Grottempels van het oude India – 1
Coen Vonk

 

Hoewel de berg zelf slechts een heel klein stukje van een grenzeloos heelal is, heeft hij altijd symbool gestaan voor een absolute, onveranderlijke en onuitsprekelijke, onbeweeglijke Werkelijkheid. Hoewel iedere tempel slechts een heel klein deel van de grote berg is, dient het symbolische middelpunt of het heiligdom ervan – tegenwoordig gelijkgesteld aan het ene en enige middelpunt, het hart van het individu – tot voortdurende geestelijke vernieuwing, als zijn functie goed wordt begrepen.
      – Ellora: Concept and Style, Carmel Berkson

In een lijst van de meest onvoorstelbare bouwwerken die oude beschavingen hebben voortgebracht, waaronder de Egyptische piramiden, de oude stad en tempels op Machu Picchu in Peru, en de oude tempels in Angkor in Cambodja, zouden de uit de rotsen gehouwen grottempels van India – vooral het grote Kailas-complex in Ellora – niet mogen ontbreken. Omdat deze grottempels volledig uit de heuvels zijn gehouwen, zijn ze in feite geen bouwwerken maar meesterlijke beeldhouwwerken. Het is verbijsterend om te beseffen dat wat we zien de oorspronkelijke rots is die nog steeds overeind staat en die met grote zorg en nauwkeurigheid op basis van een groots plan is uitgehouwen.

Tot dusver zijn er in India ongeveer 1200 grottempels ontdekt, waarvan er zich zo’n 1000 in de westelijke deelstaat Maharashtra bevinden. Andere bevinden zich in de noordoostelijke deelstaat Bihar en in Karnataka ten zuiden van Maharashtra, en een paar liggen verspreid over andere deelstaten.1 De bekendste grotcomplexen zijn Ellora, Ajanta, Elephanta, Karli, Bedsa, Nasik, Udayagiri, Bagh, Badami, Cuttack en Barabar. De tempels zijn uitgehouwen door jains, hindoes en boeddhisten, en de gangbare opvatting over hun ouderdom is dat de oudste rond 300 v.Chr. zijn uitgehakt, en dat de meeste in de periode van de 4de tot de 9de eeuw n.Chr zijn vervaardigd. Maar volgens Blavatsky dateren sommige van deze complexen uit een veel vroegere tijd en waren ze oude mysteriescholen gebouwd op doolhoven van weer andere grotten die nog onontdekt zijn. Ze vraagt:

Waarom kunnen Ellora, Elephanta, Karli en Ajanta dan niet op onderaardse doolhoven en gangen zijn gebouwd, zoals men beweert? Natuurlijk hebben we het hier niet over de grotten die aan elke Europeaan bekend zijn, hetzij door bezichtiging of van horen zeggen, ondanks hun enorme ouderdom, hoewel die door de hedendaagse archeologie wordt betwist. Maar het is een feit, dat aan de ingewijde brahmanen van India en vooral aan de yogi’s bekend is, dat er in het land geen rotstempel is, of deze heeft zijn onderaardse gangen die in alle richtingen lopen, en dat deze onderaardse grotten en eindeloze gangen op hun beurt hun grotten en gangen hebben.
     – De Geheime Leer 2:249

Tegenwoordig geven sommige onderzoekers van de grottempels in India eerlijk toe dat er bijna niets bekend is over hun oorsprong en bouwers; anderen maken gebruik van de twijfelachtige jaartallen die in de meeste studieboeken worden gegeven en die vaak op weinig en controversieel bewijsmateriaal zijn gebaseerd. De heilige symboliek van de beeldhouwwerken in de grotten is vaak onteerd, en daarom zullen we niet alleen de grotten verkennen maar ook een deel van de oude wijsheid achter twee belangrijke symbolen die werden gebruikt: het linga en de stupa.

 

Elephanta

Elephanta is het onderwerp geweest van ontelbare verslagen en onderzoeken, maar de grotten blijven een mysterie. Er is praktisch niets bekend over wie ze heeft gemaakt of wanneer ze werden uitgehouwen . . .    – Elephanta, George Michell, blz. 9

Op een klein eiland vlakbij Bombay bevinden zich zes grottempels die uit basaltsteen zijn gehouwen en dit zijn prachtige meesterwerken van hindoeïstische devotionele kunst. Het eiland wordt door de lokale bevolking Gharapuri (stad van zuivering) genoemd, maar in het algemeen staat het bekend als Elephanta. De voornaamste grot (grot 1) is een grote hal, ongeveer 42 m diep; de totale hoogte van de pilaren varieert van 4,9 tot 5,6 m. Achterin de grot rijst het grootse beeldhouwwerk op van de beroemde trimurti, Brahma-Vishnu-Siva, met een hoogte van 7 m. Alle pilaren en beelden zijn uit de rotsen gehakt en daarom is de hele hal een enorm mandala van beeldhouwwerk dat nog steeds vastzit aan de oorspronkelijke berg. In de rechterhoek van de grot is een heiligdom met vier deuren, elk bewaakt door twee figuren. Volgens de brahmanen ‘zijn deze beelden zelfportretten van de beeldhouwers, hindoes van de hoogste kaste, uitgebeeld als bewakers van het heilige der heiligen.’2

Voornaamste grot met trimurti in de achtergrond, Elephanta, India [meer foto's]

Wanneer werden deze tempels ontworpen? Hoewel ze volgens de heersende opvattingen in de archeologie tussen de 4de en 9de eeuw n.Chr zijn uitgehakt, geven onderzoekers zoals George Michell toe dat we het niet weten. Niettemin zou zelfs bij hem waarschijnlijk niet de gedachte opkomen dat de grotten tien- of honderdduizenden jaren oud zouden kunnen zijn, zoals Blavatsky betoogt:

Als gevolg van het fanatisme van deze Portugese vandalen3 moet de chronologie van de Indiase grottempels – variërend van die van de brahmanen die de tourist verzekeren dat Elephanta 374.000 jaar oud is, tot die van Fergusson, die probeert te bewijzen dat deze tempel in de tiende eeuw van onze jaartelling werd uitgehakt – voor de archeologen altijd een raadsel blijven. Waar men ook zoekt in hun geschiedschrijving, alles is hypothetisch en duister. En toch wordt Gharapuri genoemd in het epische heldendicht het Mahabharata, dat volgens Colebrooke en Wilson geruime tijd voor het bewind van Cyrus werd geschreven. In een andere oude legende wordt gezegd dat de tempel van Trimurti op Elephanta werd gebouwd door de zonen van Pandu . . .
     – From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 5

Blavatsky schrijft ook dat deze grot ‘tot de prehistorische monumenten moet worden gerekend, die dateren uit de periode onmiddelijk na de ‘grote oorlog’, Mahabharata, . . .’ (op.cit, blz. 80). Het onderzoek naar en het schrijven van de Indiase geschiedenis ondervindt nog steeds de nadelige gevolgen van de vooroordelen van de eerste Europese ‘ontdekkers’ van deze monumenten, en tegenwoordig blijken zelfs Indiase pandits, die soms verwesterd zijn, vaak niet te geloven in de ouderdom van de wortels van hun voorouders. Waarom zouden we niet de oude leringen in de heilige boeken van de hindoes zelf raadplegen om dichter bij de bron van hun wijsheid te komen, die uit oeroude tijden stamt?

De oude hindoeleringen beschrijven de verschillende tijdperken waarin de mens leefde, en de cyclussen die ze gebruiken zijn enorm lang, waarmee ze een grote ouderdom aan de mensheid toeschrijven. Kritayuga of het gouden tijdperk omvat 1.728.000 jaar, gevolgd door tretayuga met 1.296.000 jaar, dan dvaparayuga met 864.000 jaar, en tenslotte kaliyuga met 432.000 jaar. Volgens hun chronologie zijn we nu ongeveer 5100 jaar gevorderd in kaliyuga en dus begon het gouden tijdperk ongeveer 3,8 miljoen jaar geleden. In al deze yuga’s leefden mensen en koninklijke dynastieën, waarvan sommige een spoor moeten hebben nagelaten. De grote wijzen, inwijders, of godkoningen zouden vooral in de oudste yuga’s hebben geleefd. Maar ‘Aan de huidige universiteiten hebben maar weinigen de behoefte gevoeld om onderzoek te doen naar belangrijke waarheden in ‘de Indiase mythen’. Als gevolg daarvan is de geschiedenis van het Vedische India nog steeds het grootste raadsel van mythen tegenover feiten.’4

Na de ontdekking van de Indusvallei- of Sarasvati-beschaving in Noord-India en Pakistan beginnen archeologen nu ervan overtuigd te raken dat de Indiase beschaving veel ouder is dan eerst werd gedacht. Men denkt dat deze oude steden de oudste getuigen van de Indiase beschaving zijn, en de meeste worden gedateerd op 3000 v.Chr. Eén vindplaats, Mergarh, wordt zelfs gedateerd op een periode tussen 6500 en 7000 v.Chr. Hopelijk zullen na verloop van tijd de dateringen die aan de verschillende grottempels zijn toegekend opnieuw worden beschouwd, en dan blijkt misschien dat deze complexen zelfs ouder zijn dan de toplaag van de Indusvallei-beschaving die nu is opgegraven.

 

Het linga

In deze grottempels komt vooral Siva veel voor evenals zijn symbool, het linga, samen met de yoni. In verschillende grotten kunnen de linga’s worden gevonden in het heilige der heiligen of de verborgen kamer (guha). De betekenis van het linga is in onze tijd vaak verlaagd en wordt hoofdzakelijk uitgelegd in de zin van een fallus en de yoni als een baarmoeder. De oorspronkelijke betekenis was echter heilig. De letterlijke betekenis van linga is ‘teken’ of ‘kenmerk’ en kan op verschillende manieren worden verklaard. In de eerste plaats symboliseert het de kiem van een heelal die door het onbekende Brahman in en door de ruimte (de eeuwige baarmoeder of yoni) wordt uitgestraald om het tot aanzijn komende heelal te vormen. Volgens Manu (1:9) werd deze kiem een gouden ei, stralend als de zon, waarin het zelfbestaande Brahman, hoewel het in zijn hogere delen transcendent bleef, zich ontwikkelde tot Brahma de schepper, die daarom wordt beschouwd als een manifestatie van het Zelfbestaande. Dus we hebben Brahman, de sluier ervan of pradhana, en dan Brahma. Deze kiem of Brahma is daarom een ‘teken’ of manifestatie van Brahman. Deze drie-eenheid werd later steeds vaker Brahma, Vishnu en Siva genoemd, en tegenwoordig noemt men het linga meestal het teken van Siva. Deze universele leer van een heilige drie-eenheid werd ook onderwezen in het oude Griekenland, vertegenwoordigd door de eerste, tweede, en derde logos (‘woord’ of ‘verbum’), die later de Vader, Heilige Geest, en Zoon in de Grieks-orthodoxe Kerk werden.

De hindoes gebruikten ook de term hiranyagarbha, of gouden zaadje, voor de kiem die de hele kosmos al in zich bevat en die zich zal ontwikkelen om een levend heelal te vormen. Zo’n kiem bestaat ook in de mens, en ze is een symbool voor ons hogere zelf, dat tijdens ons leven tot manifestatie kan komen. Tijdens inwijding moest men zijn hogere zelf tot geboorte wekken door binnen te gaan in zijn innerlijke heilige der heiligen – iemands eigen oernatuur van bewustzijn, of yoni – en zichzelf te overwinnen. Iemand die dat had gedaan werd een dvija genoemd, of ‘tweemaal geborene’, een ingewijde. De vele beelden van Siva die de demon doodt, d.w.z. de mens die zijn innerlijke demon doodt, illustreren deze gedachte. In de Vedische tijd werd Siva Rudra genoemd of de vernietiger van negatieve elementen.

Devdutt Pattanaik verklaart een ander aspect van het linga: ‘Er wordt gezegd dat Siva gedurende enkele honderdduizenden jaren op één been stond en zichzelf veranderde in Aja-Ekapada, de eenbenige heer, de as van de ronddraaiende kosmos. Deze as heeft noch een begin noch een einde; ze wordt gezien als het grote linga van Siva’ (Shiva, An Introduction, blz. 91). Dit aspect heeft betrekking op het verborgen goddelijke centrum of de kosmische as, de berg Meru, waaromheen alles draait, waaraan alles ontspringt, en waarnaar alles tenslotte zal terugkeren. Het is ‘de omphalos, de navel en het centrum van de aarde en het Zijn.’5 Een van de basisleringen van het hindoeïsme is dat we allemaal vonken van een goddelijk centrum zijn. Het hoofddoel van inwijding was en is ons bewust te worden van dit centrum en er bewust één mee te worden. De oude wijzen stopten hier niet maar wisten dat elk heilig centrum op zijn beurt rondom een ander centrum draaide, enz. De Ruimte wordt als oneindig beschouwd waarin heelallen zich periodiek manifesteren, verdwijnen, en weer opnieuw verschijnen. Om deze reden noemden de hindoes het grote mysterie Parabrahman (voorbij Brahman) of eenvoudig Dat, wat zelfs de goden niet kunnen doorgronden.

 

Noten

  1. Er zijn en er waren vele andere grottempels, maar sommige daarvan zijn opgenomen in jain- en hindoe-tempels die er bovenop of eromheen zijn gebouwd en deze verkeren vaak niet meer in hun oorspronkelijke staat.
  2. H.P. Blavatsky, From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 79vn.
  3. Blavatsky verwijst waarschijnlijk naar het feit dat er in 1540 een stenen inscriptie boven de ingang van de voornaamste grot (grot 1) werd ontdekt, die naar Portugal werd verscheept om te worden ontcijferd. Deze verdween vervolgens en nu is er niets meer over bekend. Bovendien hebben de Portugezen aanzienlijke schade aan deze grotten toegebracht.
  4. Devamrita Swami, Searching for Vedic India, blz. 42.
  5. The Hindu Temple, Stella Kramrisch, 1976, blz. 172.

Grottempels van het oude India – 2

 

We hervatten onze bespreking van enkele bijzondere grottempels van India met het grote complex van Ellora, ongeveer 250 km ten noordoosten van Bombay, dat in de oudheid Elapura werd genoemd. In een strook van 2 kilometer hebben hindoes, jains en boeddhisten 34 grottempels uit de rotsen gehouwen. ‘Volgens een verslag in de Purana’s, bestond Elapura uit tien vestigingen die naar koning Ela zijn vernoemd en was het een tirtha, een heilige plaats.’1 Volgens de huidige theorieën werden de eerste tempels rond het midden van de 6de eeuw n.Chr. door hindoes uitgehouwen, en rond het einde van de 6de eeuw door boeddhisten. Het werk aan de jaingrotten zou tegen het eind van de 8ste eeuw zijn begonnen. Het bewijsmateriaal waarop deze jaartallen zijn gebaseerd is heel gering. Om een voorbeeld te geven van hoe conclusies worden getrokken:

Er is een raamopening in de westelijke muur [van grot 15, een hindoegrot] waarboven een Sanskrietinscriptie in het Brahmischrift is gegraveerd die dateert uit de 8ste eeuw. Ze is echter onvolledig en veel ervan is door erosie beschadigd. Ze geeft de genealogie van de Rashtrakuta-dynastie, die met Dantivarman (c. 600-30) begon, en vermeldt het bezoek van Dantidurga (752-7) aan de grot. Ze kan daarom in het midden van de achtste eeuw worden geplaatst.
    – Ellora, blz. 36-7

Dit bewijst natuurlijk alleen dat de grot in de 8ste eeuw bestond en dat deze inscriptie in die tijd erin werd gegraveerd. Nog een voorbeeld, ‘Er waren inscripties op zuilen [in grot 33, een jaingrot] die nu voor het grootste deel zijn afgesleten; een paar letters die nog zijn bewaard gebleven, doen vermoeden dat de grot misschien rond de negende eeuw is gebouwd’ (op.cit., blz. 96).

Men denkt dat de grote Kailasa-tempel, de voornaamste bezienswaardigheid van Ellora, in opdracht van koning Shubhtung Krishna I (757-72 n.Chr.) is gebouwd. Dit is gebaseerd op de koperplaten van Baroda van koning Karkka II. Sommige archeologen hebben hun twijfels uitgesproken omdat 15 jaar een hele korte tijd lijkt om zo’n enorm project te voltooien. Er is ook een Marathi-legende uit de 10de eeuw over een architect Kokasa die de Kailasa-tempel uithakte om de koningin van de Rashtrakuta-koning Elu een genoegen te doen. Het is heel waarschijnlijk dat het Kailasa-complex – dat uit een aantal tempels en heiligdommen bestaat – meerdere keren is bewerkt en beschilderd door verschillende koningen, die werden geëerd voor hun restauraties of toevoegingen maar die niet verantwoordelijk waren voor het oorspronkelijke werk. Dhavalikar schrijft dat ‘al deze heiligdommen en de Kailasa niet tegelijkertijd werden uitgehouwen, maar tot verschillende perioden behoren’ (op.cit., blz. 44).

Grot 16, De Grote Kailasa Tempel, Ellora, India (meer foto's)

Het Kailasa-complex, grot 16, is het grootste monolithische beeldhouwwerk ter wereld. In de binnenhof, die 81 m lang en 47 m breed is, rijst de hoofdtempel op tot een hoogte van 33 m en is omringd door kleinere tempels en heiligdommen en twee overwinningszuilen die 16 m hoog zijn. De oppervlakte beslaat ongeveer twee keer de oppervlakte van het Parthenon in Athene, is 1,5 keer zo hoog, en 200.000 ton rots moest ervoor worden verwijderd. Het vertoont veel overeenkomsten in vormgeving en ontwerp met de Virupaksha-tempel in Pattadakal, maar is twee keer zo groot en uit de rotsen gehouwen in plaats van met rotsblokken te zijn gebouwd. Interessant is dat grot 30, ook wel de kleine Kailasa-tempel genoemd, onaf is. Men kan duidelijk zien dat het werk van bovenaf begon, omdat de bovenkant al klaar was. Het raadselachtige is dat grot 30 tot de jaintempels wordt gerekend – hij bevat jainbeelden – en dat de Kailasa-tempel als het werk van de hindoes wordt beschouwd. Dus naast de moeilijkheden bij het dateren van deze tempels is het ook moeilijk te zeggen wie ze hebben uitgehouwen. Sommige grotten hebben nu boeddhistische thema’s, maar deze kunnen in een latere periode zijn toegevoegd aan grotten die oorspronkelijk door hindoes of jains waren gemaakt, want het hindoeïsme en jainisme zijn veel oudere tradities dan het boeddhisme van Gautama.

Het jainisme kent, evenals het hindoeïsme, enorm lange tijdsperioden toe aan de mensheid, en volgens overleveringen begon hun lijn van 24 leraren of tirthankara’s met Rishaba die meer dan 6,5 miljoen jaar geleden leefde, tot en met de 24ste leraar Mahavira die misschien een tijdgenoot was van Gautama Boeddha in de 6de eeuw v.Chr. Waarom zouden we niet meer aandacht besteden aan deze oude leringen, in plaats van ze af te doen als fabeltjes? Archeologen hebben een chronologie opgesteld waarin geen ruimte is voor zulke oude jaartallen omdat in dat geval het hele raamwerk van hun tijdlijn zou ineenstorten.

Naast de Kailasa-tempel is grot 29 (Dumar lena) één van de meest indrukwekkende grotten en is praktisch op dezelfde manier vormgegeven als de voornaamste grot van Elephanta. Het is misschien de oudste grot van Ellora en haar grootse ontwerp onderscheidt haar van de meeste andere grotten daar. Het heilige der heiligen heeft vier ingangen en het linga bevindt zich in het midden (zie foto). Elk van de vier ingangen zijn, evenals in Elephanta, voorzien van twee wachters, maar in dit geval zien de wachters er allemaal hetzelfde uit en zijn het waarschijnlijk geen zelfportretten zoals in Elephanta.

Grot 29, Dumar lena, Heilige der heiligen, Ellora, India (meer foto's)

Als men in de vroege ochtend naar deze grot toeloopt, is het mogelijk om volledig alleen te zijn in deze indrukwekkende heilige plaats – afgezien van een paar duizend krijsende vleermuizen – en kan men de grot in innerlijke stilte binnengaan. Het voelt alsof de berg de bezoeker opslorpt en dat alle aardse zorgen worden achtergelaten. Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om je voor te stellen dat er grootse dingen in deze stille grotten plaatsvonden; want hoewel deze oude centra niet langer actief zijn, kan het oude licht van wijsheid dat in deze tempel scheen nog steeds worden gevoeld.

Ellora heeft nog veel andere indrukwekkende grottempels. Sommige zijn twee of zelfs drie verdiepingen hoog en bevatten zaal na zaal, uitgehouwen zuilen en beeldhouwwerken, en vihara’s (ruimten voor de monniken van welke sekte dan ook). De zalen bevatten veel beeldhouwwerken van oude goden, avatara’s en leraren van de mensheid. Het hele complex is een openluchtmuseum en er zijn een paar dagen voor nodig om alle grotten goed te bezichtigen. Na een tijd door deze grotten te hebben gewandeld, kan iemands bewustzijn helemaal opgaan in deze andere wereld van goden en verschillende bewustzijnsniveaus. Dus zelfs nu stimuleren de tempels bezoekers om zich met hun innerlijke kern te verenigen en hun innerlijke licht tot geboorte te brengen.

 

Karli

De grottempels van Karli, of Karla, bevinden zich 125 km van Bombay in de Borghat-heuvels vlakbij het dorpje Lonavala. Karli is vooral beroemd omdat ze van de grottempels in India de grootste chaitya-zaal heeft, een heilige zaal voor bijeenkomsten of vergaderingen – en ze verkeert nog steeds in goede staat. In de zaal zien we 37 zuilen bekroond met knielende olifanten en achterin de zaal een stupa of symbolische voorstelling van de kosmos.

Chaitya-zaal met stupa of de berg Meru in de achtergrond, Karli, India (meer foto's)

Men denkt dat deze zaal uit de 2de eeuw v.Chr. dateert en dat ze door boeddhisten werd uitgehouwen. Het dateringsprobleem geldt hier evenzeer en de argumenten die ervoor pleiten dat boeddhisten de oorspronkelijke bouwers van deze grot waren, zijn hoofdzakelijk gebaseerd op de vooronderstelling dat stupa’s een boeddhistische uitvinding zijn. Maar dat is niet waar: jains gebruikten ook stupa’s en hindoes beweren dat de zogenaamde stupa in deze grot slechts een linga van Siva is. Blavatsky zegt hierover: ‘De vormgegeven daghoba [stupa] wordt ‘Dharma-Rajan’ genoemd, de Minos van de hindoes, en vanaf de top ervan spraken raja-priesters vroeger recht over de mensen’ (From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 74). Ze vertelt niet tot welke sekte deze koning-priesters behoorden, maar geeft een indruk van wat er in zulke tempels plaatsvond.

Enkele beelden van de Boeddha zijn uitgehouwen in het voorportaal van de zaal, maar zijn bijna zeker latere toevoegingen. Hoewel hij de grotten aan boeddhisten toeschrijft, zegt S.R. Wauchop:

Oorspronkelijk ondersteunden de voorhoofden van drie grote olifanten, die op een voetstuk staan dat is uitgehakt met het ‘hekwerkpatroon’ in de muur aan beide uiteinden, een omlijstende fries dat ook was versierd met het ‘hekwerk’; maar aan beide kanten is dit tweede ‘hekwerk’ naderhand weggehakt om beelden van Boeddha en zijn volgelingen in te passen, waarvan geen afbeeldingen bestonden toen de grot voor het eerst werd gemaakt.    – The Buddhist Cave Temples of India, blz. 42

Het is goed mogelijk dat boeddhisten niet de oorspronkelijke beeldhouwers van deze grottempels waren maar de grotten in een latere periode opnieuw in gebruik namen en vormgaven.

Volgens G. de Purucker was Karli oorspronkelijk een mysterieschool of -centrum (vgl. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 671). Een echte mysterieschool stijgt volgens mij boven sektarische religie uit en inspireert iedereen die naar waarheid zoekt om de mensheid meer van dienst te zijn. Maar zoals ook met andere aan ons bekende mysteriescholen gebeurde, verloor deze school na verloop van tijd haar inspirerende licht en moet ze in verval zijn geraakt.

Enkele andere grotten in Karli zijn nu voor het publiek gesloten, en volgens archeologen die ze hebben bezocht is daarin niets interessants te zien. Blavatsky die de grotten bezocht toen ze nog toegankelijk waren, schrijft:

Boven de hoofdtempel zijn twee andere verdiepingen met grotten, en in elk van deze zijn brede open galerijen met ruw uitgehouwen zuilen; vanuit deze galerijen leidt een opening naar ruime monnikscellen en gangen die soms erg lang zijn, maar tegenwoordig vrij onbruikbaar omdat ze abrupt eindigen bij wat massieve muren schijnen te zijn. De bewakers en beheerders van de tempel hebben òf zelf het geheim van andere ingangen die verder leiden verloren, òf verbergen deze nauwlettend voor de Europeanen.
     – From the Caves and Jungles of Hindostan, blz. 74

Door deze tunnels, zegt ze, waren verschillende mysteriecentra met elkaar verbonden. Het is mogelijk dat Ellora, Ajanta en Elephanta mystriescholen waren die onderling waren verbonden.

De grottempels van Ajanta zijn beroemd om hun prachtige boeddhistische schilderingen. Voor de auteur is het duidelijk dat deze grottempels in een latere periode voor een groot deel door boeddhisten opnieuw zijn bewerkt, gepleisterd, en beschilderd, maar dat ze oorspronkelijk door hindoes waren uitgehouwen. Het is moeilijk om een scherpe lijn te trekken omdat Gautama een hervormer van het hindoeïsme was en veel hindoes werden in die tijd boeddhisten en enkele van deze volgelingen kunnen de beeldhouwwerken van deze heilige plaatsen hebben aangepast. Op sommige plaatsen waren de nieuwe boeddhisten actiever dan op andere. In Ajanta zijn bijna alle grotten omgewerkt tot uitbeeldingen van boeddhistische thema’s.

 

Stupa, de berg Meru of Kailasa

De zogenaamde stupa neemt een heel belangrijke plaats in in de voornaamste grottempel van Karli. Ook in andere grottempelcomplexen zoals Bhaja, Bedsa, Junnar, Ajanta en Nashik speelt hij duidelijk een centrale rol, in tegenstelling tot Elephanta waar men alleen linga’s aantreft. In Ellora hebben veel grottempels linga’s en slechts één heeft een stupa, namelijk grot 10 of de Visvakarma-grot. De symboliek van de stupa is vergelijkbaar met die van een linga alleen dan uitgebreider. De stupa symboliseert niet alleen de geboorte van een universum, zoals het linga, maar ook een volledig ontvouwd universum. Een universum wordt voorgesteld door de halve bol die wordt geboren uit twee omringende ovale ringen: Brahman en pradhana. Evenals het linga is dit dus een weergave van Brahma die wordt geboren uit deze twee beginselen. Vanuit Brahma manifesteert het vierkant zich op de top van de koepel, dat het verblijf van de menigten scheppende goden voorstelt. De zes elkaar overwelvende lagen bovenop het vierkant vertegenwoordigen de verschillende kosmische sferen die door deze scheppende goden tot activiteit worden gebracht, en daarboven is de zevende of hoogste sfeer. Volgens het Vishnu Purana vormde intellect of Mahat,

waaronder de (niet gemanifesteerde) grove elementen, een ei, dat zich langzaam uitbreidde als een luchtbel op het water. Dit enorme ei dat is samengesteld uit de elementen en dat rust op de wateren, was het voortreffelijke natuurlijke verblijf van Vishnu in de vorm van Brahma. In dat ei . . . bevonden zich de continenten en zeeën en bergen, de planeten en onderverdelingen van het universum, de goden, de demonen en de mensheid. En dit ei was uitwendig bekleed met zeven natuurlijke omhulsels; door water, lucht, vuur, ether en ahamkara . . . vervolgens kwam het beginsel van de intelligentie.
     – Boek I, hfst. 2

De stupa is ook een voorstelling van de berg Meru of Sumeru, die zowel bij jains als bij hindoes en boeddhisten bekendstaat als de centrale berg in Jambudvipa of onze aarde. Jambudvipa is het centrale ‘eiland’ of de centrale ‘bol’ omringd door vele andere dvipa’s. In de theosofische literatuur zijn de dvipa’s de (voor ons) onzichtbare bollen van de aardketen. Latere hindoegeschriften verwijzen er ook naar als de berg Kailasa of de verblijfplaats van Siva. De berg Meru vertegenwoordigt de heilige centrale berg op onze aarde waar volgens zeggen Sambhala zich zou bevinden. Hij wordt in verband gebracht met dvipa’s die zijn opgebouwd uit een steeds fijnere soort materie (theosofie en hindoeïsme noemen er gewoonlijk zes), die hier worden vertegenwoordigd door de zes elkaar overwelvende lagen. Bovendien vertegenwoordigt hij zowel de noordpool als de zon – de derde Sambhala, het heilige centrum van ons zonnestelsel. Over de eerste Sambhala, of verblijfplaats van de grote adepten, zeggen legenden dat deze door ondergrondse tunnels is verbonden met heilige centra over de hele wereld, waaronder de grottempels van Karli. Het is opmerkelijk dat er ook aanwijzingen zijn voor het bestaan van zulke ondergrondse passages in andere delen van de wereld zoals in Egypte en Peru.

 

Conclusie

De grottempels van India worden omgeven door mysteries. Het is onzeker wanneer ze werden uitgehouwen en door wie, maar volgens legenden zijn sommige veel ouder dan tegenwoordig wordt gedacht, en het is duidelijk dat sommige door verschillende sekten opnieuw in gebruik zijn genomen en zijn herbewerkt.

De zogenaamde stupa’s die zich in enkele van de grotten bevinden, zijn in feite een oud thema niet alleen van het boeddhisme maar ook van het jainisme en hindoeïsme. Als symbool voor het ei van Brahma vertegenwoordigt hij het ontvouwen van de beginselen van een universum. Als symbool voor de berg Meru is hij een voorstelling van de goddelijke kern van een planeet, zonnestelsel, of mens. Het linga in combinatie met de yoni vertegenwoordigt ook een goddelijke kern of de berg Meru. Bovendien verwijst hun symboliek naar de geboorte van een universum, en het linga is de stralende kiem die het universum al in zich bevat.

Sommige van deze grottempels waren ongetwijfeld mysteriecentra voor het bestuderen van de universele wijsheid van de goden. De essentie van alle religies vindt haar oorsprong in één bron die is verbonden met de heilige centrale berg, de berg Meru, de verblijfplaats van de adepten en van de goden, en van daaruit stroomt de goddelijke wijsheid naar onze wereld. Deze wijsheid behoort alle mensen toe en niet slechts een bepaalde persoon of organisatie, maar om haar te ontvangen moeten we onszelf verbinden met onze innerlijke berg Meru, de heilige verblijfplaats van onze innerlijke god. Zoals Carmel Berkson zei: ‘ons [spirituele] hart is het heiligdom.’

 

Noot

  1. Ellora, M.K. Dhavalikar, 2003, blz. 7.
 
 
Foto's grottempel Elephanta
 
Foto's Ellora en Karli
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Azië
 
Religie en filosofie: hindoeïsme
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2006 en winter 2007

© 2006 Theosophical University Press Agency