Het Gilgamesj-epos: een spirituele biografie – 1
W.T.S. Thackara

 

Het Mesopotamische Gilgamesj-epos is een van de oudste en meest aangrijpende verhalen die zijn geworteld in de oude wijsheidstraditie van de mensheid. Bijna drie millennia lang werd ernaar verwezen, maar met de komst van het christendom ging het in de twee millennia daarna vrijwel verloren. In onze tijd leerde men Gilgamesj pas kennen nadat de eerste spijkerschriftfragmenten van zijn verhaal uit de bibliotheek van de grote Assyrische koning Ashurbanipal, die in de zevende eeuw v.Chr. regeerde, in 1853 in Ninevé werden opgegraven. Er ging echter bijna twintig jaar overheen voordat de kleitabletten door George Smith van het British Museum werden ontcijferd. Op 3 december 1872 maakte hij voor de pas gevormde Society of Biblical Archaeology bekend dat hij ‘tussen de Assyrische tabletten . . . een verhaal over de zondvloed had ontdekt’ in een van de latere episoden van het verhaal. Dit wekte aanzienlijke belangstelling en kort daarna werden meer fragmenten van Gilgamesj opgegraven, zowel te Ninevé, als in de ruïnes van andere oude steden.

Na bijna 150 jaar archeologie en geduldig onderzoek is men het er in het algemeen over eens dat de zevende-eeuwse tabletten, die waren geschreven in de Semitisch Akkadische taal, een kopie zijn van een ‘standaardversie’ van 12 tabletten die dateren van ongeveer 1200 v.Chr. en die waren samengesteld door een Babylonische priester genaamd Sin-leqi-unninni. Deze versie is op haar beurt een samenvoeging en herziening van vroegere Babylonische tradities die zelf weer zijn geworteld in een aantal Soemerische verhalen die eeuwen eerder in het derde millennium zijn geschreven. Omdat noch de Soemeriërs noch de Babyloniërs geschiedenis schreven in de moderne zin van het woord, is nauwkeurige datering moeilijk, en we weten evenmin met zekerheid waar de oorspronkelijke epische versie eigenlijk vandaan kwam en wanneer zij werd geschreven.

Fragment van Gilgamesj-tablet 11
(The British Museum)

Op grond van de Soemerische koningslijst weten we dat er een historische Gilgamesj was – in het Soemerisch gespeld GIS-BIL-GA-MES, waarvan men vermoedt dat het ‘de (goddelijke) oude is jeugdig’ betekent1: een naam die waarschijnlijk werd gegeven bij een inwijdings- of kroningsrite, en die een symbool is van spirituele wedergeboorte en goddelijk koningschap. Hij regeerde ergens tussen 3000 en 2500 v.Chr. in de stadstaat Oeroek bij de Eufraat in wat nu het zuiden van Irak is. Volgens het Babylonische heldendicht schreef Gilgamesj zelf zijn verhaal op een stenen tablet. De aantrekkingskracht ervan strekte zich uit over een groot gebied gedurende een lange periode, want men heeft in het hele gebied rond Mesopotamië versies ervan gevonden, tot aan Klein-Azië in het noorden en de Hittitische hoofdstad Boghazköy toe. Dit is maar gelukkig, want moderne vertalingen van Gilgamesj zijn letterlijk samengelapt uit her en der verspreide fragmenten. Er bestaat geen enkele volledige weergave van de standaardversie, en wat we ter beschikking hebben bestaat uit afwijkende Soemerische, Hittitische en Akkadische lezingen.

Niettemin geeft Gilgamesj, hoewel de details van de verhalen vaak verschillen, veel weer van zowel het Soemerische wereldbeeld als dat van de Babyloniërs en Assyriërs, die eerst de Soemeriërs overwonnen en vervolgens hun cultuur overnamen. Zoals alle heldendichten bevat Gilgamesj zowel historische als mythische elementen in alle versies die ervan bestaan en is daarom bedoeld om op verschillende niveaus te worden geïnterpreteerd. Naast zijn zeer menselijke thema’s van vriendschap, moed, het probleem van de dood en de betekenis van het leven, is het ook een inwijdingsverhaal over de zoektocht naar verlichting, de onthulling van goddelijke mysteriën, de dualiteit van de mens en de evolutionaire ontvouwing van onze geestelijke natuur. In het verhaal liggen de kosmologie en andere metafysische leringen van de oude heiligdommen besloten. Zelfs de materiële samenstelling van de Babylonische versie onthult een opzettelijke getallensymboliek: 12 tabletten die ieder ongeveer 300 regels bevatten, verdeeld in 6 kolommen. Belangrijker is dat Gilgamesj is bedoeld om als een uitgebreide metafoor te worden gelezen, een spirituele biografie, die evenzeer onszelf betreft als de Soemerische heldenkoning. Het feit dat het epos bijna 5000 jaar overbrugt als het tot ons spreekt, doet ons op krachtige wijze herinneren aan de tijdeloosheid en het belang van het oude spirituele pad.

Gilgamesj
is een menselijk verhaal en het begint met zijn allereerste begin, niet met het verhaal van het ontstaan van de kosmos dat niettemin aan het epos ten grondslag ligt. Hoewel tot nu toe geen Soemerische theogonie of een scheppingsverhaal is gevonden, heeft men er provisorisch één gereconstrueerd.2 Kort samengevat ontvouwen de goden en godinnen zich uit het naamloze goddelijke mysterie als volgt: in het begin was er An (in het Babylonisch Anoe), de eerstgeborene uit de oerzee, d.w.z. de wateren van de Ruimte. Hij is voorvader van de goden en heerser van de hemel voorbij de hemelen. Zoals de Griekse Ouranos was hij verenigd met Aarde (Ki) en verwekte Enlil, de Heer van de Lucht, de adem en het woord en ‘de geest van het hart van Anoe’. Enlil verwekte de maan, Nanna/Suen (in het Babylonisch Sin) en Nanna op haar beurt verwekte twee heel belangrijke godheden in het Gilgamesj-epos: Oetoe (Sjamasj), de zon, de alwetende god van rechtvaardigheid; en Inanna (Isjtar-Venus), de Koningin van de Hemel, de godin van de Liefde en de Strijd. Andere hoofdrolspelers zijn o.a. Enki (Ea), een ‘zoon van Anoe’, heer van de Aarde en de waterige Afgrond, ook de Heer van Wijsheid en een medeschepper en weldoener van de mensheid; en Aroeroe (‘zaadlosmaker’), zuster van Enlil en godin van de schepping (‘vrouwe van de stilte’).

De goddelijke wereld was hecht verbonden met de mensheid. De Soemerische koningslijst vermeldt acht goddelijke koningen die over een periode van 241.200 jaar hadden geregeerd nadat ‘het koningschap uit de hemel was neergedaald’. Toen joeg de Vloed over de vijf steden waarover zij regeerden. Na de Vloed daalde het koningschap nogmaals neer uit de hemel en onze held regeerde als Oeroeks vierde of vijfde soeverein.

Deze reeks van drie artikelen biedt een verkorte versie en interpretatie van Gilgamesj, gebaseerd op de Babylonische versie en aangevuld met oudere tradities. Om de sfeer van het verhaal te behouden volgt de verwoording ervan de beknopte, maar symbolisch rijke tekst zoveel mogelijk.3


__________________



Gilgamesj was ‘hij die de afgrond aanschouwde. Hij was wijs en wist alles; Gilgamesj, die geheime dingen had gezien, opende de verborgen plaats(en) en bracht een verhaal over de tijd van vóór de Vloed – hij bereisde de weg, was moe en uitgeput van de arbeid, en na zijn terugkeer graveerde hij zijn verhaal in steen.’

Toen de goden Gilgamesj schiepen, ontwierp de Grote Godin (Aroeroe) het beeld van zijn lichaam; de hemelse Sjamasj, god van de Zon, voorzag hem van schoonheid, terwijl Adad, god van de Storm hem moed schonk. Zijn gestalte was weergaloos: zijn lengte was ongeveer 5,50 meter, zijn borstomvang ruim 2 meter. ‘Voor tweederden was hij goddelijk, voor eenderde menselijk’ – Gilgamesj is in wezen geestelijk, maar nog niet volkomen vergoddelijkt.4

We ontmoeten de machtige Gilgamesj eerst als de jonge en weerspannige koning van Oeroek, die vooral bekend is omdat hij de muren van die stad en haar binnenste heiligdom heeft gebouwd, de tempel van Anoe en Isjtar. De muren bestonden uit in de oven gebakken steen en rustten op een fundering die door de zeven wijzen was gelegd, koningen van vóór de vloed die de mensheid de kunst van beschaving hadden geleerd. Oeroek wordt beschreven als een drievormige stad die werd beveiligd door een poort met zeven grendels, en bestond uit 1) de eigenlijke stad, 2) de boomgaarden en 3) de kleiputten, die overeenkomen met geest, ziel en lichaam. Steden waar een goddelijk koningschap heerste werden door de Mesopotamiërs voorgesteld als aardse weerspiegelingen van tevoren bestaande hemelse modellen die werden bewoond en bestuurd door goden. De kosmos is een staat: zo boven, zo beneden.

Als zoon en held van Oeroek was Gilgamesj beroemd, machtig, en nam het voortouw zoals een leider dat behoort te doen, terwijl hij toch achteraan loopt omdat hij het vertrouwen van zijn broeders heeft. Toch kon niemand binnen of buiten de stad de hartstochtelijke kracht van hun jonge beschermer weerstaan. De mannen van Oeroek waren binnenshuis verbolgen: ‘Gilgamesj laat zijn vader geen zoon na; zijn lust laat geen bruid aan haar bruidegom; toch is hij de herder van de stad, sterk, knap en wijs.’ De grote god Anoe hoorde hun jammerklacht en riep tot de moeder van de schepping: ‘Jij Aroeroe, die de mensheid schiep, schep nu een tweede beeld van Gilgamesj: moge het beeld gelijk zijn aan de onstuimigheid van zijn hart. Laat de twee met elkaar strijden, zodat er vrede zal heersen in Oeroek.’

Toen Aroeroe dit hoorde, vormde zij een beeld van Anoe in haar hart. Ze waste haar handen, kneep de klei eraf en wierp deze in de wildernis. Aldus schiep zij de dappere Enkidoe, een strijder gelijk de oorlogsgod Ninoerta. Zijn hele lichaam was dicht behaard, zijn hoofd bedekt met het lange haar van een vrouw. Hij kende mensen noch een vaderland; hij was gekleed in het gewaad van Soemoeqan, de god van het vee en de wilde dieren. Hij rende met de gazellen door het gras; hij dronk samen met de wilde dieren aan de waterpoelen. Dit was de oorspronkelijke mens – zoals de tekst aangeeft, ‘de-mens-zoals-hij-was-in-het-begin’ – en vertegenwoordigt de vroegste menselijke rassen vóór de tijd dat denken en zelfbewustzijn waren ontwaakt.

Op een dag ontmoette een sluipjager Enkidoe van aangezicht tot aangezicht bij een waterpoel. Verstijfd van angst ging de jager naar huis en vertelde zijn vader over de machtige man in de bergen die de putten dichtgooit, de vallen kapotmaakt en de dieren laat ontsnappen. De vader gaf zijn zoon de raad naar Gilgamesj in Oeroek te gaan. ‘Vraag hem je een tempelcourtisane te geven, zodat de wilde man zal worden bedwongen door de macht van een vrouw. Als hij de volgende keer naar beneden komt naar de poel om te drinken, zal hij haar omhelzen, en daarna zullen de wilde dieren hem verstoten.’ En zo gebeurde het – hij bracht zes dagen en zeven nachten door in vereniging met de courtisane. Toen hij genoeg had van haar charmes, richtte Enkidoe zich weer tot zijn dieren, maar ze verspreidden zich en gingen de andere kant op.      Enkidoe probeerde hen achterna te rennen, maar zijn knieën begaven het. Hij werd zwak; hij kon niet meer zo hard lopen als tevoren, ‘toch had hij nu kennis en een grotere denkkracht’.

Gilgamesj, 8ste eeuw v.Chr.,
Paleis van Sargon II, Khorsabad

Enkidoe keerde zich tot de courtisane. Ze sprak; en toen ze sprak, hoorde hij (bewust en met begrip): ‘Je bent schoon geworden, gelijk een god, Enkidoe. Laat me je daarom naar het hart van Oeroek brengen, naar de tempel van Anoe en Isjtar, waar Gilgamesj zich bevindt.’ Enkidoe stemde in, hoewel hij pochte dat hij in Oeroek luidkeels zou verkondigen dat alleen hij macht bezit; dat hij degene is die de loop van het lot bepaalt. De courtisane waarschuwde hem dat Gilgamesj sterker is dan hij, dat hij ‘de vreugde-leed mens is, . . . die onophoudelijk dag en nacht actief is’.

En zo adviseerde ze Enkidoe om van zichzelf ‘een vijand van zijn woede’ te maken om zijn arrogantie te matigen: ‘Want de god van de rechtvaardigheid, Sjamasj de Zon, houdt van Gilgamesj; Anoe, Enlil en Enki hebben zijn geest verruimd, zodat zelfs voordat je van de berg bent neergedaald, Enkidoe, Gilgamesj je in zijn dromen al zal hebben gezien.’

Gilgamesj had twee dromen, de eerste van een vallende ster die op hem viel – zo zwaar dat hij hem niet kon optillen of verplaatsen. Het land van Oeroek omsloot de steen. De mensen verzamelden zich eromheen, en Gilgamesj omarmde hem als een vrouw. In de tweede droom zag Gilgamesj een bijl boven de verzamelde menigte van Oeroek naar beneden vallen, en ook deze omhelsde hij alsof ze zijn vrouw was. Omdat hij de betekenis ervan niet begreep, ging hij naar zijn moeder, de wijze godin Ninsoen, die ‘de dromen ontwarde’. Ze vertelde hem dat zowel de ster uit de hemel als de bijl zijn kameraad voorstelden die in aantocht was. ‘Deze kameraad is machtig, heeft een ontzagwekkende kracht en is in staat een vriend te redden’ – maar ze voegt er geheimzinnig aan toe, ‘Hij is degene die je zal [verlaten/redden]’ (het tablet is hier gebroken en kan op beide manieren worden gelezen).

Juist op het moment dat Ninsoen Gilgamesj helderheid verschaft, doet de courtisane hetzelfde voor Enkidoe ver weg in de wilde natuur van de bergen: ‘Als ik naar je kijk, ben je als een god geworden. Waarom wil je met de wilde beesten rondrennen in de heuvels? Sta op van de grond, sta op van het herdersbed.’ Het advies van de vrouw raakte Enkidoe’s hart. Ze verdeelde haar kleding en bedekte hem, en hield de andere helft voor zichzelf (een toespeling op de scheiding van de geslachten). Ze bracht hem naar een herdershut en leerde hem gekookt voedsel te eten, waaronder brood, dat hij nooit had gekend. Hij dronk wijn, zeven glazen, die zijn geest losmaakte en zijn hart licht (bedwelmd door het materiële leven). Hij wreef zijn harige lichaam en smeerde zichzelf in met olie. Enkidoe was een mens geworden. Hij trok een gewaad aan en zag eruit als een bruidegom. Hij greep wapens om op leeuwen te jagen. De herders konden nu rustig slapen, want Enkidoe zou de wacht houden – een held die zijn gelijke niet kent.

Net zoals Oeroek de aardse weerspiegeling is van het hemelse archetype ervan, wordt Enkidoe, die soms Gilgamesj’ tweede zelf wordt genoemd, hier voorgesteld als het omgekeerde beeld of de fysieke tegenhanger van Gilgamesj: het menselijk-dierlijk voertuig van de geest, de ziel en het hogere denken. Zijn naam impliceert bovendien een speciale relatie met Enki, Heer van de Aarde en Wijsheid, en kan worden vertaald als ‘de knieën van Enki’ of ‘Enki’s schepping.’ Let ook op Enkidoe’s transformatie en evolutie van aseksueel, onzelfbewust voormenselijk wezen gevormd naar het beeld van Anoe tot een hermafrodiet (‘verenigd met de courtisane’), gevolgd door scheiding, uiteindelijke verstoffelijking en het ontwaken van begripsvermogen of zelfbewust denken door ‘liefde’ – in de platonische zin van Eros (vgl. Symposion, de toespraak van Diotima, §§ 202-4).

Het verhaal wordt hervat met een reiziger die op weg is naar Oeroek die Enkidoe inlicht over het wellustige gedrag van Gilgamesj: er zal een huwelijksvoltrekking plaatsvinden en de koning zal de ‘eerste rechten’ nemen – hij gaat eerst, de echtgenoot daarna. Enkidoe’s gelaat verbleekte en hij haastte zich naar de heilige stad. Daar verzamelden de mensen zich om hem heen, en ze zeiden tegen elkaar, ‘Hij lijkt sprekend op Gilgamesj – maar hij is korter, en heeft sterkere beenderen. Nu heeft Gilgamesj zijn gelijke ontmoet.’

In Oeroek werd een bruidsbed gereedgemaakt. De bruid wachtte op de bruidegom, maar ’s nachts stond Gilgamesj op en ging naar het huis. Enkidoe versperde de weg. Hij zette zijn voet ervoor en belette Gilgamesj het huis binnen te gaan. Ze grepen elkaar beet en hielden elkaar als stieren in bedwang. Ze braken de deurposten, en de muren stonden te schudden. Gilgamesj boog zijn knieën en plantte zijn voet in de grond. De woede verdween plotseling en Enkidoe zei tegen Gilgamesj: ‘Er is geen ander als jij op de wereld . . . Enlil heeft jou het koningschap gegeven, want jouw hoofd is verheven boven dat van alle andere mensen.’ Enkidoe en Gilgamesj omhelsden elkaar en hun vriendschap werd bezegeld.

De taal van Gilgamesj, vanaf zijn voorspellende dromen (‘Ik hield van [Enkidoe] en omhelsde [hem] als een vrouw’) tot aan het bruidsbed in Oeroek – achteraf gezien dat van Enkidoe – verwijst duidelijk naar een ‘heilig huwelijk’: de geestelijke versmelting van de innerlijke en uiterlijke mens. Geen van de nog bestaande versies noemt een overwinnaar, maar het oude Babylonische verhaal dat hierboven werd verteld suggereert dat het oorspronkelijke vechten of ‘worstelen’ tot een abrupt einde komt door wederzijdse erkenning: Gilgamesj ‘boog zijn knieën’ (tot de statuur van Enkidoe) en ‘plantte zijn voet in de grond’. Beide uitdrukkingen zijn kennelijk woordspelingen op Enkidoe’s naam, die op een geslaagde (of ‘zegevierende’) binding en assimilatie duidt. De daaropvolgende erkenning en vriendschappelijke omhelzing met Gilgamesj bevestigen de acceptatie van de verwantschap.

Tot hiertoe is het verhaal een proloog geweest – een allegorie over de evolutie en schepping zowel van de mensheid als van een werkelijk menselijk individu. Vanaf dit moment gaan Gilgamesj en Enkidoe als één verder, trouw aan elkaar tot aan de dood. In de Soemerische verhalen blijft Enkidoe de dienaar van Gilgamesj; in de Babylonische versie adopteert de moeder van Gilgamesj Enkidoe – hij wordt niet alleen de dienaar, kameraad en vriend van Gilgamesj, maar ook zijn jongere ‘broeder’. Gezien als een enkel samengesteld karakter, vertegenwoordigt Gilgamesj-Enkidoe het verenigen van hemel en aarde, van geest, ziel(en) en lichaam, in een compleet zevenvoudig deelgenootschap5 wat onontbeerlijk is als de held bij zijn zoektocht succes wil hebben.

 

Noten

  1. Een vergelijkbaar begrip is de naam van de Chinese wijze Lao-tzu, wat zowel ‘oude jongen’ als ‘oude meester’ betekent.
  2. Het is interessant dat de voornaamste bron de proloog tot het Soemerische verhaal is, ‘Gilgasmesj, Enkidoe en de onderwereld’, waarvan een deel Tablet 12 beslaat van de Babylonische versie van Gilgamesj.
  3. Samengesteld op basis van de vertalingen van John Gardner en John Maier, Maureen G. Kovacs, Alexander Heidel en N.K. Sandars, aan wie ik dank ben verschuldigd (zie bibliografie aan het eind van de reeks artikelen).
  4. Theosofisch gezien strookt de uitdrukking ‘Voor tweederden was hij goddelijk, voor eenderde menselijk’ met de hogere triade van de zevenvoudige menselijke constitutie; atman (goddelijke essentie), buddhi (ontwaakte geest), en manas (menselijk denkvermogen). Zijn reusachtige gestalte – later het ‘vlees van de goden’ genoemd – verwijst ongetwijfeld naar zijn innerlijke geestelijke vorm en kaliber.
  5. Dit is een interpretatie gebaseerd op de symboliek van de tekst: Gilgamesj is voor twee delen goddelijk, voor één deel menselijk. Daaruit volgt dat Enkidoe, als zijn ‘weerspiegeling’, voor één deel menselijk en twee delen dierlijk is; het synthetiserende beginsel dat hen verenigt (de tekst suggereert Anoe) is het geïmpliceerde zevende – waarbij zeven een van de getallen is die het meest terugkomt in het verhaal en in de universele symboliek.
 

Het Gilgamesj-epos: een spirituele biografie – 2
W.T.S. Thackara

 

Wanneer hij eenmaal zijn aardse metgezel Enkidoe ‘tegen het lijf is gelopen’, zien we een meer menselijke zijde van Gilgamesj. Het verhaal is een van de oudste versies van het motief van de zondeval, zowel van engelen als van mensen, en staat wellicht dichter bij de oorspronkelijke wijsheidsleer dan onze gebruikelijke interpretaties. Wat ontbreekt is de betekenis van kwaad die door latere theologen eraan is toegedicht. In plaats daarvan schijnt er voor dit vermengen van hoge en lage, van spirituele en fysieke elementen een weldadige noodzaak te zijn – want we moeten niet vergeten wat de wijze godin Ninsoen, de moeder van Gilgamesj, over Enkidoe zei: ‘Dit is een sterke metgezel, in staat om een vriend te redden’.

Maar, als het verhaal wordt hervat, klaagt Enkidoe over de gevolgen van het feit dat hij in de stad moet leven. ‘Vriend’, zei hij tegen Gilgamesj, ‘een schreeuw verstikt mijn keel, mijn armen hangen slap, en mijn kracht is overgegaan in zwakte’. Misschien omdat Gilgamesj op zijn beurt verlangt zijn vriend te redden, stelt hij voor dat ze naar het cederbos reizen om de bewaker daarvan te verslaan, de woeste god-reus Choembaba, die een mantel of wapenrusting draagt met zeven schrikaanjagende stralenkransen. Enkidoe aarzelde, en antwoordde dat het geen gelijke strijd zou zijn: ‘Het gebrul van Choembaba is de vloed, zijn mond is vuur en zijn adem is de dood. Waarom wil je dit?’

Choembaba, 7de eeuw v.Chr.
(The British Musuem)

De motieven van Gilgamesj zijn gemengd: behalve dat hij zijn vriend wil stimuleren om uit zijn neerslachtigheid te komen, zou het doden van Choembaba het kwaad uit het land verdrijven. Maar zijn meer directe interesse, opgewekt door Enkidoes angst voor de dood, richt zich geleidelijk op een ander doel. ‘Wie, mijn vriend, kan opstijgen naar de hemelen? Alleen de goden leven voor altijd bij Sjamasj (de Zon). Wat betreft mensen, hun dagen zijn geteld, hun verworvenheden zijn slechts een zuchtje wind.’ Niettemin, hoewel Choembaba levensgevaarlijk is, ‘treedt men door de opening van zijn mond de hemelen binnen’. Gilgamesj zette zijn zinnen op het Land der Levenden, vastbesloten ‘voor zichzelf blijvende naam te verwerven’. Daden van heldhaftigheid, zo geloofde hij, zullen een soort onsterfelijkheid schenken; de verhalen van zijn wapenfeiten zullen in de herinnering van het nageslacht voortleven.

Evenals Enkidoe probeerden de raadslieden van Oeroek de aankomende held te ontmoedigen: ‘Gilgamesj, je bent jong, je bent overmoedig, je kunt niet weten wat deze onderneming zal brengen. Choembaba is niet zoals mensen die sterven, niemand kan op tegen zijn wapens’. Gilgamesj bleef onverschrokken onder hun adviezen of de herhaalde smeekbeden van Enkidoe.

Op dit punt onthult het verhaal een dieper motief dat Gilgamesj voelt, maar niet volledig kan begrijpen, want hem ontbreken nog de rijpheid en het onderscheidingsvermogen om de bron ervan te herkennen. Als een draad verweven in de Babylonische versie van Gilgamesj treft men een rijke astronomische symboliek aan, die hier de reis van Gilgamesj verbindt met het twaalf dagen durende nieuwjaarsfeest van de lentenachtevening (Akitoe), wat verwijst naar een betekenis als inwijdingsverhaal. Dit wordt bevestigd wanneer zijn moeder Ninsoen tot Sjamasj (het zonne- of tot zon makende beginsel in de mens) bidt, en hem vraagt waarom hij Gilgamesj zo’n rusteloos hart heeft gegeven: ‘Nu spoor je hem aan op een lange reis te gaan naar het oord van Choembaba om een strijd aan te gaan waarover hij niets kan weten, en een weg te gaan die hij niet kan kennen. . . . Moge uw metgezel hem aanbevelen bij de wachters van de nacht.’

Nadat hij van zijn moeder raadgevingen had ontvangen, gingen Gilgamesj en Enkidoe op pad (met zeven strijders en vijftig ongehuwde mannen in de Soemerische versie) op een moeilijke reis naar het bos van Enlil, waar ze van plan waren de zevenvoudig verschrikkelijke bewaker te vernietigen en de grote ceder te vellen. Enkidoe ging voorop, want hij kende de weg naar het bos, had Choembaba gezien en was ervaren in de strijd. Hij moest Gilgamesj beschermen en hem er veilig doorheen brengen.

Nadat ze twintig beroe1 hadden afgelegd gebruikten ze de maaltijd; na nog dertig beroe sloegen ze hun kamp op. Elke drie dagen legden ze een afstand af die overeenkwam met 45 dagmarsen. De precieze lengte van de reis is niet bekend, maar waarschijnlijk was het zes dagen, en iedere nacht moest er een berg (of bergketen) worden overgestoken alvorens ze op de zevende dag bij de cederberg aankwamen. Na ieder dag reizen groeven ze een put voordat de zon onderging, dan klom Gilgamesj een berg op om zich te verzekeren van een droom, een gunstig bericht van Sjamasj.

Vijf dromen zijn bewaard gebleven, althans gedeeltelijk.2 In de eerste droom stond Gilgamesj in een diepe bergkloof, en de berg viel over hem heen. Een moedig optimistische Enkidoe probeerde de droom te interpreteren: ‘Je droom is goed. De berg is Choembaba. Nu zullen we hem zeker vangen en doden, en zijn lichaam op de vlakte werpen.’ In de tweede droom viel de berg en raakte Gilgamesj, waardoor zijn voeten beklemd raakten. Toen verscheen er een verblindend fel licht en hierin was iemand met een gratie en schoonheid grootser dan de schoonheid van deze wereld. Hij trok Gilgamesj onder de berg vandaan en gaf hem water om te drinken. Hij troostte hem en bracht hem weer op de been.

De derde en de vierde droom leken eveneens gunstig. De vijfde was echter zowel hoopvol als voorspellend: Gilgamesj greep een wilde stier vast die met zijn geloei stof hoog de lucht in deed stuiven. Hij zonk op zijn knieën en, net als in de tweede droom maar meer volledig uitgelegd, werd hij door Sjamasj bevrijd en kreeg hij water van zijn innerlijke god, de ‘oude man die je heeft verwekt en je respecteert’ – de goddelijke Loegalbanda (let op de relatie: tweederden goddelijk en eenderde menselijk).

Naarmate Gilgamesj en Enkidoe dichterbij het bos kwamen, groeide hun opwinding. Sjamasj zond een boodschap vanuit de hemel: ‘Choembaba heeft zes van zijn zeven mantels afgelegd. Haast je, geef hem niet de kans zich in het struikgewas van het bos te verschuilen.’ Choembaba donderde als de stormgod. Enkidoes armen verstijfden van angst. Gilgamesj stelde hem gerust: ‘Zijn we niet al de bergen overgestoken? Ben je niet ervaren in de strijd? Raak mij [mijn hart] aan, en je zult geen angst hebben voor de dood. Neem mijn hand en laten we samen verdergaan. Laat door de strijd de moed niet zakken; vergeet de dood. Iemand alleen kan het niet. Als twee samen optrekken, zal ieder zichzelf beschermen en zijn metgezel redden.’ Toen ze bij de poort van het bos aankwamen, zwegen ze en hielden halt. Ze zagen hoe hoog de grote ceder was. Waar Choembaba gelopen had was er een pad. De weg was goed begaanbaar. Enkidoe beantwoordde de bemoediging van Gilgamesj met een wijsheid en bespiegeling van hemzelf: ‘Een glibberig pad boezemt twee mensen die elkaar helpen geen angst in. . . . Een driedraads touw kan niet worden doorgesneden.’3

Een groot deel van tablet V is hier onleesbaar of ontbreekt; maar vroegere versies verhalen dat Gilgamesj en Enkidoe bomen begonnen om te hakken, waardoor Choembaba’s woede werd opgewekt. Er volgde een strijd en met hulp van Sjamasj werd Choembaba verslagen. Hij huilde en smeekte om hem niet te doden en beloofde Gilgamesj zijn dienaar te worden en om zoveel hout te kappen als voor zijn paleis nodig zou zijn. Gilgamesj zou medelijden hebben gehad, ware het niet voor Enkidoe, die zich door Choembaba’s listen en bedrog niet liet misleiden. In één versie van het Soemerische verhaal vergelijkt Enkidoe Choembaba, als hij zou worden vrijgelaten, met een ‘gevangen strijder die zijn vrijheid terugkrijgt, een gevangen priesteres die naar het klooster terugkeert, een gevangen priester die zijn pruik weer mag dragen [pretentieuze kleding en holle rituelen]; hij zal verwarring stichten op het bergpad’. Dit is een duidelijke verwijzing naar wat Choembaba (‘van wie het gelaat vaak verandert’) voor een deel vertegenwoordigt, en werpt op meer subtiele wijze een blik vooruit naar wat Gilgamesj te wachten staat – het ‘bergpad’ – een thema dat zich in de latere tabletten van de Babylonische versie tot een climax ontwikkelt, zoals we zullen zien in Deel III van deze artikelenreeks.

Gilgamesj en Enkidoe (let op het aapachtige gezicht op deze ongebruikelijke afbeelding).
Cilinderzegel uit Oer, 3de millennium v.Chr., hoogte 38 mm.

Zelfs al zouden goddelijke consequenties ongetwijfeld het gevolg ervan zijn, toch drong Enkidoe bij Gilgamesj erop aan zijn bijl aan Choembaba’s hals te leggen. Choembaba sprak toen een onheilspellende vloek uit over Enkidoe: ‘Moge hij niet degene van de twee zijn die het langst leeft’. Enkidoe schreeuwde Gilgamesj toe geen aandacht te schenken aan die woorden: ‘Luister niet naar Choembaba!’ Ze hakten zijn hoofd af; bomen werden geveld, waaronder de grote ceder waarvan de kroon de hemel raakte. Van het hout ervan werd een deur gemaakt – 72 elleboogslengten hoog, 24 breed en 1 dik – voor de tempel van Enlil in Nippoer. Gilgamesj en Enkidoe – hun namen zullen nu worden herinnerd door het nageslacht, en door de goden.

In een overwinningsroes keerde Gilgamesj terug naar Oeroek, waste zich en trok zijn koninklijke gewaden aan. Toen hij zijn kroon opzette, sloeg de grote Isjtar haar ogen op en aanschouwde zijn mannelijke schoonheid. ‘Wees mijn minnaar’, smeekte ze hem, ‘Was jij maar mijn man en ik je vrouw. Ik bied je weelde, roem en ongeëvenaarde macht als je jezelf met mij verbindt.’ Gilgamesj liet zich niet zo gemakkelijk verleiden. Wat zou hij die nog gedeeltelijk sterfelijk was, de Koningin van de Hemel daarvoor terug kunnen geven? Hoe goed zou het tussen hen gaan? ‘Je bent een oven’, zei hij met warmte tegen haar,

               . . . die uitgaat in de kou.
Een losse deur die wind noch storm buiten houdt.
          .      .      .
Een stormram die in het land van de vijand een schoen vernielt
Die de voet van zijn eigenaar bijt.

Vervolgens reciteerde hij een litanie van minnaars die Isjtar onrecht had aangedaan, van Tammoez tot Isjoellanoe, de tuinman van haar vader die ze in een kikker of dwerg veranderde. Isjtar vloog woedend naar de hemel en beklaagde zich bitter bij Anoe: ‘Vader, Gilgamesj heeft me beledigd!’ ‘Kom nou’, zei Anoe, ‘heb je niet zelf ruzie gezocht met Gilgamesj? Hij somde alleen maar je slechte trouw en je vervloekingen op.’ De woorden waren als aan dovemansoren gezegd. Isjtar eiste dat ze de beschikking zou krijgen over de hemelstier4 om Gilgamesj te vernietigen, of anders zou ze de poorten van de onderwereld kapot rammen: dan zouden de doden verrijzen en ze zouden de levenden verslinden. Anoe capituleerde en gaf Isjtar het neuskoord van de stier in handen, en ze leidde hem prompt naar beneden, naar Oeroek.

Toen de stier op aarde landde, brieste hij zo hard dat er een gat ontstond waarin honderd mannen werden opgeslokt. Een tweede bries – en tweehonderd mannen werden opgeslokt. Een derde bries en er opende zich een gat voor Enkidoe, die toen de stier bij zijn dikke staart greep, terwijl hij tegen Gilgamesj schreeuwde: ‘Vriend, we hebben een grote naam voor onszelf gevestigd. Hoe zullen we hem ten val brengen?’ Gelijk een matador stiet Gilgamesj zijn mes met één snelle beweging in zijn nek, net achter de horens. Terwijl hij ineenzakte, slaakte de stier een machtige zucht. Gilgamesj en Enkidoe trokken zijn hart eruit en presenteerden het aan Sjamasj.

Isjtar vervloekte Gilgamesj; hij had haar belasterd en de hemelstier gedood. Toen Enkidoe haar vervloekingen hoorde, trok hij de dij van de stier eraf en gooide die in haar gezicht. Isjtar hield de dij omhoog en hief samen met haar tempelcourtisanes een grote weeklacht aan. Intussen legde Gilgamesj beslag op de horens, het symbool van meesterschap en wijsheid, en hing ze in het vertrek van waaruit hij regeerde. Gilgamesj en Enkidoe wasten hun handen in de Eufraat; ze omhelsden elkaar, en reden triomfantelijk door de straten van Oeroek. Gilgamesj, de bestgevormde onder de helden; Enkidoe de machtigste onder de mensen.

Aldus eindigt het zesde tablet, het punt halverwege het verhaal dat twaalf tabletten omvat – een belangrijk knooppunt dat de overgang markeert van de verlokkingen en beproevingen van deze wereld naar de grotere mysteriën van dood en wedergeboorte.

De voornaamste thema’s van Choembaba, het cederbos en de hemelstier werden op kundige wijze samengevoegd in het latere Griekse verhaal van Theseus en de Minotaurus, een allegorie over de overwinning en beheersing van de lagere natuur in het labyrint‘bos’ van het geïncarneerde leven. Om het jaarlijkse offeren van zeven jongelingen en zeven maagden (die de bipolaire beginselen van onze zevenvoudige natuur vertegenwoordigen) te voorkomen, ging Theseus de kronkelige duisternis van de onderwereld binnen die onvermijdelijk naar de hongerige Minotaurus leidde die hem zou verslinden (let op de kronkelende gelaatstrekken op het masker van Choembaba, de ‘burcht van de darmen’, die onze onverzadigbare begeerteaard vertegenwoordigt). Evenals Gilgamesj, die werd aangespoord ‘Choembaba te weerstaan’ toen die was ontdaan van op een na al zijn beschermende aura’s, wordt Theseus geadviseerd de Minotaurus te ‘doden’ tijdens zijn slaap. Hij was verzekerd van zijn bevrijding uit het labyrint door een kluwen wol, symbool van goddelijke wijsheid en leiding, die hem was gegeven door de dochter van koning Minos, Ariadne, met wie hij vervolgens huwde. De koning (geest), de dochter (wijsheid), de held (de menselijke ziel): hij werd gered door weer een andere versie van het ‘driedraads touw’.

Tablet VII begint met Enkidoe die de volgende morgen tegen Gilgamesj zegt: ‘Luister naar de droom die ik afgelopen nacht had. De grote goden waren in beraad en Anoe zei tegen Enlil: ‘Omdat ze de hemelstier en ook Choembaba hebben gedood, daarom moet één van hen sterven. Degene die de berg van zijn ceders heeft beroofd moet sterven.’ Maar Enlil zei: ‘Enkidoe moet sterven; Gilgamesj zal niet sterven’. Sjamasj antwoordde dat het in opdracht van Enlil was geweest dat de stier en Choembaba werden gedood. ‘Dus waarom moet de onschuldige Enkidoe sterven?’ ‘Omdat’, zei Enlil, ‘jij, Sjamasj, dagelijks naar hen afdaalde.’’ Nadat hij de droom had verteld, lag Enkidoe ziek terneer voor Gilgamesj.

‘O, mijn broeder, mijn dierbare broeder!’ huilde Gilgamesj, terwijl zijn tranen hem over de wangen rolden. ‘Zij zouden mij bevrijden ten koste van mijn broeder. Mag ik mijn broeder nooit meer met mijn ogen aanschouwen?’ In zijn koorts werd Enkidoe in eerste instantie kwaad en vervloekte zowel de sluipjager die hem had bedrogen als de tempelcourtisane die zijn geest had verruimd en hem naar Oeroek had gebracht. Zonder hen, dacht hij, zou deze onwaardige dood hem nooit zijn overkomen. Waarom was hem geen manhaftige dood in de strijd vergund? Sjamasj hoorde Enkidoe en sprak tegen hem vanuit de hemel, en herinnerde hem aan de voordelen die de tempelcourtisane en Gilgamesj hem hadden opgeleverd: had hij niet van het voedsel van de goden kunnen genieten, de dronk van koningen, fijne kledij, eer, positie, en – bovenal – Gilgamesj’ geliefde vriendschap? Met deze woorden kwam Enkidoes hart tot bedaren. Twaalf dagen lang was hij stervende, en in het begin werd hij nog belaagd door een verstorend visioen van de onderwereld, haar plaatsen van loutering, haar bewoners, en zijn veroordeling en lot opgetekend op het Tablet der Bestemmingen. Terwijl hij langzaam heenging, jammerde Gilgamesj:

     Hij was de strijdbijl aan mijn zijde, de dolk in mijn schede, het schild vóór mij, mijn feestelijk gewaad, mijn glorierijke tooi. Een onheil is opgestaan en heeft mij beroofd. . . . Welke slaap houdt je in zijn greep? Je licht is gedoofd. Je kunt me niet horen . . . En hij – hij tilt zijn hoofd niet op. Ik raakte zijn hart aan, het klopt niet meer.

Gilgamesj bedekte het gelaat van zijn vriend als dat van een bruid. Als een adelaar draaide hij om hem heen. Als een leeuwin die haar welpen heeft verloren liep hij heen en weer. Gilgamesj trok zich bossen haar uit. Hij wierp zijn fijne gewaden van zich af alsof ze besmet waren. Toen liet hij een oproep uitgaan door het land: ‘Handwerkslieden, maak voor mijn vriend een beeld. Enkidoe! van lapis lazuli is je borst, van goud je lichaam.’

Gilgamesj weende om Enkidoe; hij zwierf door de heuvels. Toen kwam een tot wanhoop drijvende gedachte bij hem op: ‘Ik – zal ook ik niet sterven evenals Enkidoe? Ik ben door droefheid overmand. Ik ben bang voor de dood!’ Zijn wanhoop ging over in vastberadenheid, en hij voelde het verlangen naar kennis in zijn hart opwellen: ‘Ik zal de weg inslaan, de velg5; ik zal snel gaan naar het huis van Oetanapisjtim, Hij Die Ver Weg Is, zoon van de grote koning Oebaratoetoe. Ik nader de ingang van de berg bij nacht. Ik zie leeuwen en ben bang. Ik hef mijn hoofd op naar de maangod. Naar de [lamp] van de goden rijzen mijn gebeden op: . . . Laat mij behouden blijven!’

 

Noten

  1. Beroe, letterlijk een ‘variabel interval’, dat kan verwijzen naar een eenheid van (1) afstand, gewoonlijk ongeveer 10 kilometer, (2) tijd, 120 minuten (een ‘dubbel uur’) maar variërend, of (3) een boog, gewoonlijk 30° of 1/12 deel van een cirkel.
  2. Het aantal en de volgorde die we hier aanhouden is overeenkomstig die van Andrew George, The Epic of Gilgamesh: A New Translation (Barnes and Noble, 1999), die de meest recente ontdekkingen en wetenschappelijke inzichten bevat.
  3. Nadat dit symbool van kracht door eenheid voor het eerst was gebruikt in het oorspronkelijke Soemerische verhaal, werd het door de schrijver van Prediker (4:9-12) in zijn werk opgenomen. Vergelijk het ‘heilige driedradige koord’ van de brahmaanse sannyasin, het maçonnieke ‘koord’ van broederschap, en meer in het bijzonder de sutratman of het ‘draadzelf’ van de hindoes – de innerlijke levenslijn die hem met zijn innerlijke god verbindt. Voor een toelichting van dit universele symbool, zie sunrise, september/oktober 1989, ‘Gered door een ‘driedraads touw’’.
  4. Het sterrenbeeld Taurus. Gedurende het vierde en derde millennium v.Chr. kwam de zon op het lentepunt op in de buurt van Taurus. Dat de Soemerische priester-ingewijden zich bewust waren van de precessie van de zon door de tekens van de dierenriem (een cyclus die ongeveer 25.800 jaar duurt) wordt gesuggereerd door de Soemerische koningslijst: na de zondvloed werd het goddelijke koningschap minder hoogstaand en verbleef gedurende 24.510 jaar in Kish, waarna het werd verplaatst naar Oeroek; vervolgens verstreken 2044 jaar (bijna exact 1/12 van 24.510) tot de regeringsperiode van Gilgamesj, die 126 jaar duurde. In de theosofische traditie staat een periode van 1/12 van een groot precessiejaar bekend als een Messiaanse cyclus. Aldus is het jodendom verbonden met de ram – Aries; het christendom met de vis – Pisces. De connectie tussen Gilgamesj en de Messiaanse cyclus is bovendien in overeenstemming met zijn vergoddelijking als Heer van de Onderwereld en zijn identificatie met de ‘jaarlijks’ stervende en weer oprijzende god Doemoezi.
  5. Astronomisch geïnterpreteerd, symboliseert de velg het ‘pad’ of de baan van het hemelse wiel, en is een verwijzing naar de op handen zijnde inwijdingsreis van Gilgamesj. Het onderliggende motief van de allegorieën die tot nu toe werden genoemd betreft een fundamenteel doel van de mysteriën: voordat het geheime leven kan worden gekend, moet de initiant zijn lagere natuur waarin zijn goddelijke essentie ligt ‘begraven’ van zich afschudden – dat wil zeggen, zijn fysieke/Enkidoe-zelf moet (tijdelijk) ‘sterven’, zodat zijn geestelijke zelf de god binnenin kan leren kennen, en de god hem. Voor een beknopt overzicht van de inwijdingspatronen en symbolen van de mysterietraditie, zie Grace F. Knoche, De Mysteriescholen door de eeuwen heen, TUPA, 2001.
 

Het Gilgamesj-epos: een spirituele biografie – 3
W.T.S. Thackara

 

Treurend om het verlies van zijn metgezel Enkidoe begaf Gilgamesj zich op weg om naar kennis te zoeken. Hij ging de wildernis in, doorkruiste onneembare bergen en reisde over de zeeën – alles zonder slaap om tot rust te komen. Hij vocht met wilde dieren, bedekte zich met hun vacht en at hun vlees. Sjamasj, god van de zon, werd ongerust en boog neer naar Gilgamesj: ‘Waar zwerf je naartoe? Het leven dat je zoekt zal je nooit vinden.’ Gilgamesj antwoordde, ‘Als ik in de onderwereld ga, zal er dan weinig rust zijn? . . . Laat mijn ogen de zon zien en verzadigd worden door het licht! Wanneer kunnen de doden de zonnestralen zien?’

Hij kwam uiteindelijk aan bij de berg Masjoe die waakt over het komen en gaan van Sjamasj. De dubbele pieken ervan reikten tot het hemelgewelf en onderaan raakte de voet de onderwereld. De ingang werd bewaakt door de twee schorpioenmensen die een angstaanjagende bedreiging vormen en een blik hebben die de dood betekent. Toen ze Gilgamesj zagen aankomen riep de schorpioenman tegen zijn vrouw: ‘Hij die naar ons toekomt, zijn lichaam bestaat uit het vlees van de goden’. De vrouw zei, ‘(slechts) tweederden van hem is god, eenderde is mens.’ De schorpioenman riep toen naar Gilgamesj: ‘Waarom heb je deze lange reis ondernomen, waarbij je talrijke gevaren moet overwinnen?’

Gilgamesj antwoordde, ‘Ik ben gekomen om Oetanapisjtim1 mijn voorvader op te zoeken, die deel uitmaakt van de vergadering van de goden en het eeuwige leven heeft verworven. De dood en het leven wil ik leren kennen.’

‘Nog nooit heeft een sterfelijk mens dat gedaan’, zei de schorpioenman. ‘Niemand heeft het verborgen bergpad gevolgd, want om het middelpunt ervan te bereiken zijn twaalf dubbeluren2 nodig; diep is de duisternis ervan en er is geen licht.’ Gilgamesj liet zich niet weerhouden en beval dat de poort zou worden geopend. De schorpioenman zei tegen koning Gilgamesj, vlees van de goden: ‘Ga dan gerust; voor jou staat de poort open’.

Gilgamesj ging de berg binnen; hij nam de zonneweg, de weg van de nacht die Sjamasj volgt. Toen hij een dubbeluur had gelopen was de duisternis diep; er was geen licht, hij kon noch naar achteren zien noch vooruit. Zelfs na zeven dubbeluren was er nog duisternis. In het achtste haastte hij zich verder. Bij het negende beet de noordenwind in zijn gezicht. In het tiende ‘was de [dageraad] nabij’. Het elfde kwam hij vóór zonsopgang naar buiten. Na twaalf dubbeluren was het helder. Vóór hem lag een met bomen van de goden beplante tuin, bezaaid met kornalijn, lazuur en andere edelstenen – een genot om te zien.3

Terwijl Gilgamesj rondliep, sloeg zij haar ogen op en zag hem – Sidoeri, de herbergierster die aan de rand van de zee woont en verfrissend drinken geeft aan de geestelijk dorstigen. Wegens zijn woeste uiterlijk en agressief gedrag, vergrendelde ze haar deur. Vanaf het dak riep ze: ‘Laat me horen van je reis’. Hij vertelde haar over zijn avonturen met Enkidoe, hun vriendschap en over de dood van Enkidoe. Zes dagen en zeven nachten had hij gehuild om Enkidoe. Hij was bang voor de dood. Nu was hij op zoek naar Oetanapisjtim om het geheim van het leven te leren. Maar Sidoeri probeerde – evenals anderen vóór haar – Gilgamesj ervan af te brengen om verder te gaan en herinnerde hem eraan dat toen de goden de mensheid voortbrachten, zij haar de dood toewezen en het leven onder hun eigen hoede hielden. ‘Wees daarom gelukkig met de genoegens die de mens zijn gegeven’, zei ze,

Laat je buik vol zijn. Maak elke dag tot een dag van blijheid. Dans en speel iedere avond. Laat je kleding schoon zijn. Laat je vrouw zich aan je borst verheugen en liefkoos de kleine die je hand vasthoudt.
                    – Oud-Babylonische versie (Sippar III.1-14)

Ook nu wilde Gilgamesj zich niet laten ontmoedigen. Hij had een vermoeiende reis gemaakt en een grote afstand afgelegd op zoek naar kennis. Hoe gaat de weg daarvandaan verder? vroeg hij. Sidoeri antwoordde dat nog niemand de zee had overgestoken; alleen Sjamasj deed dat. Moeizaam is de oversteek, ongemakkelijk de weg en de wateren van de dood versperren de doortocht. Maar daarginds aan de kust, wees ze aan, woont Oersjanabi4, veerman naar Oetanapisjtim. ‘Bij hem zijn de steendingen. Hij raapt de oernoeslangen in het bos op. Als dat mogelijk is, maak dan met hem de oversteek, of keer anders op je schreden terug.’

Sjamasj (de zon) tussen de dubbele pieken van Mashu,
Akkadisch, 3de millennium v.Chr. (The British Museum).

Om niet verklaarde redenen neemt Gilgamesj zijn bijl, stort zich op de steendingen en verbrijzelt ze in zijn razernij. Omdat Oersjanabi het tumult hoorde, keerde deze uit het bos terug en vroeg Gilgamesj waarom hij er zo verschrikkelijk uitzag. Gilgamesj vertelde nog eens zijn droevige verhaal en verlangde toen op zijn beurt de weg te weten naar Oetanapisjtim, Hij Die Ver Weg Is. Oersjanabi legde uit dat Gilgamesj eigenhandig zijn overtocht had verhinderd omdat hij de steendingen had verbrijzeld. ‘Ze maakten mijn oversteek mogelijk want mijn handen mogen de wateren van de dood niet aanraken.’ De steendingen zijn afwisselend opgevat als idolen, magische amuletten of kustpylonen waaraan een oversteekkabel (‘oernoeslangen’) was bevestigd, en magnetische geleidestenen voor de scheepvaart. Hun betekenis blijft een mysterie, maar de Hittitische versie geeft een vage aanwijzing doordat ze Oersjanabi laat zeggen ‘die twee stenen beelden die me altijd naar de overkant hebben gebracht’.

Toch wilde de vindingrijke Oersjanabi Gilgamesj helpen en stuurde hem naar het bos om puntige stokken te hakken (300 in de Oud-Babylonische versie, ieder 60 el lang). De 45-daagse tocht naar de Wateren van de Dood werd in drie dagen volbracht. Toen ze daar eenmaal waren, werden de stokken gebruikt om de boot voort te bomen, één stok voor iedere duw, zodat ook Gilgamesj het dodelijke water niet zou aanraken. Toen de laatste stok was gebruikt hingen ze hun kleding aan de gestrekte armen van Gilgamesj om de resterende afstand zeilend af te leggen. Toen ze bij de oever aankwamen, zag Oetanapisjtim dat de steendingen waren verbrijzeld en er een vreemdeling aan boord was. Hij vroeg Gilgamesj waarom hij er zo gebroken en ontredderd uitzag en nogmaals vertelde Gilgamesj zijn verhaal van smart en uitputting.

In plaats van troostende woorden te spreken, schokte Hij Die Ver Weg Is hem door recht op de man af te vragen: ‘Waarom ben je het verdriet [aan het najagen] Gilgamesj, jij die bent gemaakt van het vlees van de goden en de mens? . . . Niemand kan het aangezicht van de dood zien of de stem ervan horen. Bouwen we een huis voor eeuwig? Leggen we een contract vast voor altijd? Verdelen broers hun erfenis voorgoed? Duurt vijandschap tussen tegenstanders voor altijd? Stijgt de rivier altijd hoger om overstromingen te veroorzaken? De libel die drijft op het water en staart naar het gezicht van de zon – plotseling is alles leegte! De slapenden en de doden, wat lijken ze op elkaar! Het beeld van de dood kan niet worden beschreven, zelfs al is de mens [erdoor gevangen]. De grote goden stelden de dood en het leven in, maar de tijd voor de dood hebben ze niet onthuld.’

‘Maar jij, Oetanapisjtim’, zei Gilgamesj, ‘jouw gelaatstrekken zijn niet anders dan die van mij. Ik ben zoals jij. Hoe komt het dat jij behoort tot de vergadering van de goden en het eeuwige leven hebt verworven?’

Oetanapisjtim antwoordde: ‘Ik zal je een geheim van de goden vertellen, Gilgamesj; ik zal een mysterie aan je onthullen. Kort nadat de grote goden hadden beslist dat de zondvloed er voor de mensheid moest komen, raadde Enki me aan – zonder zijn eed te schenden – mijn huis af te breken en een boot te bouwen, bezittingen achter te laten en het leven te redden. In het vaartuig moest het zaad van alle levende schepsels worden opgenomen.’ Het verdient de aandacht dat we hetzelfde idee in het oude India aantreffen, waar Vishnu bij Vaivasvata Manu erop aandringt: ‘Zeven regenwolken zullen vernietiging brengen. De woelige oceanen zullen samenstromen tot een enkele zee. Ze zullen de hele drievoudige wereld veranderen in één enorm uitgestrekte watervlakte. Dan moet je de levenszaden overal vandaan halen en ze in de boot van de Veda’s laden’ (Matsya Purana 2.8-10).

Enki gaf Oetanapisjtim aanwijzingen over de afmetingen en bouw van het schip. Het moest 120 el langs de zijkant meten, zes dekken hebben die het in zeven verdiepingen verdeelden, allemaal gemeten tot een hoogte van 120 el, met negen compartimenten van binnen. Op de (zesde?) dag was het klaar. Met moeite werd de boot te water gelaten, totdat tweederden onder de waterspiegel lag. Nadat alles was ingeladen, ook alle handwerkslieden, kwam de watervloed. Razende orkanen reikten tot de hemel en veranderden alles wat licht was in duisternis. Zoals in een veldslag kon geen mens zijn maat zien. Zelfs de goden, door schrik bevangen door de hevige storm, vluchtten naar de hemel van Anoe en krompen ineen als honden. Isjtar schreeuwde het uit als een vrouw in barensnood; Belet-ili (Aroeroe) jammerde dat alles van vroeger tot stof was vergaan omdat ze in de vergadering van de goden kwaad had gesproken.

Zes dagen en zeven nachten joeg de wind. Bij zonsopgang van de zevende dag bedaarde het en de storm hield op. Oetanapisjtim opende een raam en er viel licht op zijn gezicht. Overal stond water. Alles was stil. De hele mensheid was tot stof vergaan. Op de ondergedompelde top van de berg Nisir landde het schip. Na weer zeven dagen zond hij een duif weg, maar ze kwam terug. Hij zond een zwaluw naar buiten; die keerde ook terug. Toen een raaf, en deze kwam niet terug. Toen het water was verdwenen, ging hij eropuit vanaf de boot en schonk een drankoffer uit aan de goden. Maar Enlil was woedend: de hele mensheid had vernietigd moeten zijn. Wie had het geheim onthuld? Enki verweet Enlil dat hij de zondvloed had veroorzaakt en legde toen uit hoe het geheim was ontdekt in een visioen dat aan Oetanapisjtim was gegeven. Over zijn lot moest Enlil beslissen en die kondigde toen aan dat Oetanapisjtim en zijn vrouw als goden zullen worden. En de goden brachten hen van de boot naar het verafgelegen land, om te wonen bij de mond van rivieren – heilige rivieren die de ononderbroken stroom van goddelijke wijsheid symboliseerden die naar het leven van de mensen vloeide.

Het verhaal van de zondvloed, bewerkt naar het onafhankelijk samengestelde Atrahasis Epos,5 was in de Babylonische standaardversie kennelijk ingelast als uitbreiding van de lessen van Oetanapisjtim over de tijdelijkheid en periodiciteit van het gemanifesteerde bestaan. Bovendien verklaart het niet alleen de rol van Oetanapisjtim als voorvader, beschermer en behoeder, het bevestigt stilzwijgend ook de mogelijkheid van onsterfelijkheid voor de mens, wat een natuurlijke brug vormt naar de volgende reeks gebeurtenissen.

Oetanapisjtim vroeg aan Gilgamesj: ‘Wie zal de goden bijeenroepen, zodat je het leven kunt vinden dat je zoekt? Kom mee, je mag zes dagen en zeven nachten niet slapen.’ Hoe hard hij het ook probeerde, Gilgamesj kon geen weerstand bieden aan de hevige aanval van slaap en gaf zich er vrijwel direct aan over. De zevende dag werd hij door Oetanapisjtim wakker gemaakt, enkel om te vernemen dat hij er niet in was geslaagd zijn doel te bereiken. Gilgamesj had veel gepresteerd, maar bewust onsterfelijk blijven ging zijn vermogen te boven; want er waren levenslessen die hij nog onder de knie moest krijgen. ‘Wat kan ik doen, waar kan ik naartoe? Een dief heeft mijn vlees gestolen. De dood woont in het huis waar mijn bed staat; waar ik mijn voeten ook zet, is de dood.’ Hij moest teruggaan naar Oeroek, om opnieuw de ‘dood door te maken’ en de wedergeboorte van belichaamd leven.

Dat de tocht van Gilgamesj een allegorie uit de mysteriën is kan men misschien duidelijker zien in het licht van het volgende fragment, meer dan duizend jaar later geschreven door de Griek Themistius (zoals Plutarchus hem citeerde):

     Als het geloof in onsterfelijkheid uit de verre oudheid stamt, hoe kan dan de vrees voor de dood de oudste van alle angsten zijn? . . .
     . . . [Wanneer de ziel sterft] heeft ze een ervaring als die van mensen die inwijding ondergaan in grote mysteriën; en zo is er een overeenkomst tussen de werkwoorden teleutân (sterven) en teleisthai (ingewijd worden) en de activiteiten die ze aanduiden. Aanvankelijk is er een ronddolen en dwalen, de vermoeienis van het her- en derwaarts haasten en benauwde tochten door duisternis zonder een doel te bereiken, en dan vlak voor de voltooiing, alle mogelijke verschrikking, huivering en beving en inspanning en verbazing. Maar daarna valt er een wondermooi licht op de zwervende ziel en wordt ze verwelkomd door open terrein en weidegronden; en op die plaats zijn er stemmen en wordt er gedanst en is er de plechtige majesteit van gewijde muziek en heilige visioenen. En daartussen loopt hij vrijelijk rond in een nieuwe vrijheid, nu vervolmaakt en volledig ingewijd voltrekt hij de heilige rituelen met een lauwerkrans op zijn hoofd en voert gesprekken met reine en heilige mensen; . . .’
            – ‘De Anima’, Moralia XV. 177-8 (Loeb)

Al was Gilgamesj nog niet ‘vervolmaakt’, hij had toch de lauwerkrans van een lagere graad verworven, want de tekst zinspeelt hier op de fundamentele inwijdingsmotieven doop en (geestelijke en lichamelijke) wedergeboorte. Oetanapisjtim gaf Oersjanabi opdracht Gilgamesj over te varen naar de wasplaats om zijn oude huiden af te werpen en ze door de zee te laten meenemen zodat men zijn mooie lichaam kon zien. ‘Laat de band om zijn hoofd worden vervangen door een nieuwe. Laat men hem in koninklijke kleren steken, het gewaad van het leven. Moge zijn kleding geen slijtage vertonen tot hij aan het einde komt van zijn tocht naar de stad, maar laat ze dan nog vrijwel nieuw zijn.’

Terwijl ze wegvoeren herinnerde de vrouw van Oetanapisjtim haar man eraan dat Gilgamesj moe was en hulp nodig had om naar Oeroek terug te keren. Daarom onthulde Oetanapisjtim nog een geheim van de goden aan Gilgamesj: op de zeebodem is er een wonderplant, als een bloem met doornen, die een mens weer jong maakt. Gilgamesj opende toen het luik, bond stenen aan zijn voeten, dook de diepte in en bracht de plant boven water. ‘In Oeroek zal ik er een proef mee nemen op een oude man. Zijn naam wordt dan ‘Jong Geworden Oude Man’ [bijna dezelfde betekenis als van de Soemerische naam van Gilgamesj]. Daarna zal ik ervan eten zodat ik weer jong zal worden.’ Na twintig dubbeluren aten ze een hapje; na dertig stopten ze voor de nacht. Terwijl Gilgamesj een bad nam in een poel, rook een slang de geur van de plant. Ze kwam omhoog uit het water en griste de plant weg, en wierp haar huid af toen ze naar het water terugging. Toen hij zag dat de verjongingsplant was verdwenen, ging Gilgamesj zitten huilen. Voor wie was zijn hartenbloed verspild? ‘Ik heb niets goeds voor mezelf verworven; voor de ‘aard-leeuw’ heb ik het geschenk gekregen. . . . Laten we ermee ophouden, Oersjanabi, en de boot aan de kust laten.’ Misschien zien we hier een flikkering van bewustwording; het verhaal brengt dan het punt van zelfvergetelheid naar voren die nog moet worden geleerd – en van het gereed zijn: dat het bereiken van volledige verlichting vele levens vergt.

Ziggurat in de Eanna-sector te Oeroek (André Parrot, Sumer)

Na nog een dagreis kwamen ze in Oeroek aan, waarna Gilgamesj de draad van zijn verleden weer oppakte. ‘Ga naar boven, Oersjanabi, de muren van Oeroek op. Inspecteer de onderlaag; bekijk het metselwerk. Is zelfs de kern niet gemaakt van in hete oven gebakken steen? Hebben de zeven wijzen [of scheppers] niet het ontwerp van de fundamenten ervan gemaakt? In Oeroek, het huis van Isjtar, is één deel stad, één deel boomgaard en één deel leemputten. Drie delen en de Isjtartempel [Eanna] worden door de muren van Oeroek omsloten.’ En geest, ziel en lichaam vormen evenzo Gilgamesj die, gelouterd maar wijzer door zijn ervaring, nu zijn levenswerk weer opvat, gesymboliseerd door de schutsmuur van Oeroek die onze mensheid altijd beschermt.

Zo eindigt het elfde tablet en het voornaamste deel van het verhaal. Het twaalfde tablet is een gedeeltelijke vertaling van het Soemerische gedicht ‘Gilgamesj, Enkidoe en de onderwereld’. Omdat de episode niet in de juiste volgorde lijkt te staan (Enkidoe is in leven), hebben veel commentatoren het een aanhangsel genoemd. Hoewel er voor dit oordeel wat is te zeggen, wijzen de inhoud en plaatsing van het verhaal eerder op opzet en een symbolische betekenis: voor de Babyloniërs was twaalf numeriek en filosofisch belangrijk omdat dit getal het einde van een cyclus en de voorbereiding van de volgende aangeeft. In overeenstemming met het thema wederbelichaming werkt Enkidoe opnieuw samen met Gilgamesj, al daalt hij reeds spoedig alleen af in de onderwereld om twee voorwerpen terug te halen die Gilgamesj toebehoren en daar waren gevallen. Het onderwerp van de onderwereld (die als metafoor ook kan staan voor onze wereld) houdt rechtstreeks verband met het doodsvisioen van Enkidoe aan het begin van tablet 7, het punt precies halverwege de versie in 12 tabletten. Bovendien bevat tablet 12 maar ongeveer de helft van het aantal regels van de andere en eindigt plotseling zonder dat er tekst ontbreekt, en er wordt niets gezegd over de laatste dagen van Gilgamesj; het verhaal blijft onvolledig. Een dichtwerk in het Soemerisch van onzekere oorsprong, ‘De Dood van Gilgamesj’, lijkt met opzet te zijn weggelaten uit de versie in 12 tabletten, mogelijk omdat de nadruk op het blijvende karakter van de dood daarin in filosofisch opzicht niet strookte met de hoopvolle zienswijze van het epos. In plaats daarvan doet het twaalfde tablet vermoeden – zij het tussen de regels – dat we het laatste hoofdstuk nog niet hebben gehoord, maar slechts een ander keerpunt in de levenscyclus hebben bereikt.

Ongeacht de onvolkomenheden van de tekst, vertaling en interpretatie, vormt de herleving van Gilgamesj uit het puin van het verleden een indrukwekkend getuigenis van de tijdeloosheid en universaliteit van ons geestelijk en menselijk erfgoed. Evenals boeddhistische terma-teksten, opzettelijk begraven ten behoeve van latere generaties, is Gilgamesj in een gunstige tijd teruggevonden. Want welke vooruitgang we misschien ook hebben bereikt (of tot stand hebben kunnen brengen) in de millennia sinds het voor het eerst werd gegraveerd, zijn geschiedenis is een indrukwekkende herinnering aan een heilige waarheid over wie we zijn: allen partners, vrienden en broeders die samen de levensweg bewandelen op een heroïsche zoektocht die – in essentie – voor één deel menselijk en voor twee delen goddelijk is.


Vertalingen:

In de volgende twee boeken zijn de meer recente ontdekkingen en aanvullingen op onze kennis over Gilgamesj opgenomen:

  • George, Andrew R., The Epic of Gilgamesh: A New Translation, Barnes and Noble, Inc., New York, 1999. Bevat de Soemerische en Oudbabylonische teksten.
  • Kovacs, Maureen Gallery, The Epic of Gilgamesh, Stanford University Press, Stanford, 1989.

Andere waardevolle vertalingen en/of vertolkingen:
  • Gardner, John, en John Maier, Gilgamesh: The Version of Sin-leqi-unninni, Alfred A. Knopf, New York, 1984
  • Heidel, Alexander, The Gilgamesh Epic and Old Testament Parallels, The University of Chicago Press, Chicago, 1949
  • Sandars, N.K., The Epic of Gilgameshu, Penguin Books, Baltimore, 1960
  • Temple, Robert, He Who Saw Everything: A Verse Version of the Epic of Gilgamesh, Rider, Londen, 1991


Andere bronnen:

  • Fiore, Silvestro, Voices from the Clay: The Development of Assyro-Babylonian Literature, University of Oklahoma Press, Norman, 1965
  • Jacobsen, Thorkild, The Sumerian King List, The University of Chicago Press, Chicago, 1939
  • ––, The Treasures of Darkness: A History of Mesopotamian Religion, Yale University Press, New Haven, 1976
  • Knoche, Grace F., ‘Tweederde God, Eenderde mens’, Sunrise 1981, blz. 103-8.
  • Kramer, S.N., History Begins at Sumer, Thames & Hudson, Londen, 1958
  • ––, Sumerian Mythology, Revised Edition, Harper Torchboks, New York, 1961
  • Tigay, Jeffrey H., The Evolution of the Gilgamesh Epic, University of Pennsylvania Press, Philadelphia, 1982


Op internet:
www.gilgameshonline.com
Electronic Text Corpus of Sumerian Literature (ETCSL) www-etcsl.orient.ox.ac.uk

Noten

  1. Ook Oetnapisjtim en Oeta-napisjti gespeld, Babylonisch voor ‘Hij heeft het leven gevonden’; in de Soemerische literatuur is hij bekend als Zioesoedra (‘Leven van lange dagen’) en wordt ‘behoeder van het zaad van de mensheid’ genoemd. Berossus spelde zijn naam Xisoethros of Sisithros.
  2. Beroe, ‘variabele tijdseenheid’, zie Deel 2, blz. 75vn.
  3. Vgl. Plato, Phaedo §110; Openbaring 21:18.
  4. De naam Oersjanabi houdt een getallensymboliek in, want hij betekent ‘priester [of dienaar] van 2/3den’. Hij is de schoonzoon van Ea/Enki (getalswaarde 40, 2/3 van Anoe’s 60). De naam verwijst dus naar zijn rol als priester/dienaar van Gilgamesj, die voor 2/3 goddelijk is.
  5. Atrahasis, ‘Weergaloos wijs’, is een toenaam van Oetanapisjtim als de overlevende van de zondvloed. Zie voor een vergelijking van de Soemerische, Babylonische en Hebreeuwse verslagen over de zondvloed: Heidel, The Gilgamesj Epic and Old Testament Parallels, blz. 102-19, 224-69.
 
 
Inanna, koningin van hemel en aarde, Eloise Hart
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr, mei/jun, jul/aug 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency