Het verhaal in de Bergrede over de man die op het altaar een offer
brengt is een duidelijke aanwijzing voor de opvatting die Jezus over
de innerlijke motivatie van religie moet hebben gehad. Hij geloofde
kennelijk dat de essentie van religie de innerlijke houding is en niet
het uiterlijke ritueel, zoals het brengen van een offer. Jezus zei dat
als u een offer brengt en u boos bent op een medemens, u ‘uw gave
daar, vóór het altaar, moet laten; u zich eerst met uw
broeder moet verzoenen en dan uw gave moet aanbieden.’ Hij zei
niet dat het voldoende is om met uw broeder verzoend te zijn: verzoen
u eerst met ieder van wie u bent vervreemd, en breng dan uw
offer.
We kunnen ons afvragen waarom we met de mensen verzoend moeten zijn,
want als een verzoening tot stand moet komen, moet er eerst onenigheid
zijn geweest. Dit is een normale vraag, want verzoening betekent ‘weer
vriendschap sluiten, de harmonie herstellen’. Hoe meer ik erover
nadenk des te meer besef ik dat dit precies is wat hier wordt bedoeld,
want het proces van vriendschap is niet alleen maar het verder bouwen
aan iets dat al in overvloed bestaat, maar de ontwikkeling van een geest
van verzoening met iemand met wie we niet meer in harmonie leven.
De pasgeboren baby kent het probleem van de vervreemding niet. Hij
steekt zijn handjes uit naar iedereen die dicht bij hem komt. Het duurt
echter niet lang of het opgroeiende kind beseft dat er een verschil
is tussen mensen: daar is zijn moeder, zijn vader en zijn familie; en
er zijn personen die verder van hem af staan. Tenslotte komt de vervreemding
in zijn leven en zal hij misschien zelfs zijn ouders afwijzen. Van nature
staan de meesten van ons niet volledig voor anderen open. We hebben
ons te vaak gebrand als we onze vriendschap aanboden en kregen hoon
of bewijzen van vijandschap als we ons hart openstelden. Maar weinig
mensen zijn zo gelukkig en tevreden met de wereld en iedereen daarin
dat ze, ook als ze volwassen zijn, nog altijd instinctief iedereen die
ze ontmoeten willen omarmen. Dat zou natuurlijk rampzalig zijn en daarvan
zijn we ons allemaal bewust. Leren leven met onze medemensen wordt daarom
een proces van verzoening, van iets opnieuw glans geven dat door vervreemding
en wantrouwen was aangetast.
Voor mij zijn er drie manieren waarop iemand andere mensen kan bezien:
hij kan de mensen om hem heen volledig aanvaarden, hen eenvoudig nemen
zoals ze zijn en zich met hen laten meedrijven; of hij kan anderen minachten,
afgunstig zijn op degenen die boven hem staan en jaloers op zijn gelijken.
De derde manier – en de enige houding die volgens mij als edel
kan worden beschouwd – is die van iemand die zich ‘werkelijk
met de mensen heeft verzoend’. Hoewel we ons met onze medemensen
hebben verzoend begrijpen we toch de tekortkomingen van onze eeuw, zien
we alle zwakheden en het lage en gemene zowel in onszelf als om ons
heen, maar we hebben daar geen vrede mee. We zien anderen zoals ze zijn,
maar staan toch tegenover hen in een geest van sympathie, geduld, liefde
en hulpvaardigheid. Deze instelling is heel moeilijk te ontwikkelen;
we worden er niet mee geboren. Eén reden daarvoor is misschien
dat we in onze menselijke relaties zo egoïstisch zijn te denken
dat wij de maatstaf zijn waarmee de mentale en morele eigenschappen
van het heelal zouden moeten worden gemeten. Deze eigenliefde wordt
gekrenkt als iemand in gebreke blijft ons de erkenning te geven waar
wij recht op menen te hebben. Door deze kleine en zelfs onbeduidende
oorzaken zijn we vaak niet in staat anderen bij de hand te nemen en
in het leven samen verder te gaan.
Een van de grote gevaren van het op deze manier verheffen van onze
intellectuele en ethische idealen is dat we misschien in geduld tekortschieten
met mensen die volgens ons niet aan onze normen voldoen. Vreemd genoeg
lopen vooral die mensen gevaar van wie het hart vervuld is van een oprecht
verlangen de mensheid van dienst te zijn. Velen hebben hoge idealen
voor de mensheid als geheel en verlangen dringend naar de verwezenlijking
in deze wereld van een of andere hervorming waarmee ze zich vereenzelvigen.
Maar terwijl ze daarvoor hun leven zouden willen geven, zijn ze toch
niet hoffelijk of verdraagzaam als het erom gaat te proberen hun medemensen
te begrijpen. Ik geloof dat de samenleving op het ogenblik ernstig van
deze ziekte te lijden heeft.
Ik moet zeggen dat ik niet geloof in een soort hoffelijkheid die aan
de buitenkant zit in plaats van binnenin en die buigingen maakt om innerlijke
gevoelens van minachting te verbergen. Als we anderen beginnen te begrijpen
moeten we tegenover hen beslist niet alleen gevoelens van achting voelen
en toenemende verdraagzaamheid hebben, maar ook een grote eerbied. Alleen
omdat we blind zijn voor hun ware natuur spreken we met minachting over
hen.
Het schijnt me toe dat er drie inzichten zijn die tot verzoening leiden.
Het eerste is dat we het wezenlijk goede in het gewone menselijke leven
– en daarvan is er heel veel – zouden moeten onderkennen.
Neem de stad New York: binnen de volgende vierentwintig uur zullen er
in deze wereldstad heel wat slechte dingen gebeuren. Aan allerlei te
noemen en niet te noemen ondeugden zal men toegeven. Er zullen harde
woorden en klappen vallen; er zal onvriendelijkheid zijn, onnadenkendheid
en nalatigheid. Maar als men dat allemaal heeft opgeteld is er een veel
groter totaal van liefde, van bereidheid om met elkaar te delen, van
opoffering en hard werken dan al het kwaad dat is gesticht. Tegenover
één man die oneerlijk is of geweld gebruikt staan tienduizend
die iets doen wat goed en edel is.
Een tweede punt dat in dit opzicht belangrijk is, is dat we de mogelijkheid
inzien van al het slechtste in onszelf. Als we ons daarvan nog niet
bewust zijn, komt dat misschien omdat we onszelf eenvoudig nog onvoldoende
kennen. Als we aan misdadige, uitgestoten of verdorven mensen denken
– zij die volgens ons op de laagste trap staan van wat menselijk
is – dan zouden we God nederig moeten bedanken dat, al hebben
wij diezelfde neigingen in ons, deze niet in overheersende mate in ons
aan de dag zijn getreden. We zouden dankbaar moeten zijn voor onze gelukkige
omstandigheden, maar niet onze neus ophalen voor of ons verheven voelen
boven de man of de vrouw die maatschappelijk is gestrand, zelfs al schijnt
dit, althans voor een deel, zijn of haar eigen schuld te zijn.
Er zijn bomen die helemaal alleen aan de kust staan, waar de wind er
met volle kracht op beukt waardoor ze kunnen buigen en breken. Maar
de boom die in het bos door andere bomen wordt beschut en daarom beter
de sterke wind kan weerstaan, heeft geen enkele reden trots te zijn
op zijn stevige wortels. Afkomst, kansen en tienduizend andere dingen
kunnen ons anders hebben gemaakt dan diegenen op wie we soms neerzien
– al hadden we met de meeste van die gunstige omstandigheden persoonlijk
heel weinig te maken. Laten we daarom, gezien onze eigen latente mogelijkheden
tot het kwaad en tot onheil, ons leren inzetten voor onze medemensen
en doen wat we kunnen om het leven voor hen een beetje beter te maken.
Als derde punt, maar beslist niet het minst belangrijke, zou ik willen
noemen het besef van de mogelijkheden die in onze gewone menselijke
natuur besloten liggen. Als we het leven bezien vinden we dit soms leeg
en tragisch, de wereld zelf een schijnvertoning en alle andere mensen
slecht. Maar deze reactie kan het gevolg zijn van het feit dat wij ons
inzicht en ons vermogen om de kern van de dingen te onderscheiden hebben
verloren. Stel u zich eens voor dat we nog nooit een vlinder hadden
gezien en niets afwisten van zijn levenscyclus. Dan zien we een rups
– wij vinden hem met al die pootjes zo lelijk dat we hem wegvegen.
Een bioloog zou ons echter een pop kunnen laten zien, de vorm die het
insect aanneemt tussen het larve-stadium en de volwassenheid. Daar is
ook niet veel bijzonder moois aan, maar hij kruipt tenminste niet over
je heen. Tenslotte ontvouwt het leven binnenin zich en komt er uit de
pop een prachtig veelkleurig schepseltje tevoorschijn, en dat is een
vlinder.
Dan zijn we vol verbazing en van ontzag vervuld, want het mooie was
aan de rups of de cocon niet af te zien. Maar zie eens wat zich ontwikkelde
uit dat wat verachtelijk en onooglijk was! Als we terugzien op de achter
ons liggende eeuwen, dan is daar een Jezus, een Socrates of een Boeddha
en we kunnen ons afvragen hoe uit de alledaagsheid van de menselijke
natuur zulke grote figuren tevoorschijn zijn gekomen uit de poptoestand
van het leven. We kunnen dan bij onszelf naar binnen zien. Soms kunnen
we ons als een rups voelen en betwijfelen of we de cocon van middelmatigheid
ooit zullen kunnen openbreken en tot uitdrukking brengen wat we werkelijk
zijn.
Men vraagt zich af hoe het met de mensheid als soort zal gaan, gezien
als een geheel. Zullen we ons ooit van onze dierlijke natuur kunnen
bevrijden en ons hogere zelf ontdekken? Zullen er altijd oorlogen, armoede
en lijden zijn? Of kunnen we op een of andere manier beginnen onze ware
natuur te zoeken, zoals Jezus het noemde, om zonen van God te worden?
Door de eeuwen heen was de boodschap van een verlichte religie om de
mens te wijzen op een hogere bestemming dan dat wat slecht, laag en
gemeen is, omdat hij het vermogen bezit zich tot iets beters te ontwikkelen
en goddelijker te worden dan hij nu is. De eerste stap om dat te verwezenlijken
is dat we ons oprecht met onze eigen aard verzoenen, opdat we met onze
medemensen kunnen worden verzoend.