Het heelal met alles wat erin is, groot en klein, is gebouwd in en
op basis van bewustzijn, waartoe als eigenschappen die andere aspecten
van kosmisch zijn behoren die we leven, denkvermogen en substantie noemen.
Maar wanneer dat bewustzijn op het heelal betrekking heeft, is het slechts
een abstractie; en men kan het kosmische heelal evengoed, en volgens
velen zelfs nauwkeuriger, omschrijven als iets dat vol is met bewustzijnen,
oneindig in aantal. Deze bewustzijnen komen in vrijwel ontelbare stadia
van evolutionaire ontwikkeling voor en zijn structureel gerangschikt
volgens hiërarchische families. Zo komt het dat ieder ding in het
heelal, opgevat als een individuele uitdrukkingsvorm van een inwonende
monade, niet alleen een geïndividualiseerd atoom van het grenzeloze
is, maar in zijn meest innerlijke essentie filosofisch als identiek
met het heelal zelf moet worden beschouwd.
De hele ruimte, zowel in het oneindig kleine als kosmisch, is vol met
krachten en substanties in allerlei graden van stoffelijkheid, ijlheid
en spiritualiteit. Zulke betrekkelijk fysieke kracht-substanties als
elektriciteit en licht zijn voorbeelden hiervan. Want wat zijn elektriciteit
en licht, en in feite elke andere kracht-substantie? Ze zijn zonder
uitzondering emanaties van entiteiten van kosmische omvang. Met andere
woorden, het grenzeloze is vol kosmische entiteiten, waarvan ieder zijn
eigen heelal heeft dat als zijn eigen individuele ‘drager’
of ‘voertuig’ functioneert; en de vitale krachten of energieën
in elk zo’n entiteit zijn dezelfde krachten, energieën en
substanties die dat heelal vullen en dus, omdat ze in wezen de aard
van bewustzijn hebben, dit heelal leiden en besturen en in feite die
innerlijke en eeuwige drang achter alle uiterlijke verschijnselen zijn.
In het atoom en in de kosmos heersen dezelfde beginselen, dezelfde
energieën, komen dezelfde substanties voor, en worden dezelfde
structurele werkwijzen gevolgd, omdat zowel atoom als kosmos voor altijd
onafscheidelijke delen van het grenzeloze Al zijn, en daarom ieder naar
aanleg en vermogen, de geestelijke oerbeginselen weerspiegelen die het
grenzeloze in zich besloten houdt. Vandaar dat kosmos en atomen –
innerlijke en onzichtbare, uiterlijke en zichtbare, werelden en gebieden
en sferen, als een kosmische samenstelling beschouwd – niet alleen
de bekleedselen van het kosmische leven zijn, maar de uitdrukkingsvormen
van dat kosmische leven zelf.
Verschilt bewustzijn dan van kracht of energie? Nee, bewustzijn of
denkvermogen is zowel de wortel als het brandpunt van kracht of energie,
eigenlijk de ziel ervan, en als zodanig substantieel, maar geen materie
zoals wij materie opvatten. Onze grofste fysieke materie is niets dan
de verharding van sluimerende monaden, een groot geheel van psychomagnetische
bewustzijnscentra. Wanneer ze tot beweging of individuele activiteit
worden gewekt, beginnen deze ‘slapende’ monaden, die de
stof rondom ons vormen, weer hun respectieve evolutiereizen opwaarts
naar die vrijheid van geest, van zuivere bewustzijn-kracht, van waaruit
ze oorspronkelijk bij de aanvang van de dingen zijn ‘gevallen’
in de stof die dus hun eigen collectieve verharding is.
Deze laatstgenoemde gedachte geeft de sleutel tot een helder begrip
van wat de natuurkrachten in feite zijn. Ze zijn in essentie kosmische
entiteiten die zich in een energetische fluïde vorm manifesteren;
en deze fluïde vorm of activiteit is wat we als de natuurkrachten
waarnemen. Ze zijn de emanaties of uitstortingen van het collectieve
kosmische bewustzijn.
We kunnen als voorbeelden zwaartekracht, elektriciteit, magnetisme,
warmte, chemische affiniteit en licht nemen, want deze zijn de kosmische
krachten die heel vaak door mensen worden waargenomen. Ze zijn allemaal
krachten, dat wil zeggen uitstortingen vanuit een individuele bron,
waarbij deze bron een van de kosmische entiteiten is waarmee de ruimte
vol is; en op hun beurt kunnen deze entiteiten tenslotte worden teruggevoerd
tot hun oorsprong als emanaties uit het universele kosmische bewustzijn.
Omdat ze krachten zijn, zijn ze ook substantieel, want materie en kracht
zijn fundamenteel één. Evenzo zijn geest (of bewustzijn)
en essentiële substantie in wezen één. Dus telkens
wanneer er kracht of energie is, of een van hun manifestaties –
zwaartekracht, magnetisme, warmte, wat het ook is – is deze zowel
substantieel als energetisch; en daarom is deze in wezen ook bewustzijn
dat zichzelf als bewustzijnen manifesteert.
In de esoterische filosofie zijn warmte en licht substantieel, juist
omdat ze krachten zijn. Omdat ze krachten zijn die zich als
energieën manifesteren, bezitten ze dezelfde essentiële kwaliteiten
die de menselijke entiteit in zich heeft, hoewel ze zich niet zó
tot uitdrukking brengen als ze dat in ons doen. Deze factoren zijn gezamenlijk
als bewustzijn te beschouwen. Niettemin zijn deze verschillende natuurkrachten
– bijvoorbeeld de zwaartekracht – niet ieder op zichzelf
één bewustzijn, maar elk zo’n kracht is eerder de
manifestatie of zelf-expressie van een kosmisch bewustzijn: de emanatie
of het levensfluïdum, dat zich uitdrukt als de zwaartekracht, van
een bewuste, levende kosmische entiteit erachter.
De krachten van de natuur zijn dus de levensfluïda, die in de
kosmos werken, van geestelijke wezens van wie deze zenuwenergie uitstroomt,
aan wie deze vitale elektriciteit eigen is, en die werken in hun kringlopen
door het voertuiglijk wezen van de geestelijke entiteit die deze krachten
op die manier door emanatie geboren doet worden. Of om het anders te
zeggen, elk van die kosmische krachten is dus het uitstromen vanuit
een kosmische entiteit van haar karakteristieke levensfluïdum van
het speciale gehalte dat tot het laagste kosmische lichaam van deze
entiteit behoort.
Deze levenskracht of kosmische elektrische energie wordt volledig geleid,
op een wijze die ons mensen automatisch voorkomt, door het denkvermogen
en de wil van de kosmische entiteiten van waaruit deze energie in emanatiereeksen
voortvloeit – waarbij iedere eenheid in zo’n reeks is wat
we deze, die of een andere natuurkracht noemen. Deze kosmische entiteiten
hangen onderling met elkaar samen in een hiërarchie van verheven
geestelijke intelligenties; en omdat hun individuele karakters nauw
verwant zijn, werken ze samen bij het voortbrengen van het geheel van
kosmische verschijnselen of werkingen die gewoonlijk worden samengevat
door de term natuur.
Het magnetisme van de mens is misschien een voorbeeld in het klein
dat dit punt kan illustreren, zoals dat zelfs werkzaam is in zulke afgeleide
verschijnselen als de bloedsomloop en de spijsvertering. Afzonderlijk
beschouwd is niet één van deze functies van het menselijk
lichaam de fysieke mens. In hun totaliteit en in combinatie met het
geraamte van het lichaam vormen ze de fysieke mens, maar op zichzelf
zijn het functies die worden veroorzaakt door de wisselwerking van de
emanaties van de levensessentie van de mens, en vormen als zodanig de
organisatie van de levensfuncties van zijn lichaam; uiteindelijk komen
ze voort uit de werkelijke mens van bewustzijn en denkvermogen. Deze
werkingen, die leiden tot het voortbrengen en gaande houden van het
fysieke lichaam, komen voort uit de mens zelf en uit zijn permanente
bewustzijn en vinden plaats via zijn wil, die gedeeltelijk bewust en
gedeeltelijk onbewust in hem werkt, precies zoals de krachten van de
natuur op macrokosmische schaal in het ons omringende heelal werken.
– Vgl. De Esoterische Traditie, blz. 226-8