Etruskische en Pelasgische monumenten in Italië
Coen Vonk

 

   Er ‘zijn geen sporen van oude beschavingen’, wordt ons gezegd! Wat moeten we dan denken van de Pelasgen – die volgens Herodotus de directe voorouders van de Hellenen waren? En wat te denken van de Etrusken – voor de geschiedkundige een mysterieus en wonderbaarlijk volk, waarvan de oorsprong één van de meest onoplosbare problemen is? Wat we van ze weten toont slechts aan dat als we iets meer zouden weten er een hele reeks van prehistorische beschavingen zou kunnen worden ontdekt.
           – H.P. Blavatsky Collected Writings 5:166-7

De oude Etrusken uit midden Italië hebben een indrukwekkende erfenis van uitgehouwen grotten, grafheuvels, steden, wegen, uitgehouwen theaters, tunnels en tempels nagelaten. Ze leefden in Etrurië, een gebied dat in het noorden door de rivier de Arno wordt begrensd, door de Tiber in het zuiden en het oosten, en de Tyrrheense Zee in het westen. Vooral de provincies Lazio en Umbrië zijn bezaaid met archeologische vindplaatsen. Alle monumenten worden toegeschreven aan de Etrusken, maar dit is niet noodzakelijk het geval, omdat de variatie van stijlen en vormen de indruk wekt dat er verschillende oude culturen en invloeden aan het werk zijn geweest.

De Etrusken stonden bij de Ouden bekend als een heel religieus volk, en zelfs de Romeinen raadpleegden ze voor belangrijke zaken. Helaas is geen van hun religieuze geschriften bewaard gebleven, en moeten we gebruikmaken van bronnen uit de tweede hand. Ze hadden een geopenbaarde religie, evenals het christen- en jodendom. Volgens Cicero (De Divinatione [De voorspellingskunst] 2.50) rees er op een dag in een veld vlakbij de rivier Marta in Terurië uit een vers geploegd spoor een goddelijk wezen op in de gedaante van een kind, maar met de wijsheid van een oude man. De ploeger slaakte een kreet van verbazing waarop de priesterkoningen zich naar de plek haastten. Het wijze kind, Tages, zong aan hen de heilige leer, die ze eerbiedig opschreven zodat dit onschatbare bezit aan hun opvolgers kon worden doorgegeven. Direct na de openbaring viel het wonderlijke wezen dood neer en verdween in het omgeploegde veld. Men geloofde dat hij de zoon van Genius was en de kleinzoon van de hoogste God, Tinia (de Romeinen noemden hem Jupiter). Deze leer, die bij de Romeinen bekendstond als de disciplina etrusca en die was opgetekend in de Libri Tagetici, werd door hen verdeeld in verschillende groepen; boeken die de kunst van het inspecteren van de ingewanden van offerdieren bespraken voor orakeldoeleinden, en het interpreteren van bliksem,

en de boeken over rituelen (libri rituales), een grote verzameling voorschriften voor ceremoniën, het oprichten van heiligdommen en steden, de verdeling van land en bezittingen, en een systeem om burgerlijke en militaire zaken te regelen, en tevens speciale teksten over de verdeling van tijd en de tijdsperiode toegewezen aan de duur van het leven van een individu en aan landen; het leven-na-de-dood en de rituelen om verlossing te verwerven in het nieuwe leven-na-de-dood werden behandeld in de boeken van de onderwereld (libri acherontici), terwijl de interpretatie van tekens en wonderlijke gebeurtenissen onder de profetieën (ostentaria) vielen.
        – Sybille Haynes, Etruscan Civilization – A Cultural History, blz. 270-1

Blavatsky beweert (Collected Writings 5:222) dat Tages en veel andere Etruskische goden – zoals de Consentes, Complices, en Novensiles – en ook hun geopenbaarde disciplina, overblijfselen van de oude Atlantiërs waren, een wereldwijde beschaving of mensheid die een periode van miljoenen jaren besloeg.

Volgens de meeste taalkundigen vertoont de Etruskische taal geen directe banden met Indo-europese talen. Archaïsch Etruskisch wordt van rechts naar links gelezen en de woorden worden, zoals bij veel oude schriften, niet gescheiden. Etruskisch geschreven in een primitief Grieks alfabet kan men al enige tijd lezen, maar het vertalen daarvan is een grotere uitdaging. De meeste van de meer dan 13.000 inscripties die tot nog toe zijn ontdekt, zijn korte grafteksten, en slechts een paar zijn fragmenten van rituele teksten. Het is interessant dat de specifieke symbolen zoals     , wijzen op een zeer oude oorsprong van het schrift. Ze komen ook voor in andere oude niet-Indo-europese schriften zoals het oude Canarisch, Berbers, Iberisch en Pelasgisch. Pelasgisch was volgens Blavatsky de taal die aan het Vedische Sanskriet voorafging (BCW 5:301). Maar volgens taalkundigen vertonen alleen de gevonden inscripties op het Griekse eiland Lemnos overeenkomsten met het Etruskisch, en ze denken dat de taal uniek is.

Zonder Etruskische geschriften om hun geschiedenis te documenteren, plaatsen Etruskologen dit volk in de periode rond 700 v.Chr., toen de oudste Etruskische inscripties op aardewerk verschenen, hoewel ze geloven dat hun historische genesis misschien zo vroeg als de late bronstijd is begonnen, tijdens het tweede millennium v.Chr.1 Hun betwistte oorsprong kan ruwweg in vier theorieën worden verdeeld met vele variaties in hun specifieke bijzonderheden. De eerste, gebaseerd op de geschriften van Herodotus (Histories 1.94), stelt dat de Etrusken Lydiërs waren die emigreerden uit wat nu Turkije is. Hij vermeldt dat dit plaatsvond ‘in de dagen van Atys de zoon van Manes’, en verwijst daarmee naar een periode die veel verder teruggaat dan huidige aanhangers van deze theorie geneigd zijn aan te nemen. De tweede theorie, gebaseerd op de geschriften van Dionysius van Halicarnassus (1.30.2) uit het einde van de 1ste eeuw v.Chr., stelt dat de Etrusken autochtoon waren en altijd in Italië hadden geleefd. Maar toen Dionysius schreef dat de Etrusken van zeer oude afkomst waren, dacht hij waarschijnlijk niet aan een periode zo recent als het tweede millennium v.Chr. De derde theorie, gedeeltelijk gebaseerd op de Romeinse geschiedschrijver Livius, is van mening dat de Etrusken immigranten waren die uit het noorden over de Appenijnen waren gekomen. Een vierde theorie, die tegenwoordig niet in de mode is, zag de Etrusken als Pelasgen, de afstammelingen van een volk waarvan de Grieken geloofden dat zij het land Hellas hadden bewoond voordat zij daar kwamen (een theorie die wordt genoemd door Dionysius van Halicarnassus, 1.28). Massimo Pallottino redeneert in The Etruscans (1975) dat deze theorieën allemaal enige waarheid bevatten: de Etrusken ‘vormden een samenstelling van oosterse, Europese en autochtone elementen die moeten worden geïsoleerd, gewogen, en met elkaar vergeleken’ (2de ed., blz. 79). Maar hij laat ons verder onkundig over hoe dit kan worden gedaan, en volgt bovendien niet zijn eigen advies op.

De negentiende-eeuwse onderzoeker George Dennis geeft volgens mij een helderder verklaring van de oorsprong van de Etruskische en pre-Etruskische beschavingen in Etrurië in zijn klassieke werk uit 1848, The Cities and Cemeteries of Etruria:

het volk dat bij de Romeinen bekendstond als de Etrusken was niet autochtoon, maar een gemengd ras, dat gedeeltelijk uit de vroegere bewoners bestond, en gedeeltelijk uit mensen van buitenlandse afkomst die, omdat ze het land hadden veroverd, daar heersten en het stempel van hun specifieke beschaving drukten op de beschaving die daarvóór in het land bestond. Alle geschiedschrijvingen verklaren eenstemmig dat de eerste bewoners Siculi, of Umbri, waren, twee van de oudste volkeren van Italië, die waarschijnlijk vrij barbaars waren, hoewel ze geen nomaden waren, maar in steden woonden. Toen kwam een volk van Griekse afkomst uit Thessalië, de Pelasgen, Italië binnen via de baai van de Adriatische Zee, en nadat het de Appenijnen was overgestoken, en zich met de inheemse mensen, of bergbewoners, had verenigd, nam het Etrurië in, en dreef de vroegere bewoners uit het gebied, richtte steden op omringd met machtige muren, en had lange tijd de opperste macht in handen, totdat het op zijn beurt door een derde volk werd onderworpen, dat door de Grieken Tyrrheners, of Tyrseni wordt genoemd, door de Romeinen Etrusci, Tusci, of Thusci, en het noemde zichzelf Rasena; men veronderstelt dat het rond 290 jaar vóór de oprichting van Rome, of in 1044 v.Chr., aan de macht kwam.
   De draden van de geschiedenis van deze volkeren zijn echter zo verstrengeld dat ze elke poging tot ontwarring trotseren; en de verwarring neemt toe door de willekeurige toepassing van het woord Tyrrheners, dat door de Ouden soms als synoniem voor de Pelasgen werd gebruikt en soms voor de Etrusken.    – 1:xxxiv, 1883 editie2

Theosofen hebben geschreven dat vroege beschavingen langs het Middellandse-Zeegebied waren ontstaan uit verschillende golven van Atlantische emigranten uit de overgebleven eilanden in de Atlantische Oceaan en uit Indo-europese volkeren uit Centraal-Azië en India. G. de Purucker schrijft dat de Griekse en Italiaanse volkeren ‘enkele van de latere emigranten uit Centraal-Azië waren’ die

zich vestigden in het gebied dat we nu Griekenland noemen: eerst op Kreta, en ook op het Griekse vasteland. Op een later tijdstip vestigde de opkomende golf zich in Italië. Dat werden de Etruriërs en de eerste Romeinen, Sabijnen, Samnieten, Osken, enz. Maar dit alles verliep natuurlijk niet zonder strijd.
      – Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 23

En Blavatsky schrijft dat veel van de neolitische grotten en menhirs in Noord-Europa, en zelfs ‘de reuzengraven’ van Sardinië’,

het werk zijn van de eerste kolonisten op het pasgeboren continent en de eilanden van Europa, de – ‘enkele gele, enkele bruine en zwarte en enkele rode’ – rassen die overbleven na het verzinken van de laatste Atlantische continenten en eilanden (850.000 jaar geleden), met uitzondering van het Atlantische eiland van Plato en vóór de komst van de grote Indo-europese rassen; terwijl andere werden gebouwd door de eerste immigranten uit het oosten.     – De Geheime Leer 2:397

Plato vertelt dat er ‘op het eiland Atlantis een groot en prachtig koninkrijk was, dat over het hele eiland heerste en ook over verschillende andere, en tevens over delen van het vasteland; en daarnaast onderwierpen zij, binnen de Zuilen van Hercules, delen van Libië tot en met Egypte, en in Europa tot en met Tyrrhenië (Timaeus §25ab), zoals de Grieken Etrurië noemden. Dit verwijst naar een periode van minstens 11.000 jaar geleden. Hij schrijft ook dat ‘Er een tijd was waarin een horde uit de Atlantische Oceaan kwam die zich probeerde te vestigen in de landen die nu Griekenland en Italië zijn. Jullie Grieken . . . zijn uw roemrijke verleden vergeten toen uw voorouders zich verzamelden, de indringers terugdreven en de beschaving die u had, intact hielden’, en hij vermeldt dat deze informatie aan Egyptische priesters is ontleend.

Voor de huidige Etruskologen is het verhaal van Plato niet meer dan een mythe, en het verslag van Blavatsky over emigranten in een periode van 850.000 jaar geleden zou hun toeschijnen als pure fantasie. Tegenwoordig verkiezen velen de theorie dat alle monumenten in Etrurië zijn gebouwd door een autochtone Etruskische beschaving die zich ergens omstreeks het laatste deel van het tweede millennium v.Chr. zou hebben ontwikkeld uit de huttenbouwers die leefden in de ijzertijd. De heersende theorie van archeologen en evolutionisten ondersteunt een algemene lineaire ontwikkeling van beschavingen, maar laat de mogelijkheid buiten beschouwing dat de hutwoningen tegelijkertijd met de Etruskische monumenten bestonden en dat sommige van de zogenaamde Etruskische nederzettingen veel ouder zijn dan men tegenwoordig gelooft.

Cerveteri of Caere, Banditaccia Necropolis.     Méér foto's van Cerveteri


De datering van veel zogenaamde Etruskische sites en monumenten is twijfelachtig omdat van veel heilige plaatsen over de hele wereld bekend is dat ze zijn gebruikt en hergebruikt – opgebouwd, afgebroken, en weer opgebouwd. Enkele zijn in eerste instantie misschien gebruikt voor het vieren van de mysteriën of als grotten voor retraite en zijn misschien later ontheiligd door ze als graven te gebruiken. De skeletten en as-urnen die in enkele graven in Cerveteri of Caere zijn gevonden worden als voldoende bewijs gezien om aan te nemen dat al deze monumenten graven waren. Tegenwoordig worden veel grotten, bijvoorbeeld in Blera, door de lokale bevolking gebruikt als schuren om voedsel in op te slaan of vee onder te brengen, en enkele worden als garages gebruikt, en men kan zich afvragen wat toekomstige archeologen hieruit zullen concluderen! Haynes schrijft over de graven van Populonia dat ze ‘vele generaties lang in gebruik waren, en dat veel kamers al in de oudheid van hun grafvoorwerpen waren beroofd’ (blz. 101). Kunnen we er dan zeker van zijn dat wat we vinden en dateren in de Etruskische ‘graven’ aan de oorspronkelijke bouwers hebben toebehoord? En zelfs als we de overblijfselen van enkele van de oorspronkelijke bouwers hebben gevonden, hoe worden de gegevens dan geïnterpreteerd? Barker en Rasmussen geven eerlijk toe dat ‘archeologische gegevens even onduidelijk en vatbaar voor alternatieve interpretaties zijn als documentaire gegevens’.3

Blera, 'necropolis'
 
Amelia, centrum, cyclopische muren.

Veel van de huidige steden in Etrurië zijn gebouwd op Etruskische of pre-Etruskische plaatsen. Enkele van de oude cyclopische muren, zoals die van Amelia, vindt men in het centrum van de stad, en direct onder het huidige Blera liggen veel Etruskische en pre-Etruskische grotten. Het is duidelijk dat er onder de huidige Etruskische steden die zijn gebouwd op de funderingen van oudere beschavingen veel meer verborgen ligt.

   Zoals er andere Trojes onder de oppervlakte van de bovenste in Troas liggen; . . . zo zullen de bewijzen worden gevonden voor de cyclische wet van beschaving, wanneer de woedeaanval van vitterige onverdraagzaamheid is weggeëbd, en westerlingen bereid zijn om geschiedenis te schrijven in het belang van de waarheid alleen. Het huidige Florence verheft haar prachtige vorm bovenop het graf van Etruskisch Florentia, dat op haar beurt verrees op de verborgen sporen van voorafgaande steden. En zo zijn ook Arezzo, Perugia, Lucca en veel andere Europese plaatsen met daarop de tegenwoordige dorpen en steden, gebouwd op de overblijfselen van archaïsche beschavingen die een lange periode beslaan, en zelfs Echo is vergeten hun namen door de ‘galerijen van de tijd’ te fluisteren.
         – H.P. Blavatsky Collected Writings 5:168-9

Hoewel wetenschappers tegenwoordig verklaren dat overtuigend is aangetoond dat Cosa met zijn muren van grote polygonale stenen die zonder cement precies in elkaar passen, niet Etruskisch is, maar door de Romeinen is gemaakt in de derde eeuw v.Chr., geeft George Dennis sterke argumenten die dit tegenspreken. Hij wijst op de oude stijl van bouwen en op de neiging van de Romeinen om plaatselijk de stijl van de overwonnen volkeren te imiteren. Hij schrijft de muren van polygonale stenen toe

aan niemand anders dan de Pelasgen. . . . de wijdverspreide overblijfselen van dit soort bouwkunst in landen van de oude wereld, de even grote verspreiding van de Pelasgen, en de opmerkelijke overeenstemming tussen de landen die ze bezetten of bewoonden en de landen waarin ze het meest voorkomen – om nog maar niets te zeggen over de onmogelijkheid ze zonder enige twijfel aan een ander volk uit de geschiedenis toe te schrijven – zijn voor mij voldoende bewijs voor de Pelasgische oorsprong van de polygonale bouwkunst. . . .
   Met betrekking tot Cosa is er geen enkele reden om zijn muren als een Romeinse constructie te beschouwen. Er is niets dat erop duidt dat ze recenter zijn gebouwd dan alle andere vestingmuren in Italië die een soortgelijke constructie hebben. – 2:255-60

Cosa, cyclopische muur, zonder cement gebouwd met sluitende polygonale stenen.
 
 
Cosa, andere muur van polygonale stenen.


De Romeinse gebouwen in Cosa vertonen een heel andere bouwstijl. Ze zijn namelijk gebouwd met kleine stenen waarbij wordt gebruikgemaakt van cement. De Etrusken gebruikten weer een andere stijl van muren bouwen die bekendstaat als ‘kopstenen en dwarsstenen’ of emplecton, waarbij de blokken zo zijn geplaatst dat ze om en om hun uiteinden en zijkanten laten zien. Muren met grote polygonale stenen zonder cement vindt men op veel plaatsen in Italië, en bovenop veel van deze oude muren treffen we Romeinse bouwwerken aan die zijn gemaakt van bakstenen met cement ertussen. Cyclopische muren vindt men ook in Griekenland, vooral op de Peloponnesus, in Peru, en zelfs in Gympie, Australië. Verder onderzoek zou heel goed kunnen aantonen dat deze manier van bouwen universeel was en dat het evenals de piramiden een oude bouwkunst is die een Atlantische erfenis is. We kunnen nauwelijks beweren dat de Romeinen deze oude muren over de hele wereld hebben gebouwd, hoewel sommige archeologen hebben verklaard dat de muren van Gympie door vroege Italiaanse emigranten zijn gebouwd!4

Sommige Etruskologen hebben opgemerkt dat deze muren en ook enkele grottempels een soortgelijke bouwstijl hebben als monumenten die in Griekenland zijn gevonden, maar ze verklaren eenvoudig dat ze geen gemeenschappelijke oorsprong kunnen hebben omdat dit zou betekenen dat de monumenten veel ouder zijn dan tegenwoordig wordt aangenomen! Maar kritisch onderzoek heeft niets te maken met wat men niet wil geloven, en veel van de Etruskische plaatsen hebben waarschijnlijk een Pelasgische oorsprong gehad. Op basis van oude schrijvers en de ruïnes beweert Dennis dat dit het geval is met Cerveteri of Caere:

Hoe ver de tijd van de Etrusken ook teruggaat, deze stad beroept zich op een nog veel hogere ouderdom. Ze werd oorspronkelijk Agylla genoemd en wordt door Dionysius gerangschikt onder de oudste steden van midden Italië, die of door de Pelasgen samen met de oorspronkelijke bewoners werd gebouwd, of door hen waren veroverd op de Siculi, de vroegste eigenaren van het land, lang voor de oprichting van de Etruskische staat (Dion. Hal. I. blz. 16; vgl. III. blz. 193). Er kan geen twijfel bestaan over het feit dat ze ten minste Pelasgisch was en van hoge ouderdom; hoewel we misschien niet bereid zijn die bezetting van Italië met zekerheid toe te schrijven aan de derde generatie vóór de Trojaanse oorlog.
   – 1:230

Verdere aanwijzingen voor een Pelasgische oorsprong van enkele van de monumenten in Cerveteri vindt men in het feit dat een Pelasgisch of archaïsch Grieks alfabet in de Grotta Regulini-Galassi is gevonden.

Hedendaagse Etruskologen redeneren in het algemeen dat de oude stad en de necropolis, bekend onder de naam Castel D’Asso, niet ouder zijn dan de 3de eeuw v.Chr. en dat deze door de Etrusken waren gebouwd. De stijl van deze uit de rotsen gehakte ‘graf’tempels met bewerkte gevels wekt echter een heel andere indruk, en we zijn geneigd in te stemmen met Dennis dat

De algemene stijl van deze monumenten – hun eenvoud en massieve grootsheid, en sterke Egyptische kenmerken – een bewijs zijn voor hun hoge ouderdom; en dit wordt bevestigd door de opmerkelijke effenheid van de sarcofagen, en door het archaïsche karakter van de rest van hun inrichting, voorzover het mogelijk is dit te beoordelen.
      – 1:183-4

Castel D'Asso, 'necropolis'

De sterke Egyptische kenmerken zijn vooral duidelijk in de uitgehouwen reliëfs of zogenaamde schijndeuren die de vorm hebben van een Egyptische tau. De omlijstende randen die uit de rots zijn gehouwen geven deze monumenten de aanblik van tempels die anders zijn dan de monumenten van de meeste andere zogenaamde Etruskische sites, behalve Norchia en Sovana, en ook de binnenkant lijkt niet op die van andere Etruskische monumenten want sommige grote ‘hallen’ bevatten rijen met sarcofagen – die soms echter over de hele ruimte verspreid liggen – terwijl bepaalde kenmerken zoals uitgehouwen balken en daksparren aan de plafonds en uitgehouwen banken ontbreken.

Het beroemde Cerveteri dat tegenwoordig kan worden bezocht, wekt beslist de indruk dat er meer dan één beschaving op deze site heeft gebouwd. Er kunnen duidelijk verschillende stijlen worden waargenomen. Etruskologen zijn van mening dat dit komt door de ontwikkeling van de Etruskische stijl voor het bouwen van graven, maar het zou evengoed zo kunnen zijn dat meerdere beschavingen hier hebben gebouwd. Oosterse, Griekse, en Egyptische invloeden zijn zichtbaar zowel in de bouwstijlen als in de inhoud van de monumenten, en de muren in Amelia, Saturnia en Cosa die gemaakt zijn van grote polygonale blokken duiden waarschijnlijk op de Pelasgen.

Blijkbaar hebben er in het oude Etrurië vele beschavingen bestaan, en was het in verschillende perioden een smeltpot van verschillende culturen en etnische groepen, waardoor het bijzonder moeilijk is om de geschiedenis van de oude Italiaanse beschavingen te ontrafelen. We zouden voorzichtig moeten zijn om deze geschiedenis niet al te eenvoudig voor te stellen en alles zonder onderscheid Etruskisch te noemen. Eén lijn zou in ieder geval moeten worden getrokken: de cyclopische muren, of muren gebouwd met polygonale stenen, die men wereldwijd in veel landen aantreft, schijnen tot specifieke beschavingen te behoren die een gemeenschappelijke oorsprong hadden in een veel vroegere wereldbeschaving. Het is nog veel te vroeg om vaststaande conclusies te trekken op basis van het gebrekkige materiaal dat we nu hebben of om een definitieve geschiedenis te schrijven over de volkeren die de monumenten in Etrurië hebben gebouwd. Niettemin worden tegenwoordig in boeken theorieën als waarheden gepresenteerd en laat men na het bewijsmateriaal te noemen waarop ze zijn gebaseerd. Veel meer ‘vrij en onbevangen onderzoek’ moet worden verricht door onderzoekers die zich niet vastpinnen op theorieën uit studieboeken en die de moed hebben om zelf na te denken bij het ontrafelen van de oude wortels van de Europese beschaving.


Noten

  1. Vgl. Haynes, blz. 1, 4.
  2. Volledige tekst is te vinden op: http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Gazetteer/Places/Europe/Italy/
    _Periods/Roman/Archaic/Etruscan/_Texts/DENETR*/home.html
    .
  3. Graeme Barker en Tom Rasmussen, The Etruscans, 2000, blz. 44.
  4. Vgl. Ancient Structures, Remarkable Pyramids, Forts, Towers, Stone Chambers, Cities, Complexes, A Catalog of Archeological Anomalies, samengesteld door William R. Corliss, 2001, blz. 149-50.


Internetsite met veel informatie over de Etrusken:

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency