Apollonius van Tyana — een adept om niet te vergeten
Fred A. Pruyn

 

Het leven van Apollonius van Tyana is bijna helemaal vergeten. Veel materiaal over hem is verloren gegaan, maar een deel van zijn correspondentie is bewaard gebleven, samen met de aantekeningen en dagboeken van zijn leerling, Damis van Ninivé. Het is voornamelijk de verdienste van Julia Domna, een leergierige studente filosofie en echtgenote van de Romeinse keizer Septimius Severus (193-211 n.Chr.), dat dit materiaal behouden is gebleven. Zij was het die Flavius Philostratus, een Griekse geleerde en schrijver, vroeg de correspondentie die door keizer Hadrianus in Egypte werd bewaard en de teksten die ze had ontvangen van een nazaat uit de familie van Damis, in een betere stijl te herschrijven en samen te voegen tot een leesbaar verhaal. Gebaseerd op deze bronnen en zijn reizen in het spoor van Apollonius, schreef Philostratus ongeveer honderd jaar na de veronderstelde dood van deze wijze een invloedrijke biografie.

Apollonius zou rond het jaar 4 v.Chr in zuidoost-Turkije zijn geboren. De legende wil dat de god Proteus in een visioen aan de moeder van Apollonius verscheen, en vertelde dat hij haar zoon zou zijn. Proteus was

de oude waarzegger van de zee, een ondergeschikte of zoon van Poseidon. . . . De legende wil dat hij in de schaduw van de rotsen sliep, omringd door zeemonsters, en op het middaguur uit de zee oprees; iemand die hem wilde raadplegen moest hem op dat moment zien te bereiken. Om niet te hoeven waarzeggen nam hij allerlei afschrikwekkende vormen aan; maar als hij zag dat zijn pogingen vergeefs waren, nam hij zijn gebruikelijke gestalte aan en gaf antwoord. . . .

De menselijke natuur is net zo goed een proteïsch monster; en wie zijn werkelijke spirituele zelf wil vinden moet erop voorbereid zijn om zijn vele bedrieglijke spoken te ontmoeten en ze de baas te zijn, en zich niet door hen te laten verleiden of bang te laten maken. Aldus kan Proteus worden beschreven als de altijd veranderende natuur, het kind van de wateren van de ruimte; de natuur, die alle vormen aanneemt door impulsen van binnenuit, . . . kan daarom aan degene die haar raadpleegt en beheerst, zowel informatie over de toekomst als over het verleden geven.
    – Theosofisch Encyclopedisch Woordenboek

Evenals in de geschiedenis van Jezus en van Boeddha, is ook het verhaal van de geboorte van Apollonius verfraaid met mythische gebeurtenissen. Volgens de legende viel zijn moeder op een weide in slaap, waarna zwanen een kring om haar heen vormden en op het moment suprême plotseling luid begonnen te roepen. Er kwam een bliksemstraal uit de hemel die zich ook weer daarin terugtrok. De zwanen zijn misschien het equivalent van de hamsa uit de Sanskrietliteratuur, en symboliseren dat de menselijke en de goddelijke essentie identiek zijn. De donderslag zou de grote kosmische kracht kunnen weerspiegelen die de wederbelichaming van een langverwachte boodschapper aankondigde.

Als jongeling trad Apollonius toe tot de tempel van Aesculapius te Aegae — wat we een ziekenhuis zouden kunnen noemen; daar bestudeerde hij de heelkunst, waarover hij later zei: ‘Pythagoras zei dat de meest goddelijke kunst die van het genezen was. En als de geneeskunst de meest goddelijke is, moet ze zich wel bezighouden met de ziel en het lichaam, want geen wezen kan gezond zijn zolang het hogere erin ziekelijk is.’1 Nadat Apollonius zijn basistraining had voltooid en zijn vader was gestorven, verdeelde hij zijn erfenis en werd filosoof. Zijn leraar vroeg hem eens ‘waarom zo’n edele denker als hij en iemand die over zo’n verfijnd taalgevoel beschikt niet een boek heeft geschreven.’ Zijn antwoord was: ‘Ik heb tot nu toe nog niet gezwegen.’ Vanaf dat moment sprak hij vijf jaar lang geen woord. Hij reisde door Pamfilië en Silicië en werkte voor de verbetering van het welzijn van de mensen. Daarna vertrok hij naar India om de wijzen te vinden die daar leefden.

In Ninivé, in het huidige Irak, ontmoette hij Damis, zijn meest trouwe leerling. Damis was zo onder de indruk van Apollonius dat hij uitriep: ‘Laten we vertrekken, Apollonius, u volgt God en ik u; want ik denk dat ik voor u van grote waarde kan zijn.’2 Onderweg leerde Damis veel over filosofie en het land, maar nog meer over zijn meester en zijn bijzondere manier van leven. Hun bezoek aan de adepten van India zit vol magie. Apollonius zei over hen:

‘Ik zag Indiase brahmanen die woonden op de aarde en toch ook niet, beschermd aan alle kanten, en toch zonder verdedigingswerken, zonder eigendommen en toch in het bezit van alles dat mensen kunnen bezitten.’ . . . [Damis] zei dat hij hen twee voet boven de grond zag zweven, niet om wonderen te vertonen, want ze hebben minachting voor dat soort ambities; maar ze beschouwen alle handelingen die ze uitvoeren, door op die manier de aarde te verlaten en met de zon te wandelen, als riten van eerbetoon die God waardig zouden zijn. Het vuur dat ze aan de stralen van de zon ontlenen branden ze niet op een altaar, noch houden ze het in stand in ovens, ook al is het een stoffelijk vuur; maar evenals de stralen van het zonlicht in het water worden gebroken, zo ziet men dit vuur zich hoog verheffen in de lucht en dansen in de ether.    – Philostratus, bk 3, blz. 257, 259

Toen Apollonius arriveerde werd hij hartelijk welkom geheten maar niet ondervraagd over het doel van zijn bezoek, noch waar hij vandaan kwam, wat hem met verbazing vervulde. De asceten sliepen en zaten op kussens van gras en hielpen iedereen die hen opzocht. Op een gegeven moment gaf Iarchas, het hoofd van de vierentwintig adepten, Apollonius de gelegenheid te vragen wat hij maar wilde weten, ‘want je bevindt je onder mensen die alles weten.’ Apollonius vroeg toen of zij zichzelf kenden, omdat hij dacht dat zij, evenals de Grieken, zelfkennis als een moeilijk onderwerp zagen. Maar Iarchas zei: ‘Wij weten alles, juist omdat we beginnen onszelf te kennen; want niemand van ons zou tot deze filosofie zijn toegelaten als hij niet eerst zichzelf had leren kennen.’ Iarchas gaf Apollonius ook zeven ringen die de namen droegen van de zeven planeten, en adviseerde Apollonius elke dag die ring te dragen die de naam van die weekdag droeg. Interessant genoeg vinden we hetzelfde advies in de geschriften van Blavatsky:

Aan beginners die niet kunnen vermijden zich onder de menigte te begeven, kunnen we een raad geven, die misschien bijgelovig schijnt, maar die bij gebrek aan occulte kennis doeltreffend zal blijken. . . . Het is een feit dat de oude Hindoes en Egyptenaren de dag in vieren verdeelden, waarbij elke dag onder de bescherming stond van een planeet; . . . en iedere dag kreeg . . . de naam van de planeet die zijn eerste dagdeel beheerste en beschermde. Laat de student zich beschermen tegen de ‘machten van de lucht’ (elementalen), waarvan het op openbare plaatsen wemelt, door een ring te dragen met een steen van de kleur van de heersende planeet of anders van het metaal dat aan die planeet is gewijd. Maar de beste bescherming is een zuiver geweten en een sterk verlangen om de mensheid van dienst te zijn.     – Collected Writings, 12:535

De training die Apollonius bij de Indiase adepten ontving, bereidde hem voor op zijn grote taak: Proberen om de omstandigheden in het snel degenererende Romeinse Rijk te beheersen en zo mogelijk het verval tegen te gaan. Hij en acht discipelen leefden in Rome onder Nero en hervormde tempelgebruiken totdat hij werd beschuldigd van profeteren, wat in die tijd een misdaad was. Bij zijn berechting werd de enorme rol met beschuldigingen geopend en deze bleek wonderlijk genoeg helemaal leeg te zijn, zodat de aanklacht moest worden afgewezen. Apollonius reisde toen door het hele Rijk en zette zijn werk van religieuze hervormingen voort. Uit enkele van zijn opmerkingen kunnen we zien wat hij vond van rituele offers die in de religies van de oude wereld zo’n centrale rol speelden:

Het is het beste om geen enkel offer aan God te brengen, noch een kaars aan te steken, noch Hem bij welke naam ook aan te roepen, die mensen voor zintuiglijk waarneembare zaken gebruiken. Want God staat boven alles, als eerste; en alleen na Hem komen de andere goden. Hij heeft niets nodig, zelfs niet van de goden, en nog minder van ons kleine mensen – niets van wat de aarde voortbrengt, noch van enig leven dat ze koestert, noch van welk wezen ook dat de zuivere lucht in zich bevat. Het enige geschikte offer aan God is het verheven denken van de mens, maar niet het woord [logos] dat uit zijn mond komt.     – G.R.S. Mead, blz. 153-4

Op zijn reizen bezocht hij koningen en andere hoogwaardigheidsbekleders, en werd daardoor vaak uitgenodigd om deel te nemen aan een dieroffer aan een god. Apollonius verafschuwde deze wrede gebruiken en wilde ze niet bijwonen. In één geval zou hij hebben gezegd:

‘Gaat u, O koning, verder met offeren, op uw eigen wijze, maar sta mij toe te offeren op mijn manier.’ En hij nam een handvol wierook en zei: ‘O, u Zon, zend mij zo ver over de aarde als het mij en u goeddunkt. Dat ik goede mensen mag ontmoeten, maar nooit iets hoor over slechte, noch zij over mij.’     – Philostratus, bk 1, blz. 89

Apollonius overleefde later een gevaarlijke ontmoeting met keizer Domitianus. Domitianus verlangde hevig om aan de macht te blijven, en in zijn hoven wemelde het van de verklikkers die elke activiteit die zijn bewind zou kunnen bedreigen, meldden. De wijze sprak in het openbaar tegen een standbeeld van de keizer: ‘U dwaas, wat begrijpt u weinig van de wetten van het lot en de noodzakelijkheid [karma]. Want hij die zij aanstellen om te regeren, zal regeren; al zou hij door u ter dood worden gebracht, hij zal opnieuw tot leven komen om hun wetten uit te voeren.’3 Domitianus was vastbesloten Apollonius ter dood te laten brengen, maar volgens Romeins recht kon hij dat alleen doen na een officieel tribunaal. Toen hij opdracht gaf om Apollonius te arresteren, wist de wijze dat meteen en besloot uit eigen wil naar Rome te gaan. Hij vertelde zijn kameraden van zijn besluit, zodat hun moed werd beproefd in het vuur. Hij maakte duidelijk dat hij die leeft om de goden te plezieren niets te vrezen heeft, waarom zou men zich dan niet in het hol van de leeuw begeven? Tot verbazing van velen verscheen hij binnen tien dagen in Rome.

Vóór het tribunaal bezocht Damis zijn meester in de cel. Ontroostbaar vroeg hij Apollonius of hij zou worden vrijgelaten. Apollonius antwoordde:

‘Morgen, als het van de rechter zou afhangen. Maar als het aan mij zou liggen, nog ditzelfde moment!’ Toen hij dit zei, trok hij zijn been uit zijn zware ketens en zei: ‘Je ziet hoe vrij ik ben! Dus kop op!’ . . . De volgende dag riep Apollonius Damis naar zich toe en zei hem naar Puteoli te gaan en Demetrius te begroeten. ‘Je kunt beter lopend gaan dan met de boot . . . je zult zien dat het de beste manier van reizen is. En nadat je Demetrius hebt opgezocht, ga dan naar de oever van het eiland Calypso en je zult me daar aantreffen.’ . . .

Toen hij in Puteoli arriveerde hoorde hij dat er een verschrikkelijke storm had gewoed en dat vele schepen schipbreuk hadden geleden. Toen wist hij waarom hem was opgedragen om te lopen.     – Malpas, blz. 157-8

Het tribunaal was een complete nederlaag voor Domitianus. Apollonius, die altijd linnen gewaden droeg en schoenen van boomschors, werd bevolen in het openbaar aan de keizer te verklaren waarom hij niet dezelfde soort kleding droeg als andere mensen. Hij antwoordde:

Oh, de misdaad van het niet volgen van de mode, de schande van het lopen in een afgedragen pak, de verdorvenheid van een overjarig kostuum!

Maar zoals de aarde mij van voedsel voorziet, zo brengt ze ook de gewassen voort waarvan mijn kleding zijn gemaakt. Op die manier draag ik niet bij aan de ellende van de dieren.

Toen werd hem gevraagd waarom hij een god werd genoemd:

Omdat ieder goed mens het recht heeft zo genoemd te worden!

De derde vraag hield verband met de manier waarop hij een plaag in Efeze had voorspeld – de keizer wilde graag een verboden magische praktijk blootleggen:

Door op een lichter dieet te leven dan anderen, O keizer, was ik de eerste die het onheil zag naderen.

De laatste vraag was:

‘Apollonius, vertel me op wiens gezag u een jongen offerde op de dag dat u uw huis verliet en naar het binnenland vertrok?’ . . .

Apollonius sprak als tot een stout kind: ‘Spreek een beetje aardig, alstublieft. Als kan worden bewezen dat ik het huis op de genoemde dag verliet zal ik toegeven dat ik in het binnenland was en het genoemde offer bracht; zelfs meer dan dat, als het waar is dat ik het offer heb gebracht, zal ik toegeven dat ik zo wreed was om bij die gelegenheid het vlees te eten. Terwijl ik dit nu toegeef, eis ik dat mensen van naam en faam dit feit aantonen.’

Het hof applaudiseerde wild, ondanks de aanwezigheid van de keizer. Domitianus was wel gedwongen Apollonius vrij te spreken, maar stond erop dat hij de wijze achteraf nog onder vier ogen kon spreken. Apollonius weigerde echter:

O koning! Ik dank u hiervoor. . . . Maar omdat de verdorven informanten uw hof onveilig maken, moet ik u vertellen dat uw steden in puin liggen, de eilanden uitpuilen van de ballingen, het vasteland kreunt, het leger van angst staat te trillen en de Senaat door achterdocht wordt ondermijnd. Luister naar mij. Ik smeek u, en als u dat niet wilt, stuur uw mensen om mijn lichaam te doden, want het is onmogelijk mijn ziel te doden. Nee, ik zal u nog meer zeggen, u kunt zelfs mijn lichaam niet doden, want zoals Homerus al zei, ‘zelfs uw dodelijke lans kan mij niet doden, omdat ik niet sterfelijk ben.’     – Op.cit., blz. 163-5

Toen verdween hij uit het hof en verscheen onmiddellijk in Puteoli, drie dagen reizen van Rome, om Damis en Demetrius te ontmoeten. Het is duidelijk dat hij niet lichamelijk aanwezig was bij het tribunaal.

Naast de aantekeningen van Damis had Philostratus ook toegang tot brieven die getuigen van zowel de grote wijsheid van de adept van Tyana als zijn bestaan. Een van die brieven was gericht aan Valerius (waarschijnlijk Valerius Asiaticus, consul in 70 n.Chr.) en ging over het verlies van zijn zoon:

Er is geen dood van wie dan ook, maar alleen schijnbaar, net zomin als er een geboorte van wie dan ook is, behalve in uiterlijke verschijningsvormen. De verandering van ‘zijn’ naar ‘worden’ schijnt de geboorte te zijn, en de verandering van ‘worden’ naar ‘zijn’ schijnt de dood te zijn, maar in werkelijkheid wordt er nooit iemand geboren, en sterft men ook nooit. Men is eenvoudig zichtbaar en dan weer onzichtbaar; het eerste door de dichtheid van de stof, en het laatstgenoemde door de fijnstoffelijke aard van het zijn – een ‘zijn’ dat altijd hetzelfde is, de enige veranderingen ervan zijn beweging en rust. Want het ‘zijn’ heeft deze noodzakelijke bijzonderheid, dat zijn verandering tot stand komt zonder dat iets buiten zichzelf daarbij een rol speelt; maar het geheel wordt tot delen en de delen worden weer een geheel in de eenheid van alles. . . .

Maar waarom is deze verkeerde voorstelling [van geboren worden en sterven] zo lang onweerlegd gebleven? Sommigen denken dat wat via hen is gebeurd, door henzelf is teweeggebracht. Ze zijn onwetend dat het individu tot geboorte wordt gebracht via de ouders, niet door de ouders, net zoals een ding wordt geproduceerd door middel van de aarde en niet vanuit de aarde. De verandering die het individu overkomt wordt niet veroorzaakt door zijn zichtbare omgeving, maar is veeleer een verandering in het ene wezen dat in ieder individu leeft.
     – G.R.S. Mead, blz. 149-50

Apollonius verafschuwde hypocrisie, verafgoding en alle misbruik van macht. Het verhaal dat Damis onder supervisie van zijn meester schreef en later door Philostratus werd bewerkt, is ook een mysterieverhaal over training, de innerlijke zoektocht en inwijding, vol mededogen, wijze uitspraken en wonderen. Geen wonder dat de vroege gezagsdragers van de christelijke kerk zo’n krachtige poging hebben gedaan om dit verhaal belachelijk te maken. Het leven van de raadselachtige Apollonius moet hun hebben verontrust, vooral omdat zij graag zagen dat de kerk het monopolie op wonderen zou hebben. Een giftige verhandeling van de hand van bisschop Eusebius van Caesarea, geschreven aan het begin van de vierde eeuw na Christus, miste zijn uitwerking niet om Apollonius in diskrediet te brengen. Er is veel authentiek historisch materiaal over Apollonius, die in tegenstelling tot Jezus, wordt genoemd door keizers, hoge ambtenaren en filosofen uit die tijd. Laten we de grote daden van Apollonius van Tyana niet vergeten en zijn ideeën doorgeven zodat wij op een dag misschien even begaafd en waardig zullen zijn als hij.


Noten

  1. G.R.S. Mead, Apollonius of Tyana, The Philosopher-Explorer and Social Reformer of the First Century A.D., blz. 148.
  2. Philostratus, The Life of Apollonius, Eng. vert. F.C. Conybeare, boek 1, blz. 51.
  3. P.A. Malpas, True Messiah: The Story and Wisdom of Apollonius of Tyana 3 BC – AD 96, blz. 133-4.
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency