Mysteries van het oude Griekenland: Tholoi en grafcirkels
Coen Vonk

English

Greek

 

In 1870 verbaasde Heinrich Schliemann de wereld met zijn ontdekking van het oude Troje, en later met zijn opgravingen van Mycenae (1876), Tiryns (1884), en andere oude steden, waaruit bleek dat Homerus’ Ilias en Odyssee op historische gebeurtenissen uit een lang vervlogen tijd waren gebaseerd. Dit opende nieuwe perspectieven op beschavingen die in de Heroïsche Tijd bloeiden, lang vóór het Parthenon op de Akropolis van Athene werd gebouwd. Zijn ontdekkingen riepen veel vragen op: Wanneer waren de oude paleizen gebouwd, en door wie? Welke functie hadden de verschillende monumenten? Waar kwamen deze oude ‘Grieken’ vandaan? Wat waren hun geloofsopvattingen? Deze vragen vormden een grote uitdaging en zijn tot op de dag van vandaag grotendeels onopgelost.

Tegenwoordig is de gangbare opvatting dat de grote paleizen, huizen, vestingmuren, schachtgraven, grafcirkels en koepelgraven in Mycenae, Tiryns, Argos, Korinthe, en veel andere oude steden, voornamelijk maar niet uitsluitend op de Peloponnesos, zijn gebouwd door de Achaiërs, ook wel Myceners genoemd. Vóór de 20ste eeuw werden deze volkeren vaak Pelasgen genoemd. Men denkt dat de Myceners een groep Indo-Europees sprekende volkeren van Centraal-Azië was die Griekenland is binnengevallen waarbij ze over de Anatolische hoogvlakte trokken en/of via het noorden door het Donau-gebied. Archeologen zijn het oneens over de route die ze hebben genomen en zijn er niet zeker van wáár in Centraal-Azië hun oorsprong ligt.

Wetenschappers dateren veel archeologische overblijfselen die in Mycenae, Tiryns en elders zijn opgegraven tussen ongeveer 1600-1100 v.Chr., de periode die aan de Myceners wordt toegeschreven. Maar het bewijs waarop deze tijdsperiode is gebaseerd is onzeker. We hebben geen geschreven verslagen van een specifieke chronologie, of lijsten van koningen of dynastieën met hun regeringsperioden waaruit we een dateringsstelsel kunnen afleiden. Radiokoolstofdatering is een techniek die archeologen helpt om vondsten te dateren die minder dan 40.000 jaar oud zijn, maar de moeilijkheid met deze techniek is het vinden van geschikte monsters en de nauwkeurigheid van de methode zelf, die een marginale afwijking heeft van ± 40-150 jaar. Een ander probleem is dat de aanmaak en het verval van C14 varieert, en wetenschappers proberen dit tegenwoordig te compenseren door andere technieken te gebruiken, zoals jaarringenonderzoek bij bomen, om C14-dateringen bij te stellen. Archeologen hebben geprobeerd deze dateringproblemen op te lossen door bepaalde Myceense aardewerkvondsten te vergelijken met en te relateren aan soortgelijke aardewerkvondsten of afbeeldingen op grafschilderingen in Egypte of Mesopotamië, die volgens archeologen nauwkeurig kunnen worden gedateerd. Maar de voorbeelden waarop ze hun conclusies baseren zijn heel schaars en tonen alleen aan dat een bepaalde soort aardewerk in een bepaalde periode in gebruik was, en ze gaan voorbij aan het feit dat het misschien al lang vóór die tijd bestond. Deze opmerkingen geven aan dat we niet zonder meer zouden moeten aannemen dat archeologische dateringen op onbetwistbare feiten zijn gebaseerd.

De datering van veel archeologische vindplaatsen is door nieuwe vondsten steeds verder terug in de tijd geplaatst. Volgens Schliemann, bijvoorbeeld, werd Tiryns in 1400 v.Chr. gesticht, maar archeologen denken nu dat de eerste mensen die op de heuvel van Tiryns woonden tot het Neolithicum (7de-4de millennia v.Chr.) behoorden en dat er in de vroege Bronstijd (3de millennium v.Chr.) op deze plek intensief werd gebouwd.1 Het gestaag voortgaande opgravingswerk laat duidelijk zien dat de plek steeds opnieuw is bewoond en dat er verschillende (her)bouwfasen zijn. Slechts enkele aardewerkvondsten worden aan het Neolithicum toegeschreven. De eerste bouwkundige overblijfselen dateren volgens archeologen uit de Bronstijd. In het begin van de 20ste eeuw werden op de heuveltop onder het latere Myceense paleis de overblijfselen van een uniek cirkelvormig gebouw (met een diameter van 27,7 tot 27,9 meter, gemaakt van bakstenen) gevonden. Het omvat een cirkelvormige ruimte, 12,2 meter in doorsnede, en is omgeven door verschillende concentrische muren die worden doorkruist door andere muren die vanuit het centrum zijn gebouwd. Er zijn verschillende theorieën over de functie van dit bouwwerk dat wordt gerekend tot de Vroeg-Helladische periode (omstreeks 2400-2300 v.Chr.). Sommigen denken dat het een ommuurd paleis was, anderen dat het een grafkamer of een heiligdom was. Eén ding is zeker: het toont aan dat het ‘begin’ van de reeks oude beschavingen in Griekenland veel ouder is dan aanvankelijk werd gedacht, en de Myceners vormen slechts één schakel in deze reeks.

 

Tholoi of koepelgraven

De tholoi, of kamers die zijn gebouwd in de vorm van een bijenkorf, behoren tot de meest mysterieuze monumenten die in Griekenland zijn gevonden. In het oude Mycenae zijn er negen ontdekt. Eén van deze, het zogenaamde Schathuis van Atreus, is bijzonder indrukwekkend en ligt verzonken in een bergkam. De deuropening van de kamer bereikt men via een 40 meter lange toegangsweg die in de bergwand is uitgehakt en die aan beide zijden is voorzien van muren gebouwd met conglomeraatstenen2. Er is geen gebruikgemaakt van cement, de blokken sluiten nauwkeurig op elkaar aan, en sommige hebben enorme afmetingen – één ervan is 6 meter lang en 1,2 meter hoog. De deuropening is 5,4 meter hoog en de bovenkant van de deuropening is afgedekt met een enorme platte rechthoekige steen die naar schatting 120 ton weegt. Daarboven is een open driehoek die volgens de gangbare archeologische opvattingen was bedoeld om de druk van de koepel op de deurposten te verlichten. Vervolgens gaat men de grote kamer binnen, een gewelfde koepel van 13,5 meter hoog en 14,6 meter in doorsnede, die is gemaakt met conglomeraatstenen in een ruimte die uit de rotsen is gehouwen. De blokken zijn netjes geëffend aan de binnenkant van de koepel; aan de buitenkant van de koepel zijn ze oneffen en overdekt met steenladingen. De uitgehouwen rots vormt de vloer van de kamer. Een kleine deur leidt naar een kleine zijkamer die ook is voorzien van een open driehoek boven haar deuropening. Hier dient de driehoek beslist niet om de druk op de deurposten te verlichten, en dit is duidelijk niet de functie van zulke driehoeken in het algemeen. In oude tradities duiden omhoogwijzende driehoeken vaak op de goddelijkheid en de heilige drie-eenheid, een mogelijke aanwijzing dat het bouwwerk oorspronkelijk misschien een spirituele functie vervulde.

Schathuis van Atreus, tholos, Mycenae
Het Schathuis van Atreus, Mycenae [meer foto's]

Schliemann dacht, evenals veel anderen in zijn tijd, dat de opgegraven tholoi ooit koninklijke schathuizen waren, maar archeologen denken nu dat ze koninklijke ‘graven’ zijn. Ze schrijven de negen tholoi in Mycenae aan verschillende tijdsperioden toe tussen 1500 en 1250 v.Chr., en het Schathuis van Atreus wordt beschouwd als de laatste en het hoogtepunt. Volgens sommige archeologen is dit misschien het graf van Atreus of van Agamemnon geweest die leefden rondom 1250 v.Chr., de datum die wordt toegeschreven aan het Troje van Homerus.3 De datering van het gebouw is bijzonder twijfelachtig, vooral omdat het in de oudheid al is geplunderd, en daarom is het eveneens twijfelachtig of deze tholoi aan de Myceners moeten worden toegeschreven.

In Griekenland zijn meer dan 100 tholoi opgegraven en men vermoedt dat er nog veel meer zijn. Een verzameling van deze tholoi is gevonden in de streek Messinia in het westen van de Peloponnesos. Tholoi zijn ook gevonden op Kreta. Het Schathuis van Atreus vertoont echter het grootste vakmanschap. Veel tholoi zijn gebouwd met aanzienlijk kleinere stenen en minder vakkundig; niettemin volgen ze hetzelfde soort bouwplan en moeten de tholoi dus met elkaar verband houden. Lord William Taylour schrijft dat:

Recent onderzoek heeft aangetoond dat het graf van het tholos-type veel ouder is dan eerst werd gedacht. . . . Over de oorsprong van het tholos-graf is tot op heden geen algemene overeenstemming. Cirkelvormige graven in één of andere constructievorm treft men in bijna het hele Middellandse-Zeegebied aan en zelfs nog verder weg, maar het is niet altijd mogelijk om ze nauwkeurig te dateren.
        – The Mycenaeans, herziene en uitgebreide editie, 1983, blz. 70

Tholoi zijn gevonden in Spanje zoals La Cueva de Romeral en Los Millares (beide gemaakt met ongeëffende stenen) en in Sardinië zoals de Santa Cristina Well Temple (gemaakt van netjes geëffende stenen). Het schijnt dat de tholoi een emigratiepatroon vanuit het westen volgen in tegenstelling tot de Myceense invasie vanuit het oosten. Het is ook opmerkelijk dat de Homerische hymnen nooit naar deze indrukwekkende bouwwerken verwijzen, wat erop zou kunnen wijzen dat ze tot een volledig andere periode of beschaving behoren. Tholoi worden in het algemeen gedateerd door de grafvoorwerpen die men erin vindt, maar we kunnen er niet zeker van zijn of deze begrafenissen plaatsvonden rond de tijd dat de tholoi werden gebouwd. Volgens Wilhelm Dörpfeld is het waar

dat al deze graven, zowel groot als klein, eens werden afgesloten; alleen de vraag is wanneer dit gebeurde. Omdat de beide grote tholoi in Mycenae van rijkversierde façades waren voorzien en hun houten deuren met metalen waren bekleed, lijkt het me meer dan waarschijnlijk dat ze niet onmiddellijk werden afgesloten. . . . het is een feit dat de muren die zijn gebouwd om de twee grote tholoi af te sluiten, niet uit hetzelfde materiaal bestaan als de graven zelf.
      – Dörpfelds inleiding van The Mycenaean Age – A Study of the Monuments
      and Culture of Prehomeric Greece
, Chrestos Tsountas en J. Irving Manatt
      (1897), blz. xxvi-xxvii

Dit betekent dat de skeletten die in sommige tholoi zijn gevonden uit een latere periode kunnen dateren. Een bewijs dat de skeletten die in de tholoi zijn gevonden niet tot de periode van oorspronkelijke bouwers behoren, kunnen we vinden in de constatering dat:

Het lichaam in de regel eenvoudig op de vloer van de tholos of de kamer werd gelegd, zonder het met aarde te bedekken of het in een houten of stenen kist te plaatsen, waarvan nog geen enkel spoor is gevonden. . . . Want herhaald onderzoek toont aan dat wanneer de ruimte van de kamer of de tholos vol met lijken kwam te liggen, de vroegere overblijfselen in hopen in de hoeken werden verzameld, of in nauwe geulen werden begraven, om ruimte te maken voor de nieuwe lijken.     – Op.cit., blz. 136-7

Dit klinkt niet erg als een koninklijke begrafenis! Integendeel, dit toont aan dat de gevonden skeletten waarschijnlijk niet die van koningen waren.

Victor Reijs onderzocht in 1998, 1999, en 2004 of het Schathuis van Atreus is gericht op de equinox, en dit heeft interessante resultaten opgeleverd:

Het zonlicht kan tegenwoordig op de muur van de kamer worden waargenomen rond de tijd van de equinoxen (in de lente en herfst)!

Dit is het geval als de driehoekige vorm open is! Maar het lijkt erop dat hij eens of soms voor decoratieve doeleinden met een plakkaat kan zijn afgesloten. Bovendien worden driehoekige vormen en ruimten die licht binnenlaten al gauw opgevuld (zoals Newgrange, Crantit, en Carrowkeel), en dus is het moeilijk hierover meer te zeggen.
       – www.iol.ie/~geniet/eng/atreus.htm

Zijn onderzoek, dat nog niet is afgerond, geeft aan dat de zon ook enige dagen vóór en na de equinox en rondom het zomersolstitium in de tholos kan schijnen. Hoewel er meer onderzoek moet worden verricht, geeft zijn onderzoek sterke argumenten voor een gerichtheid op de zon, en veel oude tradities beschouwden de solstitia en equinoxen als heilige jaargetijden die het middelpunt vormden van de belangrijkste spirituele gebeurtenissen.

Het algemene beeld van de tholoi – met de indrukwekkende omhoogwijzende driehoek, de reusachtige deuren, en sommige hebben uitgehakte banken in de rotswand – versterkt de indruk dat ze als een heilige der heiligen werden gebruikt waar ceremoniën plaatsvonden, niet voor de doden maar voor de levenden, hoewel ze in een latere periode door begrafenissen werden ontheiligd. Misschien was de tholos toch een schathuis, niet een met materiële voorwerpen maar een waar spirituele schatten in het oor van de neofiet werden gefluisterd.

 

Grafcirkels

Naast de mysteries van de tholoi werpen ook de zogenaamde grafcirkels A en B in Mycenae met hun ‘schachtgraven’, die archeologen tussen 1650 en 1400 v.Chr. dateren, veel vragen op die moeilijk zijn te beantwoorden. Schachtgraven zijn kuilen die zijn uitgehouwen in de rotsbodem tot een diepte van een paar meter. De bodem van deze graven werd bedekt met kiezelstenen en daarop werd het dode lichaam gelegd. Over het lichaam werd een constructie van hout, klei, of platte rechthoekige stenen gemaakt die rustte op zijmuren, en het resterende deel van de schacht werd met aarde opgevuld. In grafcirkel A zijn zes van zulke graven gevonden. De gouden maskers, juwelen, scepters, zwaarden, en andere begrafenisvoorwerpen die Schliemann uit deze graven tevoorschijn heeft gehaald zijn talrijk en zijn voorzien van oeroude motieven.

Grafcirkel A (uit Taylour, The Mycenaeans)

Vooral de gouden maskers die de gezichten bedekten van sommige lichamen die in deze schachten zijn begraven, zijn interessant. De Griekse literatuur bijvoorbeeld ‘verstrekt ons veel informatie, vanaf de tijd van Homerus en daarna, over begrafenissen in dat land; en toch is er gedurende een periode van meer dan 1200 jaar geen enkele verwijzing naar het gebruik van dodenmaskers.’4 Men heeft gouden maskers gevonden in graven in Egypte, Italië, Oekraïne, Peru en Bulgarije, en volgens W.E. Gladstone was Mycenae het centrum van herhaaldelijke buitenlandse immigraties. Het is daarom heel moeilijk vast te stellen aan wie deze graven moeten worden toegeschreven. Ten tweede,

Crematie is bij de Homerische begrafenissen een universeel gebruik. Volgens de verzen moet ze worden beschouwd als een algemeen aanvaard Achaïsch gebruik in die tijd. . . .

Als het om belangrijke personen ging, werd het lijk niet volledig verbrand. Want niet alleen de as maar ook de botten werden zorgvuldig verzameld.    – Op.cit., blz. xxxiii-iv

Gouden masker,
volgens Schliemann van Agamemnon

Maar in de grafcirkels van Mycenae, en in sommige tholoi, zijn skeletten gevonden waarvan de botten niet doelbewust zijn verzameld, hoewel de lichamen in de grafcirkels niet volledig schijnen te zijn gecremeerd.

Volgens Schliemann was een van de begraven lichamen Agamemnon, en hij schrijft een van de gouden maskers aan hem toe. Tegenwoordig denken archeologen dat het niet Agamemnon kan zijn geweest, omdat de schachtgraven in een periode 300 jaar vóór de tijd waarin Agamemnon zou hebben geleefd, worden gedateerd. Ze weten niet aan wie de maskers en begraven lichamen in de schachtgraven toebehoorden en schrijven ze toe aan onbekende Myceense koningen. We kunnen hieruit concluderen dat over deze vondsten veel nog onzeker is.

 

 

 

 

Noten

  1. Vgl. dr. Alkestis Papademetriou, Tiryns – A Guide to Its History and Archeology, 2001, blz. 6.
  2. Conglomeraat is een steenmassa van afgeronde en door het water afgesleten stenen die door een natuurlijk cement verenigd zijn.
  3. Maar volgens H.P. Blavatsky hebben ‘geschiedkundigen de perioden die bepaalde gebeurtenissen van onze huidige tijd scheiden, bijna tot in het absurde verkleind, . . . de Trojaanse oorlog is inderdaad een historische gebeurtenis; en hoewel de datum die eraan wordt toegekend zelfs minder dan 1000 jaar v.Chr. ligt, is deze in werkelijkheid eerder 6000 dan 5000 jaar v.Chr. (De Geheime Leer 2:494vn).
  4. In Gladstone’s voorwoord van het boek Mycenae door Henry Schliemann (1880), blz. xxxv.
 
 

Mysteries van het oude Griekenland:
   Cyclopische muren en piramiden

Coen Vonk

 

Cyclopische muren zijn een van de meest indrukwekkende overblijfselen van oude beschavingen. Deze muren vindt men niet alleen in Griekenland maar op vele andere plaatsen in de wereld – bijvoorbeeld in Italië, Turkije, Egypte, Peru, Japan, Australië en Paaseiland – zodat we kunnen spreken van een universele bouwstijl. De beroemde cyclopische muren van Tiryns en Mycenae worden aan de Myceners toegeschreven, soms Achaiërs of Pelasgen genoemd, en worden gewoonlijk gedateerd tussen de 14de en 13de eeuw v.Chr. Ze zijn misschien veel ouder omdat ze direct op het rotsplateau zijn gebouwd en in herbouwfasen zijn opgenomen.

Wat is de oorsprong van deze indrukwekkende bouwwerken? Archeologen zijn van mening dat de Myceners, een Indo-Europees sprekend volk dat Griekenland vanuit Centraal-Azië is binnengevallen, deze muren hebben gebouwd. De oude Griekse overleveringen verklaren echter dat ze door de Cyclopen zijn gebouwd, de mythische één-ogige reuzen. Volgens H.P. Blavatsky heeft de cycloop Polyphemos in Homerus’ Odyssee betrekking op een Rajput-stam, de Gokula’s, die in een prehistorische periode vanuit India naar Griekenland trokken.1 Sommige cyclopische muren dateren misschien zelfs uit een periode vóór de verhuizing van deze Cyclopen (Kuklopes of Gokula’s) en zouden door eerdere emigratiegolven vanuit het westen kunnen zijn gebouwd. Blavatsky vermeldt dat al sinds 850.000 jaar geleden golven van kolonisten de verzinkende Atlantische eilanden verlieten en naar Europa kwamen. Plato vermeldt dat de Grieken van zijn tijd hun oude geschiedenis al waren vergeten en dat de Egyptische priesters oude kronieken hadden over Grieken die aan een buitenlandse invasie weerstand boden. In zijn Timaeus vertelt de Egyptische priester Solon over de oude ‘Grieken’:

Want om te beginnen herinnert u zich maar één zondvloed, terwijl er vele waren; en verder weet u niet dat er in uw land het beste en edelste mensenras woonde dat ooit heeft geleefd, en dat u en uw hele stad daarvan slechts nakomelingen of overblijfselen zijn. U weet deze dingen niet, omdat degenen die die vernietiging overleefden vele generaties lang stierven en niets optekenden. Want er was eens een tijd, Solon, vóór die grootste zondvloed van alle, toen de stad die nu Athene heet voor het eerst in oorlog was . . .    – §23b,c

Solons verslag in zowel de Critias (§108) als de Timaeus (§23) vermeldt dat er 9.000 jaar zijn verstreken sinds deze oorlog plaatsvond, wat ongeveer 11.400 jaar voor onze tijd is. Het verslag van Solon verwijst naar Poseidonis het laatste Atlantische eiland dat is verzonken.

Rondom de Akropolis van Athene zijn overblijfselen van oude muren gevonden die eveneens aan de Myceners worden toegeschreven, en men denkt dat er ook een Myceens paleis heeft gestaan. In Griekenland, vooral op de Peloponnesos, vindt men op of rondom bijna elke indrukwekkende heuvel oude muren van kastelen, paleizen, of heiligdommen. Hun massieve muren zijn vaak gemaakt van grote naadloos sluitende polygonale stenen die in elkaar grijpen zonder gebruik te maken van cement. Weer andere muren van zelfs nog grotere steenblokken maakten wel gebruik van cement en sluiten niet naadloos aan zoals de eerstgenoemde. De muren met de naadloos sluitende polygonale stenen hebben de tand des tijds zo goed doorstaan dat ze soms zijn opgenomen in kastelen die veel later zijn gebouwd. De oude muren die zijn opgenomen in het kasteel op de Larissaheuvel van Argos en op Akrokorinthos zijn daarvan uitstekende voorbeelden. Op veel andere eenzame en vergeten heuveltoppen in de Peloponnesos vindt men massieve muren van oude bouwwerken, zoals het Paleokastro (oud kasteel) van Agios Adrianos, een ander voorbeeld van nauw sluitende, polygonale muren van geëffende stenen. Het is goed mogelijk dat veel van deze muren tot een andere vergeten periode van de geschiedenis van het oude Griekenland horen, in plaats van ze allemaal aan de Myceners toe te schrijven.

Cyclopische muur, ruwe stijl, Tiryns (foto’s: Coen Vonk)
 
Cyclopische muur, sluitende, polygonale stenen, Paleokastro, Agios Adrianos
 
Cyclopische muren opgenomen in kasteelmuren, Larissaheuvel, Argos
 
Close-up cyclopische muren opgenomen in kasteelmuren, Larissaheuvel, Argos

In de 19de eeuw en in de beginjaren van de 20ste eeuw schreven sommige onderzoekers veel van deze muren en bouwwerken aan de oude Pelasgen toe, maar omdat hun geschiedenis zo moeilijk te ontrafelen was, vermelden de meeste moderne werken ze bijna nooit. De huidige studieboeken beschouwen hen hoogstens als de eerste bewoners van Griekenland vóór de invasie van de Myceners. Het lijkt er zelfs op dat de term Myceners is bedacht om deze moeilijk te traceren Pelasgen te vervangen – zoals al werd opgemerkt door prof. William Ridgeway in The Early Age of Greece. Blavatsky citeert de Engelse oriëntalist Edward Pococke (1604-1691), uit zijn India in Greece; or Truth in Mythology, waarin hij veronderstelt dat koning Pelasgus in feite de zoon was van Palaichthōn, het ‘oude vaderland’ van de Grieken, d.w.z. Pāliktana, het land waarin Pāli werd gesproken in het oude Bengalen. Zij meent dat het redelijk is te veronderstellen dat deze mystieke Pelasgus werd geboren in Gayā, de hoofdstad van Palasa, of in Bihar.2 In een artikel in The Theosophist (januari 1881, blz. 87-8), uit Dayarama Varma dezelfde mening, waarbij hij filologische argumenten aanvoert voor de Indiase oorsprong van de Macedoniërs en Grieken die in latere emigratiegolven volgden. In dit verband is het interessant te vermelden dat Schliemann in Mycenae, Troje en op andere plaatsen een groot aantal voorwerpen heeft gevonden die met de swastika waren versierd, een van de meest heilige symbolen van India, hoewel het ook in andere delen van de wereld voorkomt. In deze tijd erkennen onderzoekers dat er emigranten vanuit Centraal-Azië naar Europa zijn gekomen, maar vermelden niet langer een specifieke verbinding met Noord-India. Dit kan echter een vruchtbaar terrein voor onderzoek blijken te zijn, want het is mogelijk dat emigratiegolven Griekenland vanuit het westen binnenkwamen en in een latere periode vanuit India. Beide groepen mensen hebben waarschijnlijk cyclopische muren gebouwd.


Piramiden in Griekenland

Een andere constructie die kennelijk universeel is geweest is de piramide. Piramiden zijn gevonden in Egypte, Soedan, Zuid- en Centraal-Amerika, China en Griekenland. De Griekse piramiden zijn echter niet zo bekend, en de meeste archeologen ontkennen dat het echte piramiden zijn en brengen ze onder in de categorie van ongewone bouwwerken. Het is waar dat sommige van deze veronderstelde piramiden, zoals die van Ligourio vlakbij Epidaurus, moeilijk zijn te herkennen omdat er zo weinig van is overgebleven, maar tenminste één, de piramide van Elliniko vlakbij Argos, is relatief goed bewaard gebleven en men kan nauwelijks ontkennen dat ze een piramide is. Ze is gemaakt van grote, polygonale, in elkaar grijpende steenblokken van grijs kalksteen en de basis ervan is 9 bij 7 meter. Haar hoek van 60° is nog steeds duidelijk zichtbaar.

Piramide van Elliniko, vlakbij Argos

Door middel van optische thermoluminescentie zijn kristalmonsters vanuit de binnenzijden van de kalksteenblokken gedateerd door het Demokritos National Research Center for Physical Sciences in Athene en door het Nuclear Dating Laboratory van de vakgroep natuurkunde aan de universiteit van Edinburgh in Schotland. Op basis van hun metingen concluderen ze dat de piramide rond 2720 v.Chr. is gebouwd. Er moet echter worden opgemerkt dat de betrouwbaarheid van deze dateringsmethode niet onbetwist is.


Spiraalsgewijze of lineaire evolutie van beschavingen?

De meeste archeologen zijn van mening dat beschaving zich min of meer lineair heeft ontwikkeld en categoriseren de verschillende bouwwerken in een tijdlijn die begint met primitieve volkeren in het zogenaamde Neolithicum, gevolgd door de Bronstijd, en daarna volgt een echte beschaving die ze zien als het hoogtepunt. Het grote aantal spiraalmotieven die o.a. in Mycenae en Troje zijn gevonden, brengt de oude zienswijze in herinnering die aangeeft dat beschaving zich ontwikkelt overeenkomstig het patroon van een spiraal, dat wil zeggen, cyclisch. Dit betekent dat vroegere beschavingen grootser kunnen zijn geweest dan sommige die erna kwamen, omdat de laatstgenoemde het resultaat waren van de spiraal die zich in neergaande richting voortbewoog, een periode van achteruitgang, die later werd gevolgd door een nieuwe zich in opgaande richting bewegende periode. Plato, bijvoorbeeld, vertelt ons over een Egyptische lering die aan Solon werd gegeven:

U en andere landen heeft nog maar net een begin gemaakt met het schrift en de andere noodzakelijke voorzieningen van beschaving, en dan komt na een gebruikelijke tussenperiode, als een epidemie, de hemelvloed over u heen, en laat alleen de ongeletterden en de onontwikkelden onder u over; en zo moet u weer als kleine kinderen van voren af aan beginnen, en weet u volstrekt niets van wat er in oude tijden heeft plaatsgevonden, noch bij ons noch bij uzelf. Wat betreft de genealogieën van u die u zojuist aan ons vertelde, Solon, die zijn niet beter dan kinderverhalen.
       – Timaeus §23

Dat beschavingen komen en gaan, bloeien en verdorren, steeds opnieuw, waarbij ze zich iedere keer tot een nieuw niveau ontwikkelen, is een denkbeeld dat door oude culturen en tradities wordt gedeeld. In dit licht is het niet noodzakelijk de bouwwerken die het hoogste niveau van vakmanschap vertonen als de laatste bouwwerken of als hoogtepunt te beschouwen. Hoe meer men in feite de archeologie bestudeert, hoe meer men ervan overtuigd raakt dat de oudste bouwwerken vaak het beste vakmanschap vertonen.


Myceense religie

Er is weinig bekend over de geloofsopvattingen van de Myceners of Pelasgen. We hebben over hen geen geschreven verslagen die uit hun tijd dateren, en archeologen zijn van mening dat ze geen specifieke religieuze bouwwerken hebben gevonden. In deel 1 bespraken we de tholoi, en omdat onderzoekers denken dat het graven zijn geweest zien ze de religieuze functie van zulke bouwwerken over het hoofd. Op deze manier missen ze een kans om meer te weten te komen over de geloofsopvattingen van de oude bouwers. Bovendien worden wetenschappers in hun zienswijze belemmerd omdat ze de verhalen van Homerus nu alleen maar als historische feiten zien. De Ilias en Odyssee, bijvoorbeeld, zijn niet alleen op historische feiten gebaseerd, maar ook op de kennis van de mystieke reis die de menselijke ziel moet ondernemen om volmaaktheid te bereiken:

Velen menen dat Odysseus symbolisch het ontwaakte denken van de mens voorstelt, want na vele jaren strijd tegen wereldse zaken – weergegeven door de Trojanen – probeert hij kennis over zichzelf te herwinnen. Zijn trouwe vrouw Penelope, die de hogere natuur of de spirituele intuïtie vertegenwoordigt, blijft tijdens het hele gedicht als een doordringende invloed op de achtergrond. Terwijl Odysseus, als actief verstandelijk beginsel, vecht tegen de obstakels en snel vordert, wacht Penelope thuis geduldig op zijn terugkeer, gezeten aan haar weefgetouw en bezig met het weven en uithalen van haar patronen. Odysseus wordt niet alleen van zijn vrouw gescheiden, maar is ook een balling van zijn huis en land; niet alleen moet hij voortdurend in actie komen, maar hij moet voor zichzelf ook het ware pad vinden, dat hem naar huis zal leiden.
    – ‘De zwerftochten van Odysseus: Een allegorie van de ziel’,
       Charles J. Ryan, Sunrise juli/augustus 1982, blz. 162-3

Over de goden die in het oude Griekenland werden vereerd, vernemen we van Herodotus dat:

De benamingen van bijna alle Griekse goden zijn uit Egypte afkomstig. Ik had bij mijn onderzoek al vastgesteld dat die uit andere landen moesten komen. Nu, Egypte komt daarvoor het meest in aanmerking. Zoals bekend, moeten we voor Poseidon en de Dioskouren een uitzondering maken. Dit geldt ook voor andere goden, zoals Hera, Hestia, Themis, de Gratiën en de Nereïden, maar de overigen zijn van begin af aan in Egypte vertrouwde figuren geweest. Dit beweer ik op gezag van de Egyptenaren zelf. Enkele goden kennen ze niet bij name en ik vermoed dat die van Pelasgische oorsprong zijn, behalve Poseidon, die hebben de Pelasgen via de Libiërs leren kennen. Want de Libiërs zijn het enige volk waar Poseidon altijd al bekend is geweest en vanaf het begin is vereerd.
    – Historiën II.50

Sommige namen van Griekse goden zijn van oorsprong niet-Grieks en kunnen dateren uit de tijd van de Pelasgen. Door de invloed en immigratie van de Pelasgen te negeren, die keer op keer door de klassieke Griekse schrijvers worden genoemd, evenals door andere oude volkeren, hebben wetenschappers in onze tijd hun kansen verkleind om meer te weten te komen over de geloofsopvattingen van deze oude volkeren.


Conclusie

De pre-Homerische Griekse volkeren en de oorsprong en functie van hun bouwwerken zijn nog steeds een mysterie. Door veel onderzoekers worden te eenvoudig voorgestelde conclusies getrokken. Het is duidelijk dat niet slechts één emigratiegolf naar het oude Griekenland is gekomen, maar vele. We zouden hierover veel meer te weten kunnen komen als in dit opzicht de oude Pelasgen en andere mogelijke emigranten zoals de Kuklopes (of Gokula’s) en bewoners van Magadha (de Macedoniërs) in India zouden worden bestudeerd. De geschiedenis en oorsprong van het oude Griekenland zijn niet duidelijk opgeschreven door de Grieken zelf, maar oude Indiase geschriften zoals de Purāna’s, het Mahābhārata, en de Rajput-genealogieën bevatten waarschijnlijk sleutels om sommige van deze vragen op te lossen. De tijd dat de Ilias en Odyssee slechts als mythen werden beschouwd is voorbij, en nu is het tijd dat hetzelfde gebeurt met de Indiase ‘fabeltjes’.

 

Noten

  1. Vgl. From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 618-9, 627; evenals de Ilias en Odyssee zijn het Indiase Mahābhārata en de Purāna’s gebaseerd op historische feiten, en we zouden uit deze geschriften veel over de oude geschiedenis kunnen leren.
  2. Vgl. From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 616-7.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Griekenland
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2005 en jan/feb 2006

© 2005 Theosophical University Press Agency