Vroegchristelijke geschiedenis: feit of verzinsel?
Sarah Belle Dougherty

 


Boekbesprekingen: De mysterieuze Jezus, Was Jezus oorspronkelijk een heidense god?, Timothy Freke en Peter Gandy, Uitgeverij Synthese, Den Haag, 2005; isbn 9062719376, 439 blz., paperback.

Jesus and the Lost Goddess: The Secret Teachings of the Original Christians, Timothy Freke en Peter Gandy, Three Rivers Press, New York, 2002, 336 blz., ISBN 1400045940, paperback.


 

Mijn favoriete definitie van religie is ‘een verkeerde interpretatie van mythologie’. De verkeerde interpretatie bestaat precies uit het toekennen van een historische betekenis aan symbolen die strikt genomen naar spirituele zaken verwijzen.
     – Joseph Campbell

Wie was Jezus? En wie waren de oorspronkelijke christenen, wat geloofden zij, en hoe verhouden zij zich tot het hedendaagse christendom en het materiaal waaruit het Nieuwe Testament is samengesteld? In twee toegankelijke, goed gedocumenteerde boeken geven Timothy Freke en Peter Gandy onconventionele antwoorden gebaseerd op kennis over de bijbel die in de loop van verschillende eeuwen is bijeengebracht, en op hun eigen studie van het gnosticisme, heidense mysteriereligies en wereldmystiek.

De mysterieuze Jezus, dat handelt over de geschiedenis van het christendom, levert overtuigend bewijs dat de uitleg die door de westerse Kerk wordt gegeven, en nog steeds wordt erkend, ondeugdelijk is; dat deze in feite berust op een letterlijke interpretatie van mythische allegorieën die oorspronkelijk nooit als geschiedenis waren bedoeld, en werd opgelegd door sektarische propaganda en de systematische vernietiging van geschriften en sekten die daarmee in strijd waren. Hoewel bijbelse onderzoekers en studenten aan het seminarie zich reeds lang bewust zijn van lastige kwesties in de traditionele verhalen over Jezus en het Nieuwe Testament, heeft deze informatie de leken vaak pas bereikt in de laatste decennia, die een opleving kenden van wetenschappelijke en populaire belangstelling voor de oorsprong van het christendom en de historische Jezus. De huidige trend in het onderzoek naar Jezus was om het historische bestaan van de leraar Jezus als vanzelfsprekend aan te nemen, en vervolgens te proberen op basis van de bijbel, archeologie, cultureel onderzoek en de joodse religie in de laatste eeuwen vóór Christus op te maken wie en wat Jezus in werkelijkheid zou kunnen zijn geweest. Veel van deze wetenschappelijke pogingen hebben een ‘joodse’ Jezus opgeleverd – zij het boer, cynicus, rabbi, of politieke revolutionair – en hebben het overgrote deel van het niet-joodse materiaal in het Nieuwe Testament en de leer van de Kerk verworpen als irrelevante toevoegingen aan een oorspronkelijke, ‘zuivere’, joodse boodschap.

Freke en Gandy hebben hierover een heel andere opvatting. Als onderzoekers van wereld- en klassieke mystiek herkenden ze de grote overeenkomsten tussen het verhaal van Jezus en die van stervende en verrijzende heidense godmensen, zoals Osiris, Dionysus, Mithras, Adonis en Orpheus. De schrijvers leveren fascinerend bewijs voor hun stelling dat

Bijna alle volkeren rond de Middellandse Zee op een bepaald tijdstip de heidense mysteriën hadden aanvaard en deze hadden aangepast aan hun eigen nationale voorkeur. In de eerste eeuwen vóór Christus had op een gegeven moment een groep joden dit ook gedaan en een joodse versie van de mysteriën gemaakt. Joodse ingewijden bewerkten de mythen van Osiris-Dionysus om het verhaal te creëren van een joodse stervende en weer verrijzende godmens, Jezus de Messias. Na verloop van tijd ging men deze mythe uitleggen als een historisch feit en het christendom van de dode letter was het resultaat      – Jesus and the Lost Goddess, blz. 123

De frappante overeenkomsten met de heidense mythe zijn wetenschappers reeds lang bekend, hoewel Jezus als mythische figuur tegenwoordig in de academische wereld uit de gratie is geraakt. Deze overeenkomsten waren ook in de klassieke tijd onmiskenbaar. Dogmatische christenen – die in deze boeken letterknechten worden genoemd omdat ze de christelijke verhalen letterlijk als historisch feit opvatten – legden overeenkomsten met oudere heidense mythen en figuren uit als plagiaat van de duivel ‘vóór het feit’ of als de historische verwezenlijking van gebeurtenissen die in andere culturen alleen als mythe voorkomen – grondgedachten die door de eeuwen heen in de ene of de andere vorm naar voren zijn gebracht.

Om hun standpunt te staven beschrijven de auteurs in De mysterieuze Jezus uitvoerig dat er voor het historische bestaan van Jezus of van de bijbelse apostelen weinig bewijs is te vinden in niet-christelijke bronnen: heidense en joodse geschiedschrijvers uit die tijd, en joodse geschriften. Zoals de archeoloog John Romer opmerkt in zijn Testament, is onze kennis van het vroegste christendom

uitsluitend gebaseerd op het Boek Handelingen en op latere kerkelijke traditie. Deze periode in de geschiedenis van het christendom wordt in geen enkel ander geschrift genoemd. We weten alleen wat latere kerken ons wilden vertellen. En dit geldt ook voor de oorsprong van de evangeliën. We moeten het doen met het bewijs dat kan worden afgeleid uit de vier evangeliën zelf en een groot aantal tegenstrijdige uitspraken die zijn gedaan in de geschriften van de vroege kerkvaders.      – blz. 188

Freke en Gandy maken duidelijk dat de evangeliën in het Nieuwe Testament en de Handelingen van de Apostelen geen betrouwbare historische verslagen zijn, laat staan onafhankelijke ooggetuigenverslagen. Hoewel de chronologie en de onderlinge afhankelijkheid van vroege christelijke geschriften, canoniek en niet-canoniek, nog steeds erg in discussie is, zijn veel onderzoekers van de bijbel het erover eens dat het Evangelie naar Johannes als theologisch document later werd geschreven dan de overige canonieke evangeliën, en dat Mattheus en Lucas zijn gebaseerd op Marcus, waarbij dit laatste meestal rond 70 n.Chr. wordt gedateerd, hoewel Freke en Gandy menen dat het waarschijnlijk recenter is. Ook is Marcus, de eerste biografische bewerking van christelijk materiaal, geen echte kroniek: zorgvuldig onderzoek heeft aangetoond dat het een samenvoeging is van talrijke eerder bestaande korte schetsen en wijze uitspraken, zó samengesteld dat ze aansluiten bij verschillende oudtestamentische teksten en gebeurtenissen zoals de Uittocht. Het omvat niet de geboorte of genealogie van Jezus en ging oorspronkelijk niet verder dan de vrouwen die het lege graf vonden wat naar een opstanding zou verwijzen. In de vroege versie verschijnt er geen verrezen Christus aan de apostelen of iemand anders.

Het vinden van een overtuigende bron voor biografische feiten over Jezus blijft een probleem voor wetenschappers. In The Birth of Christianity [Het ontstaan van het christendom] beaamt John Dominic Crossan, een overtuigd aanhanger van de historiciteit van Jezus en lange tijd verbonden aan het Jesus Seminar en de Society of Biblical Literature, dat de vroegste christelijke geschriften bijbelse exegesen en parabelen waren, maar geen geschiedenis. Gebrek aan ander bewijs brengt hem ertoe dat hij de traditie van weeklagende vrouwen, afkomstig van vrouwelijke ooggetuigen in Jeruzalem, zonder bewijs aanvaardt als de bron van ongeacht welke authentieke biografische gegevens in de evangeliën en andere vroegchristelijke geschriften. Ongetwijfeld zullen degenen die het houden bij een historische Jezus en zij die voorstander zijn van een mythische Christus van mening blijven verschillen. Zoals Crossan opmerkt, ‘We gaan allemaal uit van onze vooronderstellingen en wat we denken valt of staat met de geldigheid daarvan’ (blz. 111).

Het bestaan van een historische leraar blijft dus discutabel. Zelfs Paulus, in 50 n.Chr. de oudste medewerker aan het Nieuwe Testament, vermeldt geen historische Jezus en citeert geen enkele van zijn uitspraken of leringen uit de evangeliën. Hij legt het accent op de stervende en weer opgestane godmens Christus en zijn geboorte in ieder individu. Het ‘goede nieuws’ dat hij voor zijn volgelingen heeft is niet dat Jezus op aarde heeft geleefd en voor hen is gestorven, maar dat ‘Christus in u is’. Opmerkelijk zijn de vertalingen /interpretaties van zijn woorden waarmee Freke en Gandy komen en die onverwachte lagen van diepere betekenis aan het licht brengen. In de eerste eeuwen n.Chr. beschouwden groepen in heel Azië en het Middellandse-Zeegebied Paulus als de gnostische leraar bij uitstek (het wordt algemeen aangenomen dat zijn anti-gnostische pastorale brieven latere vervalsingen zijn, evenals de canonieke brieven van de andere apostelen). De auteurs beschouwen Paulus echter niet als een gnosticus, want zij menen dat er in de tijd dat hij leefde nog geen onderscheid was tussen gnostici en letterknechten; de innerlijke en uiterlijke christelijke mysteriën bestonden nog vreedzaam naast elkaar. In de tijd van Paulus ging de strijd tussen hen die wilden dat het christendom een exclusieve joodse sekte bleef en degenen die de wens hadden dat het een kosmopolitische beweging zou zijn, ook voor niet-joden.

Hoe komt het dat het christendom historisch werd opgevat en daarna letterlijk werd genomen? De auteurs leggen uit:

Door het samenvoegen van de eeuwenoude mythe over de stervende en herrijzende godmens met de joodse verwachtingen van het verschijnen van een historische messias zetten de scheppers van de joodse mysteriën een ongekende stap, waarvan ze de gevolgen niet konden overzien. En toch bevat, bij analyse, het begin reeds het einde. De messias zou een historische, geen mythische, verlosser zijn. Het was dus onvermijdelijk dat het verhaal over Jezus iets van een quasi-historische achtergrond moest krijgen. Dat gebeurde. Wat begonnen was als een tijdloze mythe met gecodeerde eeuwenoude leringen leek nu op een historisch verslag van één bepaalde gebeurtenis in de tijd. Vanaf dat moment moest deze te eniger tijd wel worden geïnterpreteerd als een historisch feit. Toen dat eenmaal was gebeurd ontstond er een heel nieuw soort religie – een religie gebaseerd op historie niet op mythe, gebaseerd op blind vertrouwen in veronderstelde gebeurtenissen in plaats van op een mystiek begrip van mythische allegorieën, een religie berustende op openbare mysteriën zonder verborgen mysteriën, een vorm zonder inhoud, een geloof zonder kennis.      – De mysterieuze Jezus, blz. 245

In Jesus and the Lost Goddess [Jezus en de verloren godin] wordt een poging gedaan om de innerlijke mysteriën van het christendom te reconstrueren in het licht van de gehele christelijke mythische cyclus die de stervende en verrijzende godmens en de verloren en de verloste godin in hun kosmische en menselijke aspecten omvat. Door hun bijzonder heldere uiteenzetting van de gnostische leringen in deze spirituele allegorieën onthullen de schrijvers een onderliggende spirituele boodschap die overal en altijd geldt. Hoewel de nieuwtestamentische boodschap van liefde, vergevensgezindheid en toenemende spirituele ontwikkeling van oudsher wordt voorgesteld als een drastische koerswijziging ten opzichte van wat daarvoor kwam, tonen de auteurs aan dat de leerlingen van hoogstaande heidense filosofen zoals Pythagoras, Empedocles en Plato volledig bekend waren met de opvattingen en leringen van die boodschap.

De christenen hebben hun mysteriën in drie stadia ingedeeld die corresponderen met de delen van de mens: phusis of lichaam, psuche of ziel, en pneuma of nous, Griekse termen die van oudsher worden vertaald met respectievelijk ‘geest’ en ‘intellect’. Maar deze vertaling schiet tekort om de betekenis van dit gnostische denkbeeld dat verwijst naar onze belangrijkste identiteit ‘die elk van ons ‘ik’ noemt, volledig weer te geven. Het is het gevoel van zijn in ieder mens. Het is wie we zijn’ (blz. 61). In dit verband vinden de auteurs dat ‘bewustzijn’ een beter passende moderne vertaling is voor pneuma en nous. Deze drieledige menselijke natuur kan worden gesymboliseerd door een cirkel, waarvan de omtrek de stoffelijke wereld voorstelt, elke straal een ziel of geïndividualiseerd bewustzijn, en het centrum de universele goddelijke bron of onderliggende Eenheid. In de uiterlijke mysteriën identificeert de ziel van de discipel zich nog met de zichtbare wereld en schept een illusoir zelf of eidolon (beeltenis) dat slechts een weerspiegeling is van de echte persoon of pneuma.

Het gnostische pad van zelfkennis houdt in dat we ontdekken dat het eidolon niet ons ware Zelf is, en ons in toenemende mate bewust worden van onze wezenlijke natuur: bewustzijn. Het kan worden voorgesteld als het proces waarbij we het punt waarmee we ons identificeren verplaatsen van de omtrek van de cirkel van het zelf langs de stralen naar het centrum en daarbij beseffen wat we al die tijd al zijn geweest: bewustzijn.
     – Jesus and the Lost Goddess, blz. 68

Beginners op het pad worden tot de mysteriën aangetrokken door het mythische verhaal zelf, dat ze geneigd zijn letterlijk te nemen in plaats van allegorisch.

Freke en Gandy noemen het tweede niveau van de mysteriën ‘psychisch’, omdat dit zich richt op de psyche of het tussenliggende deel van de mens, weergegeven door een straal van de cirkel. In dit stadium wordt de allegorische betekenis van de mythen uitgelegd aan de discipelen, die streven naar vervolmaking van zichzelf door het volgen van ethische en spirituele richtlijnen en oefeningen, teneinde geschikte voertuigen van de geest te worden. Het beginnen aan dit stadium werd gesymboliseerd door de doop met water, wat een teken was van zuivering ‘waardoor ingewijden worden gezuiverd van het zich identificeren met hun aardse zelf’ (op.cit., blz. 112).

Het hoogste of pneumatische stadium van de innerlijke mysteriën was bewustwording van de gnosis, onmiddellijke kennis van ons éénzijn met de mysterieuze bron van alles, door de christenen het mysterie van God, het goede, of de ‘verblindende duisternis’ genoemd. Zij die dit niveau bereiken ervaren een bewuste identificatie met hun goddelijke bron, de eenheid achter verscheidenheid, gesymboliseerd als het centrum van de cirkel. Zij zijn gestorven voor hun lagere zelf of afgescheiden identiteit, en opgestaan als de christus of godmens. Zoals Paulus zegt: ‘De in de psyche levende mensen [psuchikos] begrijpen geen zaken die betrekking hebben op het godsbewustzijn. Het schijnen hen dwaasheden toe, want daarvoor is een geestelijk onderscheidingsvermogen nodig (1 Corinthiërs 2:14); en ‘We bevinden ons alleen op het geestelijke niveau als Gods bewustzijn in ons woont. Zij die het Christusbewustzijn niet bezitten behoren Christus niet toe’ (Romeinen 8:9). Als we ons identificeren met het centrale punt, en niet met onze straal (ziel) of de cirkelomtrek (het lichaam), leidt dat tot een besef van eenheid met alle andere lichamen en zielen. De oorspronkelijke gnostische boodschap was dus dat alles één is – met andere woorden, universele broederschap.

De auteurs stellen dat het christendom in zijn huidige vorm zich ontwikkelde nadat groepen mensen in de uiterlijke mysteriën waren afgesneden van leraren die vertrouwd waren met de innerlijke mysteriën. Deze niet-ingewijde christenen verklaarden dat de mystieke gebeurtenissen in de mythe van Jezus historische feiten zijn, en dat volgelingen alleen worden gered door te geloven in de historiciteit ervan en niet door zich te vervolmaken tot zij de geboorte van Christus in zichzelf ervaren. Toen het christendom eenmaal de godsdienst van het Romeinse rijk werd, verbood de geloofsgemeenschap van de letterknechten alle andere soorten christendom als ‘ketters’ en het overgrote deel van heidense documenten, tempels en inscripties werd opzettelijk vernietigd.

Voor een ruim lezerspubliek vormen deze boeken een waardevol nieuw onderzoek van de christelijke oorsprong en de diepere betekenis van de heidense mysteriereligies. In de laatste hoofdstukken van Jesus and the lost Goddess bespreken de auteurs de reden waarom zij deze boeken schreven. Ze geloven dat in deze uitzonderlijk gunstige tijd waarin er vrijheid bestaat om op vele manieren naar waarheid te zoeken, niet gehinderd door autoritaire godsdienstige instituties, het van het grootste belang is te begrijpen wat er feitelijk is gebeurd aan het begin van de vorige ‘New Age’, om te vermijden dat er in deze tijd een soortgelijk dogmatisch en repressief resultaat zal ontstaan. Ze zijn echter geen voorstander van een herleving van oude vormen: ‘We propageren niet de romantiek van het terugkeren naar de ‘verloren oude wijsheid’ van de oorspronkelijke christenen. Maar we stellen voor om te doen wat zij hebben gedaan. Zij bliezen de tijdloze filosofie van het gnosticisme nieuw leven in, door het met succes opnieuw te bewerken tot een vorm die toegankelijk was in hun tijd. Nu is voor ons de tijd aangebroken om hetzelfde te doen’ (blz. 190).

 
Andere artikelen over het christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency