| |
| |
| |
Geheime evangeliën en verdwenen vormen
van het christendom – 1
W.T.S. Thackara
|
| |
| |
Het
is u gegeven de geheimenissen van het
Koninkrijk der Hemelen te kennen, maar hun
is dat niet gegeven. – Mattheus
13:11
Ik ben in de wereld gekomen, opdat ik voor
de waarheid zou getuigen. Een ieder die uit
de waarheid is, hoort naar mijn stem.
– Johannes 18:37
‘Wat is waarheid?’ vroeg Pilatus – een vraag een
filosoof waardig. Gedurende bijna twee millennia hebben christelijke
theologen, geestelijken en leken geprobeerd deze vraag te beantwoorden
en hun identiteit als mensen ‘van de waarheid’ te bepalen.
Maar er ontstond al snel onenigheid over wat Jezus onderwees, en er
begonnen zich zichtbare grenzen af te tekenen die nauwkeurig omschreven
wat waarheid en dwaling was, welke opvattingen juist waren en welke
onjuist, en, onvermijdelijk, wat ‘onze God en uw god’ betekende
– een tragische paradox in een geloof dat milde liefdevolle wijsheid
leert. Het onderscheiden van de feitelijke leringen van Jezus is een
andere paradox. ‘Zoekt en gij zult vinden’ wordt in beide
Testamenten aanbevolen, en men zegt dat het meest overtuigende antwoord
in ons hart is te vinden. Maar wie bepaalt, wat bijbel en traditie betreft,
wat waarheid is, en wat in spirituele zin authentiek is?
Het navertellen van een reeks gebeurtenissen, wat in religies vaak
gebeurt, maakt het probleem duidelijk: Een leraar zoals Jezus of Gautama
begint met onderricht. Hij is niet erg bekend – de mensen zijn
vaak tevreden met hun eigen geloof of bezig met andere zaken. Historici
kunnen volledig aan hem voorbijgaan, waardoor latere generaties zich
afvragen of hij eigenlijk wel heeft bestaan. De meeste mensen wijzen
hem af, omdat hij niet beantwoordt aan hun verwachtingen van hoe een
leraar zou moeten zijn, en zijn leringen stemmen niet overeen met hun
eigen overtuigingen. In feite schijnen deze vaak nieuw en vreemd te
zijn en zetten ze vraagtekens bij de gevestigde normen. Maar er zijn
enkelen die de waarde van de boodschap herkennen en, omdat ze er sterk
door worden geïnspireerd, delen ze deze met anderen. Na verloop
van tijd vormt zich een traditie om de leringen te behouden en door
te geven. Uiteindelijk worden ze misschien opgetekend. Maar omdat dit
misschien pas tientallen jaren of zelfs eeuwen na het overlijden van
de leraar gebeurt, is zijn oorspronkelijke boodschap misschien gedeeltelijk
vergeten, en wordt ze vermengd met vreemde leringen, of op een andere
manier veranderd. Er doen zich nog meer moeilijkheden voor wanneer we
horen dat er zowel openbare als privéleringen zijn, waarbij de
verborgen mysteriën zijn voorbehouden aan mensen die ‘spiritueel
volwassen’ zijn – een vroegchristelijke zegswijze. Afgezien
van de geschriften die zijn vernietigd of verloren zijn gegaan, zijn
praktisch alle optekeningen van leringen bewerkt, sommige met ingevoegde,
gewijzigde, of weggelaten tekst; of de tekst vertoont varianten als
gevolg van schrijffouten. Ze zijn bovendien vertaald, soms verkeerd
vertaald; er worden kopieën van kopieën gemaakt en door de
jaren heen, beetje bij beetje, raakt de oorspronkelijke boodschap uitgehold.
Er zijn nog ernstiger problemen: zodra de leraar heengaat, ontstaat
er een discussie over de inhoud van de boodschap. De ene volgeling denkt
dat de Meester de ene betekenis bedoelde, een andere dat hij iets anders
bedoelde. Omdat wordt geprobeerd de ware leringen te behouden en uit
te leggen, worden er scholen van interpretatie opgericht, besluiten
genomen over punten van overeenkomst, dogma’s gestandaardiseerd,
en volgt de ene afscheiding na de andere – om nog maar niet te
spreken over onechte leraren en nieuwe openbaringen – die alle
aanspraak maken op spirituele autoriteit, tot we uiteindelijk een smörgasbord
van tegenstrijdige leringen, stelsels en groeperingen hebben. Een herhaling
van de toren van Babel – een spraakverwarring – en, helaas,
een patroon waar weinig religieuze bewegingen aan zijn ontkomen.
Dit patroon, zoals het zich heeft afgetekend in de geschiedenis van
het christendom, is algemeen bekend bij wetenschappers, geestelijken
en ontwikkelde mensen. Sinds de ontdekking in 1945 van een unieke collectie
vroegchristelijke documenten in Nag Hammadi, Egypte, en ook van de joodse
Dode-Zee-rollen en door andere vondsten in de 20ste eeuw, is de manier
waarop dit verhaal is geïnterpreteerd, begrepen, en opnieuw verteld,
echter onmiskenbaar veranderd. In 2003 hebben verscheidene boeken van
gerespecteerde wetenschappers op het gebied van het vroege christendom
meer dan een halve eeuw werk aan de Nag Hammadi-geschriften en hun relatie
met het traditionele christendom samengevat. Alles bij elkaar bieden
vier van deze boeken een diepzinnige, toegankelijke en toch gedetailleerde
studie van de verscheidenheid van vroegchristelijke gemeenschappen vanaf
de tijd van Jezus tot de vorming van de nieuwtestamentische canon en
van de verschillende manieren waarop die geschiedenis sinds die tijd
is verteld.1 Zoals de titels ervan aangeven,
richten ze zich op die groepen en geschriften die de nadruk legden op
de geheime leringen van Jezus – de mysteriën en verborgen
wijsheid van God waarnaar in het Nieuwe Testament wordt verwezen –
en op het belang van gnosis (‘kennis’, spiritueel
onderscheidingsvermogen, of verlichting) die beide nodig zijn voor,
en het resultaat zijn van, geestelijke wedergeboorte.
Tot 1945 kwam de meeste informatie over de gnostici uit de tweede en
derde hand en werd voornamelijk ontleend aan de muggenzifterige geschriften
van de vroege schrijvers over ketterij, zoals Irenaeus, Tertullianus,
Clemens van Alexandrië en Epiphanius.2
Hun inspanningen werden grotendeels ingegeven door de geconstateerde
behoefte om de inhoud van het geloof uitputtend te beschrijven, teneinde
een samenhangende christelijke gemeenschap te smeden, waarvan het broze
bestaan door interne meningsverschillen en door vervolging van buitenaf
veelvuldig werd bedreigd. Ze hielden zich bezig met het bestrijden van
verkeerde interpretaties, fantasie en misleiding; een van de lastigste
problemen werd gevormd door de esoterische kennis – de mysteriën
waar Jezus op zinspeelde: hoe kan men het ondefinieerbare omschrijven,
‘dat wat niet kan of niet mag worden uitgesproken’, en het
onderscheiden van wat volgens hen ‘onjuiste zogenaamde gnosis’
was. Evenals in het New-Age-laboratorium van deze tijd was er in de
eerste eeuwen van het christendom een overdaad van uiteenlopende stellingen.
Zoals Bart Ehrman opmerkt: de winnaars schrijven de geschiedenisboeken
en selecteren de heilige teksten. Voor de vroege ‘proto-orthodoxe’
kerkvaders betekende het ontwikkelen van een christelijke identiteit
niet alleen het beschrijven van de structuur en de inhoud van het geloof,
maar ook het beschrijven van de tegenstanders ervan door aan te tonen
hoe anders, verkeerd en slecht hun leringen waren – in tegenstelling
tot de authentieke leer van Jezus, zoals deze werd doorgegeven door
de apostelen en hun aangestelde opvolgers. De documenten die bij Nag
Hammadi3 zijn gevonden – waarvan
vele eveneens aanspraak maken op apostolisch gezag – onthullen
echter een beeld van enkele van deze ‘verdwenen vormen van het
christendom’ dat op belangrijke en fundamentele punten niet overeenkomt
met de standaardversies.
De vier titels die worden besproken laten zich in een logische volgorde
rangschikken, en het boek van Elaine Pagels biedt een stijlvol geschreven
inleiding tot dit onderwerp; ze geeft daarin een samenvatting van meer
dan dertig jaar rechtstreeks wetenschappelijk onderzoek en studie op
dit gebied en haar levenslange persoonlijke betrokkenheid bij het christelijke
geloof. Ketters en rechtgelovigen richt zich tot een breed publiek en
geeft een globaal overzicht van de voornaamste vraagstukken van de vroegchristelijke
geschiedenis en is op verfrissende wijze verschoond gebleven van wetenschappelijke
aanhangsels, hoewel het uitvoerige voetnoten bevat met referenties en
aanbevolen boeken voor verdere studie. Eén criticus beschreef
haar boek echter als ‘licht verteerbare godsdienst’ voor
het grote publiek, waarbij ze betoogde, dat ‘bijna elke generalisatie
kon worden betwist of aangepast.4
Dit is ongetwijfeld waar, maar het lijkt me dat dit een gezond onderdeel
van spirituele ontdekking is en een van de meest effectieve manieren
om dogmatisme te vermijden. En hier blinkt Elaine Pagels uit in oprechtheid
en inzicht, terwijl ze de lezer uitnodigt met haar deel te nemen aan
het onderzoek naar de waarheid.
Omdat Pagels als jonge tiener altijd al door het Evangelie naar Johannes
was gefascineerd, werd ze lid van een evangelische kerk, waar ze vond
waarnaar ze toen verlangde: ‘de zekerheid bij de juiste groep
te horen, de ware ‘kudde’ die als enige tot God behoorde’.
Toch werd ze zich langzamerhand bewust van verstorende onderstromen
in het Johannesevangelie, een uitgesproken antisemitisme en veroordeling
van niet-gelovigen, wat in strijd was met de leer van Jezus om ‘elkaar
lief te hebben’. Weldra leerde ze ook de ‘prijs om erbij
te horen’:
De leiders van de kerk waar ik naartoe ging droegen
hun schapen op niet met buitenstaanders om te gaan, tenzij het was
om hen te bekeren. Toen vervolgens een goede vriend op zestienjarige
leeftijd omkwam bij een verkeersongeluk, leefden mijn evangelische
broeders en zusters wel met mij mee, maar ze zeiden erbij dat hij,
omdat hij joods en niet ‘wedergeboren’ was, voor eeuwig
verdoemd was. Ik was onthutst. Ik was het met hun interpretatie oneens,
maar ruimte tot discussie bleek er niet te zijn. Ik besefte dat ik
me in hun wereld niet langer thuis voelde en keerde die kerk de rug
toe. – blz. 31
Omdat ze zich nog steeds afvroeg wat er zo fascinerend was aan het
christendom, besloot Pagels enkele jaren later op zoek te gaan naar
het ‘echte christendom’ en gaf zich op voor het doctoraalprogramma
aan Harvard University, om daar te ontdekken wat toen buiten academische
en theologische kringen nauwelijks bekend was: evangeliën en apocriefe
(geheime) boeken, geschreven tijdens de eerste eeuwen, die uitspraken,
rituelen en dialogen bevatten die aan Jezus en zijn discipelen werden
toegeschreven – waarvan er vele behoorden tot de 52 verhandelingen
van de Nag-Hammadi-geschriften. Deze
lieten haar zien dat er binnen de vroegchristelijke beweging een verscheidenheid
was die door de latere ‘officiële’ versies van de christelijke
geschiedenis op doeltreffende wijze waren verzwegen. De inhoud ervan
vormde een uitdaging voor haar. Omdat Irenaeus de geheime geschriften
als ‘een poel van waanzin en godslastering van Christus’
had bestempeld, was ze bevooroordeeld en verwachtte ze dat de teksten
‘verward, pretentieus en banaal zouden zijn. Maar tot mijn verrassing
vond ik in een aantal ervan een onverwachte spirituele kracht’
(blz. 32-3).
In de discussie over ketterij worden een aantal strategieën gebruikt.
Een ervan is om tegenstanders met vergelijkbare kenmerken over één
kam te scheren, ze ruwweg in maar een paar categorieën onder te
brengen, er een etiket op te plakken en die benamingen (bijv. gnostisch,
ketters) te kleineren. Hoewel de kerkvaders het woord gnosticisme –
bedacht door de 17de-eeuwse Engelsman Henry More – niet gebruikten,
worden de belangrijkste kenmerken ervan meestal omschreven en opgevat
als geheime elitaire kennis (alleen de uitverkorenen worden gered) en
een radicale devaluatie van de wereld en zijn schepper, de god van Genesis.
Irenaeus klaagde bitter over die christenen die beweerden de ‘tweede
doop’ te hebben ontvangen, die hen in staat stelde zich aan te
sluiten bij de meer selecte kringen van de geestelijk volwassenen:
Ze noemen degenen die tot de kerk behoren ‘volks’
en ‘kerkelijk’ . . . [E]en dergelijke persoon voelt zich
zo verheven dat hij zich inbeeldt . . . dat hij de ‘volheid
van God’ reeds is binnengegaan . . . en met de neus in de lucht
rondstapt met een zelfgenoegzame blik, trots als een haan.
– Contra Haereses [Tegen ketterijen],
geciteerd in Pagels, blz. 114
Ongetwijfeld waren er enkelen die zich aanstootgevend gedroegen, evenals
er tegenwoordig religieuze gelovigen, academici en anderen zijn die
zich boven anderen verheven voelen door hun eigen kennis. Maar de meeste
‘ingewijden’ leken waarschijnlijk veel op de ernstige zoekers
naar waarheid van elk tijdperk die misschien dankbaar, nederig en in
stilte een verlichtend inzicht hebben ervaren.
Enkele gnostische teksten spreken, als men ze letterlijk leest, minachtend
over de stoffelijke wereld als de mislukte schepping van een onwetende
demiurg (schepper) – en geven de indruk dat het kwaad voortkomt
uit onwetendheid – en dringen daarom bij geestelijk verlichte
mensen eropaan om zich aan de verblindende, zieldodende invloed ervan
te onttrekken, maar andere teksten zijn minder extreem. Hierin worden
de tegenstrijdige elementen en onvolmaaktheden in de wereld, waaronder
de ‘onvolkomen Logos [Woord]’, eerder vanuit een transformationeel
dan vanuit een escapistisch en star negatief perspectief bezien: iedereen
is potentieel de door God uitverkorene, en het is het hoogste goed om
in de wereld te blijven en te werken aan de verlossing van alle wezens.
Pagels schrijft bijvoorbeeld dat het Evangelie van de Waarheid
de heilige geest schetst als Gods adem, en stelt
zich de Vader voor die eerst met zijn adem het hele universum van
levende wezens schept (‘de kinderen van de Vader zijn zijn geur’),
en vervolgens alle wezens terugbrengt naar de plaats van zijn goddelijke
oorsprong. Intussen dringt hij er bij hen die ‘God in zichzelf
vonden en zichzelf in God’ op aan om gnosis om te zetten
in daden:
Vertel de waarheid aan hen die haar zoeken,
En spreek met begrip tegen hen die
Door fouten te maken een zonde hebben begaan;
Maak de voeten sterker van hen die zijn gestruikeld;
Bied de helpende hand aan hen die ziek zijn;
Geef voedsel aan hen die honger hebben;
Bied rust aan hen die vermoeid zijn;
En help hen die willen opstaan overeind.
Zij die voor anderen zorgen en goed doen, ‘doen
de wil van de Vader’.
– blz.
102-3
In tegenstelling tot wetenschappelijke kennis (episteme),
is gnosis spirituele kennis die door de gnostische christenen als soterisch
(‘verlossend’) en als esoterisch (‘verborgen’)
werd beschouwd. Voor hen hield het veel meer in dan de geheime openbaring
die is verborgen in de bijbel en wordt ontdekt door een ‘spirituele’
in plaats van een letterlijke interpretatie. Omdat iedereen een kind
van God is en het zaad of de lichtvonk van goddelijkheid in zich heeft,
wordt verlichting uiteindelijk bereikt door de discipline van zelfkennis
– zoals wordt benadrukt in het Evangelie naar Thomas
dat als volgt begint:
Dit zijn de geheime uitspraken die de levende Jezus
deed en die Didymos Judas Thomas heeft opgetekend.
(1) En hij zei: ‘Wie de betekenis van deze uitspraken ontdekt
zal de dood niet ervaren.’
(2) Jezus zei: ‘Laat hij die zoekt doorgaan met zoeken tot hij
vindt. Als hij vindt, zal hij het moeilijk krijgen. Als hij het moeilijk
krijgt, zal hij verbaasd zijn, en hij zal heersen over het Al.’
(3) Jezus zei: ‘Als zij die u leiden tegen u zeggen, ‘Zie
het Koninkrijk is in de hemel’, dan zullen de vogels van de
hemel u voorgaan. Als zij u zeggen, ‘Het is in de zee’,
dan zullen de vissen u voorgaan. Beter gezegd, het Koninkrijk is in
u en het is buiten u. Als u uzelf leert kennen, dan zult u gekend
worden en u zult beseffen dat u een zoon van de levende Vader bent.
Maar als u uzelf niet zult kennen, zult u in armoede verblijven en
bent u die armoede.’
Als historica is Pagels niet alleen geïnteresseerd in de inhoud
van de Nag Hammadi- en andere gnostische geschriften, maar ook in de
oorsprong en verdere geschiedenis ervan: Wie schreef ze? Wanneer? Waarom?
En waarom werden ze door de vroege kerk verworpen? Haar deskundigheid
helpt niet alleen om deze vragen te beantwoorden, maar ook om veel van
de duistere en soms tegenstrijdige passages te verhelderen in die andere
kleine verzameling vroegchristelijke documenten, die het Nieuwe Testament
wordt genoemd. Voor lezers die bereid zijn vaste overtuigingen in beweging
te brengen, biedt Ketters en rechtgelovigen een kennismaking met en
een rijke rondleiding langs de vormen en tegenstellingen van geloof
en kennis in de vroegchristelijke geschiedenis. Het boek betrekt ons
ook bij de meest diepzinnige levensvragen over het bestaan en over God,
en bij spirituele keuzes kunnen we er niet aan ontkomen, wat onze geloofsovertuiging
ook is, dat we altijd worden uitgedaagd om verder te kijken. In haar
samenvatting aan het eind van het boek schrijft Pagels:
Deze keuze – en dat is de oorspronkelijke betekenis
van het Latijnse, aan het Grieks ontleende begrip haeresis
dat we vertalen met 'ketterij' – brengt ons terug bij het probleem
dat de orthodoxie moest oplossen: hoe kunnen we weten wat waarheid
is en wat leugen? Wat is echt en verbindt ons met elkaar en met de
werkelijkheid, en wat is oppervlakkig, zelfzuchtig, of slecht? . .
. Orthodoxie wantrouwt ons vermogen om dit onderscheid te maken en
wil het daarom voor ons maken. Gezien het notoire vermogen van de
mens om zichzelf te misleiden kunnen we de kerk daar tot op zekere
hoogte dankbaar voor zijn. Veel mensen die zich liever niet te hard
inspannen nemen graag over wat de traditie hun zegt.
. . . De meesten mensen merken vroeg of laat dat
ze, op een keerpunt in hun leven, zelf een weg moeten banen waar tot
dat moment geen weg was. Wat ik in de rijkdom en diversiteit van onze
religieuze tradities – en de gemeenschappen die ze instandhouden
– heb leren liefhebben is dat ze getuigen van de zoektocht van
ontelbare mensen naar spirituele gebieden. En daarmee zijn ze een
aansporing aan hen die, in navolging van Jezus' woorden, 'zoeken,
want zij zullen vinden'.
Noten
- Elaine Pagels, Ketters en rechtgelovigen, De strijd
om de ware leer in het vroege christendom, Kosmos/Z&K Uitgevers,
Utrecht, 2003; isbn 9021536803, 192 blz., paperback. Marvin Meyer,
Secret Gospels: Essays on Thomas and the Secret Gospel of Mark,
Trinity Press Int’l, Harrisburg, PA, 2003; isbn 1563384094,
208 blz., paperback. Bart D. Ehrman, Lost Christianities: The
Battle for Scripture and Faiths We Never Knew, Oxford University
Press, 2003; isbn 0195141830, 336 blz., gebonden. Karen L. King, What
is Gnosticism?, Harvard University Press, Cambridge, 2003; isbn
067401071x, 358 blz., gebonden.
- De betekenis van de woorden gnosis, gnostisch
en gnosticisme wordt opnieuw bepaald in het licht van nieuw
materiaal – een centraal onderwerp in het onderzoek van Karen
King. Vóór 1945 waren slechts enkele werken van christelijke
gnostici beschikbaar, zoals de Pistis Sophia en de twee Boeken
van Jeu, en enkele niet-christelijke hermetische, mandaeïsche
en manichaeïstische teksten (zie Kurt Rudolph, Gnosis,
1987, blz. 25-30). Men kan ook spreken van een orfische, pythagorische,
platonische en oosterse gnosis, maar alle, ook de joodse en christelijke,
maken deel uit van een groter verhaal over de universele mysterietraditie.
- Een volledige Nederlandse vertaling ervan is verschenen
bij Ankh-Hermes, getiteld Nag Hammadi-geschriften.
- Pheme Perking, America: The National Catholic Weekly,
7 juli 2003.
|
| |
| |
Geheime evangeliën
en verdwenen vormen van het christendom – 2
W.T.S. Thackara
|
| |
| |
Omdat deze traditie niet alleen wordt bekendgemaakt
voor mensen die de grootsheid van het woord beseffen, is het noodzakelijk
om de wijsheid die de zoon van God onderwees, in een mysterie te verbergen
. . . Want men kan de waarlijk zuivere en transparante woorden die
het ware licht eerbiedigen, toch niet zonder meer aan beestachtige
en ongeoefende toehoorders openbaren.
–
Clemens van Alexandrië, Stromateis I.xii
De joodse talmoed vertelt het verhaal van vier mannen die de hemelse
Boomgaard (Hebreeuws: pardes of paradijs) binnengingen. Ben
Azzai keek en stierf. Ben Zoma keek en verloor zijn verstand. Acher
snoeide zijn beplanting, terwijl Rabbi Akiba, die in vrede binnenkwam,
in vrede vertrok. Het verhaal is een waarschuwingsvertelling over mystieke
wegen omhoog op de zoektocht naar spirituele kennis. In de oude mysteriën
werden onvoorbereide reizen altijd verboden, omdat ze als gevaarlijk
werden beschouwd, niet alleen voor de psychische en fysieke gezondheid
van de ingewijde, maar als mogelijk schadelijk voor anderen wanneer
de kennis voor zelfzuchtige doeleinden zou worden misbruikt. Vandaar
de strenge discipline en het voorgeschreven stilzwijgen als bescherming
tegen schade en misbruik – en het was een reden voor geheimhouding.
Het Evangelie van Thomas verwijst hiernaar als Jezus aan Thomas
drie geheime woorden vertelt. Als zijn medediscipelen vragen wat deze
zijn, antwoordt Thomas, ‘Als ik jullie een van de woorden verklap
die hij mij toevertrouwde, zullen jullie stenen oppakken en naar mij
gooien; er zal een vuur uit de stenen komen en jullie verbranden.’
In dezelfde passage (13) vraagt Jezus hen om hem met iemand te vergelijken.
Simon Petrus beschrijft Jezus als een rechtvaardige engel, Mattheus
noemt hem een wijze filosoof, terwijl Thomas – ‘bedwelmd’
door goddelijke wijsheid die uit een borrelende bron vloeit –
zegt ‘mijn mond is absoluut niet in staat om te zeggen op wie
u lijkt’. Paulus schrijft in dezelfde geest over de man (hijzelf)
die ‘naar het paradijs werd weggevoerd en onuitsprekelijke woorden
heeft gehoord, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken’
(2 Cor 12:4).
Verwijzingen naar de mysteriën en de verborgen wijsheid van God
in zowel het Nieuwe Testament als de geheime evangeliën suggereren
dat enkele van de kernleringen van Jezus waren voorbehouden aan een
kleine minderheid en dat ze aan de overgrote meerderheid van trouwe
christenen in hoge mate werden onthouden. Hier ligt een enorm probleem
betreffende de essentie van het christendom: Berustte het oorspronkelijk
op esoterische grondslag, vergelijkbaar met de oude mysteriën?
Clemens van Alexandrië, de kerkvader uit de tweede eeuw, bevestigde
duidelijk dat dit zo was. De mysteriën van het geloof moeten niet
aan iedereen worden bekendgemaakt, schreef hij, terwijl hij ons opdroeg
‘de geheime tradities van de ware gnosis te aanvaarden’
die door de zoon van God werden onderwezen (Stromateis I.xii).
Mythen en gelijkenissen vormden de taal waarin de oude mysteriën
werden openbaar gemaakt; en hoewel er geen gedetailleerde uitleg van
hogere leringen beschikbaar was, was de oorspronkelijke inhoud ervan
nooit geheim. Cicero, bijvoorbeeld, prees Athene voor haar vele bijdragen
aan de beschaving, ‘maar niets is beter dan die mysteriën
waardoor wij worden gevormd en gekneed uit een ruwe en primitieve toestand
van mens-zijn; en in feite beseffen we in de mysteriën de werkelijke
beginselen van het leven, en leren niet alleen om gelukkig te leven
maar ook om met een groter vertrouwen te sterven’ (De Legibus
II.14). De institutionele vormen ervan waren organisaties die zoals
in moderne universiteiten ruwweg waren geordend in studies voor beginners
en doctoraalstudies – genaamd de kleine en grote mysteriën
– waarvan het ‘onderwijsprogramma’ draaide om de mysteriën
rond dood en geboorte: het geleidelijk ontwaken en zich verheffen van
de ziel tot kennis en vereniging met de goddelijke essentie vanbinnen.
Paulus spreekt de taal van de inwijding als hij zegt: ‘Ik doorsta
opnieuw weeën totdat Christus in u gestalte heeft gekregen’
(Gal 4:19).
Hoewel de meeste kerken het christendom tegenwoordig afbeelden als
een religie die voortkomt uit het jodendom, als een unieke spirituele
gebeurtenis waarin Messiaanse profetieën in vervulling gaan, en
waarbij het onderwerp ‘geheime kennis’ wordt gebagatelliseerd
of vermeden, schetsen hedendaagse historici de ontstaansgeschiedenis
van het christendom binnen een veel ingewikkelder, spiritueler, filosofischer
en politieker kader dat zich al eeuwenlang aan het ontwikkelen was.
Naast het normatieve jodendom, dat zelf op esoterische grondslag berustte
(heidenen zagen het jodendom als een geheime mysteriereligie), waren
de gemakkelijkst vast te stellen elementen: joodse mystiek en apocalyptische
gevoelens, waarin spirituele vernieuwing werd voorspeld aan het spoedig
te verwachten einde van het tijdperk; het hellenisme, het Griekse religieuze
en filosofische erfgoed dat was verbreid door de veroveringen van Alexander;
en Egyptische en oosterse religies – die allemaal werden ingeperkt
door de invloed en bepalingen van de Romeinse bezetting.
Deze historische achtergrond is onontbeerlijk om de diverse vormen
van het vroege christendom te kunnen begrijpen. De boeken die in deze
artikelen worden besproken laten iets van deze samenhang zien, en bieden
bovendien waardevolle lessen uit de geschiedenis. Voorop staat het belang
van de betekenis van basisbronnen: de noodzaak van kennis van oorspronkelijke
teksten en tradities uit de eerste hand, voorzover dit mogelijk is,
en ook iets van de afkomst, interpretatie en overlevering. De Nag-Hammadi-geschriften
laten bijvoorbeeld zien hoe de populaire en wetenschappelijke mening
over het gnosticisme werd en nog steeds wordt verdraaid door het filterende
en inprentende effect van de vroege schrijvers over ketterijen. Geheime
geschriften vormen echter een speciaal probleem. De ongecensureerde
Nag-Hammadi- en andere gnostische documenten blijven duister, want de
meeste zijn achtergehouden teksten die verborgen, onbeschrijflijke realiteiten
zouden versluieren. Volgens hun eigen beschrijvingen zijn ze hooguit
onvolmaakte tweederangs bronnen die deugdelijke verklarende sleutels
vereisen, en zonder deze zien niet-ingewijde lezers misschien alleen
fantastische verhalen en duistere uitspraken, en niet de verborgen logos
binnen de mythe. Het Evangelie volgens Filippus zinspeelt bijvoorbeeld
hierop in een passage die sterk doet denken aan de Tao Teh Ching
(‘De tao die in woorden wordt uitgedrukt is niet de eeuwige tao;
naamloos is de bron van hemel en aarde’):
Namen die aan aardse dingen worden gegeven, zijn
erg misleidend, want ze ontlenen hun betekenis aan onvergankelijke
zaken en worden gebruikt voor vergankelijke dingen. Wie ‘god’
hoort, denkt niet aan het onvergankelijke, maar is aan het vergankelijke
gaan denken. Zo is het ook met ‘de vader’ en ‘de
zoon’ en ‘de heilige geest’ en met ‘leven’
en ‘licht’ en met ‘opstanding’ en ‘gemeenschap’
en al het andere . . .
. . . de Zoon zou geen Vader kunnen worden als hij
zich niet zou bekleden met de naam van de Vader. Wie deze naam heeft,
kent hem wel, maar spreekt hem niet uit. Wie hem echter niet heeft,
kent hem ook niet.
–
Nag Hammadi geschriften Dl. 1, blz. 173-4
Secret
Gospels1 door Marvin Meyer is
een bloemlezing van essays die handelen over het Evangelie van Thomas,
het bekendste werk in de Nag-Hammadi-geschriften, en over het controversiële
Geheime evangelie van Marcus, ontdekt in 1958 in het Mar-Saba-klooster
bij Jeruzalem. Meyer is professor in bijbel- en christelijke studies
aan Chapman University en begint met een introductie van de geheime
evangeliën en zijn belangrijkste thema’s. Hij plaatst deze
teksten in een context door te verwijzen naar Marcus 4:1-20
waar Jezus openlijk onderricht geeft in gelijkenissen, terwijl hij de
allegorische interpretatie ervan persoonlijk aan zijn discipelen geeft.
Vervolgens verwijst hij naar het apocriefe (geheime) boek van Jacobus,
dat beschrijft hoe ‘de twaalf volgelingen allemaal bijeenzitten,
en in de herinnering roepen wat de heiland ieder van hen had verteld,
ongeacht of het op een verborgen manier of openlijk was gedaan, en dit
in boeken ordenden’. Meyer vraagt zich terecht af of dit laatste
scenario werkelijk plaatsvond, maar beide episoden wijzen op een vereiste
bij het lezen van alle geheime geschriften: zij hebben uitleg nodig
en het Evangelie van Thomas legt – cryptisch –
de nadruk erop dat ‘ieder die de betekenis van deze woorden ontdekt,
de dood niet zal smaken’.
Meyer ziet Thomas en het Geheime Marcus als evangeliën
die twee karakteristieke soorten verkondigingen bieden: Thomas
een evangelie van wijsheid en het Geheime Marcus een evangelie
van het kruis, een symbool van spirituele transformatie en een oproep
tot discipelschap. In de zes essays over Thomas bespreekt Meyer
het thema van zoeken en vinden, en behandelt een verscheidenheid aan
onderwerpen: het beeld van Jezus zoals weergegeven door Thomas,
het verband van Thomas als een evangelie van ‘uitspraken’
met de canonieke evangeliën en met ‘Q’ (de broncollectie
van uitspraken van Jezus opgenomen in Mattheus en Lucas
samen met het verhaal volgens Marcus), en commentaar en andere
unieke beeldspraak, bedoeld om aan te sporen tot onderzoek (‘wees
voorbijgangers’, ‘Maria mannelijk maken’).
In de essays over het Geheime evangelie van Marcus worden
inwijdingspatronen en -thema’s in het vroege christendom besproken
en, voor wie van detectiveverhalen houdt, het controversiële mysterie
van het auteurschap waarover de wetenschap nog steeds consensus moet
krijgen. Het volstaat te zeggen dat elk oude brief of elk oud evangelie
ondertekend of getiteld met de naam van een beroemd persoon kritisch
moet worden onderzocht op authenticiteit – een onderwerp dat uitgebreider
wordt behandeld in Bart Ehrmans Lost Christianities. Het verhaal
begint met de ontdekking van Morton Smith van een 17de- of 18de-eeuws
manuscript in de bibliotheek van Mar Saba, waarvan wordt beweerd dat
het een kopie is van een brief die aan het einde van de 2de eeuw door
Clemens van Alexandrië werd geschreven, waarin het geheime evangelie
volgens Marcus wordt beschreven en geciteerd. Smith heeft het manuscript
gefotografeerd en gerenommeerde Clemenskenners en collega’s er
kennis van laten nemen en het met hen besproken. Hij heeft het vijftien
jaar lang uitgebreid onderzocht, en publiceerde de resultaten daarvan
in 1973 in een werk van 450 bladzijden, uitgegeven door
|
Eerste
bladzijde uit de brief van
Clemens aan Theodorus |
Harvard University Press, met foto’s, transcriptie, vertaling en
een breedvoerige analyse van het document, de authenticiteit en de historische
achtergrond ervan. Hij komt tot de conclusie dat de brief van Clemens
echt schijnt te zijn. Meyer merkt voorzichtig op dat, hoewel ook hij aanneemt
dat de brief een authentieke kopie is van een oude tekst, het feitelijke
manuscript voor wetenschappelijk onderzoek moet worden vrijgegeven.
De brief van Clemens begint met het prijzen van een zekere Theodorus
voor ‘het tot zwijgen brengen van de verfoeilijke leringen van
de Carpocraten’ – een rivaliserende groep in Alexandrië
opgericht door Carpocrates, van wie Clemens de leringen wat betreft
inhoud en ethiek verwerpelijk vond. ‘Van de dingen die ze blijven
zeggen over het goddelijk geïnspireerde Evangelie van Marcus’,
vervolgt hij, ‘zijn sommige volslagen leugens, en andere, zelfs
als ze enkele juiste elementen bevatten, zijn niettemin onjuist weergegeven.
Want de ware dingen die met verzinsels zijn vermengd, worden verkeerd
voorgesteld, zodat, zoals het gezegde luidt, zelfs het zout zijn smaak
verliest.’ De brief richt zich vervolgens op het auteurschap van
Marcus’ evangeliën een eeuw eerder:
Wat Marcus betreft, gedurende het verblijf van Petrus
in Rome schreef hij een verslag over de daden van de Heer. Hij maakte
ze echter niet allemaal bekend, en ook verwees hij nog niet naar die
welke geheim waren, maar koos die uit die hij de nuttigste vond om
het geloof te versterken van hen die onderricht kregen. Maar toen
Petrus als martelaar stierf, kwam Marcus naar Alexandrië en bracht
zijn eigen notities en die van Petrus mee, waarvan hij de dingen die
hij geschikt vond voor alles wat bijdroeg aan een verdere ontwikkeling
van kennis [gnosis] overbracht naar zijn eerdere boek. Zo
vormde hij een spiritueler evangelie voor het gebruik van hen die
bezig waren zich te vervolmaken [teleioumenon, ‘voltooid’
of ingewijd]. Toch onthulde hij nog niet de dingen die niet gezegd
mochten worden, noch schreef hij de priesterlijke lering van de Heer
op. Maar aan de verhalen die reeds waren opgeschreven voegde hij nog
andere toe, en bovendien nam hij bepaalde uitspraken op waarvan hij
als mystagoog wist dat de uitleg de (toe)hoorders zou leiden naar
het diepste heiligdom van die waarheid die door zeven sluiers wordt
verborgen. Dus heeft hij, alles bij elkaar, volgens mij de zaken noch
onwillig noch onvoorzichtig voorbereid; en toen hij stierf heeft hij
zijn werk nagelaten aan de kerk in Alexandrië, waar het zelfs
nu nog heel zorgvuldig wordt bewaakt en alleen wordt bekendgemaakt
aan hen die worden ingewijd in de grote mysteriën.
Hoewel deze passage – met zijn beweringen dat er een vertrouwelijke
versie van Marcus en van de geheime leringen van de Heer bestaat
die niet opgeschreven of verteld mag worden – veel mensen heeft
verrast, vormt dit niet de kern van de discussie. Clemenskenners hebben
altijd geweten dat hij openlijk verklaarde dat er een geheime traditie
bestond, voorbehouden aan de weinige ware gnostici, en dachten
dat het christendom de zuivere vertegenwoordiging van Gods ware mysteriën
was die anderen hadden gestolen en gecorrumpeerd:
O waarlijk heilige mysteriën! O smetteloos licht!
Mijn pad wordt verlicht door toortsen, en ik aanschouw de hemelen
en God; ik word heilig terwijl ik word ingewijd. De Heer is de hogepriester,
en bezegelt [hem tot stilzwijgen verplicht] terwijl hij hem verlicht
die wordt ingewijd, en degene die gelooft voordraagt aan de Vader,
om voor altijd veilig te zijn. Dat zijn de droombeelden van mijn mysteriën.
Als het uw wens is, moge ook u worden ingewijd; . . .
– Protreptikós
[Aansporing aan de heiden tot bekering], xi
Volgens Clemens was Carpocrates een onechte gnosticus, een ‘dwalende
ster’ die, hoewel hij zich beroemde op het bezit van vrijheid,
in feite een slaaf van slaafse begeerte was. In de brief legt Clemens
uit dat Carpocrates langs slinkse wegen een kopie van het vertrouwelijke
evangelie van Marcus had verkregen die hij vervolgens ‘interpreteerde
overeenkomstig zijn godslasterlijke en zinnelijke leer en bovendien
bezoedelde door de smetteloze en heilige woorden te vermengen met volslagen
schaamteloze leugens’. Om Theodorus’ vragen te beantwoorden
citeert Clemens twee passages uit het Geheime Marcus, waarvan
het langere fragment een variant beschrijft van het verhaal van de opwekking
van Lazarus, waarin veel inwijdingssymboliek voorkomt. Vervolgens geeft
hij nauwkeurig aan waar in Marcus het verhaal moet worden ingelast
(10:34), weerlegt de seksuele interpolatie van Carpocrates met de opmerking
dat het nooit deel heeft uitgemaakt van het origineel, en vervolgt:
‘Nu de juiste verklaring en dat wat overeenkomt met de juiste
filosofie’ – en hier eindigt de brief abrupt.
Hoewel wij de uitleg van Clemens missen, is de diepere betekenis van
een mystiek opstijgen naar Gods koninkrijk vrij duidelijk: Als hij de
graftombe binnengaat (het lichaam), wekt Jezus (de Christus vanbinnen)
de jongeling (de ziel) tot leven; deze kijkt op naar Jezus, ‘had
hem lief’ en ‘smeekte hem bij hem te mogen blijven’
(goddelijke gemeenschap). Als hij de graftombe verlaat om naar het huis
van de rijke jongeling te gaan (zijn innerlijke wereld of verblijfplaats),
vertelt Jezus de jongeling (neaniskos, een veel gebruikt Grieks
woord dat ook ‘dienaar’ betekent) na zes dagen (van inwijdingsbeproeving)
om in de avond naar hem toe te komen, naakt (als een baby) maar bekleed
met een linnen doek (het doodskleed van een lijk dat de naakte levende
geest bedekt, een dubbel symbool van dood en wedergeboorte). Gedurende
de nacht onderwees Jezus de neaniskos het mysterie van het
koninkrijk van God. ‘En daarna stond hij op en keerde terug naar
de andere kant van de Jordaan’ (van de ‘andere oever’
van de heilige rivier, d.w.z., het koninkrijk van God) – gedoopt,
wederom opgestaan, en geestelijk wedergeboren.2
De passage bevat geen enkele seksuele beeldspraak en heeft geen seksuele
bijbetekenis; toch werken dergelijke verhalen als een spiegel die het
bewustzijn van de waarnemer weergeeft – wat doet denken aan Rabbi
Akiba en de anderen in de hemelse Boomgaard.
In Meyers essays wordt bekeken hoe de inwijdingsgebeurtenis in het
Geheime Marcus samenvalt met het canonieke Marcus-verhaal
en licht werpt op andere evangeliegebeurtenissen waarin ook een in linnen
gehulde jongeman voorkomt: de gevangengenomen neaniskos ten
tijde van de arrestatie van Jezus die er naakt vandoor ging (Marcus
14:51-2); de ‘jongeman bekleed met een wit gewaad die aan de rechterzijde
zat’ in de verder lege graftombe van Jezus (Marcus 16:1-8);
en het verhaal van Lazarus in Johannes 11 waarin, heel verrassend,
Thomas voorkomt die tegen de andere discipelen zegt, ‘Laat ons
ook gaan, zodat we met hem kunnen sterven’ – nóg
een zinspeling op inwijding. Meyer en andere wetenschappers geloven
dat de passages uit het Geheime Marcus misschien tot een vroege
versie van het ‘openbare’ Marcus hebben behoord,
en later werden weggelaten uit wat de canonieke versie werd –
zoals de laatste twaalf verzen uit Marcus (16:9-20), die in
de oudste manuscripten niet voorkomen, werden toegevoegd om een theologische
denkrichting te versterken. Hoe de feitelijke geschiedenis van het Geheime
evangelie van Marcus ook luidt, de brief van Clemens komt niettemin
overeen met zijn eigen geschriften en met de symbolen en inwijdingspatronen
van de Mysteriën die door veel vroege kerken werden aanvaard.
De gebeurtenis waarbijJezus een nachtelijke inwijding leidt, heeft
veel christenen in verwarring gebracht; en zij die het idee verwerpen
dat Jezus in het geheim onderricht geeft, citeren vaak Johannes
18:19-21 als gezaghebbende bron. Toen de hogepriester van Jeruzalem
Jezus vroeg wat hij onderwees, zou deze hebben geantwoord: ‘Ik
heb openlijk tot de hele wereld gesproken. Ik heb altijd onderricht
gegeven in de synagoge en in de tempel waar alle joden samenkomen. Ik
heb niets in het geheim gezegd’. Alle drie de evangeliën,
de brieven van Paulus, de apostolische geheime traditie die door Clemens
in zijn bekende geschriften wordt bevestigd, de joodse esoterische achtergrond,
en verschillende christelijke gnostische teksten spreken dit echter
tegen.3 Bovendien is het Evangelie
van Johannes – dat volgens Gregory Riley, Elaine Pagels en
andere wetenschappers gedeeltelijk werd geschreven om de leringen die
worden aangetroffen in Thomas (Johannes is het enige
evangelie met de ongelovige Thomas) te weerspreken of om ze aan te passen
– op andere punten in strijd met de synoptische evangeliën,
zoals het verslag dat Jezus de tempel reinigde aan het begin van zijn
geestelijke loopbaan, terwijl de synoptici dit aan het einde ervan laten
gebeuren. De uitspraak van Johannes is ook in strijd met zichzelf,
bijvoorbeeld in de episode waarin Jezus Nicodemus in het geheim ’s
nachts onderwijst (hfst. 3).
De reden voor deze tegenstrijdigheden is voor
een deel dat gedurende de eerste drie eeuwen na Jezus zeer uiteenlopende
christelijke gemeenschappen door heel het Romeinse Rijk waren verspreid,
en verschillende groepen aanvaardden verschillende tradities die verschillende
dingen onderwezen. Er was geen monolithische kerk, geen formeel vastgelegd
Nieuwe Testament, geen heersende orthodoxie, maar toen waren er de nog
grotere meningsverschillen over het naleven van de joodse wet, over
fundamentele theologische kwesties zoals de opstanding en de goddelijkheid
van Jezus, en over gnosis en de christelijke geheime traditie. Zoals
Paulus de leringen van een betrekkelijk kleine joodse esoterische geloofsgemeenschap
opnieuw interpreteerde en transformeerde tot een groeiende niet-joodse
beweging die de verrezen Christus verkondigde, zo heeft Irenaeus een
orthodoxe leer in het leven geroepen die tegenwoordig voor praktisch
alle christenen de maatgevende geloofsovertuiging is. Het verhaal over
wat er gebeurde met de andere groeperingen en hun teksten en ‘hoe
één vroegchristelijke groepering in de religie een overheersende
rol ging spelen, en nog eeuwen later bepaalde wat christenen zouden
geloven, zouden praktiseren en als heilige Schrift zouden lezen’
is het belangrijkste onderwerp van Bart Ehrmans Lost Christianities:
The Battles for Scripture and the Faiths We Never Knew [Verdwenen
vormen van het christendom: De strijd om heilige geschriften en geloofsovertuigingen
die we nooit hebben gekend] – en het onderwerp van ons volgende
artikel.
Noten
- Secret Gospels: Essays on Thomas and the Secret
Gospel of Mark, Trinity Press International, Harrisburg, PA,
2003; ISBN 1563384094, 208 blz., paperback.
- In de oude joodse leer was het doodskleed het opstandingskleed.
Volgens een rabbijnse passage ‘wordt een mens tot leven gewekt
in dezelfde kleren als waarin hij wordt begraven’ (Smith, A
Secret Gospel of Mark, blz. 177). De voorgeschreven rituele kleding
bij vroegchristelijke doopceremonies was ook een linnen kleed over
een naakt lichaam. Deze symbolen en riten van spirituele wedergeboorte
worden door de neoplatonist Plotinus filosofisch toegelicht:
Het bereiken van [het Goede] is voor hen die het opwaartse
pad nemen, die al hun inspanningen erop zullen richten, die zich zullen
ontdoen van alles wat we bij onze afdaling [in stoffelijke lichamen]
hebben aangenomen; dus voor hen die de Heilige Vieringen van de Mysteriën
naderen, zijn er vaststaande zuiveringen en het afleggen van de voorheen
gedragen kleding [van de ziel], en het binnengaan in naaktheid [van
geest] – tot het passeren, op de weg omhoog, van alles wat niet
tot de [innerlijke] God behoort: ieder zal in de eenzaamheid van zichzelf
dat in eenzaamheid verblijvende Bestaan aanschouwen, het Afzonderlijke,
het Onvermengde, het Zuivere, dat waarvan alle dingen afhankelijk
zijn, . . . de Bron van het Leven en van Inzicht en van Zijn.
– Enneaden I.6.7
- Vgl. Margaret Barker, ‘The Secret Tradition’,
Journal of Higher Criticism (2:1), 1995; online op www.marquette.edu/maqom/tradition1
(en /tradition2).
|
| |
| |
Geheime evangeliën
en verdwenen vormen van het christendom – 3
Het herontdekken van Oude Stemmen
W.T.S. Thackara
|
| |
| |
Als het geloof in onsterfelijkheid uit de
grijze oudheid stamt, hoe kan de vrees voor de dood dan de oudste
van alle angsten zijn? – Plutarchus, Over de
ziel
De angst en verwondering over het hiernamaals zijn de kern van praktisch
elke oude en hedendaagse spirituele traditie, waaronder het christendom,
waarvan het canonieke verhaal zich niet alleen richt op de dood en opstanding
van Jezus, maar op de dood, opstanding en beoordeling van ieder mens.
Het evangelie of ‘de blijde boodschap’ van het geloof bevestigt
de onsterfelijkheid van de ziel en belooft de gelovigen verlossing en
eeuwig leven in het hemelse koninkrijk, bevrijd van de last van lijden
en verdriet.
De verborgen of geheime traditie die wordt verwoord in het Evangelie
volgens Thomas bevestigt eveneens het oude geloof, maar bepleit
de noodzaak om kennis te beschermen, en drukt in bedekte termen feitelijk
hetzelfde inwijdingspatroon van beproeving en vernieuwing uit dat wordt
ervaren in de Mysteriën – moeilijke omstandigheden en duisternis
gevolgd door goddelijke openbaring, bevrijding en de lauwerkrans of
kroon van Zelf-beheersing, hetgeen goddelijke gemeenschap symboliseert:
Jezus zei, ‘Laat hij die zoekt blijven zoeken
totdat hij vindt. Wanneer hij vindt, zal hij verontrust worden. Wanneer
hij verontrust wordt, zal hij verbaasd zijn, en hij zal heerser worden
over het Al.’ –
Spreuk 2
Dit patroon wordt ook allegorisch voorgesteld in de lijdensweg, opstanding
en heerschappij van Jezus in de evangelieverhalen. Tot op zekere hoogte
kan het ook worden herkend in onze eigen persoonlijke zoektocht naar
waarheid.
In een poging verband te leggen tussen ‘laatste dingen’
– het einde van iemands leven, het einde van een eeuw, of het
einde van de wereld – en het levensdoel en de juiste levenshouding,
wordt in heilige tradities de geschiedenis van verlossing vaak voorgesteld
als een wedstrijd of gevecht tussen goed en kwaad, tussen geestelijke
en stoffelijke krachten en tussen kosmos en chaos. Dit speelt zich voornamelijk
af in de menselijke ziel. In harmonie leven met de goddelijke bron van
het leven, hoe dit ook wordt opgevat, zou nu en in de toekomst geluk
brengen. In het gunstigste geval zouden we kunnen hopen op, misschien
zelfs rekenen op, een eendrachtig front van spiritueel getrouwen; maar
tegenkrachten doen zich ook hier voor en zaaien tweedracht en onenigheid.
Religieuze verschillen worden vaak toegeschreven aan onbetrouwbare
of misleide leraren, maar veel tradities zinspelen op een subtielere
spanning tussen profeten en priesters, contemplatieven en geestelijken,
en tussen zoekers naar goddelijke wijsheid en mensen die geloven in
de heersende religie. Het begrijpen van deze conflicten en de interactie
met de culturele en politieke geschiedenis helpt ons de verscheidenheid
te begrijpen die zich al snel voordeed binnen de vroegste christelijke
gemeenschappen, die allen een gemeenschappelijke interesse hadden in
‘laatste dingen’.
Als Jezus naar heilige geschriften verwijst, bedoelt hij joodse geschriften
en in één opzicht is de Hebreeuwse bijbel evenzeer een
geschiedenis van verlossing als van het uitverkoren zijn, van een verbond,
en van een leven van heiligheid. De kiem van het verhaal ligt in Genesis,
wanneer God Abraham vertelt dat hij hem naar een nieuw land zal brengen,
een belofte die aan Mozes opnieuw wordt gedaan: het volk van Israël
zal van de Egyptische slavernij worden geleid ‘naar een goed en
uitgestrekt land, naar een land, overvloeiend van melk en honing’.
Toen zij zich vestigden in Kanaän, dachten ze dat die beloftes
waren vervuld. Na verloop van tijd werd de Eerste Tempel in Jeruzalem
gebouwd, waarvan het binnenste heiligdom, het Heilige der Heiligen,
werd verborgen door een voorhang, een zichtbare vertegenwoordiging van
Gods aanwezigheid en mysteriën.
Na David en Salomo ontstonden er scheidingen in de godsdienst en het
volk, en verschenen er een reeks veroveraars. De Assyriërs versloegen
het noordelijke koninkrijk Israël in 721 v.Chr. en de Babyloniërs
vernietigden Jeruzalem in 586 v.Chr., en zonden joodse leiders, priesters
en anderen in ballingschap. Deze gebeurtenissen werden opgevat als Gods
(Jahweh’s) straf voor het aanbidden van andere goden en het zich
niet aan zijn geboden houden. Na de vrijlating uit gevangenschap keerden
sommige joden terug naar Jeruzalem om de Tempel te herbouwen, de verering
van Jahweh te hervormen en, volgens 2 Esdras, werd Ezra geïnspireerd
om de 24 openbare en 70 geheime boeken van de Hebreeuwse geschriften
te dicteren om de boeken die tijdens de ballingschap verloren waren
gegaan te vervangen.
De buitenlandse onderdrukking bleef echter voortduren, en de latere
profeten, ongetwijfeld beïnvloed door denkbeelden die verband hielden
met de leer van Zarathoestra en die werden vergaard tijdens de ballingschap,
begonnen dit niet zozeer te zien als straf maar als het werk van kosmische
krachten die vijandig stonden tegenover God. Een nieuw type esoterische
visionaire geschriften, die apocalyptisch werden genoemd (van het Griekse
apocalypsis, ‘openbaring’), begon te circuleren.
Hierin werd bekendgemaakt dat God spoedig zou ingrijpen in de geschiedenis
door zijn Messias (‘gezalfde’) te zenden om gerechtigheid
te herstellen. De profeet Elija zal dan als voorbode terugkeren om berouw
te prediken voor ‘de grote en verschrikkelijk dag van de Heer’
die deze laatste periode, die wordt gekenmerkt door rampspoed en kosmische
strijd tussen Gods volk en hun vijanden, afsluit. De levenden en de
doden zullen allen worden opgewekt om door God geoordeeld te worden:
de zondigen zullen worden veroordeeld tot eeuwige kwelling of vernietiging,
en zij die genade vinden zullen leven in overvloed op een vernieuwde
en hemelse aarde en vreugde vinden in de hemelse heerschappij van God.1
Deze denkbeelden werden tot in detail uitgewerkt door de ultraconservatieve
en apocalyptische Qumram-gemeenschap in hun sektarische geschriften
(gevonden in de Dode Zeerollen), waarvan de meeste, of allemaal, tussen
150 v.Chr. en 68 n.Chr. werden geproduceerd. Deze intertestamentaire
periode was een tijd van zeer grote Messiaanse verwachtingen en gedurende
dit tijdperk ontstond een soortgelijke apocalyptische joodse geloofsgemeenschap
van gedoopten die veranderde in een beweging met veel vertakkingen en
die al snel het christendom zou worden genoemd. Evenals de Nag-Hammadi-teksten
ons dwingen ons begrip van het gnosticisme aanzienlijk te wijzigen,
zo helpen de Qumran-rollen ons de ingewikkelde afkomst van het christendom
en haar relatie met oude tradities van spirituele gnosis te begrijpen.
Evenals de huidige theosofische en new-age-bewegingen waren de geheime
tradities onderling verschillend; er was beslist niet maar één
enkele vorm van gnosis of ‘gnosticisme’, hetzij joods, christelijk
of iets anders. Terwijl bijvoorbeeld de Qumran-geschriften regelmatig
verwijzen naar geheime mysteriën die waren voorbehouden aan de
uitverkorenen en het belang van spirituele kennis, loven zij duidelijk
de enige God, zijn wet en de goedheid van zijn schepping, in tegenstelling
tot enkele latere joods-christelijke gnostische teksten waarin kritiek
wordt geuit op het Jahwistisch monotheïsme:
van Zijn verbazingwekkende mysteriën is het
licht in mijn hart.
Mijn ogen hebben aanschouwd dat wat eeuwig is, de
wijsheid verborgen voor de mens, de kennis en het wijze ontwerp (verborgen)
voor de mensheid; . . . – Gemeenschapsregel, 1
QS XI (naar Eng. vert. Vermes)
De Qumran-geschriften spreken ook over een ‘verbond van genade’,
een ‘nieuw verbond’ als een ‘gemeenschap van waarheid’
en een toevluchtsoord gedurende de ‘oorlog van de hemelse krijgers
[die] de aarde zullen teisteren’ tot de vastgestelde vernietiging:
‘Ik zal mij verlaten op uw waarheid, Oh mijn God. Want op de rots
zult u de grondslag leggen’ (verg. Matt 16:18, ‘op
deze rots zal ik mijn gemeenschap bouwen’). Volgens de ‘Messiaanse
Apocalyps’ (4Q521), ‘zal de Heer [Adonai] grootse dingen
volbrengen . . . Want hij zal de gewonden genezen en de doden doen herleven
en de armen goed nieuws brengen.’ De gemeenschap verwachtte een
priesterlijke en koninklijke Messias, de ster en scepter (mogelijk verenigd
in één persoon als ‘de Messias van hemel en aarde’),
en verkondigde dat de eindtijd ongeveer veertig jaar na de dood van
hun leider, de leraar van rechtvaardigheid, zou aanvangen. De meeste
wetenschappers dateren dit begin ergens tijdens het bewind van Alexander
Janneus in het begin van de eerste eeuw v.Chr., een voorspelling die
de latere talmoedische verhalen, die Jezus in dezelfde eeuw plaatsen,
misschien hebben beïnvloed.
De Messias verscheen echter niet of werd niet herkend, en de bevolking
van Qumran begon haar verwachtingen – en geschriften – te
herzien om het uitstel te verklaren. Met de inname van Jeruzalem door
de Romeinen, de vernietiging van de Tweede Tempel, en de wijdverbreide
onderdrukking van 66-70 n.Chr., werden de rollen begraven in nabijgelegen
grotten en de gemeenschap viel uiteen. De Messiaanse verwachtingen bleven
bij veel joden in verschillende vormen bestaan, terwijl er ook joden
waren en een toenemend aantal niet-joden die van mening waren dat deze
verwachtingen al waren vervuld in de persoon van Jezus, van wie zij
geloofden dat hij de voorspelde ‘gezalfde’ was (Gk. christos).
Weer anderen geloofden dat de Samaritaanse jood Simon (Magus), die beweerde
de opvolger te zijn van Johannes de Doper, zelf was uitgekozen door
‘de Standvastige’ (God) – een verwijzing naar een
ander soort ‘zalving’, die ook wordt aangetroffen in de
joods-christelijke theologie van de Elkesaïeten. In het Egyptische
jodendom was bovendien een quasi-Messiaanse verwachting van een Verlosser-Koning,
beschreven in de Sibillijnse Orakels, die voorspelden dat ‘God
vanaf de Zon een Koning zal zenden’ (3:652-6).2
Bart D. Ehrmans Lost Christianities: The Battles for Scripture
and the Faiths We Never Knew3
pakt
het verhaal op aan het begin van het christelijke tijdperk en geeft
een overzicht van de ingewikkelde problemen waarmee niet alleen de vroegchristelijke
beweging wordt geplaagd, maar ook latere generaties christenen, wetenschappers
en andere geïnteresseerden. Ehrman is voorzitter van de theologische
faculteit van de universiteit van North Carolina in Chapel Hill, en
heeft zich gespecialiseerd in de interpretatie van het Nieuwe Testament
en de geschiedenis van het vroege christendom. Hij heeft ook een aantal
niet-canonieke christelijke geschriften vertaald die zijn opgenomen
in een aanvullend boekdeel. Niet al deze geschriften zijn gnostisch;
vele zijn in feite nogal orthodox, maar zijn om een of andere reden
uiteindelijk niet in het Nieuwe Testament opgenomen.4
Na een praktische inleiding over de verschillende vormen van het oude
christendom en ‘verloren gegane’ (maar bekende) geschriften
met de toepasselijke titel ‘Het herstellen van ons verlies’,
verdeelt Ehrman het boek in drie hoofdsecties: (1) Vervalsingen en Ontdekkingen,
dat vraagstukken met betrekking tot de oorsprong, de bewerking en de
authenticiteit van de teksten onderzoekt, waaronder besprekingen van
het Evangelie volgens Thomas en het Geheime evangelie volgens
Marcus; (2) Ketterijen en Orthodoxe Ideeën, dat aandacht besteedt
aan het brede scala aan vroegchristelijke gemeenschappen, hun leer en
de ontwikkeling van een ‘proto-orthodoxie’; en (3) Winnaars
en Verliezers, dat een overzicht geeft van het ‘arsenaal’
aan religieuze intriges (polemiek, persoonlijke belastering, onjuiste
voorstelling, en ‘verzonnen’ heilige geschriften), met een
historisch overzicht van hoe de academische wetenschap de christelijke
ontstaansgeschiedenis op verschillende manieren opnieuw heeft uitgelegd
– een onderwerp waar Karen King in What is Gnosticism?
dieper op ingaat. Lost Christianities wordt over de hele linie
zorgvuldig gepresenteerd en besluit met een toepasselijk hoofdstuk waarin
vraagstukken over diversiteit en tolerantie en over ‘winnaars
als verliezers’ worden besproken.
In Deel 1 wordt echter een netelige en problematische kwestie naar
voren gebracht. Hier verklaart Ehrman dat ‘bijna alle ‘verdwenen’
heilige geschriften van de eerste christenen vervalsingen waren’
(blz. 9), waarbij hij vervalsing omschrijft als het werk van een onbekende
auteur die doet alsof het van een bekende figuur zoals een apostel is.
Hij wijst erop dat de meeste wetenschappers de voorkeur geven aan de
minder ongunstige bewoordingen ‘onder pseudoniem (een schuilnaam)
geschreven’ en dat dit in de oudheid gebruikelijk was, en voegt
eraan toe dat ook een aantal canonieke geschriften vervalsingen zijn.
Hij toont bijvoorbeeld aan dat enkele van de brieven van Paulus waarschijnlijk
zijn geschreven door anderen die er een andere mening op nahielden.
Bij veel geschriften die onder pseudoniem zijn geschreven gaat het
om totaal andere motieven dan vervalsing of misleiding. Helaas –
en deze beperking beïnvloedt het perspectief van het hele boek
– verzuimt Ehrman het ascetische protocol te vermelden dat in
deze oude werken wordt gevolgd, vooral in esoterische geschriften, waarvan
de auteurs ‘hun eigen identiteit en namen verborgen en zich verstopten
achter bijbelse figuren zoals Enoch, Noach, Abraham, Mozes, Baruch,
Daniël, Ezra en anderen’ (Gershom Scholem, Kabbalah,
blz. 11).
De esoterische kennis in deze boeken stelde niet
alleen de openbaring van het einde der tijden en de adembenemende
verschrikkingen ervan aan de orde, maar ook de structuur van de verborgen
wereld en haar bewoners: de hemel, het Paradijs, en Gehinnom, engelen
en boze geesten, en het lot van de zielen in deze verborgen wereld
. . . [en] ‘de verbazingwekkende geheimen’ van God die
in de Dode-Zeerollen worden genoemd.
. . . In de eeuwen die volgden zette dit pseudepigrafische
patroon zich voort binnen de mystieke traditie. De duidelijke neiging
tot ascetisme als een manier om zich voor te bereiden om de mystieke
traditie te ontvangen, waarvan het laatste hoofdstuk van het Boek
Enoch al getuigt, wordt een grondbeginsel voor de apocalyptici, de
Essenen en de mystici van de kring van Merkabah [Troon] die hen opvolgden.
–
Op.cit.
Omdat veel vroegchristelijke schrijvers geheel opgingen in deze traditie,
hebben ze ongetwijfeld dezelfde algemeen aanvaarde gewoonte overgenomen.
Terwijl Ehrman het Evangelie van Thomas op dezelfde gronden
als een vervalsing kwalificeert, spreekt hij de canonieke evangeliën
vervolgens hiervan vrij. Volgens hem maakten de onbekende schrijvers
ervan geen speciale aanspraak op auteurschap, zelfs al zeiden de mensen
later dat ze werden geschreven door Mattheus, Marcus, enz. in plaats
van ‘volgens’ zoals hun respectieve titels aangeven. Ik
vind dit onderscheid dubieus, en men kan hetzelfde bezwaar maken tegen
de evangeliën. Bovendien wordt erin geclaimd dat Jezus de auteur
is van het Onze Vader, de zaligsprekingen, de afscheidsredes en andere
uitspraken, die via de discipelen zijn overgeleverd. Er schijnt weinig
verschil te zijn tussen deze claim en die van het Evangelie ‘volgens’
Thomas (de eigenlijke titel), waarin de anonieme samensteller de
apostel die verondersteld wordt de uitspraken te hebben opgetekend alleen
noemt (Thomas wordt alleen in de derde persoon vermeld –
nooit als ‘Ik, Thomas’).
Deze voorbeelden maken duidelijk hoe moeilijk het is de authenticiteit
en de betekenis van een religieuze tekst te beoordelen. Gewijzigde,
verwrongen en vervalste geschriften waren en zijn een enorm
probleem voor elke religie die steunt op een heilig geschrift. In het
hele boek onderzoekt Ehrman deze en andere kwesties van tekstuele ontwikkeling
en overdracht in vroegchristelijke gemeenschappen. Eén speciaal
onderzoeksgebied betreft de canonieke geschriften en hoe deze werden
gevormd, aangepast en soms ‘vervalst’ om ‘ketterse’
interpretaties te vermijden.
Om de verscheidenheid van de eerste christenen te illustreren richt
Deel 2 zich op de leringen en de geschiedenis van twee groeperingen
aan de tegenovergestelde uiteinden van het spectrum – de Ebionieten
en de Marcionieten – en ook op gnostisch christelijke stelsels,
vooral dat van Valentinus, door ze te vergelijken met de zich ontwikkelende
‘proto-orthodoxe’ gezichtspunten. Deze gemeenschappen zijn
moeilijk te karakteriseren omdat informatie vaak schaars, inconsequent
en bevooroordeeld is; bovendien wijzigden ze soms, evenals hedendaagse
christelijke sekten, hun standpunten, verschilden onderling van mening,
en scheidden ze zich af. Daarom geeft Ehrman een beschrijving die representatief
kan worden geacht.
Ebionieten (de ‘armen’) waren joodse christenen die de
joodse leer niet verwierpen. Zij geloofden dat Jezus de natuurlijke
zoon van Jozef en Maria was, maar bij de doop door God was ‘uitgekozen’
als de meest rechtschapen mens op aarde. Naast de Hebreeuwse geschriften
lijken zij het Evangelie naar Mattheus, of een bewerkte versie ervan
(bijv. geen geboorteverhaal van een maagdelijke geboorte), te hebben
erkend, maar bestreden fel dat Paulus een afvallige van de Wet zou zijn,
in het bijzonder dat hij zou toestaan dat mannelijke joden niet werden
besneden, wat het teken van het verbond was. Wat geheime leringen betreft,
afgezien van de vrijwel vaststaande conclusie van het bestaan van een
joodse esoterie, wordt hierop verschillende keren gezinspeeld in de
pseudo-clementijnse literatuur die door de Ebionieten zijn gebruikt,
bijv. ‘het ware evangelie moet in het geheim worden verkondigd
ter rectificatie van ketterijen die er zullen komen’ (Homiliën
2.17). Wanneer Ehrman de pseudo-clementijnen bespreekt noemt hij dit
aspect echter niet.
Het andere uiterste vormden de Marcionieten, gesticht door de tweede-eeuwse
theoloog Marcion, zoon van een christelijke bisschop en zelf bisschop.
Deze goed georganiseerde gemeenschap werd door de orthodoxe kerk beschouwd
als misschien wel haar gevaarlijkste vijand. Door Paulus te eren als
de enige ware apostel en het evangelie van Christus als een universele
boodschap, trachtte Marcion het christendom te zuiveren van zijn joodse
elementen, en stelde zelfs zijn eigen christelijke canon samen: tien
brieven van Paulus en een verkorte versie van Lukas. Hij werd
gekweld door de discrepantie tussen de toornige, wraakzuchtige en wreed
bestraffende God van de Hebreeuwse bijbel en de liefdevolle, barmhartige,
vergevensgezinde God die Jezus predikte. Hij kwam tot het inzicht dat
er twee goden waren: de voordien-onbekende God over alles ‘gescheiden
door een oneindige afstand’ van de rechtvaardige (maar niet slechte)
God van Genesis die de mens en de stoffelijke wereld heeft
geschapen. Christus werd gezonden door de eerstgenoemde en was noch
de beloofde Messias noch was hij uit een vrouw geboren. Hij was veeleer
een goddelijke manifestatie: een docetische ‘geestverschijning’
die aan het kruis is gestorven om de mensheid te verlossen van het eigendomsrecht
van haar inferieure schepper. Marcions leer verwierp een lichamelijke
opstanding, bevestigde in plaats daarvan dat bevrijding uit deze stoffelijke
wereld mogelijk is door middel van strenge ascese en geloof in de belofte
van een eeuwig leven met de God boven alles.
Ehrman vervolgt met een uitgebreid overzicht van de bronnen en leerstellingen
van christelijke gnostici die de vraag probeerden te beantwoorden waarom
het slechte mensen goed gaat en deugdzame mensen lijden – en hun
geschriften waarin de stoffelijke wereld wordt afgeschilderd als de
onvolmaakte (soms kwade) schepping van een onwetende schepper, die meestal
wordt vereenzelvigd met Jahweh. Hier merkt Ehrman op dat niet alle gnostici
deze theologie deelden: ‘Het is onmogelijk de gezichtspunten,
vooronderstellingen en religieuze perspectieven van deze [Nag-Hammadi-teksten]
samen te voegen tot één monolithisch stelsel’ (blz.
115). Het resterende deel van Lost Christianities wordt grotendeels
besteed aan de ‘proto-orthodoxe’ reactie op deze rivaliserende
groeperingen, hun aanval op het gnosticisme, Constantijns goedkeuring
van wat het normatieve christendom werd, de daaropvolgende onderdrukking
van ‘ketterijen’, en het verlies van veel christelijke stemmen
die het in deze tijd verdienen om gehoord te worden. Die discussie en
Karen Kings What is Gnosticism? zijn het onderwerp van ons
volgende artikel.
Noten
- Zie ‘eschatology’, Harper’s
Bible Dictionary, op basis waarvan deze samenvatting is gemaakt;
over de invloed van de leer van Zarathoestra, Cosmos, Chaos, and
the World to Come door Norman Cohn. In Lost Prophet: The
Book of Enoch and Its Influence on Christianity, beweert Margaret
Barker dat de apocalyptische wereldbeschouwing ook de wereldbeschouwing
was van het jodendom van de Eerste Tempel.
- Vgl. Geza Vermes, The Complete Dead Sea Scrolls
in English, 1997; John J. Collins, The Scepter and the Star:
The Messiahs of the Dead Sea Scrolls and Other Ancient Literature,
1995.
- Oxford University Press, 2003; ISBN 0195141830, 336
blz. gebonden.
- Lost Scripitures: Books that Did Not Make It into
the New Testament, Oxford University Press, New York, 2003. Dit
werk bestaat uit 14 evangeliën, 5 handelingen van de apostelen,
14 zendbrieven en daaraan gerelateerde geschriften, 9 openbaringsgeschriften
en openbarende verhandelingen en 5 canonieke lijsten met christelijke
geschriften.
|
| |
|
Geheime evangeliën en verdwenen vormen
van het christendom – 4
Wat is gnosticisme?
W.T.S. Thackara
|
| |
| |
Niet alleen de doop bevrijdt ons, maar ook gnosis
[kennis]: wie we waren, wat we zijn geworden; waar we waren, waarin
we zijn beland; waarheen we ons spoeden, waaruit we zijn verlost;
wat geboorte en wat wedergeboorte is.
– Excerpta ex Theodoto
78.2
Toen de historicus Hans Jonas de essentie van wat we gnosticisme zijn
gaan noemen samenvatte, noemde hij deze verklaring de ‘formulering
van Valentinus’, de christelijke gnosticus uit de 2de eeuw die
beweerde de geheime leringen van Jezus via een discipel van Paulus te
hebben ontvangen. Deze formulering berust op de veronderstelling dat
‘hoewel we in de tijdelijkheid zijn geworpen, onze oorsprong in
de eeuwigheid lag, en dus ook ons doel in de eeuwigheid ligt’
(The Gnostic Religion, blz. 335). Hoewel gnostische leraren
en stromingen uit het vroegchristelijke tijdperk wat betreft bepaalde
leringen en praktijken belangrijk van elkaar verschilden, deelden ze
niettemin deze basisvisie over de goddelijke afkomst van de mens, evenals
de eerste kerken die het maatgevende of algemeen gangbare christendom
begonnen te vertegenwoordigen. Personen en groepen verschilden voornamelijk
van mening over kwesties zoals: wie wordt er gered, hoe
en wanneer zal verlossing of verlichting worden gerealiseerd,
wat zijn juiste voorstellingen van God en het heelal, en waarom
bestaan kwaad en lijden – vragen die te maken hebben met zeer
diepgaande en gevoelige vraagstukken betreffende het leven en gedrag
van de mens.
Het zich bewust worden van het geloof en het ervaren van goddelijke
werkelijkheid vormen de inspiratie voor de kern van de spirituele en
filosofische tradities in de wereld. De Heilige Schrift en de leer zijn
uiteindelijk daaruit voortgekomen en toch berust de onderliggende grondslag
ervan – de openbaring van goddelijke wijsheid – op profeten,
wijzen, zieners, mystici en gezalfden die de ontvangers zijn van spirituele
kennis en deze doorgeven. Wanneer leringen niet persoonlijk op waarheid
kunnen worden onderzocht, of in tegenspraak met elkaar lijken te zijn,
rijzen vragen over authenticiteit en betrouwbaarheid, en daarom komen
we terug op de vraag van Pilatus, ‘Wat is waarheid?’
In deel drie van Bart D. Ehrmans Lost Christianities en in
het grootste deel van Karen L. Kings What is Gnosticism? –
beide uitstekende en goedgeschreven boeken1
– wordt het conflict tussen orthodoxie en ketterij beschreven.
Zij besteden niet alleen aandacht aan de vroegchristelijke geschiedenis
zoals deze is beschreven door de theologisch gedreven ‘winnaars’,
maar zoals deze opnieuw is onderzocht en geïnterpreteerd door wetenschappers
in het licht van de groeiende hoeveelheid uit documenten bestaand bewijsmateriaal,
zoals de Nag-Hammadi-bibliotheek en andere oude teksten. Volgens oude
kerkhistorici is de christelijke ketterij begonnen met Simon de Magiër
van Samaria, die zijn vermogens gebruikte om anderen ervan te overtuigen
dat hij ‘de kracht van God was die groot wordt genoemd’
(Handelingen 8). Toen Irenaeus een eeuw later de geschiedenis
traceerde van ‘gnosis, die onterecht zo wordt genoemd’,
beweerde hij dat Simon de oorspronkelijke gnosticus was ‘bij wie
alle ketterij is begonnen’; daarbij onderscheidde hij ze van de
orthodoxie: de ‘juiste meningen’ die de ware leer
van Jezus getrouw weergeven.
Ketterij [Engels: heresy] is echter een woord met een interessante,
maar weinig bekende, geschiedenis. Het is afgeleid van het Griekse hairesis,
‘keuze’, en was oorspronkelijk een neutraal woord dat onder
andere de betekenis had van een religieuze sekte, zoals bijvoorbeeld
toen de joodse historicus Josephus verwees naar de Sadduceeën,
Farizeeën en de Essenen. Elke sekte (hairesis) was een
gemeenschap waarvan de aanhangers verkozen erbij te horen – net
zoals een hedendaagse christen zou kunnen kiezen een methodist of een
katholiek te zijn. De meeste oude kerkvaders gaven aan de term een nieuwe
definitie: ‘opzettelijke beslissingen om van het juiste geloof
af te wijken; het betekent een verdraaiing van het geloof, die men bij
slechts een minderheid aantreft’ (Ehrman, blz. 164).
De woorden gnosis en gnostisch werden op dezelfde
manier tot demonen gemaakt zodat ook deze gedurende bijna twee millennia
termen van afkeuring zijn geweest, bijna synoniem met ‘ketterij’
– ondanks het zeer orthodoxe pleidooi van Clemens van Alexandrië
dat we ‘de geheime tradities van de ware gnosis ontvangen’
die door de Zoon van God zijn onderwezen, en dat de ware christen zou
moeten worden gezien als de ware gnosticus (Stromateis I.xii,
II passim). Veel van de ‘proto-orthodoxe’ religieuze pennenstrijd
hield zich echter bezig met de grenzen van het juiste geloof door het
te onderscheiden van met elkaar in tegenspraak zijnde leringen die werden
gesteund door personen en groeperingen zowel in als buiten hun gemeenschap.
Uit dit pluralisme ontstond de omschrijving door de kerk van het ware
geloof en van ‘ketterij’ wat zich geleidelijk aan vormde
tot een ‘modelverhaal’ van de christelijke geschiedenis:
(1) Jezus openbaart de zuivere leer aan zijn apostelen,
gedeeltelijk vóór zijn dood en gedeeltelijk in de veertig
dagen voor zijn hemelvaart.
(2) Na het definitieve vertrek van Jezus verdeelden
de apostelen de wereld onder elkaar en een ieder brengt het onvervalste
evangelie naar het land dat hem is toebedeeld.
(3) . . . Maar nu ontstaan er hinderpalen binnen
het christendom zelf. De duivel kan het niet laten onkruid te zaaien
op het goddelijke tarweveld – en daarin slaagt hij. Echte christenen
die door hem zijn verblind keren zich van de zuivere leer af. Deze
ontwikkeling verloopt in een bepaalde volgorde: ongeloof, juist geloof,
verkeerd geloof . . . daar waar ketterij is, moet orthodoxie aan vooraf
zijn gegaan . . .
– Walter Bauer, Orthodoxy and
Heresy, geciteerd in King, blz. 111
Toen de kerk zich in de 4de eeuw eenmaal van politieke macht verzekerde,
onderdrukte deze op agressieve manier niet alleen rivaliserende sekten
en religies, maar praktisch al het kritische onderzoek van het modelverhaal.
Met de Renaissance, de Reformatie en de komst van de Europese Verlichting
meer dan duizend jaar later, begon men echter de religieuze aannames
waarop men zich lange tijd had gebaseerd, openlijker te onderzoeken.
In de 18de eeuw ‘groeide ernstige bezorgdheid over de historische
juistheid van de bijbel,’ schrijft Ehrman, ‘toen bovennatuurlijke
leringen over goddelijke openbaring die de waarheid van de Heilige Schrift
garandeerden een zaak van wetenschappelijk debat werd . . . niet alleen
onder hen die vonden dat ze buiten de christelijke traditie stonden,
maar in het bijzonder onder hen die er deel van uitmaakten’ (blz.
168). Ondanks het gebrek aan oorspronkelijke bronnen werden de gnostische
stelsels toch behandeld als een betrekkelijk homogene theologische entiteit
waarvan de karakterisering bijna geheel afhing van de zwaar bevooroordeelde
patristische bronnen. Terwijl wetenschappers en theologen worstelden
met onderwerpen zoals de historiciteit van Jezus en de bijbelse onfeilbaarheid2,
verflauwde het onderzoek van het gnosticisme, omdat het werd beschouwd
(en door de meeste christenen nog wordt beschouwd) als een ‘marginale,
sektarische, esoterische, mythische, syncretistische, parasiterende
en oosterse religie, in tegenstelling tot de heersende, authentieke,
etnische, historische, rationele of universele religies, zoals het orthodoxe
christendom’ (King, blz. 3).
Toen de in de 19de eeuw herontdekte Egyptische, Mesopotamische, Perzische
en Aziatische religieuze teksten de westerse intellectuele horizon begonnen
te verruimen, werd de belangstelling voor het gnosticisme opnieuw aangewakkerd,
mogelijk als reactie op wat deze teksten suggereerden over de oorsprong
van joodse en christelijke geschriften en leringen. In 1885 noemde de
protestantse kerkhistoricus Adolf Harnack in zijn monumentale History
of Dogma het gnosticisme ‘de acute vergrieksing van het christendom’.
Hiermee bedoelde hij dat het gnosticisme ‘voornamelijk werd beheerst
door de Griekse geest en werd bepaald door de belangen en leringen van
de Griekse filosofie en godsdienst’. Terwijl Harnack de verruimende
invloed van de Griekse cultuur gunstig vond voor het christendom, beschouwde
hij niettemin haar mythologie en polytheïsme als parasitaire invloeden
die de weg vrijmaakten voor ‘het transformeren van de disciplina
Evangelii tot een ascetisme dat gebaseerd was op een dualistische
opvatting en tot een praktijk van mysteriën’.
Harnack maakte het volgende overzicht van verschillende kenmerken waarvan
hij vond dat ze de essentie van het gnosticisme duidelijk omschreven:
(1) Het gnostische denken maakte onderscheid tussen de oppermachtige
God en de schepper. (2) De oppermachtige God was gescheiden van de God
van het Oude Testament. (3) Stof werd beschouwd als onafhankelijk en
eeuwig. (4) De geschapen wereld was het product van hetzij een slecht
wezen of een tussenpersoon die handelde uit vijandigheid tegenover de
hoogste God. (5) Het kwaad was een kracht die inherent is aan stof.
(6) Christus openbaarde een voorheen onbekende God. (7) Gnostische christologie
maakte een onderscheid tussen Jezus in zijn menselijke gedaante en de
hemelse Christus. (8) Mensen werden onderverdeeld in twee of drie klassen,
afhankelijk van het feit of ze geest (pneuma), ziel (psyche),
of alleen een stoffelijke (hylische) aard bezaten. Alleen spirituele
mensen waren ‘ontvankelijk voor gnosis en het goddelijke leven
. . . op grond van hun constitutie’. (9) Gnostici verwierpen de
wederkomst, de opstanding van het lichaam, en het laatste oordeel, en
wachtten alleen op de bevrijding van de zinnelijke wereld en het opgaan
in het hemelse pleroma, de ‘volheid’ van Gods koninkrijk
(King, blz. 62-3).
Volgens
King reconstrueerden zulke definities grotendeels alleen het modelverhaal
waarin het gnosticisme werd beschouwd als een afwijkende mening, ontstaan
na de kruisiging, en beïnvloed door andere, inferieure religieuze
stelsels. Een groep wetenschappers, die zichzelf de ‘History of
Religions School’ noemen, richtten zich wat betreft de oorsprong
van het gnosticisme echter op andere gebieden, omdat zij ook wortels
zagen in de religies van Iran, Babylonië en India, evenals een
proto-gnosticisme in het voorchristelijke jodendom. Ondanks het feit
dat zij belangrijke en veelal intuïtieve bijdragen leverden aan
de wetenschap, placht hun beschrijving van het gnosticisme niettemin
veel van het oude paradigma te herschrijven, waardoor ze ‘een
invloedrijke erfenis van nieuwe misvattingen en misleidende karakteriseringen
van het gnosticisme’ achterlieten (King, blz. 109).
Het midden van de twintigste eeuw gaf een belangrijke verschuiving
in het denken te zien, daarin voorgegaan door het werk van Walter Bauer,
die ook de oude bewering aanvocht dat het gnosticisme een ondergeschikte
ontwikkeling in de geschiedenis van het christendom was. Nog belangrijker
was dat hij zijn enorme wetenschappelijke kennis op het modelverhaal
richtte. Volgens Ehrman was Bauers Orthodoxy and Heresy in the Earliest
Christianity ‘aantoonbaar het belangrijkste boek over de
geschiedenis van het vroege christendom dat in de twintigste eeuw is
verschenen’. Het onderzoek erin gaf aan dat het modelverhaal de
geschiedenis niet alleen ongenuanceerd en verkeerd weergaf, maar dat
‘in sommige gebieden van het oude christendom, die later ‘ketterij’
zouden worden genoemd, zich in feite de oudste en belangrijkste vorm
van het christendom bevond’ (Ehrman, blz. 173).
 |
Nag
Hammadi Codices (met dank aan het Institute of Antiquity and Christianity). |
De grootste uitdaging met betrekking tot oude denkbeelden over het
vroege christendom zijn misschien wel de Nag-Hammadi-teksten en de Dode-Zeerollen
geweest, die duidelijk erop wijzen dat de oudste christelijke groepen
waren geworteld in en deel uitmaakten van een grotere esoterische beweging
die verlossing verkondigde door middel van doopinwijding en
gnosis. Terwijl ongeveer de helft van de Nag-Hammadi-teksten christelijke
creaties zijn, zoals het Evangelie volgens Thomas en het Evangelie
van de waarheid, zijn de overige niet-christelijk van oorsprong
of zijn ‘verchristelijkt’. Een van de interessantste is
de brief van Eugnostos de gezegende. Inwendig bewijs doet vermoeden
dat deze oorspronkelijk in Egypte werd geschreven ergens halverwege
de eerste eeuw v.Chr., misschien 80-100 jaar voor de dood van Jezus.
Ofschoon het taalgebruik ervan zowel joodse als Griekse invloeden laat
zien, schijnt de beschrijving van een bovenhemels gebied buiten de zichtbare
wereld het meest te lijken op de emanatieleer van de oude Egyptische
religie. De hoogste rijken worden bestuurd door een hiërarchie
van vijf goden, die elk hun reflectie of zoon op aarde uitstralen: (1)
Ongeboren Vader, ook wel Voorvader genoemd; (2) Zelf-Vader of Zelf-Verwekker;
(3) Onsterfelijke Tweeslachtige Man, van wie de mannelijke naam ‘Verwekte
Volmaakte Geest’ is en de vrouwelijke naam ‘Volmaakt-wijze
Verwekster Sophia [Wijsheid]’; (4) tweeslachtige Zoon van de Mens
of Zoon van God, ook wel genoemd ‘Adam van Licht’; en (5)
de Verlosser, de tweeslachtige zoon van de Zoon van de Mens. Over de
Allerhoogste schrijft Eugnostos:
Hij is onsterfelijk en eeuwig en kent geen geboorte;
want ieder die geboren wordt zal sterven. . . . Hij heeft geen naam;
want wie een naam heeft is de schepping van een ander. . . . Hij heeft
geen menselijke gedaante; . . . Hij is oneindig; Hij is niet te begrijpen.
. . . Hij is onveranderlijk goed. . . . Hij is onkenbaar, hoewel hij
(niettemin) zichzelf kent. Hij is onmetelijk. Hij is onnaspeurbaar.
Hij is volmaakt, omdat hij geen gebrek heeft. Hij is onvergankelijk
gezegend. Hij wordt ‘Vader van het Universum’ genoemd.
– De Nag Hammadi Geschriften,
Dl. II, blz. 127-8
De ontelbare menigten geschapen goden, aartsengelen en engelen, die
in deze goddelijke emanaties zijn geworteld, stralen goddelijke goedheid
uit in alle hemelen, waaruit de patronen of soorten voor volgende scheppingen
voortkomen: ‘alle soorten vanuit het Onsterfelijke Ene, van de
Niet-verwekte tot de openbaring van chaos, zijn in het licht dat schijnt
zonder schaduw en ervaren onuitsprekelijke vreugde en verrukking’.
Op grond van deze heilzame invloed en de afwezigheid van een onvolkomen
of slechte demiurg (schepper), merkt de vertaler op, ‘kan Eugnostos
niet als gnostisch in klassieke zin worden beschouwd, ‘maar zou
als ‘proto-gnostisch’ moeten worden beschouwd.3
De brief eindigt met een verwijzing naar de komst van de verlosser:
‘Alles wat ik u zojuist heb gezegd, heb ik gezegd op een manier
die u misschien zou kunnen accepteren totdat hij die niet onderwezen
hoeft te worden onder u verschijnt, en hij zal u al deze dingen vreugdevol
vertellen en vanuit een zuiver weten.’ Een vroege christen zag
hierin duidelijk een verwijzing naar Jezus, en terwijl hij de brief
als brontekst gebruikte, ‘verchristelijkte’ hij deze door
bestaande passages te verwijderen en opnieuw te verwoorden, waarbij
hij heel veel nieuwe informatie toevoegde en het de nieuwe titel gaf:
De Sophia van Jezus Christus – het was nu een openbaringsrede
van de opgestane Christus voor zijn discipelen. Onder de theologische
toevoegingen (of aanvullingen) die een meer klassieke gnostische opvatting
weergeven is een god – de arrogante, blinde, onwetende, en ‘Almachtige’
Yaldabaoth – die rechtstreeks deze wereld bestuurt ten nadele
van de mensheid.
Zulke geleende teksten en aanpassingen illustreren de moeilijkheid
het gnosticisme op een eenvoudige manier te kenschetsen, zozeer zelfs
dat sommige wetenschappers, onder wie Karen King, beweren dat het een
misleidende term is, zoal niet een die geen betekenis heeft. Ze herinnert
ons eraan dat het woord gnosticisme een kunstmatig concept
is van de moderne wetenschap. Het is in de 17de eeuw bedacht door de
Engelse filosoof Henry More en het is een gemakkelijk etiket dat wordt
gebruikt om een historische entiteit te omschrijven die alleen bestond
in de intellectuele categorieën die waren ontworpen om bepaalde
sektarische groepen, doctrines en gebruiken te omschrijven. Met het
oog op het groeiende besef van de gnostische diversiteit zijn verschillende
oplossingen voorgesteld, waaronder het gebruik van het woord Gnosis
in plaats van Gnosticisme, waarbij een hoofdletter G wordt
gebruikt om te verwijzen naar de joods-christelijke gnostische stelsels
van de Grieks-Romeinse tijd, of om te spreken over gnosticismen (meervoud)
in plaats van helemaal van de term af te zien.
In 1966 werd in Messina, Italië, een internationaal colloquium
gehouden over de oorsprong van het gnosticisme, gedeeltelijk om het
probleem van de definitie ervan te bestuderen. Om te helpen het begrip
te verruimen, leverde de onderzoeker van het boeddhisme Edward Conze
een bijdrage met een bijzondere lezing getiteld ‘Boeddhisme en
gnosis’ waarin hij acht basisaannames opsomde waarover aanhangers
van gnosis en het mahayanaboeddhisme het eens zijn, waaronder de volgende:
(1) verlossing door gnosis of jñana (de woorden
stammen van dezelfde Indo-Europese wortel), (2) onwetendheid (d.w.z.,
blind zijn voor de ware feiten van het bestaan) is de oorzaak van het
kwaad, (3) kennis vloeit uitsluitend voort uit openbaring, wat een ieder
in zichzelf moet ervaren, en (4) de cruciale rol van wijsheid in elk
stelsel. Wat deze laatste betreft, scheen het volgens Conze opmerkelijk
dat gedurende dezelfde periode – d.w.z. vanaf
(ongeveer) 200 v.Chr. – twee afzonderlijke beschavingen, de
ene in het Middellandse-Zeegebied, de andere in India, een praktisch
overeenkomstig stel ideeën over ‘wijsheid’ heeft
ontwikkeld, waarbij elk van beide dat kennelijk onafhankelijk van
zijn eigen culturele voorgeschiedenis heeft gedaan.
– The
Origins of Gnosticism, 1970, blz. 656
Hij kon zich maar drie hypothesen voorstellen die de overeenkomsten
konden verklaren: het wederzijds overnemen, een gezamenlijke ontwikkeling,
of een parallelle ontwikkeling die ‘ervan uitgaat dat het gnosticisme
een van de basismodellen van religiositeit is en het daarom waarschijnlijk
is dat het in elke tijd vanzelf weer ontstaat. De in zichzelf consistente
theoretische verklaringen ervan zouden dan ontstaan uit een gezamenlijke
denkwijze en uit gemeenschappelijke spirituele ervaringen’ (op.
cit., blz. 666). In een voetnoot bij de gepubliceerde uitgave voegde
hij eraan toe:
De nogal verrassende verhandeling van G. Lanczkowski
over de gnostische elementen in oude Amerikaanse religies heeft me
doen denken aan een vierde mogelijkheid. Misschien werden
de basisideeën uitgedacht in een of ander prehistorisch tijdperk
als een soort philosophia perennis, in een tijd voordat Europeanen,
Aziaten en Amerikanen zich verspreidden naar hun respectieve continenten.
– Op.cit.
Het interessante is dat deze mogelijkheden niet onverenigbaar zijn
– alle zouden tegelijkertijd kunnen voorkomen – hoewel Conze’s
vierde mogelijkheid meer in de richting schijnt te wijzen van de oorsprong
van gnosis die wordt opgevat als een oeroude openbaring die cyclisch
wordt vernieuwd door avatarische verschijningen, bewustwording via inwijding
en intuïtieve flitsen van goddelijke werkelijkheden.
Wij zijn generaties van wetenschappers veel dank verschuldigd voor
hun volhardende arbeid en voor hun moed die zaken aan het licht te brengen
die verontrustend en verbazingwekkend lijken te zijn, maar hopelijk
de waarheid louteren over wie we zijn en waar we naar toe gaan: ons
‘doel in de eeuwigheid’. En toch, ondanks al hun werk, beseffen
wetenschappers dat de diepere inhoud van geheime evangeliën grotendeels
verborgen blijft en dat christelijke bronnen nog steeds in een mysterie
zijn gehuld. Hoe verschillend en gecompliceerd de uitdrukkingsvormen
van de gnosis ook zijn, volgens haar eigen definitie zou er overeenkomstig
haar ethiek moeten worden geleefd om haar ‘geheim’ te kunnen
openbaren. Zelfs dan biedt gnosis de waarheidszoeker twee fundamenteel
verschillende wegen: een persoonlijke vlucht uit het kwade en het lijden
van de wereld of, zoals de bodhisattva van mededogen, blijven en helpen
om de wereld te transformeren met het licht van kennis en goddelijke
wijsheid. Dit is volgens de gnosis van Valentinus, de ‘verborgen’
betekenis van de Opstanding:
Het is de openbaring van wat is, en de transformatie
van dingen, en een overgang naar het nieuwe. Want onvergankelijkheid
[daalt neer] op het vergankelijke; het licht stroomt uit over de duisternis
en slokt deze op; en het pleroma vult het tekort aan. Dit zijn de
symbolen en de beelden van de opstanding. Hij is het die zorgt voor
het goede.
– Verhandeling over
de Opstanding I.4.48-9
Noten
- Deel I en II van Lost Christianities: The Battles
for Scripture and the Faiths We Never Knew werden besproken in
ons vorige artikel; Het boek van King is uitgegeven door Harvard University
Press, Cambridge, 2003; isbn 067401071x, 358 blz, gebonden. King,
die kerkgeschiedenis doceert aan de Harvard Divinity School, heeft
onlangs ook The Gospel of Mary: Jesus and the First Woman Apostle
(Polebridge Press, Santa Rosa, CA, 2003) uitgegeven dat ook een uitstekend
overzicht van vroegchristelijke geschiedenis bevat.
- Ehrman merkt op (blz. 219) dat er naar schatting 200.000
tot 300.000 tekstuele verschillen voorkomen in de ongeveer 5.400 momenteel
bekende Griekse manuscripten en fragmenten van het Nieuwe Testament.
- Zie voor een gedetailleerde analyse Douglas R. Parrott,
red., Nag Hammadi Codices III,3-4 en V,1, E.J. Brill, Leiden,
1991; en ook Daniel R. McBride, The Egyptian Foundations of Gnostic
Thought, 1994 (PhD thesis, University of Toronto), hfst. 7; online,
http://colba.net/~drmcb/Egyptian
Gnosis/Contents/Contents.html.
|
| |
|
| |
Uit het tijdschrift
Sunrise mei/juni, juli/aug,
nov/dec 2004 en jan/feb 2005
©
2004 Theosophical University Press Agency
|