In de Griekse mysteriën komen zuiveringsriten
op de eerste plaats. Daarna volgen de kleine mysteriën die enkele
beginselen van onderricht omvatten en voorbereidingen op wat daarna
komt. En dan de grote mysteriën waarin men alles over het universum
leert en men de natuur en andere zaken overdenkt en leert begrijpen.
– Clemens van Alexandrië
In het oude Griekenland waren de Eleusinische mysteriën het meest
bekend. Mysteriën waren religieuze gebruiken die werden gekenmerkt
door inwijdingsriten, zuiverende en extatische gebruiken, en een eed
van geheimhouding. Eleuseos betekent ‘de komst’,
en het woord Eleusinisch verwijst dus naar een spirituele geboorte.
Mysterion betekent de mond of ogen dichtdoen; in de wortel
ervan mu wordt de klank die men met gesloten lippen maakt,
nagebootst. Mysteria betekende dus een gebeurtenis die werd
gekenmerkt door het sluiten van de lippen, het sluiten van de ogen,
en het ingaan in de duisternis. De reis van het bewustzijn was vanaf
dat moment in feite een mysterie, en toch zullen we deze mysteriën
nu gaan verkennen.
De riten in Eleusis waren gebaseerd op legenden over de edele moeder
Demeter en haar dochter Persephone. De oudste opgetekende bron van deze
mythe is de Homerische Hymne aan Demeter, die ongeveer dateert
uit de 7de eeuw v.Chr., en die als volgt kan worden samengevat:
Persephone die in een weide aan het spelen was, zag plotseling een
grote en wonderschone narcis. Toen ze haar hand ernaar uitstak, week
de grond uiteen en verscheen de duistere heer van de onderwereld,
Hades, in zijn gouden strijdwagen. Hij nam haar mee terwijl zij Zeus
en de goden om hulp riep. Demeter hoorde haar en ging haastig kijken
wat er was gebeurd. Negen dagen lang zwierf ze over de aarde. Op de
tiende dag richtte ze zich tot de zon die op zijn dagelijkse reis
alles ziet. Hij vertelde dat Zeus Persephone aan zijn broer Hades
had gegeven om zijn vrouw te worden.
Demeter, vervuld van verdriet, was boos. Ze legde alle tekenen van
haar goddelijkheid af en zwierf als oude vrouw over de aarde op zoek
naar haar dochter. In Eleusis zat ze aan de rand van een stad naast
een bron; Clemens van Alexandrië merkte op dat het zitten op
een bron ‘voor ingewijden zelfs nu verboden is, omdat ze anders
de huilende godin zouden nabootsen.’ Keleos’ vier jonge
dochters wilden haar helpen, en met hun moeders goedkeuring brachten
ze haar naar huis. Toen ze over de drempel stapte, raakte de oude
vrouw de dakspant met haar hoofd en vulde een hemels licht de kamer.
De familie was vol verbazing en angst, maar niemand had door dat ze
een godin was. De moeder van het meisje, Metaneira, bood haar een
goede stoel aan, maar Demeter stond stil zonder iets te zeggen. Uiteindelijk
bood een kamermeisje haar een bankje aan dat was bedekt met een witte
schapenvacht. Demeter ging zitten, bedekte zich met haar sluier, en
wachtte in stilte, treurend om haar dochter. Dit verwijst naar de
stilte van de mysteriën en naar de met een schapenvacht bedekte
stoel waarop de ingewijde zat. Het kamermeisje probeerde een glimlach
op het gezicht van Demeter teweeg te brengen. Metaneira bracht een
bokaal zoete wijn, maar de godin weigerde, en vroeg in plaats daarvan
om een drank van gerst, water, en munt, wat verwijst naar de mysteriedrank.
Later geeft Metaneira haar baby aan Demeter zodat ze die kan opvoeden.
Demeter voedde het jongetje in het geheim alleen met de vruchtennectar
van de goden, en ’s nachts verborg ze hem als een stuk hout
tussen de sintels van het vuur. Zo groeide hij op als een god, maar
op een avond bespioneerde Metaneira haar en slaakte een kreet toen
ze haar zoon in het vuur zag. Woedend graaide Demeter hem eruit en
verklaarde dat hij leeftijdloos en onsterfelijk zou zijn geworden.
Terwijl ze zichzelf onthult als godin, vroeg ze de mensen van Eleusis
een grote tempel te bouwen waarin ze hen haar riten zou onderwijzen.
Toen de tempel klaar was, zat Demeter daar te treuren om haar dochter.
De lente brak aan maar op de velden groeide niets, want de diepbedroefde
Moeder Natuur hield de zaden zonder te ontkiemen in de grond. De mensheid
zou ten gronde zijn gegaan, maar Zeus zag het en stuurde de ene Olympiër
na de andere om haar tot de orde te roepen, maar ze negeerde hen allemaal,
ontroostbaar tot ze haar dochter zou zien.
Uiteindelijk zond Zeus Hermes, gids van de zielen van de doden, om
Hades dringend te verzoeken Persephone vrij te laten. Hermes leidde
haar naar de wereld erboven en Demeter rende naar haar toe en vroeg:
‘Toen je in de onderwereld was heb je toch zeker niets gegeten?
Want als dat wel zo is, zul je slechts een derde van de seizoenen
terugkeren.’ Persephone gaf toe dat ze door een list was verleid
om een paar granaatappelzaden te eten, en dat ze daarom een derde
van elk jaar als koningin van de onderwereld moest doorbrengen en
twee derde bij de rest van de goden. Nu liet Demeter de kracht vrij
die de zaden doet ontkiemen, groeien, en bloesems en oogst doet voortbrengen.
En vóór ze terugkeerde tot de gelederen van de onsterfelijken
onderwees ze de leiders van Eleusis in de heilige mysteriën.
Demeter, een van de twaalf Olympische goden, vertegenwoordigde de vruchtbaarheid
van de aarde. Toen Persephone de aarde verliet, stierven de bloemen
en verdorde het graan, maar toen ze terugkeerde kwam alles opnieuw tot
leven. In hun meest eenvoudige vorm symboliseerden deze religieuze rituelen
de jaarlijkse dood en herleving van vegetatie. Maar de mythe verwijst
meer in het bijzonder naar de groeikracht die in het zaad ligt besloten.
Daarin ligt het mysterie. Porphyrius schreef dat Demeter ‘Persephone
als dochter bij Zeus krijgt, dat wil zeggen, ze brengt vanuit plantenzaden
scheuten voort. . . . er lag in de zaden die in de aarde zijn geworpen
een bepaalde kracht besloten . . . Persephone is de kiemkracht.’1
In één betekenis is Persephone dus het zaad dat in de
grond is geworpen die haar krachten gebruikt om de zaden tot groei aan
te zetten. Maar in een andere betekenis is ze de ziel die in de stoffelijke
wereld is geworpen die haar krachten gebruikt om rondom de ziel het
lichaam van een foetus op te bouwen – de negendaagse inwijding
komt overeen met de negen maanden van embryonale opbouw van de stof.
Omdat Persephone granaatappelzaden uit de fysieke onderwereld at, kan
ze niet permanent naar de wereld erboven terugkeren – de ziel
blijft gekleurd door en gekluisterd aan lichamelijke stof. De Eleusinische
mysteriën waren een poging om een verbinding tussen de menselijke
ziel en het goddelijke bewustzijn tot stand te brengen en persoonlijk
te ervaren, en zich voor te bereiden op de toestand na de dood wanneer
de ziel iets van zijn goddelijke toestand kan herwinnen. Demeters zoektocht
naar haar dochter, schreef H.P. Blavatsky, ‘is een sluier voor
het transcendente verhaal van de ingewijde zieners; de hemelse visie
van de bevrijde ziel van de ingewijde van het laatste uur die het proces
beschrijft door middel waarvan de ziel die nog niet is ingewijd voor
het eerst afdaalt in de stof’ (Isis Unveiled 2:111).
De plaats van de mysteriën, Eleusis, was een kuststad vlak ten
westen van Athene waar de rivier Cephisus uitmondt in de Egeïsche
Zee. In de oudheid stond daar een tempel voor Demeter die deel uitmaakte
van een complex van andere gebouwen. In hun hoogtijdagen werden de Eleusinische
mysteriën in Griekenland en het Romeinse Rijk een belangrijk religieus
instituut, maar de inwijdingsriten werden voor het grootste deel geheimgehouden.
Klassieke schrijvers hebben ons echter voldoende informatie nagelaten
voor een algemene schets van hun inhoud en doel. Volgens de 6de eeuwse
neoplatonist Olympiodorus waren er vijf graden. De eerste twee hadden
betrekking op rituele zuivering. De derde graad bestond uit ceremoniën
om de initiant voor te bereiden. De vierde graad was de kleine mysteriën,
gewijd aan Persephone, en de succesvolle ingewijde werd mystes
genoemd, iemand die is ingewijd. De vijfde graad was de grote mysteriën
van Demeter, en de succesvolle ingewijde werd epoptes genoemd,
iemand die heeft gezien. Een kandidaat die niet erin slaagde een van
de graden te verwerven moest 5 stadia van zuivering en voorbereiding
ondergaan voordat hij verder kon met de volgende graad.
|
Ruïnes
van het Telesterion in Eleusis |
Het is onduidelijk hoe vaak de Eleusinische mysteriën werden gevierd.
De kleine mysteriën werden waarschijnlijk ieder jaar gehouden;
de grote mysteriën slechts iedere vijf jaar. De kleine werden gevierd
omstreeks de lentenachtevening; de grote waren verbonden met de herfstnachtevening.
De kleine mysteriën werden gehouden in het dorp Agrae op de oevers
van de rivier Ilissus ten oosten van de Akropolis van Athene. Ze omvatten
zuiveringsriten, gewijde toneelvoorstellingen, en een grote processie
van Athene naar Eleusis. Vasten ging aan deelname in de mysteriën
vooraf, en daarna werd de initiant gezuiverd in de rivier. Vervolgens
zwoer de initiant, staande met zijn voeten op de huiden van dieren die
waren geofferd aan Zeus, een eed van geheimhouding die werd afgenomen
door de hiërofant of mystagoog. De mysteriën die volgden hadden
te maken met de gevangenneming van Persephone door Hades en haar daaropvolgende
verblijf in de onderwereld. Na in toneelvoorstellingen dingen na te
hebben nagespeeld, werden de initianten verondersteld de verschrikkelijke
aspecten van de onderwereld te kennen en te beseffen dat het belangrijk
is een deugdzaam leven te leiden in de hoop op een beter leven na de
dood.
In een andere betekenis is de onderwereld de wereld van de stof waarin
de ziel op aarde wordt geboren. Psyche, de ziel in ons, wordt voorgesteld
als Persephone, een maagd in de spirituele rijken onbezoedeld door de
stof. Als de ziel eenmaal rondom zichzelf een lichaam van stof heeft
opgebouwd – met andere woorden, wordt geboren – is ze niet
langer vrij. Ze is ontvoerd naar de aardse sfeer, wat wordt gesymboliseerd
door de neerdaling in Hades, het lichaam en de wereld van de stof die
de goddelijke ziel aanvalt en meevoert. Maar de ziel, gevangen in de
listen van de stof, begint al snel plezier te beleven aan haar leidersrol,
op dezelfde manier als Persephone het leuk begon te vinden koningin
te zijn. Evenals Persephone is de ziel slechts een deel van het jaar
in Hades – incarnatie is een cyclisch proces. Maar de ziel hoeft
niet op de dood te wachten om met haar opgang te beginnen. De mysteriën
nemen het standpunt in dat de ziel haar vrijheid wil herwinnen en dat
dit op aarde mogelijk is door zulke gebruiken als vasten en zuivering,
door inwijding, en tijdens diepe slaap. Bovendien, als we op aarde geen
begin maken met zulke gebruiken, dan zal de ziel haar verlangens naar
materiële dingen meenemen naar de toestand na de dood en op verschillende
manieren worden gemarteld en gekweld door haar hunkeringen naar genoegens
en bezittingen die ze niet langer kan koesteren.
De succesvolle ingewijden in de kleine mysteriën konden zich gaan
voorbereiden op de mysteriën van Demeter. De voornaamste bron voor
de volgorde van de gebeurtenissen is Hesychius van Alexandrië,
een taalkundige uit de 5de eeuw v.Chr., maar in feite hebben we heel
weinig oude informatie over de bijzonderheden van zowel de kleine als
de grote mysteriën van Eleusis, en onder wetenschappers bestaat
er over dit onderwerp geen overeenstemming. Volgens één
reconstructie kwamen de ingewijden op de eerste dag bijeen, gaven er
blijk van aan de vereisten te voldoen, en begonnen hun voorbereidingen.
Op de tweede dag liep de groep vastberaden naar de zee en baadden ze
in de Saronische Golf bij Eleusis. Zeewater werd beschouwd als een remedie
tegen sommige ziekten, en bij deze ceremonie werd het waarschijnlijk
gebruikt voor zuivering. Op de derde dag vastten de initianten en richtten
ze zich, ter nagedachtenis aan Demeters zoektocht naar haar dochter,
op dingen voorbij het stoffelijke. Op de vierde dag werd er een offer
gebracht aan Demeter en Persephone. Voor de Grieken was een offerplechtigheid
een feest waarvan alle deelnemers genoten, uitgevoerd op een manier
die de goden tevredenstelden. Sommige dagen van de grote mysteriën
werden ook begeleid door gymnastische voorstellingen, muziek, en andere
openbare voorstellingen.
|
Eleusinische
figuren. Vaas 335-325 v.Chr. (St. Petersburg, Staatsmuseum Hermitage) |
Op de vijfde dag liepen de initianten ernstig twee aan twee, met ieder
een toorts in de hand, de tempel van Demeter in Eleusis binnen, geleid
door een toortsdrager die de zon voorstelde. Deze ceremonie kwam overeen
met Demeters zoektocht met toortslicht naar haar dochter. Volgens sommige
auteurs was de zesde dag daarentegen een vrolijk feest van de god Dionysus
of Bacchus, waar een processie werd geleid door de drager van het beeld
van de godheid, en de initianten een kroon van mirtenbladeren droegen
en waren voorzien van een Bacchusstaf versierd met klimop- en druivenbladeren.
Dionysus was evenals Demeter gedeeltelijk een god van de landbouw: zij
vertegenwoordigde graan of brood, en hij vertegenwoordigde wijn. Bovendien
was Demeter of Ceres in de woorden van Blavatsky ‘het vrouwelijke
voortbrengende beginsel van de aarde; de echtgenote van Vader
Aether, of Zeus; en Bacchus, de zoon van Zeus-Jupiter, was zijn vader
in gemanifesteerde vorm; met andere woorden, Ceres en Bacchus waren
de personificaties van substantie en geest, de twee leven schenkende
beginselen in de natuur en op aarde’ (Collected Writings
11:93-4). Brood en wijn vonden later hun weg naar de christelijke eucharistie.
Op de avond van de zesde dag werd begonnen met de hoogste inwijdingsceremonie
in de buitenhof van het Telesterion (de tempel). Omdat er geen onbetwiste
verslagen van de ceremonie zijn, geven we één reconstructie
van de gebeurtenissen: De begeleider of heraut, die overeenkomt met
Hermes als gids van de zielen, nam iedere initiant een ernstige eed
van geheimhouding af; deze antwoordde dan met wachtwoorden. Initianten
trokken vervolgens nieuwe kleren aan bedekt met de huid van een jong
hert, wat hun spirituele wedergeboorte symboliseerde. Aan het eind van
de ceremonie werden alle lichten gedoofd. In de volledige duisternis
flitste de bliksem, rolde de donder, en werden onaardse geluiden gehoord,
symbolen voor Tartaros, de verschrikkelijke hel van hen die niet met
de natuur meewerken, en ook de wereld die uit de chaos tevoorschijn
komt onder leiding van de demiurg of schepper die de ruwe natuurkrachten
liet werken om vorm te geven aan een nieuwe toestand. Initianten werden
dan naar het innerlijke heiligdom geleid dat intens was verlicht. Daar
zagen ze een schitterend beeld van Demeter in een epifanie die autopsia
werd genoemd, het zien met eigen ogen. Het was een herschepping van
de hemel, met harmonische tonen en verblindend licht, ter voorbereiding
op de ervaring van de hoogste hemel na de dood. Dit doet denken aan
Apuleius’ opmerkingen over de mysteriën van Isis in zijn
Metamorfosen of De gouden ezel:
Ik naderde de poorten van de dood en zette één
voet op de drempel van Persephone, en toch werd me toegestaan terug
te keren, in vervoering door alle elementen heen. Rond middernacht
zag ik de zon schijnen alsof het middag was; ik kwam in de tegenwoordigheid
van de goden van de onderwereld en van de goden van de bovenwereld,
stond naast hen en betoonde hen eer.
Het verband tussen inwijding en dood werd ook onder woorden gebracht
door Plutarchus:
Eerst is er sprake van zwerftochten, en vermoeiende
omzwervingen, en angstige reizen door duisternis zonder einde. Dan
is er elke soort van verschrikking, huiveringen en rillingen en transpiratie
en ongerustheid. Maar daarna verschijnt er een prachtig licht, en
wachten u open ruimten en weiden, met stemmen en dansen en de plechtigheden
van heilige uitingen en heilige visioenen. Daar loopt men uit eigen
wil rond, nu volmaakt en ingewijd en vrij, en met een kroon op viert
men de religieuze riten en ontmoet men zuivere en rechtschapen mensen.
Zo iemand ziet toe op de niet-ingewijden en niet-gezuiverde menigte
mensen die hier leven, die zijn samengepakt en in diepe modder en
blubber op elkaar trappen, maar die vasthouden aan hun slechte gewoonten
uit angst voor de dood, omdat ze niet geloven in de goede dingen die
er in de andere wereld zijn.
– Geciteerd in Stobaeus, Anthologie
4.52.49
Hij zei ook:
Van de keren dat we sterven, maakt de ene van de
mens twee uit drie [ziel, geest en lichaam], en de andere één
van twee [geest vanuit de ziel]. De eerste dood vindt plaats in het
gebied en onder de bevoegdheid van Demeter [moeder aarde]. Volgens
de Atheners waren de doden gewijd aan Demeter. Wat de andere dood
betreft, die vindt plaats in de maan, of het gebied van Persephone
. . . De fysieke dood vindt plotseling plaats en neemt met kracht
en geweld de ziel weg uit het lichaam; maar Persephone maakt over
een langere periode zachtjes het inzicht [nous] van de ziel [psyche]
los.
– ‘Over het gezicht dat is te
zien op de maanschijf’, 943
Het hoogtepunt van de grote mysteriën, die aan hen die gevoelig
genoeg zijn om dat te zien iets van de mysteriën van schepping,
groei, en het bewustzijn na de dood onthulden, sloot af met de woorden
konx om pax, die nergens anders in het Grieks voorkomen. Daarna
was er stilte.
Op dag zeven liepen de initianten ongeveer tien mijl van Eleusis naar
Athene, stopten om de plek van de eerste vijgenboom te zien en bij de
brug die de rivier Cephisus overspant, waar de lokale bevolking de initianten
plaagden, een weergave van de pogingen van het kamermeisje om Demeter
aan het lachen te maken. Op de achtste dag kregen laatkomers bij het
Eleusinische mysterie, of diegenen die een dag hadden gemist, een kans
om weer bij te raken omdat, volgens de legende, de goddelijke genezer
Asklepios laat naar de viering was gekomen. Op de negende en laatste
dag begon de ceremonie vóór zonsopkomst. Een vat gevuld
met een mengsel van wijn en water werd langzaam uitgegoten in de richting
van de opkomende zon, omdat het oosten Zeus toebehoort. Een tweede vat
werd eveneens uitgegoten in de richting van de ondergaande zon, omdat
het westen Hades toebehoort. Terwijl deze vaten werden uitgegoten, keken
de initianten afwisselend naar de hemel en de aarde, ter ere van de
hemel de vader van alle dingen en de aarde de moeder van alle dingen.
De succesvolle kandidaat in de Eleusinische mysteriën was gezuiverd,
ingewijd, en had uiteindelijk een verandering van bewustzijn ondergaan
waarin een besef van het goddelijke werd bereikt. Iemand die enkele
van de mysteriën van leven en dood had begrepen werd een epoptes
genoemd, wat oorspronkelijk een ziener betekende, een ooggetuige, iemand
die de dingen ziet zoals ze werkelijk zijn. Blavatsky legde uit dat
in de mysteriën een epoptes ‘dat stadium van goddelijke helderziendheid
betekent waarin alles dat behoort tot deze aarde verdwijnt, en het aardse
gezicht wordt verlamd, en de vrije en zuivere ziel wordt verenigd met
haar geest, of god’ (Isis Unveiled 2:90). Dit wordt verricht
door het noëtische of intuïtieve deel van ons bewustzijn.
Proclus schreef, ‘de inwijding en epopteia zijn symbolen voor
onuitsprekelijke stilte, en van vereniging met mystieke naturen, door
begrijpelijke [of noëtische] visioenen’ (Theologie van
Plato, bk. iv). Het doel van de mysteriën was om de nous
of het hogere bewustzijn te activeren. Iemand die erin slaagde zijn
bewustzijn te transformeren, ervoer werkelijk een visioen en een openbaring,
en kon zichzelf ‘iemand die ziet’ noemen.
De Eleusinische mysteriën omvatten waarschijnlijk mystieke visioenen.
Er zijn verschillende kunstmatige middelen om deze teweeg te brengen,
waaronder vasten, een overvloed aan indrukwekkende kennis, en dranken.
Een deel van het Eleusinische ritueel betrof waarschijnlijk het gebruik
van een entheogeen of plantaardige alkaloïde in een drank die kykeon
werd genoemd. In de Ilias en Odyssee waren de basisingrediënten
van kykeon ‘gerstemeel, geraspte kaas, honing’ en een sterke
rode wijn. De vloeibaarheid ervan was als die van een dikke soep. In
de Homerische Hymne aan Demeter bevatte het geen wijn en was
het een pap van gerst, water en polei. Blavatsky noemt de epoptes iemand
die door een openbaring heeft gezien ‘in geen geval door een menselijke
middelaar, maar door het ‘ontvangen van de heilige drank’.
In India ontvingen de ingewijden ‘Soma’, een heilige drank
die de ziel hielp om zich van het lichaam te bevrijden; en in de Eleusinische
mysteriën was het de heilige drank die bij de epopteia werd geofferd’
(Isis Unveiled 2:91vn).
Een ander onderdeel van de Eleusinische mysteriën was een mand
of kist die eenvoudige voorwerpen met symbolische betekenissen bevatte,
verboden voor niet-ingewijden. Clemens van Alexandrië onthult het
antwoord van de initiant: ‘Het volgende is het teken [of wachtwoord]
van de Eleusinische mysteriën: ik heb gevast, ik heb kykeon gedronken;
ik heb ontvangen uit de doos; na dit te hebben gedaan, heb ik het in
de mand gelegd, en vanuit de mand in de kist’ (Protreptikos
2.18). Hippolytus verstrekt verdere informatie in zijn anti-gnostische
Philosophumena of Weerlegging van alle ketterijen (5.8.39):
‘Wanneer de Atheners mensen inwijden in de Eleusinia, tonen ze
in stilte aan de epoptai het machtige en wonderbaarlijke en meest volledige
epoptische mysterie, een tarweaar. Maar deze tarweaar wordt door de
Atheners ook beschouwd als een voorstelling van de volmaakte grootse
verlichting die is neergedaald vanuit het onuitsprekelijke, zoals de
hiërofant zelf verklaart.’ Een deel van de eerbied kan worden
gericht op de bron van de voortbrengende kracht in het zaad, want die
voortbrengende kracht is zelfs voor mensen van onze tijd een mysterie,
die de mechanismen van DNA en RNA en de overdracht van genen kennen,
maar die niet begrijpen waaruit zulke onderling afhankelijke processen
zijn voortgekomen. Misschien werd de initiant innerlijk getransformeerd
door het ondergaan van een soort bewuste dood, evenals de stervende
graankorrel.
Inwijding in de oude mysteriën was voor hen die het ernstig en
serieus namen een voorbereiding van de ziel op de bewustzijnstoestanden
na de dood. Enkele, waaronder de Griekse mysteriën, omschreven
inwijding als de tijdelijke overgang van iemands bewustzijn of ziel
naar andere stadia van zijn, zoals het ervaren van de dood en de onderwereld,
terwijl men nog leeft. Met een citaat uit Olympiodorus’ Commentaren
op Plato’s Phaedo, werpt Osvald Sirén licht op dit
proces:
Het doel van de teletē (verlichting
bereikt door inwijding) is de zielen weer te doen opstijgen naar het
gebied waaruit zij in het begin van de tijd, toen Dionysos ze voor
het eerst op de troon van zijn vader Zeus plaatste, zijn afgedaald:
de etherische toestand. De ingewijde verblijft dan in de sferen van
de goden, onder leiding van de god door wie hij werd ingewijd. Er
zijn twee soorten inwijdingen: die welke hier beneden plaatsvinden
en ter voorbereiding dienen, en die welke aan de overzijde plaatsvinden
en die (voorzover ik weet) ook tweevoudig zijn, d.w.z. die welke behoren
tot de tunica pneumatica (het etherische gewaad), d.w.z.
het bevrijden van de oester van zijn stoffelijke schaal, en die welke
betrekking hebben op de tunica luminosa (het spirituele gewaad
van nous).
– Het Theosofisch Forum,
mei 1939, blz. 202-3
We weten niet in detail hoe de Eleusinische inwijdingen precies werden
volbracht – deze waren immers mysteriën die door
geloften van geheimhouding werden beschermd. Maar we weten wel, zoals
H.P. Blavatsky schreef, dat ‘Het doel van de mysteriën was
om de ziel tot haar oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen, of
die toestand of volmaaktheid van waaruit ze was gevallen.’
Noot
- Over beelden, fragmenten 6, 7.