Sunrise
is voortgekomen uit onze overtuiging dat mannen en vrouwen in alle
rangen en standen, in elk land, gedachten en ervaringen hebben die
het waard zijn met anderen te delen – ervaringen die het verschil
maken tussen slagen en mislukken, tussen blijdschap en droefenis,
tussen een ruime en een beperkte visie op het leven.
– James A. Long
Het begin van het 54ste jaar van Sunrise biedt een geschikte
gelegenheid om de redenen voor het totstandkomen en het voortzetten
ervan opnieuw te bekijken. Omdat het een theosofisch tijdschrift is
kunnen we enig inzicht krijgen door de drijfveren achter de Theosophical
Society te onderzoeken. Deze Society werd bijna 130 jaar geleden gesticht,
niet om een nieuwe religie of stel orthodoxe overtuigingen in het leven
te roepen, maar om vorm te geven aan de kern van een ware broederschap
van de mensheid en het zoeken naar waarheid aan te moedigen door ‘vrij
en onbevreesd onderzoek’ – onderzoek dat niet door oude
of nieuwe autoriteiten wordt ingekapseld. De stichters streefden er
vooral naar dat mensen in hun leven mededogen ontwikkelen en altruïsme
in praktijk brengen.
In de loop van tientallen jaren is de moderne theosofische beweging
uitgegroeid tot een vijgenboom met verschillende stammen en vele takken.
Een grote verscheidenheid van organisaties en geestelijke leermeesters
vinden hun oorsprong geheel of gedeeltelijk bij H.P. Blavatsky en haar
leraren: de Theosophical Societies, the United Lodge of Theosophists,
The Temple of the People (Halcyon, Californië), de Antroposofische
Vereniging, de Lucis Trust and Arcane School, de Agni Yoga Society en
de Church Universal and Triumphant – en nog vele andere. Sommige
groepen verschillen sterk wat betreft leringen, literatuur en methode,
maar hoe verschillend ze ook zijn, de meeste hebben in hun kern nog
één of meer van de voornaamste doeleinden van de Theosophical
Society: universele broederschap, kennis van zichzelf en van de natuur,
bestudering van de religies, filosofieën en wetenschappen in de
wereld.
De schadelijke gevolgen van onverdraagzaamheid en dogmatiek voor de
wereld zijn onmiskenbaar; en omdat deze krachten hun wortels hebben
in de menselijke natuur, zijn ze tegenwoordig net zo actief als vroeger.
We zien ze in verschillende graden overal: in de wetenschap, de religie,
universiteiten, politiek en helaas, in de theosofische beweging. Wanneer
leden en organisaties het met elkaar oneens waren of in conflict waren
gekomen, hebben ze maar al te vaak elkaar als afvalligen of erger behandeld,
ondanks haar parool van universele broederschap. Hoewel dit begint te
veranderen, treffen we toch nog mensen aan die ontsteld zijn als hun
organisatie of medeleden materiaal van ‘ketterse’ leraren
en instellingen weergeven, publiceren of citeren, of werken die beweren
door geestelijke adepten of verheven meesters te zijn geïnspireerd
– natuurlijk afgezien van die werken in hun eigen traditie of
die door henzelf zijn goedgekeurd. Ze zijn bang dat minder oplettende
personen door onjuiste leringen zullen worden misleid en dat hun eigen
organisatie wordt besmet door zich daarmee in te laten. Wat ook de verdiensten
of gebreken van bepaalde boeken, schrijvers, ideeën of organisaties
zijn, deze houding is alleen maar orthodoxie, en organisaties die zulke
standpunten ondersteunen zijn feitelijk sekten geworden, of ze dat erkennen
of niet.
In haar eigen tijdschriften wees H.P. Blavatsky deze bekrompen zienswijze
af. Je kunt je moeilijk meer uiteenlopend materiaal indenken dan wat
in de eerste jaargangen van haar Theosophist is verschenen,
en elk nummer bevatte de mededeling: ‘De redactie draagt geen
verantwoordelijkheid voor meningen weergegeven door schrijvers in hun
artikelen; met sommige is zij het eens, met andere niet. Aan schrijvers
wordt grote vrijheid gegeven en alleen zij zijn verantwoording verschuldigd
voor wat ze schrijven.’ In 1888 gaf zij antwoord aan lezers van
haar nieuwe maandblad Lucifer die ‘niet kunnen inzien
waarom het niet een zuiver theosofisch tijdschrift zou kunnen zijn,’
met andere woorden, waarom het weigert dogmatisch
en onverdraagzaam te zijn. In plaats van elke centimeter ruimte te
wijden aan theosofische en occulte leringen, stelt het zijn bladzijden
open ‘voor publicatie van de meest bespottelijk heterogene elementen
en tegenstrijdige leerstellingen.’ Dit is de voornaamste beschuldiging,
waarop we antwoorden – waarom niet? Theosofie is goddelijke
kennis, en kennis is waarheid; elk waar feit, elk oprecht
woord vormt dus een essentieel onderdeel van theosofie. Iemand die
grote kennis heeft van het gebied van goddelijke alchemie, of zelfs
maar enigszins is gezegend met de gave van het onderscheiden van waarheid,
zal deze evengoed in een onjuiste als in een juiste bewering vinden
en eraan onttrekken. Hoe klein het gouddeeltje ook is dat is zoekgeraakt
in een ton afval, het is nog steeds het edele metaal, en waard om
te worden uitgegraven, zelfs al kost het wat extra moeite.
– ‘Wat
is waarheid?’, februari 1888, blz. 431
En laten we niet vergeten dat wat voor de een afval is, voor iemand
anders compost kan zijn. Wie kan zeggen wat iemand zal stimuleren tot
een nieuw inzicht of om verder vooruit te komen op het pad naar waarheid?
Als een tijdschrift dat ‘theosofische perspectieven’ aanbiedt,
blijft Sunrise zich volhardend richten op broederschap en op
ieders ‘vrije en onbevreesde onderzoek’ van zichzelf, van
kennis van de mens, en van de kosmos. Het moedigt aan oprecht naar waarheid
te zoeken – en daarbij niet alleen onze naaste lief te hebben
als onszelf, maar ook zijn of haar individuele inzicht en recht te respecteren
om van mening te verschillen. De redactie weigert orthodoxie of sektarisme
te bevorderen en beschouwt meningen en verklaringen die in het tijdschrift
verschijnen niet als gezaghebbend. Wat het belangrijkste is: zijn bladzijden
zullen een forum blijven voor mensen om de gedachten en ervaringen die
in hun leven van betekenis waren met anderen te delen. Op deze manier
probeert Sunrise de oorspronkelijke doeleinden van zijn stichter
te bevorderen en van de stichters van de Theosophical Society.