Ahimsā paramo dharma: Geweldloosheid
is de hoogste religie
Geweldloosheid, ahimsā, is de centrale leer van het
jainisme. Ze speelt ook een belangrijke rol in het hindoeïsme,
boeddhisme, christendom, de islam en andere religies, maar geen van
alle heeft dit principe een zo centrale plaats gegeven – met name
in de praktijk. In het jainisme zijn alle handelingen gericht op het
niet-schaden van andere levende wezens, of het nu gaat om fysiek, verbaal
of mentaal geweld – waarbij dit laatste de achterliggende oorzaak
is van alle ellende. Geweldloosheid heeft enorme consequenties voor
het dagelijks leven, voor de maatschappij, en voor ons wereldbeeld.
Door de hele geschiedenis heen heeft ze als een beschermend schild over
de mensheid heen gelegen. Overal op de wereld waren en zijn individuen
en groepen mensen die het principe van geweldloosheid in hun hart dragen,
omdat ze voelen dat de wereld dit het meeste nodig heeft en het meeste
ontbeert.
Het niet willen schaden van levende wezens (inclusief, maar op de laatste
plaats, zichzelf) is een wezenskenmerk van het diepste innerlijk van
de mens. Dat is de reden dat religies die dit predikten steeds veel
aanhang vonden. Veel oude religies zoals het hindoeïsme en het
jodendom schreven oorspronkelijk rituele dierenoffers voor, maar dankzij
het jainisme, het boeddhisme en het christendom komen dat soort dingen
nu nog zelden voor, alleen in een paar hindoesekten en stamreligies
en in de islam. Dierenoffers kwamen en komen over de hele aarde verspreid
voor. Sommige culturen gingen zelfs op grote schaal over tot het brengen
van mensenoffers, en wel – zo dacht men – in opdracht van
de goden! Maar hoe zou een ware god ooit zo’n wreedheid kunnen
goedkeuren? De kosmologie van de jains beschrijft vele klassen van goden,
en die zijn lang niet alle goed. Deze goden, zo verklaren zij, waren
mensen toen zij op aarde waren geïncarneerd, en ze bezitten alle
goede of slechte menselijke eigenschappen. Sommigen kunnen vriendelijk
en hulpvaardig zijn, sommigen hoog spiritueel, maar anderen kunnen wreed
zijn of opzettelijk misleidend, waarbij ze ongelukken veroorzaken of
erger; ze kunnen onwetende mensen aanzetten tot slechte daden onder
het mom van het dienen van werkelijke goden of God. De Maya’s
van het huidige Mexico en Guatemala, bijvoorbeeld, die in latere fasen
van hun cultuur volop mensenoffers brachten (zelfs tegenwoordig komen
er dierenoffers voor), waren zich ervan bewust door ‘tweederangs’
goden te zijn misleid, en betreurden dat in liederen in de Popol
Vuh.
Er is maar weinig nadenken voor nodig om te begrijpen hoeveel leed zowel
de mensen- als de dierenwereld bespaard zou blijven als mensen de discipline
zouden hebben om dit nobele aspect van hun natuur steeds te laten zegevieren.
Als de mensheid geweldloosheid zou kunnen begrijpen en toepassen, zouden
er geen oorlogen, slachthuizen, legbatterijen, terrorisme, onderdrukking,
sociale onrechtvaardigheid of doodstraf meer bestaan. Het zou niet betekenen
dat de mensheid niets meer te leren heeft of geen vertwijfeling meer
zou kennen, of dat tijgers meteen gras zouden gaan eten. Maar op dit
moment maken we het onszelf veel moeilijker dan nodig is. Men zou elkaar
in plaats van als territoriale en persoonlijke competitoren zien als
broederpelgrims op weg naar waarheid en zuiver geluk, die van elkaar
weten dat de pelgrimstocht lang is en lang niet altijd makkelijk, maar
elkaar overal en altijd terzijde staan. En bij veel mensen is dat ook
al zo. Het klinkt bijna sentimenteel, en toch is dit zo eenvoudige principe
het enige waar het in het leven werkelijk omgaat, de ware discipline
die in het leven werkelijk belangrijk is: het in praktijk brengen van
de broederschap van alle wezens die bewustzijn hebben. Regels zijn niet
per se nodig, luisteren naar het eigen hart wel.
Religies leren dat ieder bewustzijn ervaringen oogst overeenkomstig
die welke het zaait. Daaruit volgt dat geweld ‘waar we niets aan
kunnen doen’ – zoals natuurgeweld, ziekte, en schade die
door een ander wordt berokkend – zijn terug te voeren op onszelf,
het negeren van deze diepe impuls uit het hart. Voor de jains vormt
ons steeds herhaalde leven op aarde maar een klein stukje van onze hele
levenscyclus. Volgens hen brengen we de meeste tijd buiten ons stoffelijk
lichaam door, in het ‘hiernamaals’ of het ‘hiervoormaals’,
als helle- of hemelwezens. De zogenaamde hellen of hemelen zijn mentale
bewustzijnstoestanden die het gevolg zijn van ons denken tijdens ons
verblijf in stoffelijke lichamen. Door haar zwakheid en gehechtheid
wil de ziel niet kiezen en vibreert voortdurend heen en weer tussen
hoog en laag, goed en slecht. Daardoor ontstaat trilling en hecht zich
verwarring, onwetendheid, aan de ziel, en dat maakt het alleen maar
moeilijker. Als men de moed heeft te kiezen voor het hogere –
voor absolute innerlijke geweldloosheid – verdwijnen de zwakheid
en onzekerheid die de oorzaak zijn van deze vibraties. Dan blijkt God
niets anders dan vergeving en liefde te zijn, zoals een christen het
zou uitdrukken. De ziel is de enige ware God, zeggen de jains. Door
in de ziel te leven is ieder mens een god.
Wat de jains bijzonder maakt, is dat ze niet alleen praten over geweldloosheid,
maar deze ook in praktijk brengen. Zowel de maatschappelijke ethiek
van de jains als hun verlossingsleer is doorspekt met regels en aanwijzingen
die allemaal van het principe van ahimsā zijn afgeleid. De vijf
hoofdgeloften waar iedere jain zich aan dient te houden zijn: vrij te
zijn van geweld, vrij te zijn van liegen (men kan ook zeggen: geweld
tegen de waarheid), vrij te zijn van stelen, vrij te zijn van seksueel
wangedrag, en vrij te zijn van wereldse gehechtheid. Ook op vegetarisme
wordt sterk de nadruk gelegd door de jain als een praktische consequentie
van geweldloosheid. Van iedere jain wordt verwacht dat hij nadenkt en
mediteert over: vriendschap met alle levende wezens; de blijdschap die
het kan geven als anderen het (vooral in spirituele zin) beter doen
dan hijzelf; mededogen voor alle wezens die lijden, en tolerantie of
gelijkmoedigheid tegenover mensen die zich ongeciviliseerd of slecht
gedragen.
Ahimsā is het tegengestelde van himsā, ‘geweld’.
Wat met geweld wordt bedoeld is duidelijk gedefinieerd in de geschriften
die de jains als gezaghebbend beschouwen. Om er enkele te citeren:
Geweld (himsā) is het schaden van de prāṇa’s
[levensenergieën] door vibraties die uit hartstocht voortvloeien.
– Tattvārthadhigama Sūtra
vii:13
Geweld is elke schade die wordt toegebracht aan
de materiële of bewuste prāṇa’s, veroorzaakt
door hartstochtelijke activiteit van de geest, het lichaam of het
spreken; zeker, het niet-optreden van gehechtheid en andere hartstochten
is ahimsā.
– Purushārthasiddhi
Upayā iv:43-44
Geweld is het grootste obstakel voor het geestelijk
ontwaken; iemand die zich bezighoudt met het berokkenen van schade
aan levende wezens zal de verlichting niet bereiken; het berokkenen
van schade aan levende wezens is altijd schadelijk voor de dader –
het is de voornaamste oorzaak dat men niet verlicht is.
–
Āchāranga Sûtra i:1.2
Wetende dat alle kwaad en verdriet voortkomen uit
het schaden van levende wezens en dat dit leidt tot eindeloze vijandschap
en haat en de grondoorzaak is voor grote angst, onthoudt een wijs
mens zich van elke zondige activiteit.
–
Sūtrakritānga Sūtra i.10.21
Ziende dat alles wat iemand overkomt, hem persoonlijk
treft, dient men vriendelijk te zijn tegenover alle wezens; men dient
volkomen vrij te zijn van angst en haat, en dient nooit enig levend
wezen schade te berokkenen. – Uttarādhyayana
Sūtra vi:6
Alle levende wezens verlangen ernaar om te leven.
Niemand wenst te sterven. Dat is de reden dat jainmonniken de vreselijke
zonde van het schaden van levende wezens vermijden.
– Daśavaikālika Sūtra vi:11
En de krachtigste stellingname van alle vindt men in de Jñānārṇava:
‘Geweld is de poort naar de toestand van ellende; het is ook de
oceaan van zonde, het is op zichzelf een vreselijke hel en zeker de
donkerste duisternis. Als iemand gewoon is schade te berokkenen, dan
zijn al zijn deugden als onzelfzuchtigheid, grootsheid, niet-verlangen,
moeilijke boetedoening, lichamelijk lijden en vrijgevigheid of generositeit
waardeloos’ (8.19-20).
In menselijke verhoudingen vormen respect en begrip de grondslag van
geweldloosheid. De grote jainleraar Mahāvīra (6de eeuw v.Chr.)
zei: ‘Als men zich vasthoudt aan een of vele aspecten van een
ding terwijl men de andere negeert of verwerpt, kan men nooit de waarheid
bereiken.’ In de anekāntaleer van de jains (anekānta
betekent ‘vele aspecten’) toont de waarheid zich aan de
waarnemer in vele aspecten, en slechts degene die volledig inzicht heeft
bereikt kan de waarheid in haar geheel zien. Niemand op aarde heeft
het volledige inzicht, en het kan zijn dat iemand die even intelligent
en serieus is dezelfde waarheid van een andere kant bekijkt, zodat hun
opvattingen niet met elkaar lijken te rijmen (want elk is een syādvāda,
van syāt, ‘vanuit één standpunt gezien’).
De ethische consequentie van deze leer is dat men fundamenteel
een ander nooit kan verwijten het verkeerde standpunt te hebben terwijl
men zelf het juiste heeft. Beide opvattingen kunnen tenslotte juist
blijken te zijn, hoewel slechts gedeeltelijk. Twee visies kunnen onverenigbaar
lijken, maar in werkelijkheid is er slechts sprake van een paradox:
heeft men eenmaal een dieper inzicht, dan ziet men dat beide opvattingen
aspecten van dezelfde waarheid zijn, of dat beide slechts een onvolmaakte
opvatting van de waarheid vertegenwoordigen.
Een voorbeeld dat men bij zowel jains als boeddhisten en soefi’s
kan terugvinden, is dat van de blinden en de olifant. De ene blinde
betast de slurf, de andere een slagtand, de derde een oor – en
allemaal komen ze tot een heel verschillende conclusie over wat een
olifant is. Ze krijgen ruzie. Dan komt er toevallig een ziende langs.
Die zegt dat ze allemaal gelijk hebben, maar ook allemaal ongelijk.
In vergelijking met een alwetend en alziend geestelijk wezen zijn wij
allemaal blinden.
Anekāntavāda is dus de leer omtrent hoe de waarheid zich
aan ons presenteert, en syādvāda is de leer die aangeeft
dat wij er op verschillende manieren naar kunnen kijken. Dan is er de
nayavāda, de theorie omtrent de deelkennis. Hoewel er
verschillende standpunten zijn die geen van alle de totale waarheid
omvatten, bevat ieder een kern van waarheid. Daarom is het altijd nuttig
te trachten de ander te begrijpen, want ook zijn of haar verhaal bevat
een kern van waarheid. Te trachten om elkaar met woorden (en eventueel
met wapens) te bevechten om gelijk te krijgen is een vorm van geweld
en volkomen in strijd met deze filosofie. Deze drie overal voorkomende
benaderingen van de waarheid zijn het gevolg van het menselijke denkvermogen
dat in zijn huidige evolutiestadium van nature verdeeldheid brengt,
omdat het het geheel niet kan begrijpen. Maar als we eenmaal inzien
dat die verstandelijke activiteit ons nooit tot voorbij haar natuurlijke
beperkingen kan leiden, zullen we beseffen dat we het hogere pad van
onthechting van alle illusies of ‘gedeeltelijke waarheden’
moeten zoeken, en onze meditatie uitsluitend moeten richten op wat daarachter
ligt. Deze reis kan levens in beslag nemen, maar zodra we de eerste
stap hebben gezet, kunnen dood en wedergeboorte ons niet afhouden van
het bereiken van ons doel. Met minder zullen we nooit meer tevreden
zijn.
Een grote paradox waarmee de wereld als geheel worstelt betreft juist
deze filosofie van ahimsā en anekānta: als de andere partij
niet bereid is zich geweldloos te gedragen, wat moeten we dan doen?
Op het persoonlijke niveau kunnen we de ‘andere wang’ toekeren
naar onze tegenstander en keer op keer het kwaad dat hij ons heeft aangedaan
vergeven. Dit is de werkelijke oefening van ahimsā. Maar op het
niveau van de samenleving wordt het probleem anders: Moeten we strijden
tegen terroristen? Moeten we tolereren dat grote industriële ondernemingen
het milieu vernietigen en hun standpunt respecteren? Moeten we hen als
onvermijdelijke instrumenten van karma beschouwen, die de onaangename
taak vervullen van het vernietigen van het oude zodat daaruit iets nieuws
kan worden geboren en groeien?
Wat terroristen betreft: zolang ze onpersoonlijk een ideaal dienen dat
anders is dan een persoonlijke privéfrustratie, denken ze waarschijnlijk
dat ze het best mogelijke voor hun volk, religie, ethiek, of wat hun
overtuiging ook is, doen – hoezeer ze ook door onwetendheid zijn
verblind over de werkelijke betekenis van religie en dienstbaarheid.
De jainleringen zeggen dat we moeten proberen de kern van hun motivatie
te begrijpen en van de oorzaak van die gevoelens en van de gevoelens
van hen die ze vertegenwoordigen. Wanneer twee mensen of groepen zoals
landen of religieuze broederschappen gewikkeld zijn in een onplezierige
relatie, dan zijn beiden onderdeel van het probleem, beiden lijden uit
onwetendheid, vooral over de werkelijke innerlijke bedoelingen van de
ander – waarvoor ze misschien bereid zijn om comfort en bezittingen,
hun familie en zelfs hun leven op te geven. Beiden denken misschien
dat ze het universele goed van een goddelijk plan of rechtvaardigheid
dienen. Beiden worden misschien gedreven door mededogen – hoewel
beperkt door onvoldoende wijsheid. Een terrorist voor de een is misschien
een held voor een ander; een nationale leider is misschien een duivel
voor mensen van de andere partij die lijden. Gesprekken en de ernstige
bereidheid om te luisteren en te begrijpen kunnen de ergste vijanden
omvormen tot de beste vrienden, die elkaar herkennen als broeders die
hetzelfde doel dienen van een hogere menselijke waardigheid en bestemming.
Als dus anekānta wordt toegepast, kunnen daardoor enorme hoeveelheden
angst, onbegrip, en lijden bij de menselijke gemeenschap worden vermeden
(en zelfs bij de dieren en andere gemeenschappen die gewoonlijk tijdens
onze conflicten worden vergeten).
Maar hoe vaak we de ‘andere wang’ ook toekeren, hoeveel
we ook praten en proberen te begrijpen, sommigen zullen altijd vijanden
blijven door hun eigen karakter. Laten de partijen in zo’n geval
strijden met woorden en een psychische confrontatie op zo klein mogelijke
schaal – liefst op het persoonlijke niveau – en laat zo
min mogelijk mensen daarbij betrokken raken. Karma is de enige werkelijke
rechter. Laat de karmische schuld zo klein mogelijk zijn. Toen de twee
zonen van de eerste Indiase koning met elkaar in conflict kwamen, waarbij
de macht over de hele wereld op het spel stond, hadden beiden sterke
legers maar besloten geen lijden te laten komen over hun duizenden onderdanen,
en dus vochten ze persoonlijk tot een van hen de overwinning behaalde
(en daarna werden ze vrienden).
Wat het ‘tolereren’ van vernietigende krachten betreft die
uit zelfzucht zijn voortgekomen: als wijzelf en onze gekozen regeringen
niet dezelfde zelfzuchtige houding van onverschilligheid zouden hebben,
dan zou de mensheid vanzelfsprekend wetten ontwerpen die zulk gedrag
onmogelijk maken. Zelfs zij die onbekommerd vernietigen zullen tenslotte
de rechtvaardigheid van zulke wetten erkennen en zich eraan onderwerpen,
hoewel het generaties kan duren voordat deze visie de norm wordt. Zoals
misdadigers zich slechts voeden met de gedachten die we gezamenlijk
koesteren, is zelfs de meest fatsoenlijke man of vrouw tot op zekere
hoogte verantwoordelijk voor het reilen en zeilen in de wereld. Niet
zo lang geleden, in de 19de eeuw, werden protesten tegen slavernij bespot;
tegenwoordig beschouwen we slavernij als iets volslagen onmenselijks
en verachtelijks. Zal over een of twee eeuwen hetzelfde niet worden
gezegd over onze huidige houding ten opzichte van het milieu en onze
wreedheid tegen dieren? Laten we de zaden zaaien voor die toekomstige
eeuwen.
Er zijn evenveel standpunten als er denkers zijn, maar geen van alle
zijn ze helemaal perfect. Zo vertoont de wereld een rijkdom aan filosofieën
die allemaal het resultaat zijn van diep menselijk denkwerk. Maar omdat
geen enkele aan de stof gebonden, beperkte, ziel het universum in zijn
geheel kan waarnemen in al zijn aspecten, blijven al die denkers beïnvloed
door hun persoonlijke context. Dat neemt niet weg dat de ene opvatting
meer waarheid kan bevatten dan de andere, of dat opvattingen geheel
onjuist kunnen zijn. Als men dat uit het oog zou verliezen zou men tot
een luie tolerantie en daarmee goedkeuring van elke opvatting kunnen
komen – zonder enige verwijzing naar universele waarheid of ethiek.
Jains zijn geen postmodernisten. Er is een uiteindelijke waarheid die
alles betreft en omvat, en die kan en zal gekend worden. Jains zijn
vaak harde vechters gebleken als het ging om disputen, maar met het
doel om dichter bij werkelijk begrip te komen en de diepste waarheid
die ze kunnen begrijpen te verdedigen. Maar gevoelens van respect en
tolerantie blijven in hun gemoed aanwezig, wetende dat ook zij niet
alles weten en zien, maar dat ooit wel zullen doen, evenals hun tegenstanders.
|