Als de discipel zegeviert in de strijd met het zelf
en erin slaagt het bewustzijn te verruimen, zal hij op een dag het
centrum bereiken en vandaar door zijn eigen willen en handelen worden
aangetrokken tot de levensstromen van de inwijding, die hem zullen
meevoeren op de mystieke pelgrimstocht, in de esoterische ronde van
ervaringen, waarna hij terugkeert als iemand die bewust bereid is
datgene te verzaken wat hij weet te kunnen verkrijgen, maar wat hij
weigert, om in de wereld te blijven en haar te helpen, als een van
de stenen in de Beschuttingsmuur die de mensheid omringt.
– G. de Purucker,
De Vier Heilige Jaargetijden, blz. 42
In ons leven reizen we allen in kringetjes. Sommige daarvan doorlopen
we graag, andere niet. We houden ervan om naar een bekende plek terug
te gaan en er is zelfs iets in ons dat ons aanspoort de weg te volgen
die we vroeger al eens hebben afgelegd. Maar de meest verheven pelgrimstocht
wordt gemakkelijk over het hoofd gezien. De herinnering eraan ligt begraven
onder de vele dagelijkse beslommeringen; het is de terugkeer naar ons
spirituele thuis, om te herstellen en te vergeten. Misschien vinden
we hierin de werkelijke achtergrond voor het ontstaan van traditionele
pelgrimages in het grijze verleden?
Lange tijd heb ik me afgevraagd wat mensen drijft om een reis vol ontberingen
te maken om de tempel van een heilige of een of andere gewijde plaats
te bereiken. Hoe zwaar moeten zulke pelgrimstochten voor de armen van
vroeger wel niet zijn geweest? Wat voor moed is er niet nodig om een
lange reis te beginnen met nauwelijks een cent op zak, een daad die
doet denken aan de reis naar het land van de onschuldigen en wijzen
waar alle aardse lasten moeten worden achtergelaten. Vele mogelijke
motieven springen in het oog: het tonen van dankbaarheid, boetedoening,
toewijding, of een middel om bovennatuurlijke hulp te verkrijgen. Er
zijn natuurlijk ook veel bezwaren tegen pelgrimages aan te voeren. Waarom
zouden we reizen naar een heiligdom als de hele wereld een heilige plaats
is? Waarom zouden we een uitputtende reis maken als God overal aanwezig
is? Moeten we ons wel zoveel moeite geven als er zoveel ander goed werk
vlak voor onze voeten ligt? Vele antwoorden zijn mogelijk, maar wat
telt is dat we tijdens pelgrimages worden geconfronteerd met dieperliggende
gewoonten die zich verdichten tot vaste vormen en onder bepaalde omstandigheden
als werkelijke tegenstanders kunnen verschijnen, opponenten die we niet
gemakkelijk kunnen ontlopen.
Hoe vaak komt het niet voor dat we het gevoel hebben dat we in de val
zijn gelopen? Zelfs als we zijn omgeven door geluk, een leuk gezin en
een goede gezondheid, voelen we ons niet op ons gemak, beperkt, of opgesloten.
Op zulke momenten vergeten we dat we deel zijn van de allesdoordringende
intelligentie van het heelal. Onder alle omstandigheden zouden we in
staat moeten zijn het gedachtereservoir van het universum aan te boren.
Gedachtevormen die diepe groeven hebben getrokken vragen een overeenkomstige
hoeveelheid energie om weer te worden opgevuld, en die energie kan misschien
tijdens een pelgrimstocht worden verkregen.
Hij die zijn innerlijke vijanden – de hartstochten – heeft
overwonnen, raakt letterlijk verlicht. We lezen in Katherine Tingley’s
De Goden wachten op ons dat als een bepaalde discipel
‘op pelgrimstocht gaat, hij op een dag meer
kilometers aflegt dan een van de anderen en veel eerder aankomt dan
zij. . . . Zijn voeten zijn na een lange dagreis nog nooit door de
weg gewond of beschadigd geraakt. En waarom? Omdat hij nooit tegen
de afstand opziet of daaraan denkt, maar blijmoedig op weg gaat; en
nooit komt het in hem op zich zorgen te maken over de vraag of hij
misschien de weg is kwijtgeraakt of een verkeerde afslag heeft genomen
of zoiets. Zijn geest is zo vervuld van de vreugde van het geestelijke
leven dat deze zijn lichaam voor hem werkelijk lichter maakt!’
– blz. 138-9
Elke religie kent zijn eigen pelgrimsoorden omdat iedere discipel een
groot verlangen voelt naar een zuiver en heilig leven en naar vereniging
met dat wat hem oneindige wijsheid, liefde en vrijheid geeft. Veel toegewijde
mensen streven ernaar aan hun helden gelijk te worden. Zo kende het
boeddhisme in de eerste eeuwen tenminste vier belangrijke pelgrimsoorden:
Lumbini, de geboorteplaats van de Boeddha; Bodh-gayā, de plaats
waar hij de verlichting bereikte; het Hertenpark in Sārnāth
vlakbij Benares, waar hij zijn eerste preek hield; en Kushinagara, waar
hij het parinirvāṇa bereikte. Bodh-gayā was en is
nog steeds het belangrijkste boeddhistische pelgrimsoord. Gedurende
vele eeuwen hebben christelijke pelgrims naar het Heilige Land gereisd,
naar Santiago de Compostela in Spanje, en naar Rome, en ook naar vele
honderden kleinere oorden.
De islam kent slechts één belangrijke
pelgrimage, de hadj, een van de vijf pijlers van dit geloof.
Rond de twee miljoen mensen leggen deze vaak uitputtende reis naar Mekka
af, een oase en heiligdom voor vermoeide reizigers en karavanen. Het
ritueel dient als een verenigende kracht om godsdienstigen met verschillende
achtergronden samen te brengen in een religieus feest. Als een gelovige
eenmaal de pelgrimstocht heeft gemaakt, mag hij de titel hadji
aan zijn naam toevoegen.

Na aankomst in Mekka gaan de meeste pelgrims naar
de Grote Moskee, waar ze zeven keer rond de Ka’abah trekken, een
kubusvormig gebouw dat is bedekt met een zwarte doek. Vervolgens wassen
ze zichzelf, trekken de ihram aan, een wit gewaad dat zuiverheid
en gelijkheid symboliseert en doen de gelofte de Hadj te ondernemen.
Op de eerste dag van die Hadj (op de 8ste van de maand Zul-Hidjah) reizen
de pelgrims naar Mina, een onbewoond dorp waar ze bidden en mediteren.
Op de tweede dag reizen ze naar de vlakte van Arafat voor de wuquf
of ‘het staan’, wat wordt beschouwd als het ritueel waar
de Hadj om draait. Alle pelgrims komen samen op een manier die doet
denken aan de Dag van het Oordeel. Ze hopen door dit ritueel op vergeving
van hun zonden door God, en ze besluiten vervolgens beter te leven.
Na zonsondergang gaan de pelgrims naar Muzdalifa waar ze bidden en kleine
steentjes verzamelen. Op de derde dag keren de pelgrims vóór
zonsopgang terug naar Mina waar ze de eerder verzamelde steentjes naar
drie witte zuilen gooien die de verleidingen van Abraham door Satan
voorstellen. Hoewel deze zuilen het kwaad in de islam symboliseren,
is het zeker te betreuren dat ze alle schuld krijgen, vooral als we
door een vergelijkende studie van religies leren dat Satan dezelfde
rol heeft gespeeld als Prometheus, of Lucifer de ‘lichtbrenger’
die zichzelf opofferde voor de mensheid. Sterker nog, in zekere zin
zijn wijzelf Prometheus, Satan, of Lucifer. De drie pilaren,
die een driehoek vormen, kunnen onze hogere logos of het denkende beginsel
symboliseren, dat beginsel dat ons voortdurend tracht te inspireren.
H.P. Blavatsky geeft echter een reden waarom we stenen naar dit aspect
van onszelf zouden mogen ‘gooien’:
Hij die de stem van nāda, het ‘geluidloze
geluid’, zou willen horen en begrijpen, moet de aard van dhāraṇā
leren kennen.
Onverschillig geworden voor objecten van waarneming, moet de leerling
de rājā van de zintuigen proberen te achterhalen, de voortbrenger
van gedachten, hij die illusie opwekt.
Het denken is de grote vernietiger van het werkelijke.
Laat de discipel de vernietiger vernietigen.
– De Stem
van de Stilte, blz. 1
Na het gooien van de steentjes offeren de meeste pelgrims een dier
op om te herdenken dat Abraham bereid was zijn zoon Izaäk aan God
te offeren. In de hele islamitische wereld voeren moslims dezelfde soort
offers uit op de 10de dag van Zul-Hidjah. Pelgrims knippen of scheren
dan hun haar en trekken hun gewone kleren weer aan. Hoewel de pelgrims
nog twee of drie dagen langer in Mina blijven, moeten ze uiteindelijk
naar Mekka terugkeren om nogmaals zeven keer rond de Ka’abah te
trekken, waarbij ze zoals altijd naar de Zwarte Steen in zijn zuidoostelijke
hoek wijzen of die proberen aan te raken of te kussen. Men zegt dat
de Zwarte Steen een meteoriet is. Volgens de overleveringen viel die
uit de hemel, wit en zuiver, maar werd zwart door de zonden van de mensen.
Voor moslims herinnert het trekken rond de Ka’abah hen aan de
eenheid van God en mens, en dat alle menselijke activiteit om God moet
draaien. De vorm van de Ka’abah, een kubus, zou de aarde als passieve
materie die wordt bezield door de geest – gesymboliseerd door
de rondtrekkende pelgrims – kunnen voorstellen. Voordat de pelgrims
aanstalten maken te vertrekken, gaan ze nog eens voor de laatste keer
zevenmaal rond de Ka’abah.
De piramiden vormden ooit ook een pelgrimsoord. In een artikel over
inwijdingen in de piramide beantwoordde G. de Purucker een vraag over
de tocht van een neofiet door de kamers van de Grote Piramide van Cheops1:
Men moet zich niet voorstellen dat een menselijke
ziel in de piramide gevangen zat en rondzwierf als een astrale schaduw
in het binnenste ervan. De kandidaat werd geleid langs bepaalde wegen,
of soms alleen gelaten, en de paden of kanalen die hij volgde en de
kamers waarin hij zich bevond, enz., waren in deze vorm voorstellingen
voor zijn verbeelding of zijn denkvermogen van wat de innerlijke mens
werkelijk doormaakte wanneer hij uit het lichaam vertrok.
Een van de hoofddoelen van de inwijding in de piramide was dat de
neofiet de passages doorging onder leiding van zijn leraar of leraren,
en aldus voordat hij in een trance werd gebracht op zijn bewustzijn
symbolisch een sterke afdruk te maken van wat de ziel in de innerlijke
werelden feitelijk zou doormaken.
De kandidaat . . . gaat binnen langs de neergaande passage met zijn
gids, en ze volgen de tamelijk gelijkmatige passage waar weinig licht
is, tot hij onder de oppervlakte van de piramide begint af te dalen,
omlaag naar de onderwereld als het ware. Dan komt hij bij een splitsing
waar de gids hem alleen laat. Zonder hulp gaat de chela de ‘beproeving
van de stof’ of de Put binnen, en legt zijn lichaam, alle materiële
elementen van zijn natuur, af. In deze Put, die met opzet ruw is aangelegd
en onafgewerkt om het ruwe en onvolmaakte karakter van de stof te
symboliseren, moet de discipel alle sluiers van de stof afwerpen en
zelf daaruit klauteren, en ervoor oppassen dat hij daarbeneden niet
tot niets vervalt.
Wanneer hij uit de duisternis komt, ontmoet hij bij het punt van de
splitsing opnieuw zijn gids die hem òf begeleidt òf
de weg wijst langs een andere passage die omhoog leidt. Deze passage
wordt geleidelijk lichter en is heel gelijkmatig. Dan gaat de chela
de Bron van Diepe Wateren binnen, die men zich misschien kan denken
als de astrale werelden. De neofiet moet vervolgens alleen de ‘Ladder
van de Ziel’ beklimmen, die weer ruw en moeilijk te beklimmen
is. Tenslotte, nadat de ziel de top van de ladder heeft bereikt, gaat
ze de Velden van Aahlu binnen, en komt in de Kamer van de Maan, de
Koninginnekamer, de kamer van de maaninvloeden.
Nadat de neofiet daar na de passende ceremoniën heeft gerust,
vervolgt hij zijn weg langs de gang van Aahlu en staat als het ware
gereed bij het vertrekpunt, bij de poort naar de Grote Galerij, de
Dubbele Hal van de Waarheid. Deze Hal is een grootse majestueuze galerij,
met zeven afdelingen, en de neofiet gaat dapper omhoog tot hij komt
bij de Antichambre van de Koningskamer. Voordat de neofiet echter
de Antichambre binnengaat moet hij een grote trede van bijna een meter
beklimmen, en dan moet hij erg diep bukken, en tenslotte als het valhek
omhoog is kan hij verdergaan naar de Koningskamer, het Verblijf van
de Verborgen God, en de sarcofaag van Osiris binnengaan.
Nu begint de werkelijke inwijding wanneer het lichaam van de neofiet
in trance ligt in de sarcofaag van Osiris. Wat hij heeft gevolgd is
feitelijk een symbolische beschrijvende manier om voor te stellen
wat er werkelijk in de innerlijke werelden plaatsvindt.
In de Koningskamer zijn zes grote afdelingen, waarbij de laagste onze
aarde voorstelt en de andere vijf, de vijf planeten Jupiter, Mars,
Saturnus, Mercurius en Venus, terwijl de Koninginnekamer de maan kan
voorstellen.
De ziel kan opklimmen naar de planetaire sferen, en dan is deze reusachtige
driehoek in feite de ‘ring-verder-niet’, iets wat een
verdere voortgang verhindert, maar als de kandidaat volledig is bevrijd
van alle aardse en planetaire eigenschappen, dan kan de geest misschien
door de top van deze driehoek opstijgen langs de mystieke lijn door
het hoogste punt van de piramide zelf – en dan naar buiten en
verder – één met de godheid.
Dan de afdaling, omlaag van de top van de piramide, door de mystieke
krachtlijn naar het hoogste punt van de Koningskamer, omlaag naar
de sarcofaag en de ziel wordt verenigd met het in trance verkerende
lichaam. De inwijding is compleet, de neofiet staat als het ware op
uit het graf van beproeving, niet langer een chela, maar een meester,
en verbluft, nog steeds overgoten met de goddelijke luister, gaat
hij door de Grote Galerij, door de Hal van Duisternis, en gaat dan
omhoog naar de ingang. Zijn eerste uitzicht is nu onbeschrijflijk
mooi – of dat was zo op het moment dat deze zou zijn gebouwd
– want daar recht vooruit stond de poolster, die ster die in
werkelijkheid de spil is van spirituele en goddelijke zaken.
Het kan heel goed een wereldwijde religieuze gewoonte zijn geweest
om door middel van symboliek een sterke afdruk op het denken te maken
van wat de ziel in de innerlijke werelden feitelijk zou doormaken. Piramiden
treffen we immers over vrijwel de hele wereld aan, waarvan veel min
of meer op dezelfde breedtegraad, van China en Egypte tot aan Mexico.
Maar er zijn nog tal van andere mysterieuze objecten uit oude tijden.
Zo vinden we in Zimbabwe, bijna 5.600 kilometer ten zuiden van de Grote
Piramide van Gizeh – of bijna 1/7 van de omtrek van de aarde –
de prehistorische ruïnes van Dhlo-Dhlo. Deze werden begin 20ste
eeuw opgegraven, maar geschiedkundigen weten tot op de dag van vandaag
nog niet waarvoor die werden gebruikt. Een groot aantal ruïnes
met gladde rondingen vinden we verspreid over heel Zimbabwe, zoals in
dat land de naam, ‘huizen van steen’, al aangeeft.
Als
we een blik werpen op een kaart van de ruïnes van Dhlo-Dhlo, in
1901 getekend door Franklin White2,
zien we schijnbare overeenkomsten met het hart van een mens. Is het
denkbaar dat er ceremoniën werden uitgevoerd waarbij mensen in
processie door dit gebouw gingen? Een processie waardoor ze zichzelf
konden zien als de rondtrekkende monade of het meest innerlijke zelf,
waarmee deze ervaring symbolisch op hun geest werd afgedrukt?
Er is een voortdurende stroom in ons zonnestelsel tussen en door planeten,
en er is een stroom van intellectuele en spirituele krachten door de
zon, het hart van ons zonnestelsel. De ruïnes liggen op een hoog
plateau tussen de oorsprong van twee rivieren, waarvan de ene naar het
noorden en de andere naar het zuiden stroomt. Zouden deze ruïnes
ons eraan kunnen herinneren dat we onze wortels in de goddelijke werelden
hebben? Alles wat we zien is beweging, panta rhei, ‘alle
dingen stromen’, zoals de Griekse filosoof Heraclitus het zegt.
Terugkeren naar huis is niet het uiteindelijke doel van een pelgrim,
zoals Odysseus al heeft vastgesteld. De reis is al wat telt. Het verlaten
en terugkeren naar huis moet worden gezien als een inwijding, een nieuw
begin, een nieuwe cyclus op een hoger niveau die ons meer mededogen
en liefde laat opbrengen voor hen die deze reis nog niet hebben ondernomen,
maar dat zullen doen als ze daar klaar voor zijn.
Noten
- Theosophical Forum, januari 1948, blz. 20-2;
met uitzondering van de eerste twee alinea’s is het antwoord
niet letterlijk, maar een verslag dat onmiddellijk na het interview
werd opgeschreven. Eerder opgenomen in Sunrise,
jul/aug 2002, blz. 126-8.
- Ancient Man: A Handbook of Puzzling Artifacts,
samengesteld door William R. Corliss, blz. 267.
|