Wat maakt een mens tot een wijze of ziener? Een wijze en ziener wordt
men door de vervolmaking en veredeling van de innerlijke lagen die het
essentiële zelf omhullen. Wanneer deze omhulsels door aspiratie,
inwijdingsoefening en ook door de grote rijkdom aan ervaring vergaard
in vele voorafgaande levens op aarde, zo zijn verfijnd dat ze doorschijnend
worden voor de straling van de innerlijke god, dan wordt het breinverstand
bijna direct door het stralende licht getroffen, en de mens wordt vervuld
van spirituele wijsheid, en kan daarom in feite niet alleen een wijze
worden genoemd om zijn wijsheid, maar ook een ziener op grond van zijn
inzicht. Dat was het geval bij alle werkelijk grote geestelijke leraren
van de mensheid.
In scherpe tegenstelling tot de ware spirituele zieners, verschijnen
er van tijd tot tijd in de religieuze geschiedenis van de wereld individuen
met een min of meer afwijkend karakter die als ‘helderzienden’
kunnen worden aangeduid. Deze helderzienden hebben bijna onveranderlijk
een enigszins fanatiek temperament, en ze verkondigen met meer of minder
succes verschillende soorten leringen die, zoals altijd schijnt te worden
beweerd, zijn gebaseerd op de leringen van een reeds gevestigde grote
religie. Ze hebben veel succes met het jammerlijk verkeerd uitleggen
van wat volgens hen gewoonlijk een ‘openbaring’ is van de
betekenis van de leringen die ze aannemen, of een ‘openbaring’
waarvan wordt beweerd dat ze van een spiritueler karakter is dan de
al bestaande lering, omdat ze tot een later tijdperk behoort.
Deze vernieuwers die niet altijd bedriegers zijn, omdat ze vaak werkelijk
door zichzelf zijn misleid, beweren gewoonlijk met religieuze autoriteit
te spreken, in zeldzamer gevallen beweert men dat de inspiratie van
God kwam, of van een ‘engelachtige’ hoogwaardigheidsbekleder.
Ze zien inderdaad ‘visioenen’, maar met weinig kans zich
te vergissen kan men zeggen dat de visioenen die zij zien vals zijn;
en zelfs wanneer deze helderzienden oprecht zijn, zijn hun ‘visioenen’
de beelden in hun geest, die weerspiegelingen zijn van astrale foto’s
in het astrale licht. Een groot aantal mensen is vaak op een dwaalspoor
gebracht door het soort helderzienden die, gedreven door hun verbeelding
– die van de hak op de tak springt, afdwaalt, zonder leiding is
– en hun ongeschoolde intellect, alleen uitdrukking kunnen geven
aan ideeën die voor de mensen spiritueel en intellectueel zelden
van nut zijn.
Om dit beter te begrijpen, moet men weten dat het astrale licht de
bewaarplaats is van alles wat er ooit op aarde heeft geleefd, leeft,
of zal leven. We zwemmen erin, bij wijze van spreken; het spoelt aanhoudend
door onze hersenen, en door elke molecule van ons lichaam. Elke gedachte
die door het brein van de mens gaat: goed, slecht of onverschillig,
de verbeelding van een krankzinnige, de spirituele visie van de ziener,
zelfs de gedachte van iedere god – alle komen via het astrale
licht. Want het astrale licht is een beeldengalerij waarin onze geest
steeds ronddwaalt, die, wanneer door verwantschap contact is gemaakt,
zo’n astrale optekening of beeld naar het brein overbrengt; en
bovendien ontvangt ieder van die astrale beelden of ‘visioenen’
de toegevoegde energische impulsen of karakteristieke indrukken die
daarop zijn gemaakt door het brein waar deze beelden doorheen gaan.
Maar dit is niet alles. Elk beeld gaat weer terug naar het astrale licht
met zijn eraan toegevoegde indruk of verfraaiing die erop is afgedrukt
door het brein waar het doorheen is gegaan, en dan neemt een ander menselijk
brein het onmiddellijk op, of misschien na honderd jaar of meer, en
dat nieuwe brein verandert het of geeft het een nieuwe psychische impuls,
en zo oneindig door.
Het astrale licht tekent op die manier in zijn hogere delen de edelste
gedachten en emoties en impulsen op die de mensheid als individuen heeft
gehad; terwijl de lagere rijken van het astrale licht die halfstoffelijk
zijn de bijzondere beeldengalerij zijn of de bewaarplaats van al de
lage en weerzinwekkende emoties, beelden, hartstochten en impulsen,
waarmee lage en ontaarde mensen deze hebben gevuld. Boosaardige mannen
en vrouwen zullen aldus beelden uit het astrale licht krijgen, en door
ze opnieuw daarop af te drukken, maken ze die wat slechter of kwalijker.
Dan vloeien ze weer uit dat brein en treffen een andere gevoelige geest,
en zo verder door de tijd.
Het brein van een mens zou nooit een gedachte kunnen denken, nooit
zich iets kunnen voorstellen, noch zou het gemoed door zijn emoties,
hetzij hartstochtelijk of anderszins, tot slaaf kunnen worden gemaakt,
wanneer niet al deze dingen reeds in het astrale licht bestonden en
eraan waren onttrokken – alleen om er weer in te worden teruggebracht.
Men moet echter niet vergeten dat het astrale licht bovendien het gebied
is dat tussen de fysieke wereld en de onzichtbare spirituele werelden
ligt, en daarom in zekere zin een verbindingskanaal is. Ook spirituele
gedachten en emoties schieten dus door het astrale licht en slaan geen
acht op wat niet aan hen gelijk is; want alles – goed, slecht
of onverschillig – moet door het astrale licht heen gaan voor
het het brein van een mens bereikt.
Ieder medium ziet in meerdere of mindere mate in het astrale licht;
en elke moordenaar is in zijn daad op dat ogenblik onderworpen aan zijn
lagere en kwade diepten. Het kubisme en futurisme van de moderne kunst,
of de afbeeldingen met hun dierenkoppen gegraveerd op de graven en tempels
van het oude Egypte, zelfs de symbolische kunst van de Chinezen, komen
alle uit dezelfde kosmische beeldengalerij. Al deze voorbeelden brengen
symbolische ideeën tot uitdrukking, weloverwogen pogingen om waarheden
weer te geven. Op zichzelf zijn ze scheppende gedachten, maar ze worden
met astrale karakteristieke eigenschappen bekleed omdat ze door de gebieden
van het astrale licht gaan om het brein van de mens te bereiken, en
dan worden ze nog verder gewijzigd. Dus is interpretatie een
belangrijke factor om in gedachte te houden. Een aantal mensen kan hetzelfde
identieke beeld in de astrale beeldengalerij zien, maar ieder interpreteert
het mentaal en emotioneel verschillend, elk volgens zijn eigen aard.
Hierin ligt een van de belangrijkste oorzaken van de altijd aanwezige
onbetrouwbaarheid in wat halfmystici en halfzieners of helderzienden
vaak omschrijven als ‘visioenen van waarheid’. Ze kunnen
alleen die beelden uit het astrale licht naar het fysieke gebied brengen
die ze toevallig ‘zien’ en dan alleen door middel van hun
eigen respectieve verbeeldingen. Het grote gevaar ligt in het ten onrechte
toeschrijven van spirituele waarheid aan hun astrale visioenen, en daardoor
leggen ze verkeerde verbanden en geven dus verkeerde interpretaties.
Daarom is hier geen sprake van een werkelijk geestelijk zienerschap;
omdat de ware ziener de gevaren en vertekeningen van het astrale licht
door en door kent, en zijn doordringende blik op de gebieden van de
geest richt waar hij waarheden direct kan zien en ze kan overbrengen
naar het wachtende brein. De spirituele adept kan echter in zijn bewustzijn
volkomen veilig door elke kamer van de astrale beeldengalerij gaan,
en met een zo helder inzicht dat hij precies weet wat hij ziet of voelt,
en daarom loopt hij geen gevaar zichzelf te bedriegen, of te worden
misleid door de maya van dit bedrieglijkste van alle gebieden van de
natuur. Anderzijds verbeeldt iemand die alleen maar helderziende is
zich, vaak oprecht, dat wat hij ‘ziet’ de werkingen zijn
van de ‘geestelijke wereld’, terwijl het enige wat hij werkelijk
ervaart een ronddwalen is van zijn veranderlijke en ongetrainde psychomentale
gestel door de verschrikkelijk bedrieglijke en illusoire beeldengalerijen
van het astrale licht.
Wat gewone mensen betreft zou men kunnen zeggen dat ze onbewust door
het astrale licht worden beïnvloed, dat in een onophoudelijke stroom
hun denken en hun emotioneel gestel doorvloeit. Bijvoorbeeld, een mens
die met opzet een leugen vertelt, doet dat omdat hij op dat ogenblik
onderworpen is aan een verkeerde astrale stroom. Dit betekent niet dat
hij geen morele natuur heeft, want dat is absurd; er wordt mee bedoeld
dat de morele natuur bezwijkt voor een verleiding, terwijl ze krachtig
zou moeten reageren op het kwaad en dit afwerpen, en zo opstijgen naar
hogere innerlijke gebieden. De mens die gewoonlijk slaafs aan zijn gedachten
en gevoelens toegeeft, is eenvoudig iemand die zijn morele instincten
en vermogens niet heeft versterkt, en daarom is hij een zwakkeling,
min of meer onderworpen aan zulke verkeerde astrale stromen die misschien
op een of ander moment door zijn denken vloeien. Men ziet dus hoe noodzakelijk
het is om het morele gevoel te versterken, erop te steunen in het leven
als op een reddende gids; want de man of de vrouw die op die manier
leeft kan evenmin door de slechte emanaties uit het astrale licht worden
beïnvloed als dat de rotsen aan de kust zelfs door winterstormen
kunnen worden bewogen.
Het sterke maar slechte denkvermogen zal de astrale beelden versterken,
de kleuren dikker aanzetten, om zo te zeggen; en zo aan het hele beeld
een meer verkeerde en nog slechtere richting geven; en andere zwakke
geesten die later in contact komen met deze astrale stroom herhalen
dan wat ze zien, en voegen mogelijk eigen verwrongen gedachten eraan
toe; en zo draagt de hele, boze aaneenschakeling van oorzaak en gevolg
bij tot de last van de karmische ongerechtigheid waaronder de aarde
gebukt gaat.
De lagere rijken van het astrale licht zijn daarom het gebied dat al
de laagste emanaties van de aarde opneemt en optekent, waaronder die
bijzondere soorten onheil waarvan de mensheid de onmiddellijke oorzaak
is. Deze lagere astrale regionen zijn daarom de woonplaats van de ‘spoken’
of ‘geesten’ van gestorven mensen die na de dood van het
fysieke lichaam uit deze lagere gebieden zijn opgestegen, maar daarin
toch hun kamarupa’s – de ‘schaduwen’ van de
Ouden – hebben achtergelaten.
Deze kamarupische schaduwen van de astrale wereld zijn altijd om ons
heen. We ademen ze in, of drijven ze terug, al naar het geval; we gaan
erdoorheen of zij gaan door ons heen met iedere beweging die op een
van die gebieden wordt gemaakt. Deze gebieden zijn een omgevende etherische
of astrale atmosfeer, zoals de lucht rondom de aarde; deze kamarupische
of astrale schaduwen dwalen altijd rond in de lagere sferen van het
astrale licht, hierheen en daarheen aangetrokken; en met uitzondering
van de elementaren zijn ze alleen maar astrale schillen die als ze worden
alleen gelaten en niet worden aangetrokken door psychische bemoeienis-sen
van mensen, min of meer snel zich ontbinden in hun samenstellende astrale
levensatomen, en even onaangenaam zijn als een zich ontbindend menselijk
lijk. Aan zichzelf overgelaten hebben ze niet de macht enig belichaamd
mens kwaad te doen, behalve dat, als ze door verwantschap tot een mens
worden aangetrokken, ze feitelijk kunnen worden opgezogen in het astrale
lichaam van die mens en dus automatisch prikkels worden voor de bijzondere
ondeugd of immorele daad waaraan de genoemde mens zich misschien heeft
overgegeven. Op zichzelf zijn deze kamarupa’s eenvoudig in verval
verkerende astrale lijken, die tijdelijk, tot hun ontbinding komt, door
elementalen – natuurkrachten – worden bijeengehouden. Men
moet opklimmen naar een volledig kosmisch gebied hoger om belichaamde
wezens te ontmoeten met wilskracht en bewustzijn die lijken op die van
de mens die op aarde is belichaamd; en de tussensferen van het astrale
licht zijn eenvoudig de overgangs-subgebieden tussen ons en dit hogere
kosmische gebied, waarbij het astrale licht zelf is verdeeld in gebieden
en deze weer in subgebieden.
De enige normale uitzondering zijn de elementaren, de ontlichaamde
astrale zielen van verdorven mensen, die door levens van opzettelijk
kwaad hun schakel met de spirituele monade hebben verbroken, en zo hun
kans op een voortgezet bestaan hebben verloren. Ze zijn vol kwade hartstochten
en impulsen, en vormen een duidelijke bedreiging voor alle mensen die
zich niet door levens van reinheid en geestelijke aspiratie hebben bekleed
met een akasische sluier die geen elementaar ooit kan doordringen.
Aan de andere kant zijn de hoogste regionen van het astrale licht zuiver
akasa, of geestelijke substantie. In feite zijn de akasische optekeningen
de voorbeelden voor alle lagere rijken van de astrale wereld. De lagere
rijken zijn als een astrale oceaan van wervelende stromen die geen bestendigheid
bezitten. Vandaar dat mediums, sensitieven en andere helderzienden die
allen min of meer onderworpen zijn aan de invloeden en stromen die uit
het astrale licht vloeien, als blinden zijn in de diepten van de astrale
oceaan waarin de zonnestralen maar zwak doordringen; terwijl normale
en vastberaden mensen bijna automatisch geen acht slaan op deze astrale
emanaties en min of meer leven in het betrekkelijke zonlicht van de
tussenliggende gebieden, zoals de goden of dhyani-chohans hun bewustzijn
hebben geplaatst in het akasa.
. . .
De mahatma’s kunnen, als ze dat willen, in het astrale licht
functioneren, maar hun bewustzijn verkeert in de akasische gebieden
van de astrale wereld, in de hogere regionen van de aether, wat hetzelfde
is als te zeggen in de oorzakelijke regionen van de innerlijke werelden
– tenzij ze hun bewustzijn opzettelijk op de lagere gebieden richten.
Alleen de edelste en evenwichtigste geesten kunnen hun scherpzinnige
bewustzijn richten op de bedrieglijke golven van de astrale wereld,
en daarin een volkomen intellectueel en spiritueel evenwicht, en beheersing
en discipline over zichzelf bewaren. De mahatma kan de waarheden van
het universum in de akasische regionen van het astrale licht voor zich
zien of, nauwkeuriger, in de sfeer en op het gebied van de anima mundi
waarop hij zijn bewustzijn besluit te richten; en bij de zeldzame gelegenheden
wanneer hij zijn bewustzijn richt op de lagere rijken van het astrale
licht, kent hij, omdat hij ontzaglijk wilskrachtig en goed getraind
is, alle bedrieglijke illusies daarin, en daardoor kan hij aan alles
wat hij ziet de juiste interpretatie geven. Hoe hoger ontwikkeld een
ziener is, des te verder kan hij in de toekomst zien, en des te dieper
kan hij doordringen in de werkelijkheden van de onzichtbare werelden.
Zo is hij in staat, tenminste tot op zekere hoogte, de toekomst te voorspellen.
Het gebeurt maar zelden dat een helderziende op grond van zijn uiterst
reine leven en spirituele instincten in staat is in verbinding te komen
met de akasische gebieden van de geest; maar zelfs in deze gevallen
moeten hun beste ervaringen, omdat zij bijna zonder uitzondering niet
door inwijding zijn geoefend, als verdacht worden beschouwd en streng
worden getoetst aan de leringen van de grote wijzen en zieners. Zo’n
onervaren mysticus kan inderdaad op zeldzame momenten min of meer verwrongen
visioenen van geestelijke werkelijkheden hebben, maar hij begrijpt ze
niet, en kan ze daardoor niet op de juiste manier interpreteren.
Hoe hoger het medium of de helderziende is in mentale en spirituele
kracht, des te standvastiger is zijn karakter en des te meer zijn zijn
‘visioenen’ overeenkomstig de waarheid, hoewel deze altijd
verward zijn en daardoor in gelijke mate verkeerd worden begrepen. Zulke
hogere mediums of helderzienden zijn geen opzettelijke bedriegers; maar
juist het feit dat ze soms min of meer juist lezen wat ze in het astrale
licht zien vormt op zichzelf een gevaar, omdat niet alleen zij maar
ook anderen dit ‘nu en dan stuiten op de waarheid’ zullen
beschouwen als een bewijs van echt en volmaakt zienerschap; als deze
af en toe voorkomende werkelijke visioenen juist blijken te zijn, zullen
ze deze voorbeelden gebruiken ter ondersteuning van alle andere ‘visioenen’
die ze misschien hebben.
De werkelijke zieners, de grote leraren van de mensheid, zijn betrekkelijk
onfeilbare gidsen omdat ze op twee manieren in de diepste geheimen van
de geest en de stof zijn doorgedrongen, en daarna hun kennis voor het
welzijn van de mensheid hebben vastgelegd. De eerste manier is door
de onuitwisbare optekeningen van het astrale licht te onderzoeken, die
in beelden de beschrijving bevatten van de hele evolutie vanaf de vroegste
tijden; en de tweede manier is door inwijding, in de hoogste waarvan
men van aangezicht tot aangezicht komt te staan met zijn eigen innerlijke
god, de dualiteit erkent die samensmelt tot zelfbewuste eenheid of identiteit,
en daarna, in overeenstemming met de graad van de ontwaakte talenten
van de meester zelf, een betrekkelijk volmaakte uitdrukking wordt van
de god in zich.
. . .
Is er dan geen middel om te herkennen wie zieners en wie helderzienden
zijn? Ja, dat is er; in feite is er één toets die onfeilbaar
is als men wijs genoeg is om die toe te passen. Onderwijst de vernieuwer
een universeel stelsel, dat wil zeggen, is het nieuwe stelsel er een
dat niet alleen vroegere religieuze en filosofische stelsels in zich
bevat, maar ook nieuw licht erop werpt en ze toelicht zonder tegenstrijdigheden?
Zo niet, dan kan men aannemen dat hij slechts een helderziende is, een
astrale ziener, oprecht of een bedrieger al naar het geval, en zijn
leringen zijn niets meer dan persoonlijke inzichten die ver afwijken
van de eeuwige waarheden van het heelal. Dit moet men ook ernstig in
gedachten houden wanneer men de vroegere geschiedenis van het religieuze
en filosofische denken onderzoekt. Kortom, het is de proef van universaliteit,
en is dus een geestelijke toets, de beste toets waardoor men de grote
wijze kan onderscheiden van alleen maar de psychische helderziende.
Bovendien is het oprechte menselijke hart zelf een toetssteen, hoewel
men deze niet zo gemakkelijk kan gebruiken; en de manier waarop men
de werkelijke leraar kan herkennen, is door de echte en ware kwaliteiten
in jezelf aan te kweken. Deze worden dan toetsstenen die iemand in staat
stellen door overeenkomst van trilling aan te ‘voelen’ wat
andere mensen zijn. Het vermogen om te herkennen en te weten ligt geheel
in de mens zelf, en het gaat er eenvoudig om zichzelf op de meest natuurlijke
wijze te oefenen. Hij waagt niets, en hij wint het heelal, omdat hij
zijn eigen geestelijke zelf wint, dat het ‘hart’ van zijn
wezen is. Als hij erin slaagt tot dit ‘hart’ van hemzelf
te komen, kan niemand hem ooit bedriegen; en onfeilbaar zal hij, als
de tijd daarvoor aanbreekt, zijn leraar kennen.
Een andere toets, maar minder krachtig dan die van universaliteit,
is die van innerlijke deugd. Deugd in de Latijnse betekenis van ‘heldenmoed’,
virtus, en met het onderscheid dat de Ouden maakten als zij
over ‘deugd’ spraken in tegenstelling tot alleen de conventionele
ethiek of moraliteit, betekent ware geestelijke heldenmoed, en is een
onderscheidend kenmerk van een ware leraar. Die deugd is niet iets sentimenteels,
maar ze is een verzameling spirituele en intellectuele en ook psychische
kwaliteiten en vermogens die een mens werkelijk tot mens maken, en omvat
sterkte van karakter, ontembare wil, doordringend intellect en geestelijke
intuïtie – voorbeelden van het goddelijke vuur dat in hem
brandt en uit zijn ‘hart’ vloeit. Als iemand die leringen
verkondigt dus deze eigenschappen heeft en tegelijkertijd de eeuwenoude
fundamentele leringen onderwijst die in alle tijden overal op aarde
worden gevonden, dan kan hij met grote waarschijnlijkheid worden erkend
als iemand die men kan vertrouwen.
Laat de honger naar waarheid, een honger die niet kan worden gestild
door iets dat niet echt is, altijd in je hart leven. Deze honger kan
een mens van het ene denksysteem naar het andere brengen, maar de honger
zal er steeds zijn en tenslotte zal hij hem bij een echte leraar brengen.
Sursum corda: ‘Verhef uw hart!’ Wees niet blijvend
tevreden met iets dat onder de zon is – met iets dat
minder is dan de zon. En wanneer je de luister van de zon bereikt, ga
zelfs dan nog verder! Laat de geestelijke honger naar waarheid en licht
altijd in je hart leven, want hij is de stem van de innerlijke god binnenin
u die zichzelf zoekt.
– ingekort uit De
Esoterische Traditie, blz. 575-95