De beroemde woorden van Apollo’s opdracht ‘Ken uzelf’,
die zijn gegrift in het voorportaal van zijn tempel in Delphi, drukken
een innerlijke wijsheid uit die in de heilige tradities van de wereld
in brede kring wordt onderschreven. Veel oude Grieken vatten dit advies
op als een voorschrift, als een herstellend middel tegen de kwalen van
de mensheid; anderen beschouwden het als een profetisch raadsel dat
moest worden opgelost. Voor Socrates was het beide, en zijn leven illustreert
het belang van de boodschap ervan: ‘Ik moet eerst mezelf leren
kennen, zoals de inscriptie van Delphi zegt. Om nieuwsgierig te zijn
over dingen die mij niet aangaan, terwijl ik nog steeds onwetend ben
over mijn eigen zelf, zou belachelijk zijn. . . . Ben ik een monster
dat gecompliceerder is, en meer bol staat van begeerten, dan de slang
Typhon1, of een vriendelijker en eenvoudiger
soort wezen, aan wie de natuur een goddelijker en nederiger lot heeft
toegekend?’ (Phaedrus, §229-30).
In een andere dialoog dacht Critias, de vriend van Socrates, dat de
inscriptie van Delphi oorspronkelijk een ‘begroeting was, die
de god richtte aan hen die de tempel binnenkwamen; en dit betekent dat
de gebruikelijke begroeting ‘Heil!’ niet juist is’
(Charmides, §164). Ongeveer vijfhonderd jaar later bevestigde
Plutarchus, die eens een beheerder-priester van de tempel was, dat het
inderdaad een begroeting was, maar dat het veel meer inhield:
Terwijl de God binnengaat, richt hij zich als het
ware tot ieder van ons met zijn ‘Ken Uzelf’, wat op zijn
minst net zo goed is als ‘Heil’. Wij antwoorden de God
met ‘EI’ (U bent), en geven hem zo de benaming die waar
is en geen leugen bevat, en alleen hem toekomt, en geen ander: die
van het ZIJN. . . .
Er zijn mensen die denken dat Apollo en de zon dezelfde
zijn; wij begroeten hen en houden van hen omdat ze een prachtige naam
eraan geven, en het is gepast om dat te doen; want ze brengen hun
idee van de God in verband met datgene wat ze meer dan alle andere
dingen die ze kennen, eren en waarnaar ze verlangen. Maar laten we,
nu we hen over de God zien dromen in het mooiste nachtelijke visioen,
opstaan en hen aanmoedigen om nog hoger te klimmen, om hem in een
droom van daglicht te overpeinzen, en zijn eigen wezen te zien. .
. . Voor mijn denken is het woord ‘EI’ . . . bewijs van
de God die U BENT. –
Over de ‘E’ in Delphi, xvii, xxi
Tat tvam asi, ‘U bent Dat,’ zegt Svetaketu’s
vader, waarbij hij uitdrukking geeft aan dezelfde thema’s van
zelfontdekking en zelfkennis (Chandogya Upanishad, 6.8.7).
In China schreef de Taoistische wijze Lao-tzu over hetzelfde, en maakte
onderscheid tussen twee manieren van kennen: ‘Zij die anderen
kennen, zijn wijs. Zij die zichzelf kennen, zijn verlicht’ (Tao
Te Ching, 33). Evenzo sprak de zesde boeddhistische patriarch,
Hui-neng, die zijn discipel Shen-hui eraan herinnerde dat een lering
over verlichting noch de werkelijkheid noch feitelijke kennis ervan
is:
Wanneer uw geest verlicht is, zult u de essentie
van de geest kennen, en dan kunt u het pad op de juiste manier betreden.
Nu wordt u misleid door begoocheling, en kent u de essentie van uw
geest niet. En toch durft u mij te vragen of ik de essentie van mijn
geest ken. Als ik die ken, ken ik die zelf, maar het feit dat ik deze
ken kan niet verhelpen dat u door begoocheling wordt misleid. En evenzo,
als u de essentie van uw geest kent, zal dit kennen door u mij niet
baten. Waarom leert u haar niet zelf zien en kennen in plaats van
het aan anderen te vragen?’ – Platform
Sutra, hfst. 8 (44)
Hoewel de uitdrukking ‘ken uzelf’ niet in het Nieuwe Testament
staat, wordt deze toch voorondersteld en gesuggereerd in Johannes
14:17: De geest van de waarheid die de wereld niet kan ontvangen, want
zij ziet hem niet, en kent hem niet; maar u kent hem, want hij woont
in u, en zal in u zijn.’ Paulus beaamt op dezelfde wijze: ‘Weet
u dan niet dat u de tempel van God bent en dat de geest van God in u
woont?’ (1 Cor 3:16). Evenzo, Lucas 17:20-21:
En toen de Farizeeën wilden weten wanneer het
koninkrijk van God zou komen, antwoordde Jezus hen en zei, ‘Het
koninkrijk van God komt niet met zichtbare tekenen: Noch zullen ze
zeggen, Hier is het! Of, daar is het! Want, zie, het koninkrijk van
God is binnenin u.
Interessant genoeg is het Griekse woord voor ‘binnenin’
(entos) in verschillende bijbels ook vertaald als ‘onder’
of ‘te midden van’. Evenals de ‘geest van waarheid’
van Johannes, die de wereld niet ziet, wordt de tweede betekenis
van Lucas – ‘het koninkrijk van God is te midden
van u’ – mystiek tot uitdrukking gebracht in het Evangelie
van Thomas (113): ‘het Koninkrijk van de Vader is over de
wereld uitgespreid, en de mensen zien het niet.’ Lucas
heeft misschien de dubbelzinnigheid op die manier bewust gebruikt om
beide betekenissen tot uitdrukking te brengen, die in de vergelijkbare
‘verborgen’ uitspraak van Jezus in Thomas openlijk
worden verkondigd:
Jezus zei, ‘Wanneer zij die u leiden tegen
u zeggen, ‘Kijk, het Koninkrijk is in de lucht’, dan zullen
de vogels in de lucht u voorgaan. Als ze tegen u zeggen, ‘Het
is in de zee’, dan zullen de vissen u voorgaan. Nee, het Koninkrijk
is binnenin u, en het is buiten u. Wanneer u uzelf leert kennen, dan
zult u ontdekken, en beseffen, dat u zelf een zoon van de levende
Vader bent. – Gezegde 3
De oude wijsheidstradities beschrijven de mens (man en vrouw) altijd
als een samengesteld wezen, en vaak als de microkosmische weerspiegeling
van het bewuste levende heelal: zo boven, zo beneden. Plato, bijvoorbeeld,
allegoriseert het koninkrijk buiten (de ideale staat) en binnen (onszelf)
als een staat die veel burgers omvat. Hij beschrijft het als een veelzijdige
bestuursvorm met onderlinge afhankelijkheid, die idealiter door een
filosoof wordt geregeerd, een held die van wijsheid houdt en zich langs
de steile en ruwe weg omhoog heeft geworsteld vanuit de gevangenis van
onwetendheid naar het stralende rijk van de waarheid. Zelfontdekking
is een proces van zelftransformatie waarbij stukje bij beetje de wanordelijke
elementen van de ziel worden getemd en verfijnd, en zijn eigen innerlijke
natuur ‘met zonlicht wordt beschenen’ door zich met de auteur
van zijn wezen en zijn stralende idealen van rechtvaardigheid, schoonheid
en het goede te identificeren.
Op het meest essentiële niveau beschouwen bijna alle religieuze
filosofieën de mens als een dualiteit: In de orfische terminologie
is hij een ‘kind van de aarde en van de sterrenhemel’, die
het lichaam en de geest vertegenwoordigen –in meer moderne termen,
het fysieke voertuig dat wordt bezield en geleid door het bewustzijn.
In de Sumerisch/Babylonische Gilgamesj-verhalen (2de –
3de millennium v.Chr.) wordt deze dualiteit weergegeven door Gilgamesj,
de koning, te koppelen aan zijn dienaar, vriend, en jongere broer Enkidu,
symbool van het menselijk-dierlijke deel van onze natuur. Enkidu was
gevormd uit een beetje klei naar het beeld van de hoogste god Anu, en
trok op met de wilde dieren; toen een vrouw zijn verstand deed ontwaken,
deed hij kleren aan, verliet de wildernis en verbond zich met Gilgamesj
om het kwaad te overwinnen. Gilgamesj omschreef Enkidu als zijn ‘schild’
en ‘feestelijke kleed’; de bewoners van Uruk vonden dat
hij precies op Gilgamesj leek, maar hij was korter en had ‘sterkere
botten’; de moeder van Gilgamesj zei dat hij ‘een sterke
kameraad was, die in staat is een vriend te redden’ – waarbij
ze wees op het belang van hun wederzijdse relatie. Op een andere manier
uitgelegd vertegenwoordigen Gilgamesj en Enkidu de samenwerking tussen
de innerlijke en de uiterlijke mens, en hun verhaal blijft een van de
oudste opgetekende allegorieën over dit ‘tweelingschap’.2
Een soortgelijke maar duidelijk meer verticale relatie wordt in de
Bhagavad-Gita tot uitdrukking gebracht, waar Krishna Arjuna
adviseert dat een wijs persoon
het zelf door het Zelf zou moeten verheffen; laat
hij het Zelf niet verlagen; want het Zelf is de vriend van het zelf,
en alleen het zelf is de vijand van het Zelf. Het Zelf is de vriend
van de mens die zichzelf heeft overwonnen; . . . door het Zelf met
het zelf te aanschouwen, is hij tevreden. –
6:5-6, 20
De dertiende-eeuwse Iraanse soefi Najmuddin Kubra schrijft in mystieke
termen over het Zelf als een bovenzinnelijke gids van licht, de eeuwige
partner en kameraad van de mens, het lichtende beeld van de goddelijke
archetypische mens. Door de ingevingen vanuit zijn binnenste te volgen
(‘elke keer dat een licht zich uit je verheft, daalt er een licht
naar je af’), vereenzelvigt de aspirant zich beetje bij beetje
met zijn ‘hemelse getuige’, ook de zon van het mysterie
genoemd, of zon van hoge kennis, en zon van het hart. Kubra instrueert
zijn discipelen dienovereenkomstig, ‘U bent hem’ –
daarmee geeft hij niet uitdrukking aan een 1 = 1 relatie, maar aan een
versterkende 1 x 1 identiteit die wordt verwoord in het soefi-gezegde:
‘Wie zichzelf kent, kent zijn meester.’ Op dezelfde
wijze beschrijft de Mandeesche theosofie een gebied van licht, een volmaakte
tegenhanger van de aarde, gelegen in het gebied tussen de hemel en onze
fysieke planeet en bevolkt door een goddelijk ras van gezuiverde mensen.
Er wordt gezegd dat zij afstammelingen zijn van de verborgen Adam en
Eva, en dat iedere aardse mens er zijn tweeling van licht heeft.3
Op hetzelfde thema wordt gezinspeeld in het Evangelie van Thomas:
Zijn leerlingen spraken tot Hem, ‘Toon ons
de plaats waar U bent, omdat het voor ons noodzakelijk is om die te
zoeken.’ Hij sprak tot hen, ‘Hij die oren heeft, laat
hem horen. Er is licht in een mens van licht, en hij verlicht de hele
wereld. Als hij niet straalt, is hij duisternis.’
– Gezegde 24
Thomas is een van twee exemplarische gevallen van tweelingschap in
de christelijke literatuur. Johannes 11:16 verwijst naar hem
als ‘Thomas (genaamd Didymos)’, en het eerste vers van het
Evangelie van Thomas maakt de verborgen gezegden van Jezus
bekend, die zijn opgeschreven door ‘Didymos Judas Thomas’
– de Aramese naam Thomas en het Griekse Didymos
betekenen beide ‘tweeling’. De Handelingen van Thomas
(39) beschrijven hem als de ‘tweeling van Christus, apostel van
de Allerhoogste, en ingewijde in het verborgen woord van Christus, die
zijn geheime orakelwoord ontvangt, medewerker van de Zoon van God’.
Terwijl hij in Mattheus (13:55) soms wordt vereenzelvigd met
Judas de broer van Jezus, wordt zijn relatie vollediger uitgelegd in
het Boek van Thomas de Kampvechter (of Atleet, ‘een die
strijdt, of vaardig is’):
De verlosser zei, ‘Broeder Thomas, zolang je
de tijd in deze wereld hebt, luister naar me en ik zal je dat openbaren,
waarover je in je hart hebt nagedacht. Want omdat men heeft gezegd
dat jij mijn tweelingbroer en mijn ware metgezel bent, dien je jezelf
te onderzoeken, opdat je zult begrijpen wie je bent, hoe je bestaat
en hoe je zult worden. Omdat men jou mijn broeder noemt, past
het niet dat je over jezelf onwetend bent. Ik weet dat je het hebt
begrepen, omdat je al eerder inzag dat ik de kennis van de waarheid
ben. In de tijd dat je me vergezelt, ben je, ofschoon je onwetend
was, al tot kennis gekomen; daarom zal men jou ‘de zelf-kenner’
noemen. Want hij die zichzelf niet heeft gekend, heeft niets gekend.
Maar hij die zichzelf heeft gekend, heeft ook kennis over de diepte
van het Al verkregen.’ [cursivering toegevoegd].
– Nag Hammadi Geschriften,
Dl. 1, blz. 219
Een belangrijker (en controversiëler) geval van tweelingschap
is misschien het mysterie van Christus en Jezus, dat wordt geïllustreerd
in het doopsel (de duif die neerdaalt), de kruisiging (hulpkreet aan
het kruis), en de wederopstanding/hemelvaart (goddelijke vereniging)
– in beginsel een eenvoudig en overal tot uitdrukking gebracht
denkbeeld.
Naast het ene ‘Dat bent u’ en de dualiteit van zowel mens
als kosmos beschouwen de oude theosofieën de mens ook als een drievoudig
wezen, samengesteld uit geest, ziel en lichaam (vgl. 1 Thess
5:23). Terwijl veel mensen de woorden ziel en geest vaak als onderling
verwisselbaar beschouwen, wordt in Hebreeën 4:12 een duidelijk
onderscheid tussen beide gemaakt: ‘Want het woord van God is levend
en actief. Scherper dan elk tweesnijdend zwaard, scheidt het zelfs ziel
en geest.’ Zoals in het samengestelde symbool van de mens in de
Bhagavad-Gita – Krishna (het goddelijke zelf), Arjuna
(het menselijke zelf) en de wagen (het lichaam) – is elk onlosmakelijk
deel van dit samenwerkingsverband voor de mens noodzakelijk om als een
functionerend geheel te bestaan, en om zowel zijn individuele als collectieve
bestaansreden te kunnen realiseren.
Innerlijk beschouwd wordt Gilgamesj ook als drievoudig voorgesteld:
‘voor tweederde goddelijk, en voor eenderde menselijk’,
wat ook wijst op drie vormen van bewustzijn door middel waarvan we onszelf
kunnen kennen. Wanneer dit wordt gekoppeld aan Enkidu, die zelf ook
is samengesteld (het verhaal zinspeelt erop dat hij als tweeling of
spiegelbeeld van Gilgamesj, eenderde menselijk, en tweederde dierlijk
is), kunnen we ons een zes- of zevenvoudig individu voorstellen, waarbij
het zevende deel de hoogste goddelijke essentie is, die de andere zes
beginselen met elkaar verbindt. De moderne theosofische literatuur geeft
de mens eveneens als een zevenvoudig wezen weer, maar ook als een 10-
en 12-, of zelfs 49-voudige samenstelling, afhankelijk van hoe elk beginsel
zelf wordt onderverdeeld of vanuit welk gezichtspunt hij wordt gezien.4
Hoe de mens ook wordt bekeken, elk van deze modellen vertelt ons iets
over onszelf. Ze vertellen ons ook om flexibel in ons denken te blijven,
en onze ideeën niet vast te pinnen op één enkel schema,
omdat geen van deze de werkelijkheid zelf of de directe kennis ervan
is. Hoe het Ene het vele wordt, en hoe ieder van ons zowel het vele
als het Ene in onszelf en in anderen herontdekt – dit is het verhaal
van de evolutie, en het bevat inzichten en aanwijzingen hoe wij een
creatieve rol kunnen spelen in dit edelste verhaal dat ooit is verteld.
De theosofische filosofie leert ons een tweevoudige evolutie van bewustzijn
en substantie; en bovendien een drievoudig evolutieplan dat van toepassing
is op de fysieke, intellectuele, en spirituele ontwikkeling van het
heelal. Op menselijk niveau betekent dit dat elke burger in onze individuele
‘staat’ zich eveneens ontwikkelt, van de atomen en cellen
van ons lichaam tot de mens en de god in deze grote keten van zijn en
zelfwording die we zijn. We kunnen ook spreken van een zevenvoudig,
twaalfvoudig, misschien zelfs biljoenvoudig evolutieplan. Voor de meesten
van ons is echter een drievoudige vermenging van geest, ziel en lichaam
een praktischer en gemakkelijker te begrijpen manier van denken over
hoe we met dit partnerschap ieder in ons eigen leven kunnen werken en
daarin evenwicht kunnen brengen. Socrates, over wie het orakel van Delphi
zei dat er geen wijzer mens bestond, verwoordde het in nog eenvoudiger
taal. Hij richtte zich tot de goden en de god waarvan de naam Al betekent,
en bad:
Geliefde Pan, en alle andere goden die in dit gebied
wonen, geef mij schoonheid in de innerlijke ziel; en laat de innerlijke
en uiterlijke mens één zijn. Ik zou de wijzen tot de
rijken willen rekenen, en ik zou zoveel goud willen hebben als een
gematigd mens en hij alleen kan dragen. Nog iets anders? Het gebed
is, denk ik, voor mij genoeg.
Noten
- Typhon (of Typhoeus) werd op verschillende manier
afgebeeld als een monsterlijke kruising tussen een mens en een beest
met honderd drakenkoppen, vuurspuwende ogen, en poten van sissende
slangen, die de heerschappij over goden en mensen wilde hebben, maar
door Zeus na een vreselijke strijd werd bedwongen.
- Zie ‘Het
Gilgamesj-epos: Een spirituele biografie’, Sunrise.
- Vgl. H. Corbin, The Man of Light in Iranian Sufism;
E.S. Drower, The Secret Adam.
- Zie G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische
Filosofie, hfst. 2, 22, 46.