoogste regionen van het astrale licht zuiver akasa, of geestelijke substantie. In feite zijn de akasische optekeningen de voorbeelden voor alle lagere rijken van de astrale wereld. De lagere rijken zijn als een astrale oceaan van wervelende stromen die geen bestendigheid bezitten. Vandaar dat mediums, sensitieven en andere helderzienden die allen min of meer onderworpen zijn aan de invloeden en stromen die uit het astrale licht vloeien, als blinden zijn in de diepten van de astrale oceaan waarin de zonnestralen maar zwak doordringen; terwijl normale en vastberaden mensen bijna automatisch geen acht slaan op deze astrale emanaties en min of meer leven in het betrekkelijke zonlicht van de tussenliggende gebieden, zoals de goden of dhyani-chohans hun bewustzijn hebben geplaatst in het akasa.

. . .

De mahatma’s kunnen, als ze dat willen, in het astrale licht functioneren, maar hun bewustzijn verkeert in de akasische gebieden van de astrale wereld, in de hogere regionen van de aether, wat hetzelfde is als te zeggen in de oorzakelijke regionen van de innerlijke werelden – tenzij ze hun bewustzijn opzettelijk op de lagere gebieden richten. Alleen de edelste en evenwichtigste geesten kunnen hun scherpzinnige bewustzijn richten op de bedrieglijke golven van de astrale wereld, en daarin een volkomen intellectueel en spiritueel evenwicht, en beheersing en discipline over zichzelf bewaren. De mahatma kan de waarheden van het universum in de akasische regionen van het astrale licht voor zich zien of, nauwkeuriger, in de sfeer en op het gebied van de anima mundi waarop hij zijn bewustzijn besluit te richten; en bij de zeldzame gelegenheden wanneer hij zijn bewustzijn richt op de lagere rijken van het astrale licht, kent hij, omdat hij ontzaglijk wilskrachtig en goed getraind is, alle bedrieglijke illusies daarin, en daardoor kan hij aan alles wat hij ziet de juiste interpretatie geven. Hoe hoger ontwikkeld een ziener is, des te verder kan hij in de toekomst zien, en des te dieper kan hij doordringen in de werkelijkheden van de onzichtbare werelden. Zo is hij in staat, tenminste tot op zekere hoogte, de toekomst te voorspellen.

Het gebeurt maar zelden dat een helderziende op grond van zijn uiterst reine leven en spirituele instincten in staat is in verbinding te komen met de akasische gebieden van de geest; maar zelfs in deze gevallen moeten hun beste ervaringen, omdat zij bijna zonder uitzondering niet door inwijding zijn geoefend, als verdacht worden beschouwd en streng worden getoetst aan de leringen van de grote wijzen en zieners. Zo’n onervaren mysticus kan inderdaad op zeldzame momenten min of meer verwrongen visioenen van geestelijke werkelijkheden hebben, maar hij begrijpt ze niet, en kan ze daardoor niet op de juiste manier interpreteren.

Hoe hoger het medium of de helderziende is in mentale en spirituele kracht, des te standvastiger is zijn karakter en des te meer zijn zijn ‘visioenen’ overeenkomstig de waarheid, hoewel deze altijd verward zijn en daardoor in gelijke mate verkeerd worden begrepen. Zulke hogere mediums of helderzienden zijn geen opzettelijke bedriegers; maar juist het feit dat ze soms min of meer juist lezen wat ze in het astrale licht zien vormt op zichzelf een gevaar, omdat niet alleen zij maar ook anderen dit ‘nu en dan stuiten op de waarheid’ zullen beschouwen als een bewijs van echt en volmaakt zienerschap; als deze af en toe voorkomende werkelijke visioenen juist blijken te zijn, zullen ze deze voorbeelden gebruiken ter ondersteuning van alle andere ‘visioenen’ die ze misschien hebben.

De werkelijke zieners, de grote leraren van de mensheid, zijn betrekkelijk onfeilbare gidsen omdat ze op twee manieren in de diepste geheimen van de geest en de stof zijn doorgedrongen, en daarna hun kennis voor het welzijn van de mensheid hebben vastgelegd. De eerste manier is door de onuitwisbare optekeningen van het astrale licht te onderzoeken, die in beelden de beschrijving bevatten van de hele evolutie vanaf de vroegste tijden; en de tweede manier is door inwijding, in de hoogste waarvan men van aangezicht tot aangezicht komt te staan met zijn eigen innerlijke god, de dualiteit erkent die samensmelt tot zelfbewuste eenheid of identiteit, en daarna, in overeenstemming met de graad van de ontwaakte talenten van de meester zelf, een betrekkelijk volmaakte uitdrukking wordt van de god in zich.

. . .

Is er dan geen middel om te herkennen wie zieners en wie helderzienden zijn? Ja, dat is er; in feite is er één toets die onfeilbaar is als men wijs genoeg is om die toe te passen. Onderwijst de vernieuwer een universeel stelsel, dat wil zeggen, is het nieuwe stelsel er een dat niet alleen vroegere religieuze en filosofische stelsels in zich bevat, maar ook nieuw licht erop werpt en ze toelicht zonder tegenstrijdigheden? Zo niet, dan kan men aannemen dat hij slechts een helderziende is, een astrale ziener, oprecht of een bedrieger al naar het geval, en zijn leringen zijn niets meer dan persoonlijke inzichten die ver afwijken van de eeuwige waarheden van het heelal. Dit moet men ook ernstig in gedachten houden wanneer men de vroegere geschiedenis van het religieuze en filosofische denken onderzoekt. Kortom, het is de proef van universaliteit, en is dus een geestelijke toets, de beste toets waardoor men de grote wijze kan onderscheiden van alleen maar de psychische helderziende.

Bovendien is het oprechte menselijke hart zelf een toetssteen, hoewel men deze niet zo gemakkelijk kan gebruiken; en de manier waarop men de werkelijke leraar kan herkennen, is door de echte en ware kwaliteiten in jezelf aan te kweken. Deze worden dan toetsstenen die iemand in staat stellen door overeenkomst van trilling aan te ‘voelen’ wat andere mensen zijn. Het vermogen om te herkennen en te weten ligt geheel in de mens zelf, en het gaat er eenvoudig om zichzelf op de meest natuurlijke wijze te oefenen. Hij waagt niets, en hij wint het heelal, omdat hij zijn eigen geestelijke zelf wint, dat het ‘hart’ van zijn wezen is. Als hij erin slaagt tot dit ‘hart’ van hemzelf te komen, kan niemand hem ooit bedriegen; en onfeilbaar zal hij, als de tijd daarvoor aanbreekt, zijn leraar kennen.

Een andere toets, maar minder krachtig dan die van universaliteit, is die van innerlijke deugd. Deugd in de Latijnse betekenis van ‘heldenmoed’, virtus, en met het onderscheid dat de Ouden maakten als zij over ‘deugd’ spraken in tegenstelling tot alleen de conventionele ethiek of moraliteit, betekent ware geestelijke heldenmoed, en is een onderscheidend kenmerk van een ware leraar. Die deugd is niet iets sentimenteels, maar ze is een verzameling spirituele en intellectuele en ook psychische kwaliteiten en vermogens die een mens werkelijk tot mens maken, en omvat sterkte van karakter, ontembare wil, doordringend intellect en geestelijke intuïtie – voorbeelden van het goddelijke vuur dat in hem brandt en uit zijn ‘hart’ vloeit. Als iemand die leringen verkondigt dus deze eigenschappen heeft en tegelijkertijd de eeuwenoude fundamentele leringen onderwijst die in alle tijden overal op aarde worden gevonden, dan kan hij met grote waarschijnlijkheid worden erkend als iemand die men kan vertrouwen.

Laat de honger naar waarheid, een honger die niet kan worden gestild door iets dat niet echt is, altijd in je hart leven. Deze honger kan een mens van het ene denksysteem naar het andere brengen, maar de honger zal er steeds zijn en tenslotte zal hij hem bij een echte leraar brengen. Sursum corda: ‘Verhef uw hart!’ Wees niet blijvend tevreden met iets dat onder de zon is – met iets dat minder is dan de zon. En wanneer je de luister van de zon bereikt, ga zelfs dan nog verder! Laat de geestelijke honger naar waarheid en licht altijd in je hart leven, want hij is de stem van de innerlijke god binnenin u die zichzelf zoekt.

    – ingekort uit De Esoterische Traditie, blz. 575-95

 
Andere artikelen over leraren en wijzen
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency