Goddelijke ontevredenheid*
Dara Eklund

 

Er is een honger in het hart van de mens waarvan we alleen kunnen zeggen dat het een ‘goddelijke ontevredenheid’ weerspiegelt – een bewegen van het innerlijke monadische centrum naar zijn verdere lotsbestemming. Dit is niet een statische of eindbestemming, maar een zich steeds uitbreidend evolutionair bereik waarin de hele golf van menselijke ego’s zich ontvouwt, nu op deze aarde maar uiteindelijk in andere werelden daarbuiten.

Sterke geesten streven niet naar een leven van beschutte vrede. Zulke mensen boeken succes bij hun zoektocht om vooruit en omhoog te gaan tot in het diepst van hun eigen wezen, en vaak kan een gezonde afkeer van onze beperkingen worden omgezet in stappen om ze te overwinnen. De volgelingen van Pythagoras waren van mening dat alle wezens een eigen goddelijke toestroming van gezond verstand hebben. Deze rationele essentie zal alleen worden waargenomen bij hen die trouw blijven aan de onsterfelijkheid van de ziel, verworven in geboorte na geboorte, waarbij het enthousiaste nastreven van deugdzaamheid en waarheid een onvermijdelijk resultaat is. Mensen die de rationele essentie ontdekken kunnen zich verheffen tot de status van ‘goddelijke mensen’ en van goddelijke mensen tot goden, hoezeer ze ook zijn blijven steken in fouten uit het verleden die de oorzaak ervan zijn dat zielen in lichamelijke omhulsels terechtkomen. Hierocles vertelt ons in zijn Commentaren op de Gulden Verzen van Pythagoras: ‘Alles wat bijdraagt aan de vervolmaking van de ziel en wat haar leidt tot het geluk dat past bij haar aard is werkelijk deugdzaam en de Wet van de filosofie.’ G. de Purucker verwoordt het op een andere manier: ‘De stuwkracht achter alle evolutie en het doel waar deze kracht ons naartoe drijft, is eenvoudig de goddelijke honger in het heelal om te groeien. Dit is het heelal aangeboren’ (De Esoterische Traditie, blz. 153).

Het leven van de stoïcijn Seneca was een voorbeeld van ‘goddelijke ontevredenheid’ als een vorm van niet gehecht zijn: ‘Nooit heb ik Fortuna vertrouwd. . . . Alle zegeningen die zij me vriendelijk schonk – geld, een openbaar ambt, invloed – heb ik verwezen naar een plek vanwaar zij ze kon terugnemen zonder me te storen. Ik heb ze op grote afstand van me gehouden zodat zij ze alleen maar heeft weggenomen, ze niet aan me heeft ontrukt.’ Nadat Caligula aan de macht was gekomen werd Seneca acht jaar lang verbannen naar het eiland Corsica tot hij werd teruggeroepen om de toekomstige keizer Nero te onderwijzen. Vijftien jaar later, toen die Romeinse despoot vastbesloten was hem uit de weg te ruimen, richtte Seneca zich als troost tot zijn geliefde filosofie. Hij wist dat hij deze moordenaar die zich aan uitspattingen overgaf niet kon tegenhouden, en accepteerde dus wat hij niet kon veranderen. Hij werd opnieuw naar Corsica verbannen, waar hem nadat hij van zijn functie aan Nero’s hof was ontheven nog drie jaar te leven was vergund. Hij paste zijn filosofie van de Vertroostingen toe en besteedde de tijd die hem op dat verre eiland nog restte aan het bestuderen van de natuur en aan schrijven, onder andere van een werk over wetenschappelijke conclusies. Het gaat er nu niet om dat we dit tegenwoordig misschien merkwaardig vinden: hij had te maken met krachten waartegen hij zich niet opgewassen voelde om ze te veranderen, en maakte het beste van wat hij wel kon veranderen. Seneca accepteerde, evenals Socrates, zijn dood en schreef: ‘Ik heb mijn leven te danken aan de [filosofie] en dit is het minste wat ik daaraan ben verschuldigd’; en ‘Wat je niet kunt veranderen kan je maar beter verdragen.’

Terwijl Cicero’s Tusculaanse Discussies wetenschapsbeoefening prees als een heerlijke bezigheid om ons leven aan te besteden zonder ontevredenheid of ergernis, betwistte de Franse schrijver Montaigne deze positieve houding tegenover de wetenschap. Hij observeerde boeren in hun dorpen die meer tevreden leefden dan de intellectuelen die Cicero prees. Hij had de indruk dat zelfs dieren die nog nooit van Cicero hadden gehoord, oplossingen voor hun ellende konden vinden zonder hulp van het verstand: geiten kunnen als ze gewond zijn essenkruid selecteren uit duizend andere planten en schildpadden kunnen wilde marjolein vinden wanneer ze door adders zijn gebeten. Alleen de mens is gedwongen te vertrouwen op dure artsen die misschien nooit de stelregel ‘dokter genees uzelf’ volgen. Montaigne beweerde dat tonijnen zonder studie in de vorm van een volmaakte kubus kunnen samenzwemmen; hij nam daarbij een andere vorm van weten waar dan van het intellect.

Oosterse religies sporen ons aan de gedachten, altijd rusteloos en inhalig, in toom te houden. In het Westen zien we een drang om meer kennis te bemachtigen, zelfs om de beste website te weten en deze het snelst te kunnen vinden. William Q. Judge vergeleek eens het denkvermogen met een vinger die uitzoekt wat we moeten weten. Toch beperkte hij dit voortdurende zoeken tot een terrein dat begrensd wordt tot wat we moeten weten, niet tot wat we zomaar willen weten: ‘De wens om te weten is vrijwel uitsluitend verstandelijk . . . het verlangen om te Zijn komt uit het hart’ (The Path, januari 1888). Op andere plaatsen waarschuwt hij in zijn brieven voor de gevaren van twijfel, vooral gebrek aan zelfvertrouwen, en ook voor de twijfel of anderen ons iets hebben te bieden of ons iets kunnen leren.

Er bestaat een gouden keten van sympathie tussen goden en mensen, vereeuwigd door Homerus en opgenomen in de filosofie van Plato. Volgens G. de Purucker ‘wordt het een gouden keten genoemd omdat de weg leidt naar het gouden hart van Vader Zon, en vandaar verder naar het hart van het goddelijke Zijn zelf, waar de goden verblijven . . .’ Bij elke schakel van die wonderlijke gouden keten staat een leraar om de reizigers te helpen. Deze hiërarchie van leraren verbindt ons met hen boven ons naar wie we willen opklimmen en met hen die lager staan en die we kunnen inspireren. Zoals De Purucker het zegt: ‘Sommigen van ons voelen er niet voor steeds strompelaars of achterblijvers op het pad te zijn maar willen sneller vooruit en omhoog . . . willen zichzelf aanpakken en het innerlijke en hogere deel van ons ons leven laten beheersen’ (Wind van de Geest, blz. 311-2). Deze vorm van ontevredenheid helpt om ons bewust te worden van de enorme wilskracht die nodig is om uit te stijgen boven alle neigingen uit het verleden en ook boven de passiviteit van lanterfanters en medemensen die de dingen liever onveranderd laten. Judge spreekt over de krachten die een leerling opwekt wanneer hij probeert boven zijn huidige dwaasheden, fouten en omstandigheden uit te stijgen. Niettemin dringt hij erop aan: ‘we moeten een hoog ideaal stellen om naar te streven, want een lager ideaal geeft een lager resultaat ten koste van dezelfde inspanning’ (Essays on the Gītā, blz. 161-2). Al zouden we bij zo’n inspanning sterven, geschriften zoals de Gītā geven ons veel hoop dat bij het aannemen van een lichaam in een toekomstig leven de bereikte vooruitgang niet verloren is gegaan.

Langgeleden kwam eens een bejaard schoolhoofd uit Nederland bij ons in Californië op bezoek. We liepen een steile heuvel op en bespraken de problemen van de wereld. Ik herinner me dat ik zuchtend zei dat we ‘geduldig’ moeten zijn. ‘Onzin,’ zei mijn vriend, ‘we zullen de toestand in de wereld nooit veranderen als we tot stilstand komen door deze passief te accepteren.’ Tijdens het Parlement van de Religies van de Wereld in 1999 te Kaapstad, Zuid-Afrika, drong de Dalai Lama bij de aanwezigen op soortgelijke wijze eropaan meer te doen dan gebeden opzeggen voor wereldvrede. Dit doet me denken aan Nehru die de asceten in India aanspoorde om niet langer aan de kant van de weg te blijven, maar hun yoga-houdingen op te geven en voor India aan het werk te gaan. De Dalai Lama vermoedde dat ‘nieuwe ideeën en visies in het nieuwe millennium nutteloos zullen zijn als ze niet tot verandering leiden’. Zelfs bij het ontbreken van enige positieve verandering van de kant van de Chinezen blijft de Nobelprijswinnaar voor de Vrede zich inzetten voor een rustige dialoog met zijn tegenstanders, hoewel hij een krachtiger beroep doet op leden van de internationale gemeenschap als de volgende stap om steun voor zijn volk te krijgen. Zijn manier van handelen is als de zich langzaam bewegende maar machtige gletsjer die de belemmeringen op de weg naar rechtvaardigheid wegschuift. Volgens de Internationale Nieuwsbrief van de Vrienden van Tibet verzuimt de Tibetaanse leider bovenal nooit de regering van India te bedanken voor het verlenen van onderdak aan zijn ontheemde volk met ‘onovertroffen edelmoedigheid en steun in de afgelopen veertig jaar van onze ballingschap.’

In één opzicht zijn we allemaal bannelingen zoals de Tibetanen. We zijn verbannen uit dat spirituele ego dat ernaar verlangt zich weer te verenigen met zijn diepste bron. De Purucker sprak over de bekrompen zelfvoldaanheid van een man die denkt het allemaal wel te weten, als een vorm van spirituele zelfmoord. We zouden in plaats daarvan moeten worden gedreven door een voortdurende honger naar waarheid en licht, het sterke verlangen van onze eeuwige vonk op zijn majestueuze reis door ronden na ronden en werelden na werelden. Die hele reis door de stoffelijke sluiers heen proberen we ze voortdurend te vervolmaken. Dit zou een goddelijke afkeer van onszelf zoals we zijn met zich kunnen meebrengen, in plaats van een goddelijke ontevredenheid. Maar er bestaat een onpersoonlijker maatstaf waarmee we de ogenschijnlijke kwaden ten opzichte van het relatief goede kunnen meten – een manier om het ‘kwade’ te bezien die verder gaat dan kortzichtige filosofieën die het als een absolute en onoplosbare noodzaak beschouwen, een dagelijkse werkelijkheid. Het kwaad is niet een monster dat Satan heet; wij zijn het zelf die aan de innerlijke energieën een andere richting geven en ze misbruiken. De Esoterische Traditie zegt het bondig:

Het kwaad is disharmonie, want het is onvolkomenheid; en het goede is harmonie omdat het betrekkelijke volmaaktheid is. . . . Abstract gesproken is het [kwaad] de toestand van een zich ontwikkelend wezen dat zich nog niet volledig in overeenstemming met de fundamentele wetten van de natuur heeft gebracht en dus min of meer ingaat tegen de voortgaande evolutiestroom van het leven. Het kwaad kan ook worden genoemd: de handelwijze van iemand die de latente innerlijke godheid nog niet heeft ontwikkeld; de oorsprong ervan is daarom altijd terug te voeren tot een verkeerd gebruik van wil en intellect door een wezen dat zich tijdelijk door eigen onvolkomenheden in een toestand van disharmonie met zijn omgeving bevindt.    – blz. 256-7

In een citaat [eveneens blz. 256] uit de Enneaden (V.I.1) van Plotinus wordt bovendien duidelijk gemaakt dat eigenzinnigheid naar het kwaad (of het onvolmaakte goede) voert omdat de drang van de ziel naar zelfexpressie belichaming tot gevolg heeft. Dit brengt een verlangen in de ziel voort, juist door haar vrijheid om dingen op haar eigen manier te doen, om haar eigen bewegingen te volgen. Naarmate ze deze handelwijze voortzet, vergeet ze haar oorspronkelijke thuis en haar eigen ingeboren spirituele aard. Na zich te hebben verzet tegen de wetten van het universum, misschien wel in vele levens, voelt het menselijke ego uiteindelijk deze goddelijke ontevredenheid over de nutteloze worstelingen, teweeggebracht door conflicten tussen de willen die tijdelijk het volledig tot uitdrukking komen van het goddelijke blokkeren. Het begint gedachten van goddelijke mogelijkheden te koesteren en de Groten die ons zijn voorgegaan te eren. In zijn essay over ‘Intellect’ schreef Emerson:

Ik kan niet, zelfs niet ruwweg, wetten van het intellect opsommen zonder te denken aan die verheven en afzonderlijke klasse van mensen die de profeten en orakels ervan zijn geweest, de hogepriesters van de zuivere rede, de Trismegisti – van eeuw tot eeuw de verkondigers van de beginselen van het denken. Wanneer we met grote tussenpozen hun diepzinnige bladzijden doornemen, hoe verbazingwekkend schijnt het rustige en voorname voorkomen van deze weinigen, deze grote spirituele edelen die in de wereld hebben rondgewandeld – die van de oude religie – . . . ik ben getuige van het zaaien van het zaad van de wereld. Met een samenstel van zonnestralen legt de ziel de grondslagen van de natuur. De waarheid en grootsheid van hun gedachten wordt bewezen door de reikwijdte en toepasbaarheid ervan . . .

Hoewel de rust en grootsheid die Emerson bewonderde voor degenen van ons die hier zwoegen het aanschouwen waard zijn, herinnert meester KH ons duidelijk eraan dat ‘de harmonie van het Heelal door tegenstellingen wordt gevormd. Zo volgt . . . evenals in de prachtige fuga’s van de onsterfelijke Mozart, het ene deel voortdurend op het andere, in een harmonische disharmonie op het pad van de Eeuwige vooruitgang, om samen te komen en zich tenslotte op de drempel van het beoogde doel op te lossen in één harmonisch geheel, de grondtoon in de natuur.’ (Brief 85). Of zoals G. de Purucker het weergeeft:

Alle dingen groeien en verlangen groter te worden, zich te verheffen, zich te ontwikkelen, met het doel zelfbewust één te worden met het grenzeloze – iets wat nooit kan worden bereikt! Hierin ligt oneindige schoonheid, want er is geen absoluut einde aan groei in schoonheid, wijsheid en kracht.    – De Esoterische Traditie, blz. 153

Volgens de leer van het hart is de enige werkelijke zonde die van afgescheidenheid. Wanneer we oprecht werken voor de broederschap van de mensen, zal elke ademteug zich richten op dat grotere welzijn, en onze goddelijke ontevredenheid zal alleen dat betreffen wat het deel scheidt van het Geheel.

 

*Lezing gehouden in het Theosophical Library Center in Altadena op 1 april 2005.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency