Gered door een ‘driedraads touw’
W.T.S. Thackara

 

Het leven gaat aan de vorm vooraf en het leven overleeft het laatste atoom van vorm. Door de talloze stralen gaat de levensstraal voort, de ene, zoals een draad door veel juwelen.

Wanneer de ene twee wordt, verschijnt het drievoud en de drie zijn één, en het is onze draad, o Lanoo, het hart van de mensplant die Saptaparna wordt genoemd.

Het is de wortel die nooit sterft; die drietongige vlam van de vier pitten. . . .

Vanaf de eerstgeborene wordt de draad tussen de Stille Wachter en zijn schaduw sterker en stralender bij iedere verandering. Het zonlicht van de ochtend is veranderd in de glorie van de middag. . . .
     – Uit Stanza VII, De Geheime Leer 1:63-4

Een gepensioneerde oud-administrateur van het Jet Propulsion laboratorium in Pasadena vertelde mij enkele jaren geleden dat hij als luchtvaart-ingenieur er geen moeite mee had te geloven in het bestaan van God of goden: het fascinerende getuigenis van de planmatigheid in de natuur vereist een goddelijke intelligentie. Blind toeval brengt geen uiterst ingewikkelde systemen voort zoals een menselijk wezen, laat staan een heelal. Maar wat hem verontrustte, was het kennelijke gebrek aan betrokkenheid van God (of de goden) bij de toestanden hier op aarde. ‘Waar is Hij, of waar zijn Zij nu?’ vroeg hij zich af, want hij had enkele dingen in gedachten waarvan hij meende dat ze dat moesten weten. Alles wijst erop – overbevolking, vervuiling, het uitputten van de natuurlijke rijkdommen, enz. – dat onze planeet langzaam en onverbiddelijk wordt prijsgegeven aan de vergetelheid. Waarom komen de goden niet meer in actie om dat te voorkomen? Hun stilzwijgen leek hem onverantwoordelijk. Hoe konden ze toestaan dat hun schepping zich in zo’n groot gevaar bracht? Ze zouden hun bestaan op onbetwistbare wijze bekend moeten maken, ons tonen wat onze blunders zijn en ons op het juiste spoor zetten om de heel wezenlijke problemen op te lossen waarvoor we ons gesteld zien. Als ze dat niet doen en wij ons gedrag niet gauw verbeteren, zal onze planeet in heel grote moeilijkheden komen!

Het is moeilijk hier iets tegenin te brengen, want wie van ons heeft niet soortgelijke vragen gesteld en zich afgevraagd waarom het leven zo moeilijk moet zijn en waarom hogere wezens, als ze bestaan, zich zo stil houden en zo verborgen zijn? Maar als we er eenmaal van overtuigd raken dat blind toeval geen heelallen doet ontstaan – en er zijn overtuigende wetenschappelijke en wiskundige bewijzen dat er scheppende evolutionaire krachten aan het werk zijn in de natuur1 – wordt het zoeken naar bevredigende antwoorden omtrent God en/of goden dringender. Wie of wat zijn ze? Hoe helpen ze ons? En hoe kunnen wij hen helpen in hun beschermende werk voor alle wezens?

Als een algemene conclusie die men kan trekken uit de wet van de cyclussen waaraan alles in de natuur is onderworpen, kan men veilig aannemen dat heelallen leefden en stierven in de eindeloze loop van de tijd en dat elk zonder twijfel menigten van denkende wezens heeft voortgebracht. Maar is de uitgebreide kennis en wijsheid die door elk universum is bijeengebracht ook verloren gegaan toen de stoffelijke vorm werd vernietigd? Sommige wetenschappers, zoals de Cambridge biochemicus Rupert Sheldrake, denken dat dit wellicht niet het geval is. Uit hun pogingen om de puzzel op te lossen hoe de patronen in de natuur tevoorschijn komen, hebben ze geconcludeerd dat er niet-materiële ‘morfogenetische velden’ moeten zijn, waarin de herinneringen van de natuur aan vroegere vormen en gedragingen zijn bewaard en die de architectonische patronen leveren die de groei en activiteit van alle huidige wezens leiden, de mensheid inbegrepen.2

Dit idee herhaalt in wetenschappelijke termen de theosofische filosofie die deze velden ziet als de gereflecteerde uitdrukking van een bewuste, levende wijsheid. Juister gezegd, het zijn de ‘versluierde manifestaties’ of ontwikkelingen van fohat, de stuwende universele energie, ‘rijk aan goddelijke en dhyan-chohanische gedachten’ (GL 2:737vn). Na een kosmische rustperiode van miljarden jaren ontstaat in het mysterieuze hart van het Zijn de impuls tot het opnieuw verschijnen van een universum. Uit deze onbeperkte voorraad wijsheid ontvouwen zich zaad‘ideeën’, bestaande uit de bewustzijns-substantie van de hiërarchie van scheppende krachten, tot de talloze soorten en sterrenstelsels die een heelal samenstellen. In de verschillende tradities werden deze scheppende, wereldenproducerende en wereldenondersteunende wezens met vele namen aangeduid, zoals goden, theoi, dhyani-chohans, elohim, en – collectief – God.

Volgens de theosofische leringen bevinden zich onder deze menigten de volmaakte mensen uit voorafgaande wereldbelichamingen, die functioneren als verbindende schakels tussen goddelijke wijsheid en de rijken op aarde, Door de evolutie genoodzaakt, bestaan ze in een toestand buiten de stoffelijke zoals wij die kennen, maar ze zijn toch actief, hebben invloed en zijn nauw met ons verbonden. Dat hun aanwezigheid niet duidelijker merkbaar is, is enerzijds bedoeld als een bescherming voor ons en is anderzijds het gevolg van ons beperkte waarnemings- en begripsvermogen. Maar in elke overlevering vinden we leringen en/of aanwijzingen over de wijze waarop de mensheid door hen wordt geholpen en waarom het voor ieder van ons belangrijk is om geestelijk zelfstandig te worden – zoveel mogelijk in staat om te putten uit dit reservoir van wijsheid voor het algemene welzijn.

In de mythologie worden de helden van de zoektocht (en dat zijn geen anderen dan wijzelf) altijd uitgedaagd zich tot het uiterste in te spannen, om dan nog verder te gaan en in zichzelf te keren naar diepere reservebronnen, Het is paradoxaal dat de helden zelden of nooit de overwinning alleen en op eigen kracht behalen. De goden moeten tussenbeide komen om hen verder te helpen, Omdat ze te machtig zijn rechtstreeks met mensen in contact te komen, handelen ze gewoonlijk in vermomming, vaak door een profetische droom te sturen of door een sterveling te beïnvloeden die een bepaalde vaardigheid of talisman levert die de held mist, maar nodig heeft om zijn doel te bereiken.

In veel verhalen wordt de hulp van de goden gesymboliseerd door een draad, koord, of touw, waardoor de held wordt geholpen zijn weg uit het duister te vinden, of veilig stormen en gevaren te trotseren. In de Griekse mythologie bijvoorbeeld, krijgt Theseus – die zich vrijwillig beschikbaar stelde om Athene te verlossen van de verplichting jaarlijks 7 jongelingen en 7 maagden te offeren aan de Minotaurus van Kreta – een kluwen garen van zijn geliefde Ariadne, dochter van een koning (gepersonifieerde wijsheid) om hem de weg uit het labyrint te doen vinden na het monster te hebben verslagen. In het Matsya Purana (II.1-19), één versie van de verschillende zondvloedlegenden, redt de verlosser en voorvader van de mensheid, Vaivasvata Manu, de levenszaden van de wereldondergang in de ‘boot van de Veda’s, (goddelijke kennis, van vid, weten/kennen) die door de storm heen wordt getrokken met een ‘slangentouw’, bevestigd aan de hoorn van een vis (een avatarische vermomming van Vishnu).

Een van de oudste en interessantste varianten – misschien is er geen andere die het origineel dichter benadert – is te vinden in het Soemerisch/Babylonische verhaal van de held-koning Gilgamesh en zijn vriend, broeder en ‘dienaar’ Enkidu. In verband met hun opdracht om de meedogenloze 7-voudige angstaanjagende reus, Humbaba, te doden, is er sprake van een ‘driedradig touw’ dat op de een of andere manier wordt gebruikt om hen te helpen (V.ii.24). Maar het kleitablet waarop dit voorval is beschreven, is fragmentarisch en het verband is niet bewaard gebleven. Hoe dan ook, het touw is als symbool van bescherming en kracht van zoveel betekenis dat het is opgenomen in de latere Hebreeuwse traditie:

Twee zijn beter dan één, omdat zij een goede beloning hebben bij hun zwoegen. Want indien zij vallen richt de een de ander weer op; maar wee de ene die valt zonder dat een metgezel hem opricht. . . . Kan iemand er één overweldigen, twee zullen tegenover hem kunnen standhouden; en een drievoudig snoer wordt niet spoedig verbroken.    – Prediker 4:9-12

In de hindoefilosofie en in de moderne theosofische terminologie wordt onze reddingslijn naar de goden (en naar de god in ons) soms sutratman genoemd, of ‘draadzelf’. Gezien vanuit het menselijke standpunt is het ons ware geestelijke bewustzijn dat in leven na leven incarneert, waarbij elke belichaming wordt vergeleken met een parel of juweel aan een snoer. Kosmisch gezien is sutratman de goddelijke essentie, die als een snoer door heel het heelal loopt en alle wezens verbindt tot een Eenheid. In het fragment uit de stanza’s van Dzyan, waarmee dit artikel begint, wordt van het sutratman gezegd dat het in essentie één is, twee wordt, dan drie, terwijl het zijn eigen patroon ontwikkelt dat de ‘zevenbladige mens-plant’ zal worden, d,w.z. een groeiend, volledig ontwikkeld mens, die bestaat uit zeven op elkaar inwerkende beginselen. Als het onsterfelijke hart van ons wezen – een samenwerkend geheel van geest, intuïtie en intellect (atman, buddhi, manas) – is het sutratman onze directe schakel met de stralende bron van wijsheid en mededogen van het heelal, die in de stanza de Stille Wachter wordt genoemd, die altijd beschermt en als leidster dient voor zijn ‘schaduw’, de strevende menselijke ziel.3

Hoe we de vele symbolen van het sutratman ook interpreteren, enkelvoudig in essentie of drievoudig in gemanifesteerde toestand, een fundamentele boodschap is duidelijk: wij zijn samengestelde wezens, nakomelingen van de goden, maar ook zelf goden (al is dat van een veel lagere graad), die het vermogen en de verantwoordelijkheid hebben ons leven in goede of in kwade zin gestalte te geven. Het zegt ons ook dat onze groei en ons vermogen om problemen op creatieve manier op te lossen hun grootste kracht ontlenen aan gemeenschappelijke inspanning: innerlijk tussen ons hoger en ons menselijk zelf, en uiterlijk tussen onszelf en ons gezin, onze vrienden en medemensen – en inderdaad de hele natuur. Niemand van ons kan geheel alleen een taak volbrengen of een overwinning ten goede behalen.

Op welke manier spreken de goden tot ons en hoe helpen ze de wereld in de huidige crisis? Misschien zouden we moeten vragen: Hoe zouden ze tot ons willen spreken, vooral in deze tijd met zijn vele tegenstrijdige belangen? Maar veronderstel eens dat er een onbetwistbare theofanie [een openbaring of verschijning van een god – vert.] mogelijk zou zijn, één die iedereen zou overtuigen van het bestaan van de goden, die specifieke kennis zou overbrengen en ons magische kracht zou geven om de wereldkwalen te genezen. Zou dat verstandig zijn? Welke garantie zouden wij mensen te bieden hebben om hen te kunnen verzekeren dat wij (en volgende generaties) deze kennis altijd ten goede zouden gebruiken voor de hele planeet? Te oordelen naar het resultaat in het verleden, niet een heel goede. Maar er is een belangrijker punt dat we moeten overwegen: als het onze evolutionaire opdracht is als de goden te worden, met toenemende macht om te helpen dit heelal beter en mooier te maken, hoe zouden de goden dan hun aanwezigheid bekend kunnen maken zonder dat de meesten van ons terugvallen tot geesteloze slaafsheid? Als ons precies voorgeschreven zou worden hoe we in elke situatie moeten denken en handelen, zou dat ons beroven van ons geestelijk recht op creatieve wijze te kiezen en van het recht al doende fouten te maken, zodat wat we leren inderdaad ons bezit wordt – kennis die zorgvuldig en met verantwoordelijkheidsbesef wordt gebruikt.

Aan de andere kant zouden we ook kunnen vragen: Wanneer was de mensheid ooit zonder ‘heilig onderricht’: die gouden regels en ideeën waarvan we de innerlijke waarde kennen, maar die we niet altijd bereid waren te accepteren of toe te passen? Wonderen (zogenaamde) om ons te overtuigen, of catastrofen om ons wakker te schudden, brengen zelden of nooit een blijvende verbetering van het karakter. Moeten we niet eerder ons heil zoeken in het dagelijks in praktijk brengen van deze verheffende voorschriften, gesterkt door de belofte dat hulp gegeven zal worden als die nodig is – en verdiend?

Als zoveel goede mensen door zoveel pijn en verwarring worden getroffen, is het niet altijd gemakkelijk te geloven dat de goden daadwerkelijk bezorgd zijn voor ons welzijn. Blijkbaar moet ieder van ons op eigen wijze duidelijkheid verwerven over dit probleem. Jaren geleden zei een vriend eens tegen mij dat als ik mij ooit ‘aan het einde van mijn touw’ zou bevinden [een betekenisvolle Engelse uitdrukking voor: niet verder kunnen] ik stevig vast moest blijven houden. Daarna moeten we één stap tegelijk doen en de aandacht richten op de taak of plicht die voor ons ligt en daaraan onze beste krachten wijden. Het leven zal ons nooit een last op de schouders leggen die te zwaar voor ons is, hoe pijnlijk of moeilijk die ook mag zijn. Als we doen wat ons te doen staat, zo wijs en liefdevol als we kunnen, komen de goden ons te hulp.

Achter deze praktische raad staat een gezonde filosofie: we zijn nooit alleen, we zijn niet de weeskinderen die we soms denken te zijn, en waar er werkelijk nood is, worden we – de mensheid en alle andere wezens – geholpen door de mededogende god-wijsheid van het heelal en door hen die deze belichamen.

 

Noten

  1. Zie ‘Schepping, evolutie en de geheime leer’, Sunrise sep/okt 1988
  2. The Presence of the Past, Times Books, Random House, New York, 1988; zie ook Jeremy Rifkin, Algeny, Viking Press, New York, 1983.
  3. Zie De Geheime Leer 1:249-91 voor H.P. Blavatsky’s toelichtingen op deze stanza; ook Isis Ontsluierd (Eng. Uitg. 2:393) waar een vergelijking wordt gemaakt tussen het ‘kabeltouw’ van broederschap uit de Vrijmetselarij (vgl. Hosea 11:4) met het ‘heilige driedubbele koord’ van de Brahmaanse sannyasin.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency