Als we het Mahabharata lezen, ontdekken we dat het midden ervan niet
in overeenstemming is met het begin en het einde ervan: dat er middenin
het grootse en rijk gedetailleerde verhaal over twee families zich een
tekst bevindt die nauwelijks past bij het thema en de stijl van het
heldendicht. Deze tekst is de Bhagavad-Gita. Het hoeft ons
niet te verbazen dat een strijder (in dit geval Arjun) worstelt met
begrippen als dood, waarheid en plicht als hij de oorlog ingaat: in
de moderne literatuur worden veel gevallen geschetst van soldaten die
daar een onbehaaglijk gevoel bij hebben. Maar het is verbazingwekkend
hoe krachtig de oorlog, het sterven en de plicht van een soldaat worden
verdedigd, en wel in het bijzonder door Krishna, de uitverkoren Heer
van de vredelievende volgelingen van Vishnu.
Op andere plaatsen wordt de jonge Krishna mythologisch neergezet als
een speelse boterdief, en in zijn pubertijd en als hij volwassen is
als een uitbundige feestvierder met de koeherderinnetjes – en
zijn grootste genoegen is om fluit te spelen en aan te zetten tot erotiek
en plezier. In de Bhagavad Gita vervult hij een heel andere
rol: streng en sober in zijn goddelijkheid is Krishna een oude man.
Als hij op een dag Arjun in het bos tegenkomt, zegt hij: ‘Zal
ik mijn chakra oppakken en de aarde doordrenken van het bloed van Duryodhana
en van de stralende Karna?’ Arjun antwoordt, ‘Dit is niet
het juiste moment en het is jouw zaak niet’, waarop Krishna antwoordt,
‘Denk eraan: jij bent van mij en ik ben van jou. En wie jou raakt,
raakt ook mij. Jij komt uit mij voort en ik uit jou, en er is niemand
die het verschil tussen ons kan begrijpen’ (Buck, blz. 63).
De Bhagavad-Gita komt tot ons als een onderdeel van het Mahabharata,
het epische en romantische verhaal over twee legers en de grote slag
bij Kurukshetra. Er middenin staat de Gita, maar ze voelt zich
daar niet helemaal op haar plaats. In het eerste deel van A History
of India verklaart Romila Thapar dat de heldendichten oorspronkelijk
wereldlijke literatuur waren . . . en door de brahmanen met opzet werden
herzien om ze voor religieuze doeleinden te kunnen gebruiken; aldus
werden er heel wat dingen tussengevoegd, en de beroemdste toevoeging
aan het Mahabharata is de Bhagavad Gita (blz. 133-4).
Ze noemt zelfs de opvatting dat het Mahabharata ‘wellicht
de beschrijving van een plaatselijke vete kan zijn geweest’, maar
in zijn uiteindelijke vorm ‘niet langer een verhaal over een oorlog
is, maar een aantal episoden in zich heeft opgenomen (waarvan sommige
geen verband houden met het hoofdverhaal) en een scala aan tussenvoegsels,
waarvan vele op zichzelf belangrijk zijn . . .’; en dat beide
heldendichten – het Ramayana en het Mahabharata – ‘te
maken hebben met gebeurtenissen die tussen 1000 en 700 v.Chr. hebben
plaatsgevonden; maar omdat de versies die nu nog bestaan dateren uit
de eerste helft van het eerste millennium kunnen ook deze nauwelijks
als authentieke bronnen worden beschouwd voor de studie van de periode
waarop ze betrekking hebben’ (blz. 32, 31).
Daarvoor is het nodig de historische plaatsing van de Bhagavad-Gita
in de geschiedenis van India zelf nader te onderzoeken. De situatie
van Arjun in de Bhagavad-Gita vindt zijn parallel in kwesties
waarmee één van India’s beroemdste koningen, Ashoka,
wordt geconfronteerd, die in 260 v.Chr. slag leverde tegen de Kalingans
en hen volkomen verpletterde. . . . De vernietiging die de oorlog had
teweeggebracht gaf de koning wroeging . . . [en] in een poging zoveel
mogelijk goed te maken van wat hij had gedaan, keerde hij zich tot het
boeddhistische denken . . . [wat] hem tenslotte ertoe bracht het ideaal
van geweldloosheid te onderschrijven en als gevolg daarvan oorlog als
methode tot verovering af te zweren’ (op. cit., blz. 72).
Gedeeltelijk als resultaat van Ashoka’s bekering en gedeeltelijk
omdat het boeddhisme de barrières tussen de verschillende kasten
ophief, werd dit vanaf toen voor een lange periode de belangrijkste
religie van India. Dit betekende dat de invloed van het kastenstelsel,
dat de drijvende kracht achter de maatschappelijke orde was geweest,
enigszins afnam. De machtsbasis binnen de Indiase maatschappij was afhankelijk
geweest van strikte handhaving van het kastenstelsel: brahmanen adviseerden
en trainden kshatriya’s in zowel bestuurs- als oorlogszaken. Deze
relatie wordt uitgebreid beschreven in het Mahabharata waar
de Pandava’s worden geoefend in alle aspecten van wapengebruik
door de brahmaan Kripa. Maar onder het boeddhistische stelsel was in
beginsel weinig behoefte aan brahmanen en kshatriya’s die traditionele
functies vervulden.
Het dogmatisme dat door Krishna in de hele Bhagavad-Gita wordt
verwoord en het primaire belang dat wordt gehecht aan het handhaven
van de kaste waartoe men behoort en de bijna excessieve rechtvaardiging
daarvan, kan worden gezien als een mogelijke reactie op het boeddhistische
tijdperk – het einde als het ware van een status quo. In die zin
geldt de Gita als een ernstige waarschuwing aan toekomstige
generaties voor de uiterst trieste consequenties die ieder die afwijkt
van de plichten van zijn of haar kaste, onder ogen zal moeten zien.
Als Ashoka een onbelangrijke koning zou zijn geweest, zou de omvang
van de religieuze reactie misschien ook heel gering zijn geweest; hij
was echter een groot koning. Zijn regeerperiode besloeg meer dan 30
jaar en zijn ‘zuilen’ zijn legendarisch. Een afbeelding
van de Zuil van Ashoka wordt nog steeds door de Indiase regering als
haar zegel gebruikt. Het was ondenkbaar de grote Ashoka te bekritiseren,
maar om een andere grote veldslag te gebruiken uit een verhaal dat al
heel populair was en het te bezielen met religieus onderwijs was veel
acceptabeler. De populariteit van het Mahabharata zorgde er
ook voor dat het niemand zou ontgaan wat voor een belangrijke plaats
plicht en kaste in het leven innemen.
Echter, afgezien van de sociale en politieke omstandigheden die aanleiding
gaven tot de samenstelling van de Gita, gaan de filosofische
boodschappen die erin zijn vervat over de eeuwige problemen waarmee
de mensheid wordt geconfronteerd wanneer hij in de eerste plaats de
aard van God en het eeuwige wil begrijpen, en in de tweede plaats de
verzoening van mens en God binnen het grotere plan van de dingen zoals
ze zijn – een plan dat bestaat als onderdeel van het menselijk
leven en als gevolg van het leven. Het lezen van de Gita is
een andere ervaring dan die van het lezen van de Rig Veda,
die wordt beschouwd als het oudste van alle hindoegeschriften. In de
Rig Veda wordt gesproken over schepping en twijfel:
Toen was er noch niet-bestaan,
noch bestaan; noch waren er de ruimte, noch de lucht daar voorbij.
Wat bewoog er? Waar? Door wie beschermd? Was er water, oneindig diep?
.
. .
Wie weet het werkelijk? Wie zal het hier verkondigen?
Waaruit kwam het voort? De goden kwamen later, met de schepping van
dit heelal. Wie weet dan waaruit het ontstond?
Wanneer deze schepping is ontstaan – misschien
vormde zij zichzelf, of misschien ook niet – slecht die ene
die erop neerkijkt, in de hoogste hemel, alleen hij weet het –
of misschien weet ook hij het niet. – Rigveda
10.129.1, 6-7
De Bhagavad-Gita doet een poging om daar antwoord op te geven
zoals dat door de brahmanen wordt begrepen, maar toch op een meer aards
niveau. Geloof wordt iets concreets, een noodzaak om zichzelf in het
reine te kunnen brengen met de onbestendigheden van het leven. Zij illustreert
de strijd tussen lichaam en ziel, de strijd om zich neer te kunnen leggen
bij de eigen sterfelijkheid en vergankelijkheid binnen een grotere onvergankelijkheid.
Zoals Krishna zegt tegen de wanhopige Arjun: ‘Nooit was er een
tijd dat ik, noch jij, of deze koningen niet bestonden; noch zullen
we in de toekomst ooit ophouden te bestaan’ (Bhagavad-Gita
2.12).
In de tijd van het Mahabharata zijn God en mens één
geworden, zoals Krishna zegt tegen Arjun: Jij komt uit mij voort, en
ik uit jou, en er is niemand die het verschil tussen ons kan begrijpen.
Er is echter een duidelijk verschil tussen God en mens: sterfelijkheid
en zaken zoals de macht over leven en dood worden traditioneel overgelaten
aan het oordeel van de goden. De Gita biedt tot op zekere hoogte
een blauwdruk voor onsterfelijkheid en gaat de confrontatie aan met
de enorm moeilijke vraag betreffende het nemen van leven: de mens die
zich op het terrein van God begeeft.
De Gita laat de mens zien in zijn eenzaamheid en angst, overweldigd
door de enorme uitgestrektheid van het heelal, die zich nederig voelt
in zijn eigen kleinheid daarbinnen, en die niet bereid is de sprong
van mens naar God te maken die voor het nemen van leven noodzakelijk
is. Arjun lijdt tijdens de beproeving van het proberen vast te stellen
wat juist is en wat onjuist. De Kaurava’s hebben de Pandava’s
grote schade toegebracht, dat geeft hij toe. Het koninkrijk dat hij
begeert, en waar hij recht op meent te hebben, wordt hem onthouden door
een familie die tot alles bereid is ter wille van rijkdom en macht.
Maar Arjun wil daar bovenuit stijgen:
O, heer Krishna, hoe kan ik genoegen
scheppen in het doden van de zonen van Dhritarashtra? Door deze criminelen
te doden zullen we slechts zonde bedrijven. . . .
Hoewel zij, verblind door hebzucht, geen kwaad zien
in het vernietigen van de familie, of zonde in het verraden van vrienden.
Waarom zouden wij die wel duidelijk zien dat het
vernietigen van verwanten verkeerd is, niet overwegen ons van zondig
handelen af te keren, O Krishna?
– Bhagavad-Gita 1.36, 38-9
Het begrip karma wordt diepgaand onderzocht, en ook de gedachte dat
de last van het leven bestaat uit het nemen van beslissingen die op
korte termijn misschien pijnlijk en traumatisch zijn, maar gezien op
langere termijn, vanuit het grotere plan waarin de dingen plaatsvinden,
van groter nut zijn. Waar Krishna op aandringt is grotere zelfkennis
zodat alle beslissingen die op karmisch gebied moeten worden genomen,
op basis van begrip en kennis, en niet op basis van primaire hartstochten
worden gemaakt. De Kaurava’s leefden volgens de leer van matsyanyaya,
politieke intimidatie en opportunisme ‘waarbij de grote vis de
kleine opslokt in anarchistische omstandigheden’ (Thapar, blz.
46), een manier van leven die wordt gedreven door begeerte en veroveringsdrang
gepaard gaand met weinig of geen consideratie voor sociale rechtvaardigheid
of orde. Arjun leeft op een hoger niveau en geniet daarom een nauwe
persoonlijke relatie met God, maar hij is nog steeds een mens en moet
de menselijke beperkingen accepteren. Hij klaagt:
Met de vernietiging van de familie
worden de eeuwige familietradities vernietigd, en het vernietigen
van familietradities heeft immoreel gedrag tot gevolg.
En als immoreel gedrag eenmaal de overhand heeft,
O Krishna, gaan de vrouwen van de familie zich immoreel gedragen;
als de vrouwen zich immoreel gedragen, ontstaan er sociale problemen.
.
.
.
Er is ons verteld, O Krishna, dat mensen van wie
de familietradities worden vernietigd noodzakelijkerwijs lange tijd
in de hel zullen verblijven.
– Bhagavad-Gita
1.40-1, 44
Krishna antwoordt: ‘je zult naar de hemel gaan als je wordt gedood,
of je zult van het aardse bestaan kunnen genieten als je overwint. Sta
daarom op met het vaste besluit om de strijd aan te gaan, O, Arjuna’
(2.37).
 |
Krishna
(schilderij door Jaromír Skrivánek) |
Na een lange periode van innerlijke marteling, komt Arjun met zichzelf
in het reine en heeft hoop: dit is zijn karma, maar op een dag zal hij
ervan worden verlost; dit lijden zal voorbijgaan. Maar terwijl hij nog
op aarde leeft, moet hij rechtop lopen, sterk, en terwijl hij het onderscheid
ziet tussen wat juist is en wat onjuist, dient hij onverschrokken dat
te verdedigen waarvan hij weet dat het juist is. Als hij twijfelt dient
hij zich Krishna’s woorden weer te binnen te brengen: ‘Jij
bent van mij en ik ben van jou. En wie jou raakt, raakt ook mij. Jij
komt uit mij voort en ik uit jou, en er is niemand die het verschil
tussen ons kan begrijpen.’
De Bhagavad Gita vormt vooral een aspect van een levende cultuur.
Ik ben opgegroeid met het Ramayana en het Mahabharata.
Hoewel mijn ouders niet aantoonbaar religieus waren ingesteld, deelden
ze dat specifieke aspect van India met mij, en ik hield van verhalen,
en vooral veel van deze twee. Hoewel er stukken waren waar ik verdrietig
van werd en andere me voor een raadsel stelden, las ik steeds meer erin,
eerst in stripversies, toen eenvoudige teksten, en tenslotte (omdat
ik geen Sanskriet kan lezen) de meer ingewikkelde versies in het Bengali.
De hindoeteksten zijn op schaamteloze wijze gepopulariseerd en hun iconen
worden gebruikt voor alle aspecten van het Indiase leven, of het nu
gaat om reclame of politiek, godsdienstige eredienst of filosofische
discussies, zowel ten goede als ten kwade. In dat opzicht is het onmogelijk
religie en politiek van elkaar te scheiden, in het bijzonder in het
hindoeïsme. De hindoe-teksten zijn zo verweven geraakt met sociale
en politieke zaken aan de ene kant, en met overstijgend mysticisme aan
de andere, dat het erg moeilijk is ze los ervan te zien, en daarmee
ook om ze uit elkaar te houden.
De Bhagavad-Gita kan ongetwijfeld als een op zichzelf staand werk worden
gelezen, maar als men haar in haar bredere context wil begrijpen moet
ze samen met andere hindoeteksten worden gelezen en binnen het kader
van de geschiedenis van India worden beschouwd. In de inleiding van
haar boek Hindu Myths schrijft Wendy Doniger O’Flaherty
dat ‘iedere mythe het geloof bejubelt dat het universum grenzeloos
gevarieerd is, dat alles tegelijkertijd gebeurt, en dat alle mogelijkheden
kunnen bestaan zonder elkaar uit te sluiten’ (blz. 11). Dit lijkt
de natuurlijke benaderingswijze van het hindoeïsme, de complexe,
en uiterst paradoxale manier om het heelal te begrijpen, terwijl het
existentialisme en het determinisme naast elkaar werken.
Vandaag de dag is de Gita in India verbannen tot de positie
van vrijetijdsbesteding voor gepensioneerde bejaarden, en heeft haar
rechtmatige plaats binnen de Indiase maatschappij enigszins verloren.
De strategische plaatsing ervan binnen het Mahabharata was
bedoeld om een bepaalde boodschap over te dragen. Krishna’s leringen
werden niet aan Arjun geopenbaard toen deze een oude man was, en de
boodschap van de tekst is niet bedoeld als bespiegeling voor de levensavond,
maar eerder als een hulpmiddel om zich een weg te banen door de problemen
van het leven als men nog jong en vitaal is – wanneer het verrichten
van handelingen de grootste invloed kan hebben. De wijsheid van
de Gita is dat zij begrijpt dat een mens een mens is – en
dat deze in die rol onvolmaakt is. Maar de Gita begrijpt ook
dat de mens soms de hand van God nodig heeft om boven het hier en nu
uit te stijgen, om zó in staat te zijn het bredere perspectief
(ik aarzel om het woord ‘plan’ te gebruiken) te zien; de
mens heeft de hand van God nodig om verder te kijken dan zichzelf –
want ons eigen leven is zo kort en onze kennis zo onvolmaakt. Dat is
het verzoeningsaspect van de Gita: wij als individuen moeten
doen wat we moeten doen, want we zijn mensen en aldus geneigd om te
handelen; bovendien moeten alle individuen doen wat ze moeten doen (om
zich op die manier van hun eigen individuele niveau op het karmische
wiel te verzekeren). Maar we zouden ernaar moeten streven die dingen
niet op grond van blind vertrouwen (Krishna geeft antwoorden en laat
Arjun niet in de steek) te doen, en ook niet op grond van verkeerde
voorstellingen, maar op grond van kennis, en in de overtuiging dat als
de mens kennis verlangt, God hem zal antwoorden.
Bibliografie:
- Buck, William, Mahabharata, Meridian,
New York, 1973.
- O’Flaherty, Wendy Doniger, Hindu
Myths, Penguin Books, Londen, 1975.
- –––––, The
Rig Veda: An Anthology, Penguin Books, Londen, 1981.
- Prasad, Ramanand, The Bhagavad Gita,
1988, http://eawc.evansville.edu/anthology/gita.htm.
- Thapar, Romila, A History of India,
Vol. 1, Penguin Books, Londen, 1966.
|