Velen van ons hebben wel eens de verdrietige ervaring gehad van het
zien van het lichaam van een overleden familielid of vriend bij een
begrafenis. We staren naar het lichaam, terwijl onze geest vol beelden
is van gebeurtenissen uit het leven van de persoon in kwestie. Op zo’n
moment is het ons heel duidelijk dat het lichaam dat voor ons ligt en
de levende persoon in onze dierbare herinneringen niet dezelfde zijn.
De essentie van degene van wie we hielden is vertrokken – maar
hoe zouden we die essentie moeten omschrijven? Wat is leven?
De meeste lezers zullen er net als ik verbaasd over zijn dat de wetenschap
op deze fundamentele vraag geen definitief antwoord heeft. De wetenschap
kan in detail het mechanisme van het leven beschrijven, maar kan niet
zeggen wat de beweginggevende kracht is die de machine doet draaien.
De wetenschap kan het leven ook niet definiëren aan de hand van
het ontbreken ervan – de dood – want men is het er in wetenschappelijke
kringen niet over eens wat nu eigenlijk het exacte moment van de dood
bij mensen bepaalt. Honderd jaar geleden definieerden de artsen de dood
als het moment waarop het hart ophoudt met kloppen, terwijl men tegenwoordig
meer ertoe neigt de dood te definiëren als het moment waarop de
hersenactiviteit stopt, hoewel sommige cellen daarna nog voortleven.
Het ligt voor de hand om mensen evenals bacteriën als levende organismen
te beschouwen, maar hoe staat dat met de meeste virussen die wel DNA
bevatten maar zich zonder hulp van een levende gastheer niet kunnen
voortplanten, en prionen die geen levenregulerend DNA bezitten? En wat
moeten we denken van computervirussen, die veel van de kenmerken van
levende wezens vertonen maar geen vorm bezitten die wij als een levend
wezen zouden herkennen? De populaire amusementsindustrie heeft dit thema
opgepakt in recente filmseries zoals de Terminator en The
Matrix, waarin biologische en mechanische wezens met elkaar worden
vergeleken, tegenover elkaar zijn gesteld en met elkaar in conflict
komen. Zelfs hier erkennen zowel de machines als de mensen dat levende
organismen iets hebben wat machines niet lijken te hebben. Eén
poëtische wetenschapper merkte onlangs op: ‘We moeten een
apparaat en een levend wezen – een plant, een dier of een mens
– nooit met elkaar verwarren; want een apparaat, hoe complex ook,
mist wezenlijk een holistische, ‘levende’ structuur door
het ontbreken van samenhang en doordat dingen steeds op dezelfde manier
worden herhaald. Een levend schepsel lijkt meer op een gedicht dat diepere
dimensies onthult en uitdrukking geeft aan nieuwe eigenschappen op ieder
organisatieniveau: de letter, het woord, de zin en de versvorm.’1
Een boek dat ik in de bibliotheek van het ziekenhuis waar ik werk tegenkwam,
getiteld What is Life?,2
geeft een hedendaagse wetenschappelijke kijk op dit eeuwenoude vraagstuk.
Het is gebaseerd op complexe en technische discussies tussen Duitse
wetenschappers en filosofen aan het eind van de jaren negentig die betrekking
hebben op drie belangrijke gebieden van wetenschappelijk onderzoek:
De vraag of levende wezens onderworpen
zijn aan onzichtbare energievelden die hen met elkaar verbinden en
die helpen bij de communicatie binnen en tussen levende wezens (bio-elektrische
velden).
Het feit dat levende wezens hun eigen licht lijken
voort te brengen speelt een belangrijke rol bij het definiëren
van wat ‘levend’ is (biofotonen).
Leven en evolutie lijken in het geheel niet te zijn
gebaseerd op de darwinistische opvatting van ‘het overleven
van de sterksten’ maar veeleer pogingen te zijn tot samenwerking,
en niet te worden bepaald door strijd en conflict.
Wetenschappers weten al geruime tijd dat levende cellen en organismen
elektrische velden om zich heen hebben. Dit feit wordt al meer dan vijftig
jaar door artsen toegepast bij het maken van elektrocardiogrammen, en
meer recent bij verfijnde methoden voor het in kaart brengen van de
elektrische signalen in de hersenen. Langgeleden speculeerde Sokrates,
zich baserend op Plato’s vormtheorie (vormen = eide [Grieks])
dat de fysieke vorm van een organisme het gemanifesteerde resultaat
is van de potentiële vorm ervan die in de materie besloten ligt.
In de 16de eeuw sprak de arts, natuurkenner en filosoof Paracelsus over
het bestaan van een geestelijk lichaam of ‘archaeus’ als
het model voor het fysieke lichaam. Aan het begin van de twintigste
eeuw werd dit idee nieuw leven ingeblazen door de embryoloog Hans Driesch,
die geloofde dat de chemische boodschappers van de levensprocessen,
de genen, slechts de stoffelijke componenten waren voor de opbouw van
het lichaam. De controlerende factor zou niet-stoffelijk en niet-fysiek
van aard zijn. In de jaren twintig introduceerde de bioloog Alexander
Gurwitsch de term ‘morfogenetische velden’ om de beheersende
kracht achter levende vormen te beschrijven, een term die in de jaren
tachtig door de bioloog Rupert Sheldrake nieuw leven werd ingeblazen.
Terwijl niet-fysieke informatiedragende velden onderwerp van controverse
blijven, onderzoeken wetenschappers tegenwoordig hoe onze cellen elektromagnetische
velden gebruiken voor communicatie binnen elke individuele cel en op
afstand bij het opbouwen van organen en lichamen; en hoe elektrische
velden zoals die worden voortgebracht door hoogspanningsleidingen en
mobiele telefoons wellicht op subtiele wijze de eigen elektrische velden
van het lichaam kunnen beïnvloeden.
Licht wordt inherent geassocieerd met elektromagnetisme. In de jaren
twintig wees Gurwitsch op het feit dat cellen licht uitzenden en dat
dit invloed zou kunnen hebben op de celdeling en het opbouwproces van
levende organismen. Hij noemde dit licht ‘mitogenetische straling’
wat, nu we over betere instrumenten beschikken, opnieuw de aandacht
van de wetenschap heeft getrokken en tot de wetenschap van de biofotonica
heeft geleid. Biofotonen – zwakke maar gebundelde elektromagnetische
golven die door alle levende systemen worden uitgezonden – lijken
nauw geassocieerd te zijn met de fysiologische en biologische functies
van cellen als levende wezens. Hedendaagse Europese onderzoekers, vooral
Fritz-Albert Popp en zijn team, hebben gesuggereerd dat biofotonen wellicht
de sleutel vormen tot het begrijpen van de hoge snelheid waarmee informatieoverdracht
– die nodig is voor het in gang zetten van de stofwisseling, groei
en differentiatie – binnen en tussen de cellen plaatsvindt.
Speculaties over het belang van onzichtbare bio-elektrische velden en
licht voor de opbouw en het onderhoud van levende organismen zullen
mensen die de theosofie bestuderen wellicht bekend voorkomen. In de
theosofische literatuur vindt men het standpunt dat het fysieke lichaam
wordt opgebouwd en in stand gehouden binnen het model van het onzichtbare
astrale lichaam. Beide lichamen worden gevoed en bezield door stromen
van levensenergie of prana die in en om het fysieke lichaam circuleren
en elkaar doordringen in een fantastisch, veranderlijk caleidoscopisch
samenspel van licht en kleur. Het leven staat niet los van zijn stoffelijke
manifestatie, maar is de geestelijke kracht achter alles, die zich op
ontelbare manieren uitdrukt in de verschillende levens en vormen van
energie, zowel stoffelijke als onzichtbare. ‘Het leven als een
entiteit of proces is alles wat er is, de basis of essentie van alles
wat bestaat – zonder begin en zonder einde. Het is de geestelijke
elektriciteit, of de vitale svabhava, van de monade, die deze vanuit
zichzelf tevoorschijn doet stromen en zó de individuele kenmerken
van iedere entiteit, hemels of aards, voortbrengt’ (Encyclopedic
Theosophical Glossary). Men kan het leven omschrijven als de enorme
verscheidenheid van aspecten van bewustzijn in ruimte en tijd. G. de
Purucker zegt hierover:
Bewustzijn is de bron, en deze
bron brengt door zijn eigen inherente krachten en energieën,
vermogens en eigenschappen, uit zichzelf leven voort: niet op één
bepaald tijdstip, maar onophoudelijk en eeuwig, en zolang zijn eigen
bestaan voortduurt. Bewustzijn en leven samen verwekken de manifestaties
van kracht en energie en brengen deze uit zichzelf voort, en die doen
op hun beurt de stof en substanties van het universum neerslaan, zoals
wijn zijn droesem doet bezinken.
– vgl.
De Esoterische Traditie,
blz. 421
Het voorgestelde bestaan van bio-elektrische en morfogenetische velden,
met cellen die door middel van licht communiceren, wijst op een andere
kijk op evolutie dan de darwinistische. In plaats van de voortdurende
strijd om het bestaan, kan het wel eens zo zijn dat expansie van samenhangende
bewustzijnstoestanden, harmonie, en streven naar samenwerking de overheersende
factoren zijn in de evolutionaire ontwikkeling. What is Life?
illustreert dit met een rijk scala aan experimenten en voorbeelden van
recente waarnemingen overal in de wereld betreffende sociale verbanden
in de natuur, symbiose, samenwerking tussen diersoorten, tussen dieren
en planten, tussen planten onderling, en tussen planten en schimmels.
Een indrukwekkend voorbeeld uit de microwereld wordt gegeven door journalist
Reinhard Eichelbeck. De amoebeachtige wezentjes vormen samen een slijm
waarin ze gewoonlijk hun leven al rondkruipend doorbrengen, en zich
met bacteriën voeden. Maar als er een tekort aan voedsel dreigt,
wordt een verbazingwekkend verschijnsel waargenomen:
Zodra een van de amoeben van honger
dreigt om te komen, zendt hij een chemische boodschap uit. Andere
amoeben geven het bericht door, door ook die stof te produceren. Zodra
deze een bepaalde concentratie heeft bereikt, komen alle amoeben uit
de omgeving bij elkaar – soms wel 100.000 – en vormen
samen een wezen dat op een naaktslak lijkt.
Allemaal handelen ze op gecoördineerde en synchrone
wijze, en ze bewegen zich nu, geleid door hun licht- en warmtesensoren,
als een kleine naaktslak in de richting van een warm en zonnig plekje.
Nadat ze dat hebben gevonden, vormen ze samen een halve cirkel waaruit
een steeltje groeit, doordat sommige amoeben zichzelf uitstrekken,
vervolgens hard worden, en sterven. Anderen klimmen daar bovenop,
verharden en sterven ook, en zo verder.
Nadat zo’n 20% van de amoeben zichzelf heeft
opgeofferd ten gunste van de groep, klimmen de overblijvende op het
steeltje en vormen een capsule, en veranderen in sporen. Enige tijd
daarna opent de capsule zich en de sporen worden door wind en regen
meegenomen naar graziger weiden. Ieder spore verandert weer in een
amoebe – en het hele spel begint van voren af aan.
Honger en nood resulteren hier niet in een darwinistische
‘strijd om het bestaan’, maar worden het hoofd geboden
door een vreedzame oplossing, door samenwerking en wederzijdse hulp,
waaronder zelfopoffering ten gunste van de groep.
– What
is Life? blz. 15
Is het gezien deze opmerkelijke resultaten van het moderne onderzoek
te veel gevraagd om zich voor te stellen dat op een dag de wetenschap
de werking van het bewustzijn overal zal herkennen en zal inzien dat
alles ‘levend’ is, ook al verschilt het bewustzijnsniveau
en de uiterlijke verschijningsvorm ervan enorm van die van ons?
Noten
- H.-P. Dürr, ‘Inanimate and Animate Matter’,
What is Life?, blz. 165.
- What is Life?; Scientific Approaches and Philosophical
Positions, onder redactie van H.-P. Dürr, F.-A. Popp en
W. Schommers, World Scientific Publishing Co., River Edge, NJ, 2002.