Geheime evangeliën en verdwenen vormen van het christendom – 1
W.T.S. Thackara

 
 

Het is u gegeven de geheimenissen van het
Koninkrijk der Hemelen te kennen, maar hun
is dat niet gegeven.      – Mattheus 13:11

Ik ben in de wereld gekomen, opdat ik voor
de waarheid zou getuigen. Een ieder die uit
de waarheid is, hoort naar mijn stem.
      – Johannes 18:37

‘Wat is waarheid?’ vroeg Pilatus – een vraag een filosoof waardig. Gedurende bijna twee millennia hebben christelijke theologen, geestelijken en leken geprobeerd deze vraag te beantwoorden en hun identiteit als mensen ‘van de waarheid’ te bepalen. Maar er ontstond al snel onenigheid over wat Jezus onderwees, en er begonnen zich zichtbare grenzen af te tekenen die nauwkeurig omschreven wat waarheid en dwaling was, welke opvattingen juist waren en welke onjuist, en, onvermijdelijk, wat ‘onze God en uw god’ betekende – een tragische paradox in een geloof dat milde liefdevolle wijsheid leert. Het onderscheiden van de feitelijke leringen van Jezus is een andere paradox. ‘Zoekt en gij zult vinden’ wordt in beide Testamenten aanbevolen, en men zegt dat het meest overtuigende antwoord in ons hart is te vinden. Maar wie bepaalt, wat bijbel en traditie betreft, wat waarheid is, en wat in spirituele zin authentiek is?

Het navertellen van een reeks gebeurtenissen, wat in religies vaak gebeurt, maakt het probleem duidelijk: Een leraar zoals Jezus of Gautama begint met onderricht. Hij is niet erg bekend – de mensen zijn vaak tevreden met hun eigen geloof of bezig met andere zaken. Historici kunnen volledig aan hem voorbijgaan, waardoor latere generaties zich afvragen of hij eigenlijk wel heeft bestaan. De meeste mensen wijzen hem af, omdat hij niet beantwoordt aan hun verwachtingen van hoe een leraar zou moeten zijn, en zijn leringen stemmen niet overeen met hun eigen overtuigingen. In feite schijnen deze vaak nieuw en vreemd te zijn en zetten ze vraagtekens bij de gevestigde normen. Maar er zijn enkelen die de waarde van de boodschap herkennen en, omdat ze er sterk door worden geïnspireerd, delen ze deze met anderen. Na verloop van tijd vormt zich een traditie om de leringen te behouden en door te geven. Uiteindelijk worden ze misschien opgetekend. Maar omdat dit misschien pas tientallen jaren of zelfs eeuwen na het overlijden van de leraar gebeurt, is zijn oorspronkelijke boodschap misschien gedeeltelijk vergeten, en wordt ze vermengd met vreemde leringen, of op een andere manier veranderd. Er doen zich nog meer moeilijkheden voor wanneer we horen dat er zowel openbare als privéleringen zijn, waarbij de verborgen mysteriën zijn voorbehouden aan mensen die ‘spiritueel volwassen’ zijn – een vroegchristelijke zegswijze. Afgezien van de geschriften die zijn vernietigd of verloren zijn gegaan, zijn praktisch alle optekeningen van leringen bewerkt, sommige met ingevoegde, gewijzigde, of weggelaten tekst; of de tekst vertoont varianten als gevolg van schrijffouten. Ze zijn bovendien vertaald, soms verkeerd vertaald; er worden kopieën van kopieën gemaakt en door de jaren heen, beetje bij beetje, raakt de oorspronkelijke boodschap uitgehold.

Er zijn nog ernstiger problemen: zodra de leraar heengaat, ontstaat er een discussie over de inhoud van de boodschap. De ene volgeling denkt dat de Meester de ene betekenis bedoelde, een andere dat hij iets anders bedoelde. Omdat wordt geprobeerd de ware leringen te behouden en uit te leggen, worden er scholen van interpretatie opgericht, besluiten genomen over punten van overeenkomst, dogma’s gestandaardiseerd, en volgt de ene afscheiding na de andere – om nog maar niet te spreken over onechte leraren en nieuwe openbaringen – die alle aanspraak maken op spirituele autoriteit, tot we uiteindelijk een smörgasbord van tegenstrijdige leringen, stelsels en groeperingen hebben. Een herhaling van de toren van Babel – een spraakverwarring – en, helaas, een patroon waar weinig religieuze bewegingen aan zijn ontkomen.

Dit patroon, zoals het zich heeft afgetekend in de geschiedenis van het christendom, is algemeen bekend bij wetenschappers, geestelijken en ontwikkelde mensen. Sinds de ontdekking in 1945 van een unieke collectie vroegchristelijke documenten in Nag Hammadi, Egypte, en ook van de joodse Dode-Zee-rollen en door andere vondsten in de 20ste eeuw, is de manier waarop dit verhaal is geïnterpreteerd, begrepen, en opnieuw verteld, echter onmiskenbaar veranderd. In 2003 hebben verscheidene boeken van gerespecteerde wetenschappers op het gebied van het vroege christendom meer dan een halve eeuw werk aan de Nag Hammadi-geschriften en hun relatie met het traditionele christendom samengevat. Alles bij elkaar bieden vier van deze boeken een diepzinnige, toegankelijke en toch gedetailleerde studie van de verscheidenheid van vroegchristelijke gemeenschappen vanaf de tijd van Jezus tot de vorming van de nieuwtestamentische canon en van de verschillende manieren waarop die geschiedenis sinds die tijd is verteld.1 Zoals de titels ervan aangeven, richten ze zich op die groepen en geschriften die de nadruk legden op de geheime leringen van Jezus – de mysteriën en verborgen wijsheid van God waarnaar in het Nieuwe Testament wordt verwezen – en op het belang van gnosis (‘kennis’, spiritueel onderscheidingsvermogen, of verlichting) die beide nodig zijn voor, en het resultaat zijn van, geestelijke wedergeboorte.

Tot 1945 kwam de meeste informatie over de gnostici uit de tweede en derde hand en werd voornamelijk ontleend aan de muggenzifterige geschriften van de vroege schrijvers over ketterij, zoals Irenaeus, Tertullianus, Clemens van Alexandrië en Epiphanius.2 Hun inspanningen werden grotendeels ingegeven door de geconstateerde behoefte om de inhoud van het geloof uitputtend te beschrijven, teneinde een samenhangende christelijke gemeenschap te smeden, waarvan het broze bestaan door interne meningsverschillen en door vervolging van buitenaf veelvuldig werd bedreigd. Ze hielden zich bezig met het bestrijden van verkeerde interpretaties, fantasie en misleiding; een van de lastigste problemen werd gevormd door de esoterische kennis – de mysteriën waar Jezus op zinspeelde: hoe kan men het ondefinieerbare omschrijven, ‘dat wat niet kan of niet mag worden uitgesproken’, en het onderscheiden van wat volgens hen ‘onjuiste zogenaamde gnosis’ was. Evenals in het New-Age-laboratorium van deze tijd was er in de eerste eeuwen van het christendom een overdaad van uiteenlopende stellingen. Zoals Bart Ehrman opmerkt: de winnaars schrijven de geschiedenisboeken en selecteren de heilige teksten. Voor de vroege ‘proto-orthodoxe’ kerkvaders betekende het ontwikkelen van een christelijke identiteit niet alleen het beschrijven van de structuur en de inhoud van het geloof, maar ook het beschrijven van de tegenstanders ervan door aan te tonen hoe anders, verkeerd en slecht hun leringen waren – in tegenstelling tot de authentieke leer van Jezus, zoals deze werd doorgegeven door de apostelen en hun aangestelde opvolgers. De documenten die bij Nag Hammadi3 zijn gevonden – waarvan vele eveneens aanspraak maken op apostolisch gezag – onthullen echter een beeld van enkele van deze ‘verdwenen vormen van het christendom’ dat op belangrijke en fundamentele punten niet overeenkomt met de standaardversies.

De vier titels die worden besproken laten zich in een logische volgorde rangschikken, en het boek van Elaine Pagels biedt een stijlvol geschreven inleiding tot dit onderwerp; ze geeft daarin een samenvatting van meer dan dertig jaar rechtstreeks wetenschappelijk onderzoek en studie op dit gebied en haar levenslange persoonlijke betrokkenheid bij het christelijke geloof. Ketters en rechtgelovigen richt zich tot een breed publiek en geeft een globaal overzicht van de voornaamste vraagstukken van de vroegchristelijke geschiedenis en is op verfrissende wijze verschoond gebleven van wetenschappelijke aanhangsels, hoewel het uitvoerige voetnoten bevat met referenties en aanbevolen boeken voor verdere studie. Eén criticus beschreef haar boek echter als ‘licht verteerbare godsdienst’ voor het grote publiek, waarbij ze betoogde, dat ‘bijna elke generalisatie kon worden betwist of aangepast.4 Dit is ongetwijfeld waar, maar het lijkt me dat dit een gezond onderdeel van spirituele ontdekking is en een van de meest effectieve manieren om dogmatisme te vermijden. En hier blinkt Elaine Pagels uit in oprechtheid en inzicht, terwijl ze de lezer uitnodigt met haar deel te nemen aan het onderzoek naar de waarheid.

Omdat Pagels als jonge tiener altijd al door het Evangelie naar Johannes was gefascineerd, werd ze lid van een evangelische kerk, waar ze vond waarnaar ze toen verlangde: ‘de zekerheid bij de juiste groep te horen, de ware ‘kudde’ die als enige tot God behoorde’. Toch werd ze zich langzamerhand bewust van verstorende onderstromen in het Johannesevangelie, een uitgesproken antisemitisme en veroordeling van niet-gelovigen, wat in strijd was met de leer van Jezus om ‘elkaar lief te hebben’. Weldra leerde ze ook de ‘prijs om erbij te horen’:

De leiders van de kerk waar ik naartoe ging droegen hun schapen op niet met buitenstaanders om te gaan, tenzij het was om hen te bekeren. Toen vervolgens een goede vriend op zestienjarige leeftijd omkwam bij een verkeersongeluk, leefden mijn evangelische broeders en zusters wel met mij mee, maar ze zeiden erbij dat hij, omdat hij joods en niet ‘wedergeboren’ was, voor eeuwig verdoemd was. Ik was onthutst. Ik was het met hun interpretatie oneens, maar ruimte tot discussie bleek er niet te zijn. Ik besefte dat ik me in hun wereld niet langer thuis voelde en keerde die kerk de rug toe.     – blz. 31

Omdat ze zich nog steeds afvroeg wat er zo fascinerend was aan het christendom, besloot Pagels enkele jaren later op zoek te gaan naar het ‘echte christendom’ en gaf zich op voor het doctoraalprogramma aan Harvard University, om daar te ontdekken wat toen buiten academische en theologische kringen nauwelijks bekend was: evangeliën en apocriefe (geheime) boeken, geschreven tijdens de eerste eeuwen, die uitspraken, rituelen en dialogen bevatten die aan Jezus en zijn discipelen werden toegeschreven – waarvan er vele behoorden tot de 52 verhandelingen van de Nag-Hammadi-geschriften. Ketters en rechtgelovigenDeze lieten haar zien dat er binnen de vroegchristelijke beweging een verscheidenheid was die door de latere ‘officiële’ versies van de christelijke geschiedenis op doeltreffende wijze waren verzwegen. De inhoud ervan vormde een uitdaging voor haar. Omdat Irenaeus de geheime geschriften als ‘een poel van waanzin en godslastering van Christus’ had bestempeld, was ze bevooroordeeld en verwachtte ze dat de teksten ‘verward, pretentieus en banaal zouden zijn. Maar tot mijn verrassing vond ik in een aantal ervan een onverwachte spirituele kracht’ (blz. 32-3).

In de discussie over ketterij worden een aantal strategieën gebruikt. Een ervan is om tegenstanders met vergelijkbare kenmerken over één kam te scheren, ze ruwweg in maar een paar categorieën onder te brengen, er een etiket op te plakken en die benamingen (bijv. gnostisch, ketters) te kleineren. Hoewel de kerkvaders het woord gnosticisme – bedacht door de 17de-eeuwse Engelsman Henry More – niet gebruikten, worden de belangrijkste kenmerken ervan meestal omschreven en opgevat als geheime elitaire kennis (alleen de uitverkorenen worden gered) en een radicale devaluatie van de wereld en zijn schepper, de god van Genesis. Irenaeus klaagde bitter over die christenen die beweerden de ‘tweede doop’ te hebben ontvangen, die hen in staat stelde zich aan te sluiten bij de meer selecte kringen van de geestelijk volwassenen:

Ze noemen degenen die tot de kerk behoren ‘volks’ en ‘kerkelijk’ . . . [E]en dergelijke persoon voelt zich zo verheven dat hij zich inbeeldt . . . dat hij de ‘volheid van God’ reeds is binnengegaan . . . en met de neus in de lucht rondstapt met een zelfgenoegzame blik, trots als een haan.
    – Contra Haereses [Tegen ketterijen], geciteerd in Pagels, blz. 114

Ongetwijfeld waren er enkelen die zich aanstootgevend gedroegen, evenals er tegenwoordig religieuze gelovigen, academici en anderen zijn die zich boven anderen verheven voelen door hun eigen kennis. Maar de meeste ‘ingewijden’ leken waarschijnlijk veel op de ernstige zoekers naar waarheid van elk tijdperk die misschien dankbaar, nederig en in stilte een verlichtend inzicht hebben ervaren.

Enkele gnostische teksten spreken, als men ze letterlijk leest, minachtend over de stoffelijke wereld als de mislukte schepping van een onwetende demiurg (schepper) – en geven de indruk dat het kwaad voortkomt uit onwetendheid – en dringen daarom bij geestelijk verlichte mensen eropaan om zich aan de verblindende, zieldodende invloed ervan te onttrekken, maar andere teksten zijn minder extreem. Hierin worden de tegenstrijdige elementen en onvolmaaktheden in de wereld, waaronder de ‘onvolkomen Logos [Woord]’, eerder vanuit een transformationeel dan vanuit een escapistisch en star negatief perspectief bezien: iedereen is potentieel de door God uitverkorene, en het is het hoogste goed om in de wereld te blijven en te werken aan de verlossing van alle wezens. Pagels schrijft bijvoorbeeld dat het Evangelie van de Waarheid

de heilige geest schetst als Gods adem, en stelt zich de Vader voor die eerst met zijn adem het hele universum van levende wezens schept (‘de kinderen van de Vader zijn zijn geur’), en vervolgens alle wezens terugbrengt naar de plaats van zijn goddelijke oorsprong. Intussen dringt hij er bij hen die ‘God in zichzelf vonden en zichzelf in God’ op aan om gnosis om te zetten in daden:

Vertel de waarheid aan hen die haar zoeken,
En spreek met begrip tegen hen die
Door fouten te maken een zonde hebben begaan;
Maak de voeten sterker van hen die zijn gestruikeld;
Bied de helpende hand aan hen die ziek zijn;
Geef voedsel aan hen die honger hebben;
Bied rust aan hen die vermoeid zijn;
En help hen die willen opstaan overeind.

Zij die voor anderen zorgen en goed doen, ‘doen de wil van de Vader’.
            – blz. 102-3

In tegenstelling tot wetenschappelijke kennis (episteme), is gnosis spirituele kennis die door de gnostische christenen als soterisch (‘verlossend’) en als esoterisch (‘verborgen’) werd beschouwd. Voor hen hield het veel meer in dan de geheime openbaring die is verborgen in de bijbel en wordt ontdekt door een ‘spirituele’ in plaats van een letterlijke interpretatie. Omdat iedereen een kind van God is en het zaad of de lichtvonk van goddelijkheid in zich heeft, wordt verlichting uiteindelijk bereikt door de discipline van zelfkennis – zoals wordt benadrukt in het Evangelie naar Thomas dat als volgt begint:

Dit zijn de geheime uitspraken die de levende Jezus deed en die Didymos Judas Thomas heeft opgetekend.

(1) En hij zei: ‘Wie de betekenis van deze uitspraken ontdekt zal de dood niet ervaren.’

(2) Jezus zei: ‘Laat hij die zoekt doorgaan met zoeken tot hij vindt. Als hij vindt, zal hij het moeilijk krijgen. Als hij het moeilijk krijgt, zal hij verbaasd zijn, en hij zal heersen over het Al.’

(3) Jezus zei: ‘Als zij die u leiden tegen u zeggen, ‘Zie het Koninkrijk is in de hemel’, dan zullen de vogels van de hemel u voorgaan. Als zij u zeggen, ‘Het is in de zee’, dan zullen de vissen u voorgaan. Beter gezegd, het Koninkrijk is in u en het is buiten u. Als u uzelf leert kennen, dan zult u gekend worden en u zult beseffen dat u een zoon van de levende Vader bent. Maar als u uzelf niet zult kennen, zult u in armoede verblijven en bent u die armoede.’

Als historica is Pagels niet alleen geïnteresseerd in de inhoud van de Nag Hammadi- en andere gnostische geschriften, maar ook in de oorsprong en verdere geschiedenis ervan: Wie schreef ze? Wanneer? Waarom? En waarom werden ze door de vroege kerk verworpen? Haar deskundigheid helpt niet alleen om deze vragen te beantwoorden, maar ook om veel van de duistere en soms tegenstrijdige passages te verhelderen in die andere kleine verzameling vroegchristelijke documenten, die het Nieuwe Testament wordt genoemd. Voor lezers die bereid zijn vaste overtuigingen in beweging te brengen, biedt Ketters en rechtgelovigen een kennismaking met en een rijke rondleiding langs de vormen en tegenstellingen van geloof en kennis in de vroegchristelijke geschiedenis. Het boek betrekt ons ook bij de meest diepzinnige levensvragen over het bestaan en over God, en bij spirituele keuzes kunnen we er niet aan ontkomen, wat onze geloofsovertuiging ook is, dat we altijd worden uitgedaagd om verder te kijken. In haar samenvatting aan het eind van het boek schrijft Pagels:

Deze keuze – en dat is de oorspronkelijke betekenis van het Latijnse, aan het Grieks ontleende begrip haeresis dat we vertalen met 'ketterij' – brengt ons terug bij het probleem dat de orthodoxie moest oplossen: hoe kunnen we weten wat waarheid is en wat leugen? Wat is echt en verbindt ons met elkaar en met de werkelijkheid, en wat is oppervlakkig, zelfzuchtig, of slecht? . . . Orthodoxie wantrouwt ons vermogen om dit onderscheid te maken en wil het daarom voor ons maken. Gezien het notoire vermogen van de mens om zichzelf te misleiden kunnen we de kerk daar tot op zekere hoogte dankbaar voor zijn. Veel mensen die zich liever niet te hard inspannen nemen graag over wat de traditie hun zegt.

. . . De meesten mensen merken vroeg of laat dat ze, op een keerpunt in hun leven, zelf een weg moeten banen waar tot dat moment geen weg was. Wat ik in de rijkdom en diversiteit van onze religieuze tradities – en de gemeenschappen die ze instandhouden – heb leren liefhebben is dat ze getuigen van de zoektocht van ontelbare mensen naar spirituele gebieden. En daarmee zijn ze een aansporing aan hen die, in navolging van Jezus' woorden, 'zoeken, want zij zullen vinden'.


Noten
  1. Elaine Pagels, Ketters en rechtgelovigen, De strijd om de ware leer in het vroege christendom, Kosmos/Z&K Uitgevers, Utrecht, 2003; isbn 9021536803, 192 blz., paperback. Marvin Meyer, Secret Gospels: Essays on Thomas and the Secret Gospel of Mark, Trinity Press Int’l, Harrisburg, PA, 2003; isbn 1563384094, 208 blz., paperback. Bart D. Ehrman, Lost Christianities: The Battle for Scripture and Faiths We Never Knew, Oxford University Press, 2003; isbn 0195141830, 336 blz., gebonden. Karen L. King, What is Gnosticism?, Harvard University Press, Cambridge, 2003; isbn 067401071x, 358 blz., gebonden.
  2. De betekenis van de woorden gnosis, gnostisch en gnosticisme wordt opnieuw bepaald in het licht van nieuw materiaal – een centraal onderwerp in het onderzoek van Karen King. Vóór 1945 waren slechts enkele werken van christelijke gnostici beschikbaar, zoals de Pistis Sophia en de twee Boeken van Jeu, en enkele niet-christelijke hermetische, mandaeïsche en manichaeïstische teksten (zie Kurt Rudolph, Gnosis, 1987, blz. 25-30). Men kan ook spreken van een orfische, pythagorische, platonische en oosterse gnosis, maar alle, ook de joodse en christelijke, maken deel uit van een groter verhaal over de universele mysterietraditie.
  3. Een volledige Nederlandse vertaling ervan is verschenen bij Ankh-Hermes, getiteld Nag Hammadi-geschriften.
  4. Pheme Perking, America: The National Catholic Weekly, 7 juli 2003.
 
 

Geheime evangeliën en verdwenen vormen van het christendom – 2
W.T.S. Thackara

 
 

Omdat deze traditie niet alleen wordt bekendgemaakt voor mensen die de grootsheid van het woord beseffen, is het noodzakelijk om de wijsheid die de zoon van God onderwees, in een mysterie te verbergen . . . Want men kan de waarlijk zuivere en transparante woorden die het ware licht eerbiedigen, toch niet zonder meer aan beestachtige en ongeoefende toehoorders openbaren.
                             – Clemens van Alexandrië, Stromateis I.xii

De joodse talmoed vertelt het verhaal van vier mannen die de hemelse Boomgaard (Hebreeuws: pardes of paradijs) binnengingen. Ben Azzai keek en stierf. Ben Zoma keek en verloor zijn verstand. Acher snoeide zijn beplanting, terwijl Rabbi Akiba, die in vrede binnenkwam, in vrede vertrok. Het verhaal is een waarschuwingsvertelling over mystieke wegen omhoog op de zoektocht naar spirituele kennis. In de oude mysteriën werden onvoorbereide reizen altijd verboden, omdat ze als gevaarlijk werden beschouwd, niet alleen voor de psychische en fysieke gezondheid van de ingewijde, maar als mogelijk schadelijk voor anderen wanneer de kennis voor zelfzuchtige doeleinden zou worden misbruikt. Vandaar de strenge discipline en het voorgeschreven stilzwijgen als bescherming tegen schade en misbruik – en het was een reden voor geheimhouding.

Het Evangelie van Thomas verwijst hiernaar als Jezus aan Thomas drie geheime woorden vertelt. Als zijn medediscipelen vragen wat deze zijn, antwoordt Thomas, ‘Als ik jullie een van de woorden verklap die hij mij toevertrouwde, zullen jullie stenen oppakken en naar mij gooien; er zal een vuur uit de stenen komen en jullie verbranden.’ In dezelfde passage (13) vraagt Jezus hen om hem met iemand te vergelijken. Simon Petrus beschrijft Jezus als een rechtvaardige engel, Mattheus noemt hem een wijze filosoof, terwijl Thomas – ‘bedwelmd’ door goddelijke wijsheid die uit een borrelende bron vloeit – zegt ‘mijn mond is absoluut niet in staat om te zeggen op wie u lijkt’. Paulus schrijft in dezelfde geest over de man (hijzelf) die ‘naar het paradijs werd weggevoerd en onuitsprekelijke woorden heeft gehoord, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken’ (2 Cor 12:4).

Verwijzingen naar de mysteriën en de verborgen wijsheid van God in zowel het Nieuwe Testament als de geheime evangeliën suggereren dat enkele van de kernleringen van Jezus waren voorbehouden aan een kleine minderheid en dat ze aan de overgrote meerderheid van trouwe christenen in hoge mate werden onthouden. Hier ligt een enorm probleem betreffende de essentie van het christendom: Berustte het oorspronkelijk op esoterische grondslag, vergelijkbaar met de oude mysteriën? Clemens van Alexandrië, de kerkvader uit de tweede eeuw, bevestigde duidelijk dat dit zo was. De mysteriën van het geloof moeten niet aan iedereen worden bekendgemaakt, schreef hij, terwijl hij ons opdroeg ‘de geheime tradities van de ware gnosis te aanvaarden’ die door de zoon van God werden onderwezen (Stromateis I.xii).

Mythen en gelijkenissen vormden de taal waarin de oude mysteriën werden openbaar gemaakt; en hoewel er geen gedetailleerde uitleg van hogere leringen beschikbaar was, was de oorspronkelijke inhoud ervan nooit geheim. Cicero, bijvoorbeeld, prees Athene voor haar vele bijdragen aan de beschaving, ‘maar niets is beter dan die mysteriën waardoor wij worden gevormd en gekneed uit een ruwe en primitieve toestand van mens-zijn; en in feite beseffen we in de mysteriën de werkelijke beginselen van het leven, en leren niet alleen om gelukkig te leven maar ook om met een groter vertrouwen te sterven’ (De Legibus II.14). De institutionele vormen ervan waren organisaties die zoals in moderne universiteiten ruwweg waren geordend in studies voor beginners en doctoraalstudies – genaamd de kleine en grote mysteriën – waarvan het ‘onderwijsprogramma’ draaide om de mysteriën rond dood en geboorte: het geleidelijk ontwaken en zich verheffen van de ziel tot kennis en vereniging met de goddelijke essentie vanbinnen. Paulus spreekt de taal van de inwijding als hij zegt: ‘Ik doorsta opnieuw weeën totdat Christus in u gestalte heeft gekregen’ (Gal 4:19).

Hoewel de meeste kerken het christendom tegenwoordig afbeelden als een religie die voortkomt uit het jodendom, als een unieke spirituele gebeurtenis waarin Messiaanse profetieën in vervulling gaan, en waarbij het onderwerp ‘geheime kennis’ wordt gebagatelliseerd of vermeden, schetsen hedendaagse historici de ontstaansgeschiedenis van het christendom binnen een veel ingewikkelder, spiritueler, filosofischer en politieker kader dat zich al eeuwenlang aan het ontwikkelen was. Naast het normatieve jodendom, dat zelf op esoterische grondslag berustte (heidenen zagen het jodendom als een geheime mysteriereligie), waren de gemakkelijkst vast te stellen elementen: joodse mystiek en apocalyptische gevoelens, waarin spirituele vernieuwing werd voorspeld aan het spoedig te verwachten einde van het tijdperk; het hellenisme, het Griekse religieuze en filosofische erfgoed dat was verbreid door de veroveringen van Alexander; en Egyptische en oosterse religies – die allemaal werden ingeperkt door de invloed en bepalingen van de Romeinse bezetting.

Deze historische achtergrond is onontbeerlijk om de diverse vormen van het vroege christendom te kunnen begrijpen. De boeken die in deze artikelen worden besproken laten iets van deze samenhang zien, en bieden bovendien waardevolle lessen uit de geschiedenis. Voorop staat het belang van de betekenis van basisbronnen: de noodzaak van kennis van oorspronkelijke teksten en tradities uit de eerste hand, voorzover dit mogelijk is, en ook iets van de afkomst, interpretatie en overlevering. De Nag-Hammadi-geschriften laten bijvoorbeeld zien hoe de populaire en wetenschappelijke mening over het gnosticisme werd en nog steeds wordt verdraaid door het filterende en inprentende effect van de vroege schrijvers over ketterijen. Geheime geschriften vormen echter een speciaal probleem. De ongecensureerde Nag-Hammadi- en andere gnostische documenten blijven duister, want de meeste zijn achtergehouden teksten die verborgen, onbeschrijflijke realiteiten zouden versluieren. Volgens hun eigen beschrijvingen zijn ze hooguit onvolmaakte tweederangs bronnen die deugdelijke verklarende sleutels vereisen, en zonder deze zien niet-ingewijde lezers misschien alleen fantastische verhalen en duistere uitspraken, en niet de verborgen logos binnen de mythe. Het Evangelie volgens Filippus zinspeelt bijvoorbeeld hierop in een passage die sterk doet denken aan de Tao Teh Ching (‘De tao die in woorden wordt uitgedrukt is niet de eeuwige tao; naamloos is de bron van hemel en aarde’):

Namen die aan aardse dingen worden gegeven, zijn erg misleidend, want ze ontlenen hun betekenis aan onvergankelijke zaken en worden gebruikt voor vergankelijke dingen. Wie ‘god’ hoort, denkt niet aan het onvergankelijke, maar is aan het vergankelijke gaan denken. Zo is het ook met ‘de vader’ en ‘de zoon’ en ‘de heilige geest’ en met ‘leven’ en ‘licht’ en met ‘opstanding’ en ‘gemeenschap’ en al het andere . . .

. . . de Zoon zou geen Vader kunnen worden als hij zich niet zou bekleden met de naam van de Vader. Wie deze naam heeft, kent hem wel, maar spreekt hem niet uit. Wie hem echter niet heeft, kent hem ook niet.
             – Nag Hammadi geschriften Dl. 1, blz. 173-4

Secret Gospels1 door Marvin Meyer is een bloemlezing van essays die handelen over het Evangelie van Thomas, het bekendste werk in de Nag-Hammadi-geschriften, en over het controversiële Geheime evangelie van Marcus, ontdekt in 1958 in het Mar-Saba-klooster bij Jeruzalem. Meyer is professor in bijbel- en christelijke studies aan Chapman University en begint met een introductie van de geheime evangeliën en zijn belangrijkste thema’s. Hij plaatst deze teksten in een context door te verwijzen naar Marcus 4:1-20 waar Jezus openlijk onderricht geeft in gelijkenissen, terwijl hij de allegorische interpretatie ervan persoonlijk aan zijn discipelen geeft. Vervolgens verwijst hij naar het apocriefe (geheime) boek van Jacobus, dat beschrijft hoe ‘de twaalf volgelingen allemaal bijeenzitten, en in de herinnering roepen wat de heiland ieder van hen had verteld, ongeacht of het op een verborgen manier of openlijk was gedaan, en dit in boeken ordenden’. Meyer vraagt zich terecht af of dit laatste scenario werkelijk plaatsvond, maar beide episoden wijzen op een vereiste bij het lezen van alle geheime geschriften: zij hebben uitleg nodig en het Evangelie van Thomas legt – cryptisch – de nadruk erop dat ‘ieder die de betekenis van deze woorden ontdekt, de dood niet zal smaken’.

Meyer ziet Thomas en het Geheime Marcus als evangeliën die twee karakteristieke soorten verkondigingen bieden: Thomas een evangelie van wijsheid en het Geheime Marcus een evangelie van het kruis, een symbool van spirituele transformatie en een oproep tot discipelschap. In de zes essays over Thomas bespreekt Meyer het thema van zoeken en vinden, en behandelt een verscheidenheid aan onderwerpen: het beeld van Jezus zoals weergegeven door Thomas, het verband van Thomas als een evangelie van ‘uitspraken’ met de canonieke evangeliën en met ‘Q’ (de broncollectie van uitspraken van Jezus opgenomen in Mattheus en Lucas samen met het verhaal volgens Marcus), en commentaar en andere unieke beeldspraak, bedoeld om aan te sporen tot onderzoek (‘wees voorbijgangers’, ‘Maria mannelijk maken’).

In de essays over het Geheime evangelie van Marcus worden inwijdingspatronen en -thema’s in het vroege christendom besproken en, voor wie van detectiveverhalen houdt, het controversiële mysterie van het auteurschap waarover de wetenschap nog steeds consensus moet krijgen. Het volstaat te zeggen dat elk oude brief of elk oud evangelie ondertekend of getiteld met de naam van een beroemd persoon kritisch moet worden onderzocht op authenticiteit – een onderwerp dat uitgebreider wordt behandeld in Bart Ehrmans Lost Christianities. Het verhaal begint met de ontdekking van Morton Smith van een 17de- of 18de-eeuws manuscript in de bibliotheek van Mar Saba, waarvan wordt beweerd dat het een kopie is van een brief die aan het einde van de 2de eeuw door Clemens van Alexandrië werd geschreven, waarin het geheime evangelie volgens Marcus wordt beschreven en geciteerd. Smith heeft het manuscript gefotografeerd en gerenommeerde Clemenskenners en collega’s er kennis van laten nemen en het met hen besproken. Hij heeft het vijftien jaar lang uitgebreid onderzocht, en publiceerde de resultaten daarvan in 1973 in een werk van 450 bladzijden, uitgegeven door

Eerste bladzijde uit de brief van
Clemens aan Theodorus

Harvard University Press, met foto’s, transcriptie, vertaling en een breedvoerige analyse van het document, de authenticiteit en de historische achtergrond ervan. Hij komt tot de conclusie dat de brief van Clemens echt schijnt te zijn. Meyer merkt voorzichtig op dat, hoewel ook hij aanneemt dat de brief een authentieke kopie is van een oude tekst, het feitelijke manuscript voor wetenschappelijk onderzoek moet worden vrijgegeven.

De brief van Clemens begint met het prijzen van een zekere Theodorus voor ‘het tot zwijgen brengen van de verfoeilijke leringen van de Carpocraten’ – een rivaliserende groep in Alexandrië opgericht door Carpocrates, van wie Clemens de leringen wat betreft inhoud en ethiek verwerpelijk vond. ‘Van de dingen die ze blijven zeggen over het goddelijk geïnspireerde Evangelie van Marcus’, vervolgt hij, ‘zijn sommige volslagen leugens, en andere, zelfs als ze enkele juiste elementen bevatten, zijn niettemin onjuist weergegeven. Want de ware dingen die met verzinsels zijn vermengd, worden verkeerd voorgesteld, zodat, zoals het gezegde luidt, zelfs het zout zijn smaak verliest.’ De brief richt zich vervolgens op het auteurschap van Marcus’ evangeliën een eeuw eerder:

Wat Marcus betreft, gedurende het verblijf van Petrus in Rome schreef hij een verslag over de daden van de Heer. Hij maakte ze echter niet allemaal bekend, en ook verwees hij nog niet naar die welke geheim waren, maar koos die uit die hij de nuttigste vond om het geloof te versterken van hen die onderricht kregen. Maar toen Petrus als martelaar stierf, kwam Marcus naar Alexandrië en bracht zijn eigen notities en die van Petrus mee, waarvan hij de dingen die hij geschikt vond voor alles wat bijdroeg aan een verdere ontwikkeling van kennis [gnosis] overbracht naar zijn eerdere boek. Zo vormde hij een spiritueler evangelie voor het gebruik van hen die bezig waren zich te vervolmaken [teleioumenon, ‘voltooid’ of ingewijd]. Toch onthulde hij nog niet de dingen die niet gezegd mochten worden, noch schreef hij de priesterlijke lering van de Heer op. Maar aan de verhalen die reeds waren opgeschreven voegde hij nog andere toe, en bovendien nam hij bepaalde uitspraken op waarvan hij als mystagoog wist dat de uitleg de (toe)hoorders zou leiden naar het diepste heiligdom van die waarheid die door zeven sluiers wordt verborgen. Dus heeft hij, alles bij elkaar, volgens mij de zaken noch onwillig noch onvoorzichtig voorbereid; en toen hij stierf heeft hij zijn werk nagelaten aan de kerk in Alexandrië, waar het zelfs nu nog heel zorgvuldig wordt bewaakt en alleen wordt bekendgemaakt aan hen die worden ingewijd in de grote mysteriën.

Hoewel deze passage – met zijn beweringen dat er een vertrouwelijke versie van Marcus en van de geheime leringen van de Heer bestaat die niet opgeschreven of verteld mag worden – veel mensen heeft verrast, vormt dit niet de kern van de discussie. Clemenskenners hebben altijd geweten dat hij openlijk verklaarde dat er een geheime traditie bestond, voorbehouden aan de weinige ware gnostici, en dachten dat het christendom de zuivere vertegenwoordiging van Gods ware mysteriën was die anderen hadden gestolen en gecorrumpeerd:

O waarlijk heilige mysteriën! O smetteloos licht! Mijn pad wordt verlicht door toortsen, en ik aanschouw de hemelen en God; ik word heilig terwijl ik word ingewijd. De Heer is de hogepriester, en bezegelt [hem tot stilzwijgen verplicht] terwijl hij hem verlicht die wordt ingewijd, en degene die gelooft voordraagt aan de Vader, om voor altijd veilig te zijn. Dat zijn de droombeelden van mijn mysteriën. Als het uw wens is, moge ook u worden ingewijd; . . .
      – Protreptikós [Aansporing aan de heiden tot bekering], xi

Volgens Clemens was Carpocrates een onechte gnosticus, een ‘dwalende ster’ die, hoewel hij zich beroemde op het bezit van vrijheid, in feite een slaaf van slaafse begeerte was. In de brief legt Clemens uit dat Carpocrates langs slinkse wegen een kopie van het vertrouwelijke evangelie van Marcus had verkregen die hij vervolgens ‘interpreteerde overeenkomstig zijn godslasterlijke en zinnelijke leer en bovendien bezoedelde door de smetteloze en heilige woorden te vermengen met volslagen schaamteloze leugens’. Om Theodorus’ vragen te beantwoorden citeert Clemens twee passages uit het Geheime Marcus, waarvan het langere fragment een variant beschrijft van het verhaal van de opwekking van Lazarus, waarin veel inwijdingssymboliek voorkomt. Vervolgens geeft hij nauwkeurig aan waar in Marcus het verhaal moet worden ingelast (10:34), weerlegt de seksuele interpolatie van Carpocrates met de opmerking dat het nooit deel heeft uitgemaakt van het origineel, en vervolgt: ‘Nu de juiste verklaring en dat wat overeenkomt met de juiste filosofie’ – en hier eindigt de brief abrupt.

Hoewel wij de uitleg van Clemens missen, is de diepere betekenis van een mystiek opstijgen naar Gods koninkrijk vrij duidelijk: Als hij de graftombe binnengaat (het lichaam), wekt Jezus (de Christus vanbinnen) de jongeling (de ziel) tot leven; deze kijkt op naar Jezus, ‘had hem lief’ en ‘smeekte hem bij hem te mogen blijven’ (goddelijke gemeenschap). Als hij de graftombe verlaat om naar het huis van de rijke jongeling te gaan (zijn innerlijke wereld of verblijfplaats), vertelt Jezus de jongeling (neaniskos, een veel gebruikt Grieks woord dat ook ‘dienaar’ betekent) na zes dagen (van inwijdingsbeproeving) om in de avond naar hem toe te komen, naakt (als een baby) maar bekleed met een linnen doek (het doodskleed van een lijk dat de naakte levende geest bedekt, een dubbel symbool van dood en wedergeboorte). Gedurende de nacht onderwees Jezus de neaniskos het mysterie van het koninkrijk van God. ‘En daarna stond hij op en keerde terug naar de andere kant van de Jordaan’ (van de ‘andere oever’ van de heilige rivier, d.w.z., het koninkrijk van God) – gedoopt, wederom opgestaan, en geestelijk wedergeboren.2 De passage bevat geen enkele seksuele beeldspraak en heeft geen seksuele bijbetekenis; toch werken dergelijke verhalen als een spiegel die het bewustzijn van de waarnemer weergeeft – wat doet denken aan Rabbi Akiba en de anderen in de hemelse Boomgaard.

In Meyers essays wordt bekeken hoe de inwijdingsgebeurtenis in het Geheime Marcus samenvalt met het canonieke Marcus-verhaal en licht werpt op andere evangeliegebeurtenissen waarin ook een in linnen gehulde jongeman voorkomt: de gevangengenomen neaniskos ten tijde van de arrestatie van Jezus die er naakt vandoor ging (Marcus 14:51-2); de ‘jongeman bekleed met een wit gewaad die aan de rechterzijde zat’ in de verder lege graftombe van Jezus (Marcus 16:1-8); en het verhaal van Lazarus in Johannes 11 waarin, heel verrassend, Thomas voorkomt die tegen de andere discipelen zegt, ‘Laat ons ook gaan, zodat we met hem kunnen sterven’ – nóg een zinspeling op inwijding. Meyer en andere wetenschappers geloven dat de passages uit het Geheime Marcus misschien tot een vroege versie van het ‘openbare’ Marcus hebben behoord, en later werden weggelaten uit wat de canonieke versie werd – zoals de laatste twaalf verzen uit Marcus (16:9-20), die in de oudste manuscripten niet voorkomen, werden toegevoegd om een theologische denkrichting te versterken. Hoe de feitelijke geschiedenis van het Geheime evangelie van Marcus ook luidt, de brief van Clemens komt niettemin overeen met zijn eigen geschriften en met de symbolen en inwijdingspatronen van de Mysteriën die door veel vroege kerken werden aanvaard.

De gebeurtenis waarbijJezus een nachtelijke inwijding leidt, heeft veel christenen in verwarring gebracht; en zij die het idee verwerpen dat Jezus in het geheim onderricht geeft, citeren vaak Johannes 18:19-21 als gezaghebbende bron. Toen de hogepriester van Jeruzalem Jezus vroeg wat hij onderwees, zou deze hebben geantwoord: ‘Ik heb openlijk tot de hele wereld gesproken. Ik heb altijd onderricht gegeven in de synagoge en in de tempel waar alle joden samenkomen. Ik heb niets in het geheim gezegd’. Alle drie de evangeliën, de brieven van Paulus, de apostolische geheime traditie die door Clemens in zijn bekende geschriften wordt bevestigd, de joodse esoterische achtergrond, en verschillende christelijke gnostische teksten spreken dit echter tegen.3 Bovendien is het Evangelie van Johannes – dat volgens Gregory Riley, Elaine Pagels en andere wetenschappers gedeeltelijk werd geschreven om de leringen die worden aangetroffen in Thomas (Johannes is het enige evangelie met de ongelovige Thomas) te weerspreken of om ze aan te passen – op andere punten in strijd met de synoptische evangeliën, zoals het verslag dat Jezus de tempel reinigde aan het begin van zijn geestelijke loopbaan, terwijl de synoptici dit aan het einde ervan laten gebeuren. De uitspraak van Johannes is ook in strijd met zichzelf, bijvoorbeeld in de episode waarin Jezus Nicodemus in het geheim ’s nachts onderwijst (hfst. 3).

De reden voor deze tegenstrijdigheden is voor een deel dat gedurende de eerste drie eeuwen na Jezus zeer uiteenlopende christelijke gemeenschappen door heel het Romeinse Rijk waren verspreid, en verschillende groepen aanvaardden verschillende tradities die verschillende dingen onderwezen. Er was geen monolithische kerk, geen formeel vastgelegd Nieuwe Testament, geen heersende orthodoxie, maar toen waren er de nog grotere meningsverschillen over het naleven van de joodse wet, over fundamentele theologische kwesties zoals de opstanding en de goddelijkheid van Jezus, en over gnosis en de christelijke geheime traditie. Zoals Paulus de leringen van een betrekkelijk kleine joodse esoterische geloofsgemeenschap opnieuw interpreteerde en transformeerde tot een groeiende niet-joodse beweging die de verrezen Christus verkondigde, zo heeft Irenaeus een orthodoxe leer in het leven geroepen die tegenwoordig voor praktisch alle christenen de maatgevende geloofsovertuiging is. Het verhaal over wat er gebeurde met de andere groeperingen en hun teksten en ‘hoe één vroegchristelijke groepering in de religie een overheersende rol ging spelen, en nog eeuwen later bepaalde wat christenen zouden geloven, zouden praktiseren en als heilige Schrift zouden lezen’ is het belangrijkste onderwerp van Bart Ehrmans Lost Christianities: The Battles for Scripture and the Faiths We Never Knew [Verdwenen vormen van het christendom: De strijd om heilige geschriften en geloofsovertuigingen die we nooit hebben gekend] – en het onderwerp van ons volgende artikel.


Noten

  1. Secret Gospels: Essays on Thomas and the Secret Gospel of Mark, Trinity Press International, Harrisburg, PA, 2003; ISBN 1563384094, 208 blz., paperback.
  2. In de oude joodse leer was het doodskleed het opstandingskleed. Volgens een rabbijnse passage ‘wordt een mens tot leven gewekt in dezelfde kleren als waarin hij wordt begraven’ (Smith, A Secret Gospel of Mark, blz. 177). De voorgeschreven rituele kleding bij vroegchristelijke doopceremonies was ook een linnen kleed over een naakt lichaam. Deze symbolen en riten van spirituele wedergeboorte worden door de neoplatonist Plotinus filosofisch toegelicht:
       Het bereiken van [het Goede] is voor hen die het opwaartse pad nemen, die al hun inspanningen erop zullen richten, die zich zullen ontdoen van alles wat we bij onze afdaling [in stoffelijke lichamen] hebben aangenomen; dus voor hen die de Heilige Vieringen van de Mysteriën naderen, zijn er vaststaande zuiveringen en het afleggen van de voorheen gedragen kleding [van de ziel], en het binnengaan in naaktheid [van geest] – tot het passeren, op de weg omhoog, van alles wat niet tot de [innerlijke] God behoort: ieder zal in de eenzaamheid van zichzelf dat in eenzaamheid verblijvende Bestaan aanschouwen, het Afzonderlijke, het Onvermengde, het Zuivere, dat waarvan alle dingen afhankelijk zijn, . . . de Bron van het Leven en van Inzicht en van Zijn.    – Enneaden I.6.7
  3. Vgl. Margaret Barker, ‘The Secret Tradition’, Journal of Higher Criticism (2:1), 1995.
 
 

Geheime evangeliën en verdwenen vormen van het christendom – 3
Het herontdekken van Oude Stemmen

W.T.S. Thackara

 
 

Als het geloof in onsterfelijkheid uit de grijze oudheid stamt, hoe kan de vrees voor de dood dan de oudste van alle angsten zijn?    – Plutarchus, Over de ziel

De angst en verwondering over het hiernamaals zijn de kern van praktisch elke oude en hedendaagse spirituele traditie, waaronder het christendom, waarvan het canonieke verhaal zich niet alleen richt op de dood en opstanding van Jezus, maar op de dood, opstanding en beoordeling van ieder mens. Het evangelie of ‘de blijde boodschap’ van het geloof bevestigt de onsterfelijkheid van de ziel en belooft de gelovigen verlossing en eeuwig leven in het hemelse koninkrijk, bevrijd van de last van lijden en verdriet.

De verborgen of geheime traditie die wordt verwoord in het Evangelie volgens Thomas bevestigt eveneens het oude geloof, maar bepleit de noodzaak om kennis te beschermen, en drukt in bedekte termen feitelijk hetzelfde inwijdingspatroon van beproeving en vernieuwing uit dat wordt ervaren in de Mysteriën – moeilijke omstandigheden en duisternis gevolgd door goddelijke openbaring, bevrijding en de lauwerkrans of kroon van Zelf-beheersing, hetgeen goddelijke gemeenschap symboliseert:

Jezus zei, ‘Laat hij die zoekt blijven zoeken totdat hij vindt. Wanneer hij vindt, zal hij verontrust worden. Wanneer hij verontrust wordt, zal hij verbaasd zijn, en hij zal heerser worden over het Al.’    – Spreuk 2

Dit patroon wordt ook allegorisch voorgesteld in de lijdensweg, opstanding en heerschappij van Jezus in de evangelieverhalen. Tot op zekere hoogte kan het ook worden herkend in onze eigen persoonlijke zoektocht naar waarheid.

In een poging verband te leggen tussen ‘laatste dingen’ – het einde van iemands leven, het einde van een eeuw, of het einde van de wereld – en het levensdoel en de juiste levenshouding, wordt in heilige tradities de geschiedenis van verlossing vaak voorgesteld als een wedstrijd of gevecht tussen goed en kwaad, tussen geestelijke en stoffelijke krachten en tussen kosmos en chaos. Dit speelt zich voornamelijk af in de menselijke ziel. In harmonie leven met de goddelijke bron van het leven, hoe dit ook wordt opgevat, zou nu en in de toekomst geluk brengen. In het gunstigste geval zouden we kunnen hopen op, misschien zelfs rekenen op, een eendrachtig front van spiritueel getrouwen; maar tegenkrachten doen zich ook hier voor en zaaien tweedracht en onenigheid.

Religieuze verschillen worden vaak toegeschreven aan onbetrouwbare of misleide leraren, maar veel tradities zinspelen op een subtielere spanning tussen profeten en priesters, contemplatieven en geestelijken, en tussen zoekers naar goddelijke wijsheid en mensen die geloven in de heersende religie. Het begrijpen van deze conflicten en de interactie met de culturele en politieke geschiedenis helpt ons de verscheidenheid te begrijpen die zich al snel voordeed binnen de vroegste christelijke gemeenschappen, die allen een gemeenschappelijke interesse hadden in ‘laatste dingen’.

Als Jezus naar heilige geschriften verwijst, bedoelt hij joodse geschriften en in één opzicht is de Hebreeuwse bijbel evenzeer een geschiedenis van verlossing als van het uitverkoren zijn, van een verbond, en van een leven van heiligheid. De kiem van het verhaal ligt in Genesis, wanneer God Abraham vertelt dat hij hem naar een nieuw land zal brengen, een belofte die aan Mozes opnieuw wordt gedaan: het volk van Israël zal van de Egyptische slavernij worden geleid ‘naar een goed en uitgestrekt land, naar een land, overvloeiend van melk en honing’. Toen zij zich vestigden in Kanaän, dachten ze dat die beloftes waren vervuld. Na verloop van tijd werd de Eerste Tempel in Jeruzalem gebouwd, waarvan het binnenste heiligdom, het Heilige der Heiligen, werd verborgen door een voorhang, een zichtbare vertegenwoordiging van Gods aanwezigheid en mysteriën.

Na David en Salomo ontstonden er scheidingen in de godsdienst en het volk, en verschenen er een reeks veroveraars. De Assyriërs versloegen het noordelijke koninkrijk Israël in 721 v.Chr. en de Babyloniërs vernietigden Jeruzalem in 586 v.Chr., en zonden joodse leiders, priesters en anderen in ballingschap. Deze gebeurtenissen werden opgevat als Gods (Jahweh’s) straf voor het aanbidden van andere goden en het zich niet aan zijn geboden houden. Na de vrijlating uit gevangenschap keerden sommige joden terug naar Jeruzalem om de Tempel te herbouwen, de verering van Jahweh te hervormen en, volgens 2 Esdras, werd Ezra geïnspireerd om de 24 openbare en 70 geheime boeken van de Hebreeuwse geschriften te dicteren om de boeken die tijdens de ballingschap verloren waren gegaan te vervangen.

De buitenlandse onderdrukking bleef echter voortduren, en de latere profeten, ongetwijfeld beïnvloed door denkbeelden die verband hielden met de leer van Zarathoestra en die werden vergaard tijdens de ballingschap, begonnen dit niet zozeer te zien als straf maar als het werk van kosmische krachten die vijandig stonden tegenover God. Een nieuw type esoterische visionaire geschriften, die apocalyptisch werden genoemd (van het Griekse apocalypsis, ‘openbaring’), begon te circuleren. Hierin werd bekendgemaakt dat God spoedig zou ingrijpen in de geschiedenis door zijn Messias (‘gezalfde’) te zenden om gerechtigheid te herstellen. De profeet Elija zal dan als voorbode terugkeren om berouw te prediken voor ‘de grote en verschrikkelijk dag van de Heer’ die deze laatste periode, die wordt gekenmerkt door rampspoed en kosmische strijd tussen Gods volk en hun vijanden, afsluit. De levenden en de doden zullen allen worden opgewekt om door God geoordeeld te worden: de zondigen zullen worden veroordeeld tot eeuwige kwelling of vernietiging, en zij die genade vinden zullen leven in overvloed op een vernieuwde en hemelse aarde en vreugde vinden in de hemelse heerschappij van God.1

Deze denkbeelden werden tot in detail uitgewerkt door de ultraconservatieve en apocalyptische Qumram-gemeenschap in hun sektarische geschriften (gevonden in de Dode Zeerollen), waarvan de meeste, of allemaal, tussen 150 v.Chr. en 68 n.Chr. werden geproduceerd. Deze intertestamentaire periode was een tijd van zeer grote Messiaanse verwachtingen en gedurende dit tijdperk ontstond een soortgelijke apocalyptische joodse geloofsgemeenschap van gedoopten die veranderde in een beweging met veel vertakkingen en die al snel het christendom zou worden genoemd. Evenals de Nag-Hammadi-teksten ons dwingen ons begrip van het gnosticisme aanzienlijk te wijzigen, zo helpen de Qumran-rollen ons de ingewikkelde afkomst van het christendom en haar relatie met oude tradities van spirituele gnosis te begrijpen. Evenals de huidige theosofische en new-age-bewegingen waren de geheime tradities onderling verschillend; er was beslist niet maar één enkele vorm van gnosis of ‘gnosticisme’, hetzij joods, christelijk of iets anders. Terwijl bijvoorbeeld de Qumran-geschriften regelmatig verwijzen naar geheime mysteriën die waren voorbehouden aan de uitverkorenen en het belang van spirituele kennis, loven zij duidelijk de enige God, zijn wet en de goedheid van zijn schepping, in tegenstelling tot enkele latere joods-christelijke gnostische teksten waarin kritiek wordt geuit op het Jahwistisch monotheïsme:

van Zijn verbazingwekkende mysteriën is het licht in mijn hart.

Mijn ogen hebben aanschouwd dat wat eeuwig is, de wijsheid verborgen voor de mens, de kennis en het wijze ontwerp (verborgen) voor de mensheid; . . .    – Gemeenschapsregel, 1 QS XI (naar Eng. vert. Vermes)

De Qumran-geschriften spreken ook over een ‘verbond van genade’, een ‘nieuw verbond’ als een ‘gemeenschap van waarheid’ en een toevluchtsoord gedurende de ‘oorlog van de hemelse krijgers [die] de aarde zullen teisteren’ tot de vastgestelde vernietiging: ‘Ik zal mij verlaten op uw waarheid, Oh mijn God. Want op de rots zult u de grondslag leggen’ (verg. Matt 16:18, ‘op deze rots zal ik mijn gemeenschap bouwen’). Volgens de ‘Messiaanse Apocalyps’ (4Q521), ‘zal de Heer [Adonai] grootse dingen volbrengen . . . Want hij zal de gewonden genezen en de doden doen herleven en de armen goed nieuws brengen.’ De gemeenschap verwachtte een priesterlijke en koninklijke Messias, de ster en scepter (mogelijk verenigd in één persoon als ‘de Messias van hemel en aarde’), en verkondigde dat de eindtijd ongeveer veertig jaar na de dood van hun leider, de leraar van rechtvaardigheid, zou aanvangen. De meeste wetenschappers dateren dit begin ergens tijdens het bewind van Alexander Janneus in het begin van de eerste eeuw v.Chr., een voorspelling die de latere talmoedische verhalen, die Jezus in dezelfde eeuw plaatsen, misschien hebben beïnvloed.

De Messias verscheen echter niet of werd niet herkend, en de bevolking van Qumran begon haar verwachtingen – en geschriften – te herzien om het uitstel te verklaren. Met de inname van Jeruzalem door de Romeinen, de vernietiging van de Tweede Tempel, en de wijdverbreide onderdrukking van 66-70 n.Chr., werden de rollen begraven in nabijgelegen grotten en de gemeenschap viel uiteen. De Messiaanse verwachtingen bleven bij veel joden in verschillende vormen bestaan, terwijl er ook joden waren en een toenemend aantal niet-joden die van mening waren dat deze verwachtingen al waren vervuld in de persoon van Jezus, van wie zij geloofden dat hij de voorspelde ‘gezalfde’ was (Gk. christos). Weer anderen geloofden dat de Samaritaanse jood Simon (Magus), die beweerde de opvolger te zijn van Johannes de Doper, zelf was uitgekozen door ‘de Standvastige’ (God) – een verwijzing naar een ander soort ‘zalving’, die ook wordt aangetroffen in de joods-christelijke theologie van de Elkesaïeten. In het Egyptische jodendom was bovendien een quasi-Messiaanse verwachting van een Verlosser-Koning, beschreven in de Sibillijnse Orakels, die voorspelden dat ‘God vanaf de Zon een Koning zal zenden’ (3:652-6).2

Bart D. Ehrmans Lost Christianities: The Battles for Scripture and the Faiths We Never Knew3 pakt het verhaal op aan het begin van het christelijke tijdperk en geeft een overzicht van de ingewikkelde problemen waarmee niet alleen de vroegchristelijke beweging wordt geplaagd, maar ook latere generaties christenen, wetenschappers en andere geïnteresseerden. Ehrman is voorzitter van de theologische faculteit van de universiteit van North Carolina in Chapel Hill, en heeft zich gespecialiseerd in de interpretatie van het Nieuwe Testament en de geschiedenis van het vroege christendom. Hij heeft ook een aantal niet-canonieke christelijke geschriften vertaald die zijn opgenomen in een aanvullend boekdeel. Niet al deze geschriften zijn gnostisch; vele zijn in feite nogal orthodox, maar zijn om een of andere reden uiteindelijk niet in het Nieuwe Testament opgenomen.4

Na een praktische inleiding over de verschillende vormen van het oude christendom en ‘verloren gegane’ (maar bekende) geschriften met de toepasselijke titel ‘Het herstellen van ons verlies’, verdeelt Ehrman het boek in drie hoofdsecties: (1) Vervalsingen en Ontdekkingen, dat vraagstukken met betrekking tot de oorsprong, de bewerking en de authenticiteit van de teksten onderzoekt, waaronder besprekingen van het Evangelie volgens Thomas en het Geheime evangelie volgens Marcus; (2) Ketterijen en Orthodoxe Ideeën, dat aandacht besteedt aan het brede scala aan vroegchristelijke gemeenschappen, hun leer en de ontwikkeling van een ‘proto-orthodoxie’; en (3) Winnaars en Verliezers, dat een overzicht geeft van het ‘arsenaal’ aan religieuze intriges (polemiek, persoonlijke belastering, onjuiste voorstelling, en ‘verzonnen’ heilige geschriften), met een historisch overzicht van hoe de academische wetenschap de christelijke ontstaansgeschiedenis op verschillende manieren opnieuw heeft uitgelegd – een onderwerp waar Karen King in What is Gnosticism? dieper op ingaat. Lost Christianities wordt over de hele linie zorgvuldig gepresenteerd en besluit met een toepasselijk hoofdstuk waarin vraagstukken over diversiteit en tolerantie en over ‘winnaars als verliezers’ worden besproken.

In Deel 1 wordt echter een netelige en problematische kwestie naar voren gebracht. Hier verklaart Ehrman dat ‘bijna alle ‘verdwenen’ heilige geschriften van de eerste christenen vervalsingen waren’ (blz. 9), waarbij hij vervalsing omschrijft als het werk van een onbekende auteur die doet alsof het van een bekende figuur zoals een apostel is. Hij wijst erop dat de meeste wetenschappers de voorkeur geven aan de minder ongunstige bewoordingen ‘onder pseudoniem (een schuilnaam) geschreven’ en dat dit in de oudheid gebruikelijk was, en voegt eraan toe dat ook een aantal canonieke geschriften vervalsingen zijn. Hij toont bijvoorbeeld aan dat enkele van de brieven van Paulus waarschijnlijk zijn geschreven door anderen die er een andere mening op nahielden.

Bij veel geschriften die onder pseudoniem zijn geschreven gaat het om totaal andere motieven dan vervalsing of misleiding. Helaas – en deze beperking beïnvloedt het perspectief van het hele boek – verzuimt Ehrman het ascetische protocol te vermelden dat in deze oude werken wordt gevolgd, vooral in esoterische geschriften, waarvan de auteurs ‘hun eigen identiteit en namen verborgen en zich verstopten achter bijbelse figuren zoals Enoch, Noach, Abraham, Mozes, Baruch, Daniël, Ezra en anderen’ (Gershom Scholem, Kabbalah, blz. 11).

De esoterische kennis in deze boeken stelde niet alleen de openbaring van het einde der tijden en de adembenemende verschrikkingen ervan aan de orde, maar ook de structuur van de verborgen wereld en haar bewoners: de hemel, het Paradijs, en Gehinnom, engelen en boze geesten, en het lot van de zielen in deze verborgen wereld . . . [en] ‘de verbazingwekkende geheimen’ van God die in de Dode-Zeerollen worden genoemd.

. . . In de eeuwen die volgden zette dit pseudepigrafische patroon zich voort binnen de mystieke traditie. De duidelijke neiging tot ascetisme als een manier om zich voor te bereiden om de mystieke traditie te ontvangen, waarvan het laatste hoofdstuk van het Boek Enoch al getuigt, wordt een grondbeginsel voor de apocalyptici, de Essenen en de mystici van de kring van Merkabah [Troon] die hen opvolgden.
   – Op.cit.

Omdat veel vroegchristelijke schrijvers geheel opgingen in deze traditie, hebben ze ongetwijfeld dezelfde algemeen aanvaarde gewoonte overgenomen.

Terwijl Ehrman het Evangelie van Thomas op dezelfde gronden als een vervalsing kwalificeert, spreekt hij de canonieke evangeliën vervolgens hiervan vrij. Volgens hem maakten de onbekende schrijvers ervan geen speciale aanspraak op auteurschap, zelfs al zeiden de mensen later dat ze werden geschreven door Mattheus, Marcus, enz. in plaats van ‘volgens’ zoals hun respectieve titels aangeven. Ik vind dit onderscheid dubieus, en men kan hetzelfde bezwaar maken tegen de evangeliën. Bovendien wordt erin geclaimd dat Jezus de auteur is van het Onze Vader, de zaligsprekingen, de afscheidsredes en andere uitspraken, die via de discipelen zijn overgeleverd. Er schijnt weinig verschil te zijn tussen deze claim en die van het Evangelie ‘volgens’ Thomas (de eigenlijke titel), waarin de anonieme samensteller de apostel die verondersteld wordt de uitspraken te hebben opgetekend alleen noemt (Thomas wordt alleen in de derde persoon vermeld – nooit als ‘Ik, Thomas’).

Deze voorbeelden maken duidelijk hoe moeilijk het is de authenticiteit en de betekenis van een religieuze tekst te beoordelen. Gewijzigde, verwrongen en vervalste geschriften waren en zijn een enorm probleem voor elke religie die steunt op een heilig geschrift. In het hele boek onderzoekt Ehrman deze en andere kwesties van tekstuele ontwikkeling en overdracht in vroegchristelijke gemeenschappen. Eén speciaal onderzoeksgebied betreft de canonieke geschriften en hoe deze werden gevormd, aangepast en soms ‘vervalst’ om ‘ketterse’ interpretaties te vermijden.

Om de verscheidenheid van de eerste christenen te illustreren richt Deel 2 zich op de leringen en de geschiedenis van twee groeperingen aan de tegenovergestelde uiteinden van het spectrum – de Ebionieten en de Marcionieten – en ook op gnostisch christelijke stelsels, vooral dat van Valentinus, door ze te vergelijken met de zich ontwikkelende ‘proto-orthodoxe’ gezichtspunten. Deze gemeenschappen zijn moeilijk te karakteriseren omdat informatie vaak schaars, inconsequent en bevooroordeeld is; bovendien wijzigden ze soms, evenals hedendaagse christelijke sekten, hun standpunten, verschilden onderling van mening, en scheidden ze zich af. Daarom geeft Ehrman een beschrijving die representatief kan worden geacht.

Ebionieten (de ‘armen’) waren joodse christenen die de joodse leer niet verwierpen. Zij geloofden dat Jezus de natuurlijke zoon van Jozef en Maria was, maar bij de doop door God was ‘uitgekozen’ als de meest rechtschapen mens op aarde. Naast de Hebreeuwse geschriften lijken zij het Evangelie naar Mattheus, of een bewerkte versie ervan (bijv. geen geboorteverhaal van een maagdelijke geboorte), te hebben erkend, maar bestreden fel dat Paulus een afvallige van de Wet zou zijn, in het bijzonder dat hij zou toestaan dat mannelijke joden niet werden besneden, wat het teken van het verbond was. Wat geheime leringen betreft, afgezien van de vrijwel vaststaande conclusie van het bestaan van een joodse esoterie, wordt hierop verschillende keren gezinspeeld in de pseudo-clementijnse literatuur die door de Ebionieten zijn gebruikt, bijv. ‘het ware evangelie moet in het geheim worden verkondigd ter rectificatie van ketterijen die er zullen komen’ (Homiliën 2.17). Wanneer Ehrman de pseudo-clementijnen bespreekt noemt hij dit aspect echter niet.

Het andere uiterste vormden de Marcionieten, gesticht door de tweede-eeuwse theoloog Marcion, zoon van een christelijke bisschop en zelf bisschop. Deze goed georganiseerde gemeenschap werd door de orthodoxe kerk beschouwd als misschien wel haar gevaarlijkste vijand. Door Paulus te eren als de enige ware apostel en het evangelie van Christus als een universele boodschap, trachtte Marcion het christendom te zuiveren van zijn joodse elementen, en stelde zelfs zijn eigen christelijke canon samen: tien brieven van Paulus en een verkorte versie van Lukas. Hij werd gekweld door de discrepantie tussen de toornige, wraakzuchtige en wreed bestraffende God van de Hebreeuwse bijbel en de liefdevolle, barmhartige, vergevensgezinde God die Jezus predikte. Hij kwam tot het inzicht dat er twee goden waren: de voordien-onbekende God over alles ‘gescheiden door een oneindige afstand’ van de rechtvaardige (maar niet slechte) God van Genesis die de mens en de stoffelijke wereld heeft geschapen. Christus werd gezonden door de eerstgenoemde en was noch de beloofde Messias noch was hij uit een vrouw geboren. Hij was veeleer een goddelijke manifestatie: een docetische ‘geestverschijning’ die aan het kruis is gestorven om de mensheid te verlossen van het eigendomsrecht van haar inferieure schepper. Marcions leer verwierp een lichamelijke opstanding, bevestigde in plaats daarvan dat bevrijding uit deze stoffelijke wereld mogelijk is door middel van strenge ascese en geloof in de belofte van een eeuwig leven met de God boven alles.

Ehrman vervolgt met een uitgebreid overzicht van de bronnen en leerstellingen van christelijke gnostici die de vraag probeerden te beantwoorden waarom het slechte mensen goed gaat en deugdzame mensen lijden – en hun geschriften waarin de stoffelijke wereld wordt afgeschilderd als de onvolmaakte (soms kwade) schepping van een onwetende schepper, die meestal wordt vereenzelvigd met Jahweh. Hier merkt Ehrman op dat niet alle gnostici deze theologie deelden: ‘Het is onmogelijk de gezichtspunten, vooronderstellingen en religieuze perspectieven van deze [Nag-Hammadi-teksten] samen te voegen tot één monolithisch stelsel’ (blz. 115). Het resterende deel van Lost Christianities wordt grotendeels besteed aan de ‘proto-orthodoxe’ reactie op deze rivaliserende groeperingen, hun aanval op het gnosticisme, Constantijns goedkeuring van wat het normatieve christendom werd, de daaropvolgende onderdrukking van ‘ketterijen’, en het verlies van veel christelijke stemmen die het in deze tijd verdienen om gehoord te worden. Die discussie en Karen Kings What is Gnosticism? zijn het onderwerp van ons volgende artikel.

 

Noten

  1. Zie ‘eschatology’, Harper’s Bible Dictionary, op basis waarvan deze samenvatting is gemaakt; over de invloed van de leer van Zarathoestra, Cosmos, Chaos, and the World to Come door Norman Cohn. In Lost Prophet: The Book of Enoch and Its Influence on Christianity, beweert Margaret Barker dat de apocalyptische wereldbeschouwing ook de wereldbeschouwing was van het jodendom van de Eerste Tempel.
  2. Vgl. Geza Vermes, The Complete Dead Sea Scrolls in English, 1997; John J. Collins, The Scepter and the Star: The Messiahs of the Dead Sea Scrolls and Other Ancient Literature, 1995.
  3. Oxford University Press, 2003; ISBN 0195141830, 336 blz. gebonden.
  4. Lost Scripitures: Books that Did Not Make It into the New Testament, Oxford University Press, New York, 2003. Dit werk bestaat uit 14 evangeliën, 5 handelingen van de apostelen, 14 zendbrieven en daaraan gerelateerde geschriften, 9 openbaringsgeschriften en openbarende verhandelingen en 5 canonieke lijsten met christelijke geschriften.
 

Geheime evangeliën en verdwenen vormen van het christendom – 4
Wat is gnosticisme?

W.T.S. Thackara

 
 

Niet alleen de doop bevrijdt ons, maar ook gnosis [kennis]: wie we waren, wat we zijn geworden; waar we waren, waarin we zijn beland; waarheen we ons spoeden, waaruit we zijn verlost; wat geboorte en wat wedergeboorte is.
        – Excerpta ex Theodoto 78.2

Toen de historicus Hans Jonas de essentie van wat we gnosticisme zijn gaan noemen samenvatte, noemde hij deze verklaring de ‘formulering van Valentinus’, de christelijke gnosticus uit de 2de eeuw die beweerde de geheime leringen van Jezus via een discipel van Paulus te hebben ontvangen. Deze formulering berust op de veronderstelling dat ‘hoewel we in de tijdelijkheid zijn geworpen, onze oorsprong in de eeuwigheid lag, en dus ook ons doel in de eeuwigheid ligt’ (The Gnostic Religion, blz. 335). Hoewel gnostische leraren en stromingen uit het vroegchristelijke tijdperk wat betreft bepaalde leringen en praktijken belangrijk van elkaar verschilden, deelden ze niettemin deze basisvisie over de goddelijke afkomst van de mens, evenals de eerste kerken die het maatgevende of algemeen gangbare christendom begonnen te vertegenwoordigen. Personen en groepen verschilden voornamelijk van mening over kwesties zoals: wie wordt er gered, hoe en wanneer zal verlossing of verlichting worden gerealiseerd, wat zijn juiste voorstellingen van God en het heelal, en waarom bestaan kwaad en lijden – vragen die te maken hebben met zeer diepgaande en gevoelige vraagstukken betreffende het leven en gedrag van de mens.

Het zich bewust worden van het geloof en het ervaren van goddelijke werkelijkheid vormen de inspiratie voor de kern van de spirituele en filosofische tradities in de wereld. De Heilige Schrift en de leer zijn uiteindelijk daaruit voortgekomen en toch berust de onderliggende grondslag ervan – de openbaring van goddelijke wijsheid – op profeten, wijzen, zieners, mystici en gezalfden die de ontvangers zijn van spirituele kennis en deze doorgeven. Wanneer leringen niet persoonlijk op waarheid kunnen worden onderzocht, of in tegenspraak met elkaar lijken te zijn, rijzen vragen over authenticiteit en betrouwbaarheid, en daarom komen we terug op de vraag van Pilatus, ‘Wat is waarheid?’

In deel drie van Bart D. Ehrmans Lost Christianities en in het grootste deel van Karen L. Kings What is Gnosticism? – beide uitstekende en goedgeschreven boeken1 – wordt het conflict tussen orthodoxie en ketterij beschreven. Zij besteden niet alleen aandacht aan de vroegchristelijke geschiedenis zoals deze is beschreven door de theologisch gedreven ‘winnaars’, maar zoals deze opnieuw is onderzocht en geïnterpreteerd door wetenschappers in het licht van de groeiende hoeveelheid uit documenten bestaand bewijsmateriaal, zoals de Nag-Hammadi-bibliotheek en andere oude teksten. Volgens oude kerkhistorici is de christelijke ketterij begonnen met Simon de Magiër van Samaria, die zijn vermogens gebruikte om anderen ervan te overtuigen dat hij ‘de kracht van God was die groot wordt genoemd’ (Handelingen 8). Toen Irenaeus een eeuw later de geschiedenis traceerde van ‘gnosis, die onterecht zo wordt genoemd’, beweerde hij dat Simon de oorspronkelijke gnosticus was ‘bij wie alle ketterij is begonnen’; daarbij onderscheidde hij ze van de orthodoxie: de ‘juiste meningen’ die de ware leer van Jezus getrouw weergeven.

Ketterij [Engels: heresy] is echter een woord met een interessante, maar weinig bekende, geschiedenis. Het is afgeleid van het Griekse hairesis, ‘keuze’, en was oorspronkelijk een neutraal woord dat onder andere de betekenis had van een religieuze sekte, zoals bijvoorbeeld toen de joodse historicus Josephus verwees naar de Sadduceeën, Farizeeën en de Essenen. Elke sekte (hairesis) was een gemeenschap waarvan de aanhangers verkozen erbij te horen – net zoals een hedendaagse christen zou kunnen kiezen een methodist of een katholiek te zijn. De meeste oude kerkvaders gaven aan de term een nieuwe definitie: ‘opzettelijke beslissingen om van het juiste geloof af te wijken; het betekent een verdraaiing van het geloof, die men bij slechts een minderheid aantreft’ (Ehrman, blz. 164).

De woorden gnosis en gnostisch werden op dezelfde manier tot demonen gemaakt zodat ook deze gedurende bijna twee millennia termen van afkeuring zijn geweest, bijna synoniem met ‘ketterij’ – ondanks het zeer orthodoxe pleidooi van Clemens van Alexandrië dat we ‘de geheime tradities van de ware gnosis ontvangen’ die door de Zoon van God zijn onderwezen, en dat de ware christen zou moeten worden gezien als de ware gnosticus (Stromateis I.xii, II passim). Veel van de ‘proto-orthodoxe’ religieuze pennenstrijd hield zich echter bezig met de grenzen van het juiste geloof door het te onderscheiden van met elkaar in tegenspraak zijnde leringen die werden gesteund door personen en groeperingen zowel in als buiten hun gemeenschap. Uit dit pluralisme ontstond de omschrijving door de kerk van het ware geloof en van ‘ketterij’ wat zich geleidelijk aan vormde tot een ‘modelverhaal’ van de christelijke geschiedenis:

(1) Jezus openbaart de zuivere leer aan zijn apostelen, gedeeltelijk vóór zijn dood en gedeeltelijk in de veertig dagen voor zijn hemelvaart.

(2) Na het definitieve vertrek van Jezus verdeelden de apostelen de wereld onder elkaar en een ieder brengt het onvervalste evangelie naar het land dat hem is toebedeeld.

(3) . . . Maar nu ontstaan er hinderpalen binnen het christendom zelf. De duivel kan het niet laten onkruid te zaaien op het goddelijke tarweveld – en daarin slaagt hij. Echte christenen die door hem zijn verblind keren zich van de zuivere leer af. Deze ontwikkeling verloopt in een bepaalde volgorde: ongeloof, juist geloof, verkeerd geloof . . . daar waar ketterij is, moet orthodoxie aan vooraf zijn gegaan . . .
      – Walter Bauer, Orthodoxy and Heresy, geciteerd in King, blz. 111

Toen de kerk zich in de 4de eeuw eenmaal van politieke macht verzekerde, onderdrukte deze op agressieve manier niet alleen rivaliserende sekten en religies, maar praktisch al het kritische onderzoek van het modelverhaal. Met de Renaissance, de Reformatie en de komst van de Europese Verlichting meer dan duizend jaar later, begon men echter de religieuze aannames waarop men zich lange tijd had gebaseerd, openlijker te onderzoeken. In de 18de eeuw ‘groeide ernstige bezorgdheid over de historische juistheid van de bijbel,’ schrijft Ehrman, ‘toen bovennatuurlijke leringen over goddelijke openbaring die de waarheid van de Heilige Schrift garandeerden een zaak van wetenschappelijk debat werd . . . niet alleen onder hen die vonden dat ze buiten de christelijke traditie stonden, maar in het bijzonder onder hen die er deel van uitmaakten’ (blz. 168). Ondanks het gebrek aan oorspronkelijke bronnen werden de gnostische stelsels toch behandeld als een betrekkelijk homogene theologische entiteit waarvan de karakterisering bijna geheel afhing van de zwaar bevooroordeelde patristische bronnen. Terwijl wetenschappers en theologen worstelden met onderwerpen zoals de historiciteit van Jezus en de bijbelse onfeilbaarheid2, verflauwde het onderzoek van het gnosticisme, omdat het werd beschouwd (en door de meeste christenen nog wordt beschouwd) als een ‘marginale, sektarische, esoterische, mythische, syncretistische, parasiterende en oosterse religie, in tegenstelling tot de heersende, authentieke, etnische, historische, rationele of universele religies, zoals het orthodoxe christendom’ (King, blz. 3).

Toen de in de 19de eeuw herontdekte Egyptische, Mesopotamische, Perzische en Aziatische religieuze teksten de westerse intellectuele horizon begonnen te verruimen, werd de belangstelling voor het gnosticisme opnieuw aangewakkerd, mogelijk als reactie op wat deze teksten suggereerden over de oorsprong van joodse en christelijke geschriften en leringen. In 1885 noemde de protestantse kerkhistoricus Adolf Harnack in zijn monumentale History of Dogma het gnosticisme ‘de acute vergrieksing van het christendom’. Hiermee bedoelde hij dat het gnosticisme ‘voornamelijk werd beheerst door de Griekse geest en werd bepaald door de belangen en leringen van de Griekse filosofie en godsdienst’. Terwijl Harnack de verruimende invloed van de Griekse cultuur gunstig vond voor het christendom, beschouwde hij niettemin haar mythologie en polytheïsme als parasitaire invloeden die de weg vrijmaakten voor ‘het transformeren van de disciplina Evangelii tot een ascetisme dat gebaseerd was op een dualistische opvatting en tot een praktijk van mysteriën’.

Harnack maakte het volgende overzicht van verschillende kenmerken waarvan hij vond dat ze de essentie van het gnosticisme duidelijk omschreven: (1) Het gnostische denken maakte onderscheid tussen de oppermachtige God en de schepper. (2) De oppermachtige God was gescheiden van de God van het Oude Testament. (3) Stof werd beschouwd als onafhankelijk en eeuwig. (4) De geschapen wereld was het product van hetzij een slecht wezen of een tussenpersoon die handelde uit vijandigheid tegenover de hoogste God. (5) Het kwaad was een kracht die inherent is aan stof. (6) Christus openbaarde een voorheen onbekende God. (7) Gnostische christologie maakte een onderscheid tussen Jezus in zijn menselijke gedaante en de hemelse Christus. (8) Mensen werden onderverdeeld in twee of drie klassen, afhankelijk van het feit of ze geest (pneuma), ziel (psyche), of alleen een stoffelijke (hylische) aard bezaten. Alleen spirituele mensen waren ‘ontvankelijk voor gnosis en het goddelijke leven . . . op grond van hun constitutie’. (9) Gnostici verwierpen de wederkomst, de opstanding van het lichaam, en het laatste oordeel, en wachtten alleen op de bevrijding van de zinnelijke wereld en het opgaan in het hemelse pleroma, de ‘volheid’ van Gods koninkrijk (King, blz. 62-3).

Volgens King reconstrueerden zulke definities grotendeels alleen het modelverhaal waarin het gnosticisme werd beschouwd als een afwijkende mening, ontstaan na de kruisiging, en beïnvloed door andere, inferieure religieuze stelsels. Een groep wetenschappers, die zichzelf de ‘History of Religions School’ noemen, richtten zich wat betreft de oorsprong van het gnosticisme echter op andere gebieden, omdat zij ook wortels zagen in de religies van Iran, Babylonië en India, evenals een proto-gnosticisme in het voorchristelijke jodendom. Ondanks het feit dat zij belangrijke en veelal intuïtieve bijdragen leverden aan de wetenschap, placht hun beschrijving van het gnosticisme niettemin veel van het oude paradigma te herschrijven, waardoor ze ‘een invloedrijke erfenis van nieuwe misvattingen en misleidende karakteriseringen van het gnosticisme’ achterlieten (King, blz. 109).

Het midden van de twintigste eeuw gaf een belangrijke verschuiving in het denken te zien, daarin voorgegaan door het werk van Walter Bauer, die ook de oude bewering aanvocht dat het gnosticisme een ondergeschikte ontwikkeling in de geschiedenis van het christendom was. Nog belangrijker was dat hij zijn enorme wetenschappelijke kennis op het modelverhaal richtte. Volgens Ehrman was Bauers Orthodoxy and Heresy in the Earliest Christianity ‘aantoonbaar het belangrijkste boek over de geschiedenis van het vroege christendom dat in de twintigste eeuw is verschenen’. Het onderzoek erin gaf aan dat het modelverhaal de geschiedenis niet alleen ongenuanceerd en verkeerd weergaf, maar dat ‘in sommige gebieden van het oude christendom, die later ‘ketterij’ zouden worden genoemd, zich in feite de oudste en belangrijkste vorm van het christendom bevond’ (Ehrman, blz. 173).

Nag Hammadi Codices (met dank aan het Institute of Antiquity and Christianity).

De grootste uitdaging met betrekking tot oude denkbeelden over het vroege christendom zijn misschien wel de Nag-Hammadi-teksten en de Dode-Zeerollen geweest, die duidelijk erop wijzen dat de oudste christelijke groepen waren geworteld in en deel uitmaakten van een grotere esoterische beweging die verlossing verkondigde door middel van doopinwijding en gnosis. Terwijl ongeveer de helft van de Nag-Hammadi-teksten christelijke creaties zijn, zoals het Evangelie volgens Thomas en het Evangelie van de waarheid, zijn de overige niet-christelijk van oorsprong of zijn ‘verchristelijkt’. Een van de interessantste is de brief van Eugnostos de gezegende. Inwendig bewijs doet vermoeden dat deze oorspronkelijk in Egypte werd geschreven ergens halverwege de eerste eeuw v.Chr., misschien 80-100 jaar voor de dood van Jezus. Ofschoon het taalgebruik ervan zowel joodse als Griekse invloeden laat zien, schijnt de beschrijving van een bovenhemels gebied buiten de zichtbare wereld het meest te lijken op de emanatieleer van de oude Egyptische religie. De hoogste rijken worden bestuurd door een hiërarchie van vijf goden, die elk hun reflectie of zoon op aarde uitstralen: (1) Ongeboren Vader, ook wel Voorvader genoemd; (2) Zelf-Vader of Zelf-Verwekker; (3) Onsterfelijke Tweeslachtige Man, van wie de mannelijke naam ‘Verwekte Volmaakte Geest’ is en de vrouwelijke naam ‘Volmaakt-wijze Verwekster Sophia [Wijsheid]’; (4) tweeslachtige Zoon van de Mens of Zoon van God, ook wel genoemd ‘Adam van Licht’; en (5) de Verlosser, de tweeslachtige zoon van de Zoon van de Mens. Over de Allerhoogste schrijft Eugnostos:

Hij is onsterfelijk en eeuwig en kent geen geboorte; want ieder die geboren wordt zal sterven. . . . Hij heeft geen naam; want wie een naam heeft is de schepping van een ander. . . . Hij heeft geen menselijke gedaante; . . . Hij is oneindig; Hij is niet te begrijpen. . . . Hij is onveranderlijk goed. . . . Hij is onkenbaar, hoewel hij (niettemin) zichzelf kent. Hij is onmetelijk. Hij is onnaspeurbaar. Hij is volmaakt, omdat hij geen gebrek heeft. Hij is onvergankelijk gezegend. Hij wordt ‘Vader van het Universum’ genoemd.
      – De Nag Hammadi Geschriften, Dl. II, blz. 127-8

De ontelbare menigten geschapen goden, aartsengelen en engelen, die in deze goddelijke emanaties zijn geworteld, stralen goddelijke goedheid uit in alle hemelen, waaruit de patronen of soorten voor volgende scheppingen voortkomen: ‘alle soorten vanuit het Onsterfelijke Ene, van de Niet-verwekte tot de openbaring van chaos, zijn in het licht dat schijnt zonder schaduw en ervaren onuitsprekelijke vreugde en verrukking’. Op grond van deze heilzame invloed en de afwezigheid van een onvolkomen of slechte demiurg (schepper), merkt de vertaler op, ‘kan Eugnostos niet als gnostisch in klassieke zin worden beschouwd, ‘maar zou als ‘proto-gnostisch’ moeten worden beschouwd.3

De brief eindigt met een verwijzing naar de komst van de verlosser: ‘Alles wat ik u zojuist heb gezegd, heb ik gezegd op een manier die u misschien zou kunnen accepteren totdat hij die niet onderwezen hoeft te worden onder u verschijnt, en hij zal u al deze dingen vreugdevol vertellen en vanuit een zuiver weten.’ Een vroege christen zag hierin duidelijk een verwijzing naar Jezus, en terwijl hij de brief als brontekst gebruikte, ‘verchristelijkte’ hij deze door bestaande passages te verwijderen en opnieuw te verwoorden, waarbij hij heel veel nieuwe informatie toevoegde en het de nieuwe titel gaf: De Sophia van Jezus Christus – het was nu een openbaringsrede van de opgestane Christus voor zijn discipelen. Onder de theologische toevoegingen (of aanvullingen) die een meer klassieke gnostische opvatting weergeven is een god – de arrogante, blinde, onwetende, en ‘Almachtige’ Yaldabaoth – die rechtstreeks deze wereld bestuurt ten nadele van de mensheid.

Zulke geleende teksten en aanpassingen illustreren de moeilijkheid het gnosticisme op een eenvoudige manier te kenschetsen, zozeer zelfs dat sommige wetenschappers, onder wie Karen King, beweren dat het een misleidende term is, zoal niet een die geen betekenis heeft. Ze herinnert ons eraan dat het woord gnosticisme een kunstmatig concept is van de moderne wetenschap. Het is in de 17de eeuw bedacht door de Engelse filosoof Henry More en het is een gemakkelijk etiket dat wordt gebruikt om een historische entiteit te omschrijven die alleen bestond in de intellectuele categorieën die waren ontworpen om bepaalde sektarische groepen, doctrines en gebruiken te omschrijven. Met het oog op het groeiende besef van de gnostische diversiteit zijn verschillende oplossingen voorgesteld, waaronder het gebruik van het woord Gnosis in plaats van Gnosticisme, waarbij een hoofdletter G wordt gebruikt om te verwijzen naar de joods-christelijke gnostische stelsels van de Grieks-Romeinse tijd, of om te spreken over gnosticismen (meervoud) in plaats van helemaal van de term af te zien.

In 1966 werd in Messina, Italië, een internationaal colloquium gehouden over de oorsprong van het gnosticisme, gedeeltelijk om het probleem van de definitie ervan te bestuderen. Om te helpen het begrip te verruimen, leverde de onderzoeker van het boeddhisme Edward Conze een bijdrage met een bijzondere lezing getiteld ‘Boeddhisme en gnosis’ waarin hij acht basisaannames opsomde waarover aanhangers van gnosis en het mahayanaboeddhisme het eens zijn, waaronder de volgende: (1) verlossing door gnosis of jñana (de woorden stammen van dezelfde Indo-Europese wortel), (2) onwetendheid (d.w.z., blind zijn voor de ware feiten van het bestaan) is de oorzaak van het kwaad, (3) kennis vloeit uitsluitend voort uit openbaring, wat een ieder in zichzelf moet ervaren, en (4) de cruciale rol van wijsheid in elk stelsel. Wat deze laatste betreft, scheen het volgens Conze opmerkelijk

dat gedurende dezelfde periode – d.w.z. vanaf (ongeveer) 200 v.Chr. – twee afzonderlijke beschavingen, de ene in het Middellandse-Zeegebied, de andere in India, een praktisch overeenkomstig stel ideeën over ‘wijsheid’ heeft ontwikkeld, waarbij elk van beide dat kennelijk onafhankelijk van zijn eigen culturele voorgeschiedenis heeft gedaan.
         – The Origins of Gnosticism, 1970, blz. 656

Hij kon zich maar drie hypothesen voorstellen die de overeenkomsten konden verklaren: het wederzijds overnemen, een gezamenlijke ontwikkeling, of een parallelle ontwikkeling die ‘ervan uitgaat dat het gnosticisme een van de basismodellen van religiositeit is en het daarom waarschijnlijk is dat het in elke tijd vanzelf weer ontstaat. De in zichzelf consistente theoretische verklaringen ervan zouden dan ontstaan uit een gezamenlijke denkwijze en uit gemeenschappelijke spirituele ervaringen’ (op. cit., blz. 666). In een voetnoot bij de gepubliceerde uitgave voegde hij eraan toe:

De nogal verrassende verhandeling van G. Lanczkowski over de gnostische elementen in oude Amerikaanse religies heeft me doen denken aan een vierde mogelijkheid. Misschien werden de basisideeën uitgedacht in een of ander prehistorisch tijdperk als een soort philosophia perennis, in een tijd voordat Europeanen, Aziaten en Amerikanen zich verspreidden naar hun respectieve continenten.    – Op.cit.

Het interessante is dat deze mogelijkheden niet onverenigbaar zijn – alle zouden tegelijkertijd kunnen voorkomen – hoewel Conze’s vierde mogelijkheid meer in de richting schijnt te wijzen van de oorsprong van gnosis die wordt opgevat als een oeroude openbaring die cyclisch wordt vernieuwd door avatarische verschijningen, bewustwording via inwijding en intuïtieve flitsen van goddelijke werkelijkheden.

Wij zijn generaties van wetenschappers veel dank verschuldigd voor hun volhardende arbeid en voor hun moed die zaken aan het licht te brengen die verontrustend en verbazingwekkend lijken te zijn, maar hopelijk de waarheid louteren over wie we zijn en waar we naar toe gaan: ons ‘doel in de eeuwigheid’. En toch, ondanks al hun werk, beseffen wetenschappers dat de diepere inhoud van geheime evangeliën grotendeels verborgen blijft en dat christelijke bronnen nog steeds in een mysterie zijn gehuld. Hoe verschillend en gecompliceerd de uitdrukkingsvormen van de gnosis ook zijn, volgens haar eigen definitie zou er overeenkomstig haar ethiek moeten worden geleefd om haar ‘geheim’ te kunnen openbaren. Zelfs dan biedt gnosis de waarheidszoeker twee fundamenteel verschillende wegen: een persoonlijke vlucht uit het kwade en het lijden van de wereld of, zoals de bodhisattva van mededogen, blijven en helpen om de wereld te transformeren met het licht van kennis en goddelijke wijsheid. Dit is volgens de gnosis van Valentinus, de ‘verborgen’ betekenis van de Opstanding:

Het is de openbaring van wat is, en de transformatie van dingen, en een overgang naar het nieuwe. Want onvergankelijkheid [daalt neer] op het vergankelijke; het licht stroomt uit over de duisternis en slokt deze op; en het pleroma vult het tekort aan. Dit zijn de symbolen en de beelden van de opstanding. Hij is het die zorgt voor het goede.
      – Verhandeling over de Opstanding I.4.48-9


Noten
  1. Deel I en II van Lost Christianities: The Battles for Scripture and the Faiths We Never Knew werden besproken in ons vorige artikel; Het boek van King is uitgegeven door Harvard University Press, Cambridge, 2003; isbn 067401071x, 358 blz, gebonden. King, die kerkgeschiedenis doceert aan de Harvard Divinity School, heeft onlangs ook The Gospel of Mary: Jesus and the First Woman Apostle (Polebridge Press, Santa Rosa, CA, 2003) uitgegeven dat ook een uitstekend overzicht van vroegchristelijke geschiedenis bevat.
  2. Ehrman merkt op (blz. 219) dat er naar schatting 200.000 tot 300.000 tekstuele verschillen voorkomen in de ongeveer 5.400 momenteel bekende Griekse manuscripten en fragmenten van het Nieuwe Testament.
  3. Zie voor een gedetailleerde analyse Douglas R. Parrott, red., Nag Hammadi Codices III,3-4 en V,1, E.J. Brill, Leiden, 1991; en ook Daniel R. McBride, The Egyptian Foundations of Gnostic Thought, 1994 (PhD thesis, University of Toronto), hfst. 7.
 
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni, juli/aug, nov/dec 2004 en jan/feb 2005

© 2004 Theosophical University Press Agency