Eeuwenlang was de kabbala een joodse traditie die niet toegankelijk
was voor het gewone volk en in het bijzonder niet voor vrouwen. Zoals
Dvora Waysman schreef:
Er was een tijd waarin het woord ‘kabbala’,
dat werd vertaald als ‘het ontvangen’, slechts werd gefluisterd.
Er werd gezegd dat degene die zich erin verdiepte zonder de juiste
voorbereiding – d.w.z. jaren of zelfs tientallen jaren van studie
van de bijbel en de talmoed – gek zou kunnen worden.
Men geloofde dat de geschriften in een van de meest
belangrijke boeken van de kabbala, de Zohar, het Boek
van Pracht of Schittering, behoorden tot het maanovergoten landschap
van de mystiek en het occulte. Kennis over de geheimen die erin zijn
verborgen – in moeilijk te begrijpen Aramees – kon alleen
worden verkregen in de kring van bepaalde geloofsgemeenschappen van
de chassidische beweging. De Zohar is waarschijnlijk het
meest belangrijke werk van de kabbala. . . .
Toen kwam er iemand, die in feite geen mysticus was,
zelfs geen religieuze jood volgens de norm . . . maar hij maakte de
geheimen van de kabbala beschikbaar voor iedereen die ze wilde lezen.
De inmiddels overleden prof. Gershom Scholem besteedde
drieënzestig jaar van zijn leven aan het samenstellen van een
geschiedenis en bibliografie van de joodse mystiek, en aan het vertalen
van de Zohar en andere kabbalistische werken in het Engels.
– Australian Jewish News, 21
september 1984
Een van de weinige mensen uit de 19de eeuw die de kabbala en de waarde
ervan begreep was niet alleen niet-joods maar bovendien een vrouw: Helena
Blavatsky. Niemand die haar Geheime Leer leest en de vele verwijzingen
daarin naar de kabbala opmerkt, zal twijfelen aan haar grondige kennis
over deze geschriften. In haar Theosophical Glossary legt ze
uit dat de kabbala een mondelinge overlevering was, en dat kabbalisten
bestudeerders van de ‘geheime wetenschap’ zijn die de verborgen
betekenis van de joodse geschriften interpreteren met behulp van de
symbolische kabbala:
De verborgen wijsheid van de Hebreeuwse rabbi’s
van de middeleeuwen is ontleend aan de oudere geheime leringen over
goddelijke zaken en kosmogonie, die na de periode van de Babylonische
ballingschap van de joden werden samengebracht in een theologie. Alle
werken die onder de esoterische categorie vallen worden kabbalistisch
genoemd. – blz. 168
Eeuwenlang heeft de wijsheid van de kabbala vele geleerden, filosofen
en wetenschappers gefascineerd die hebben geprobeerd haar bron te vinden
en haar geheimen te ontdekken. Er zijn veel discussies gevoerd, maar
er bestaat nog steeds geen overeenstemming over haar oorsprong. De kabbala
zoals wij die kennen is samengesteld uit veel verschillende stromingen
van denkers die de bijbel op hun eigen manier interpreteerden en die
zijn beïnvloed door het leven en de denkbeelden uit hun eigen tijd.
De voornaamste delen van de bijbel die in de kabbala worden onderzocht
vormen de thora of wet, de rol met daarin de boeken die worden toegeschreven
aan Mozes, en die wordt gebruikt in elke synagoge of tempel waar joodse
diensten worden gehouden.
De Zohar of het Boek van Pracht en Schittering is
het basiswerk van de joodse mystiek, de meest diepzinnige prestatie
van de kabbala. Vanouds wordt ze toegeschreven aan rabbi Simeon ben
Yohai en ze dateert uit ongeveer 80 n.Chr. Maar veel hedendaagse onderzoekers
denken dat een groot deel ervan niet ouder is dan 1280 n.Chr., toen
ze ongetwijfeld werd geredigeerd en uitgegeven door rabbi Moses de Leon
uit Spanje. In de Zohar presenteert Moses de Leon, in tegenstelling
tot de korte toespelingen en interpretaties van zijn voorgangers, een
scala aan interpretaties en preken die betrekking hebben op de hele
joodse wereld zoals die zich aan hem voordeed. Veel passages ervan proberen
licht te werpen op mystieke ideeën over God, in combinatie met
de verschillende stadia van Zijn manifestaties, en op het onderwerp
de ziel, haar gradaties en haar bestemming.
Het is interessant om te zien dat over de hele wereld de zoektocht
naar god-wijsheid dezelfde gedachtelijnen volgt. Soms schijnen deze
ons vreemd toe omdat we de traditie die ze vertegenwoordigen niet volledig
begrijpen. Niemand van ons kan bijvoorbeeld met zekerheid het mysterie
van de schepping kennen, want niemand van ons was er bewust bij aanwezig.
We zien echter dat men altijd heeft aangenomen dat er een beginpunt
was, zoals de Zohar zegt:
‘Het ondeelbare punt, dat geen grens heeft
en niet kan worden begrepen vanwege zijn zuiverheid en helderheid,
zette vanbuiten uit, en vormde een helderheid die het ondeelbare
punt als sluier diende’; maar ook laatstgenoemde ‘kon
niet worden gezien vanwege het onmetelijke licht ervan. Ook hij
zette vanbuiten uit, en deze uitzetting was het kleed ervan.
Dus door een voortdurende verheffing (opwaartse beweging) ontstond
uiteindelijk de wereld.’ – 1.20a
In onze tijd hebben we het voorrecht getuige te zijn van de geboorte
van nieuwe sterren, honderden lichtjaren van ons verwijderd, en dit
helpt om een begrip te krijgen van de enorme kracht die in het heelal
ingeworteld is en zijn eigen wetten volgt. Als we kijken naar de vele
culturen en hun wijzen en filosofen die zich bezighielden met het ontraadselen
van de mysteries van het Onkenbare dat ons omringt, zien we dat ze tot
dezelfde conclusies zijn gekomen. De Vedische literatuur verwijst naar
‘Niets was’ en later naar Parabrahman (‘voorbij Brahman’),
de kabbalisten naar Ain (‘niets’) of Ain Soph (‘zonder
einde’, ‘grenzeloos’), en Genesis naar de
‘Geest’ van God die over het water zweefde. In een kabbalistische
toelichting uit de 13de eeuw, De Poorten van Licht, lezen we:
De diepte van het oorspronkelijke zijn wordt het
grenzeloze genoemd. Omdat het voor alle wezens boven en beneden verborgen
is, wordt het ook nietsheid genoemd.
Als iemand vraagt ‘Wat is het?’ is het antwoord, ‘Niets’,
dat wil zeggen: niemand kan er iets over weten . . . behalve de gedachte
dat het bestaat. Het bestaan ervan kan door niemand anders worden
begrepen dan door het zelf. Daarom is de naam ervan ‘ik
word’.
– geciteerd door Daniel Matt in The Essential
Kabbalah, blz. 67
We vinden in de kabbala ook de gedachte dat er niet zoiets is als een
losstaand bestaan:
Alles is verbonden met al het andere tot en met de
laagste ring van de keten, en de werkelijke essentie van God is zowel
boven als onder, in de hemelen en op aarde, en niets bestaat buiten
Hem. En dit is wat de wijzen bedoelen wanneer ze zeggen: Toen God
de thora aan Israël gaf, opende Hij de zeven hemelen voor hen,
en zij zagen dat daar in feite niets anders was dan Zijn Glorie; Hij
opende de zeven werelden voor hen en ze zagen dat daar niets anders
was dan Zijn Glorie. Hij opende de afgronden voor hun ogen, en ze
zagen dat daar niets anders was dan Zijn Glorie. Mediteer over deze
dingen en u zult begrijpen dat Gods essentie is verbonden en samenhangt
met alle werelden, en dat alle bestaansvormen met elkaar zijn verbonden
en samenhangen, maar voortkomen uit Zijn bestaan en essentie.
– geciteerd door Gershom Scholem in Major
Trends in Jewish Mysticism, blz. 223
Een van de belangrijkste onderwerpen die het menselijke denken door
de millennia heen heeft beziggehouden is: Wat gebeurt er met het werkelijke
innerlijke zelf wanneer we sterven? De westerse wereld heeft de idee
van reïncarnatie verworpen totdat men in de 19de eeuw kennisnam
van de oosterse filosofie, en gedachten over de transmigratie van de
ziel in leven na leven, opnieuw werden opgewekt. Hiernaar zijn vele
verwijzingen, vooral in de oudere kabbala, want de meerderheid van de
vroege kabbalisten geloofden in gilgul, het Hebreeuwse woord
voor transmigratie. In de Zohar vinden we:
Alle zielen zijn onderworpen aan de beproevingen
van transmigratie; en mensen kennen de plannen die de Hoogste met
hen heeft niet; ze weten niet hoe ze op elk moment worden geoordeeld,
zowel vóór ze de wereld inkomen als wanneer ze haar
verlaten. Ze weten niet hoeveel transformaties en mysterieuze beproevingen
ze moeten ondergaan; hoeveel zielen en geesten naar deze wereld komen
zonder terug te keren naar het paleis van de Goddelijke Koning.
De zielen moeten de Absolute Substantie waaruit ze
tevoorschijn zijn gekomen, opnieuw binnengaan. Maar om dit doel te
bereiken moeten ze alle volmaaktheden ontwikkelen, waarvan de kiem
al in hen is geplant; en als zij niet in één leven aan
deze voorwaarde hebben voldaan, moeten ze aan een tweede, een derde,
enz., leven beginnen, totdat ze die gesteldheid hebben bereikt die
hen geschikt maakt zich met God te herenigen. –
2.99 e.v.
Een symbool dat in de kabbala veel voorkomt is de levensboom, die het
evolutiepad uitbeeldt dat de ziel moet afleggen voordat ze zich opnieuw
kan verenigen met Ain Soph. Maar Ain Soph is niet alleen de verborgen
wortel van alle wortels, ze is ook het sap van de boom; iedere tak die
een eigenschap vertegenwoordigt, bestaat niet op eigen kracht maar op
basis van Ain Soph, de verborgen God. En deze Boom van God is als het
ware ook het schema van het heelal; hij groeit door de hele schepping
heen en spreidt zijn takken door al zijn niveaus, van kether de kroon
tot malkuth de wereld.1

We zullen de verschillende delen van de levensboom in bovenstaande
illustratie kort doornemen. We beginnen met kether de kroon, ook bekend
als de bliksemschicht. Hij stroomt verder naar de andere sephiroth te
beginnen met hochmah (wijsheid). Hier manifesteert hij zichzelf als
abba, de kosmische vader of het mannelijke beginsel, een sterke kracht
in de top van de actieve kolom. Dan steekt hij over naar binah (inzicht),
die evenals aima, de kosmische moeder, bovenaan de vrouwelijke kolom
staat. De actieve en passieve kolommen worden ook wel de zuilen van
strengheid en mededogen genoemd, waarbij laatstgenoemde mannelijk is.
Op dit punt begint de drie-eenheid van schepping te werken, wanneer
de goddelijke energie vanuit een volmaakt evenwicht probeert haar balans
te hervinden om de volgende stap te zetten.
De stroom steekt dan onverminderd de centrale kolom over naar hesed
(mededogen), en vandaar naar gevurah (oordeel), en gaat verder naar
tipheret (schoonheid) die in bijzondere relatie staat tot kether de
kroon, omdat ze door middel van de as van de centrale kolom ermee verbonden
is. Het enige dat tipheret van kether scheidt is een onzichtbare sephirah
die bekendstaat als Daat (kennis), die alleen onder bepaalde omstandigheden
actief is. Bij tipheret wordt een evenbeeld verkregen, een weerspiegeling
van kether, maar werkzaam op een lager gebied. De emanatie gaat dan
over in netzah (eeuwigheid), en dan schuinover naar hod (pracht): zijn
functie is om informatie door te geven. Van daaruit begeeft ze zich
weer op de centrale kolom en richt zich op yesod (basis). Direct daaronder
bevindt zich de laatste sephirah, malkuth (koninkrijk).
Met
behulp van de levensboom heeft de kabbala een stelsel opgebouwd van
symbolische correspondenties tussen de manifestaties van goddelijke
krachten, letters, getallen, en de verschillende delen van het menselijk
lichaam. We kunnen dit terugzien in haar uitleg over het wereldwijd
bekende symbool van opgeheven handen die een zegening uitdrukken: ‘Dit
komt omdat er tien vingers aan de handen zitten, een verwijzing naar
de tien sephiroth waardoor de hemel en de aarde werden bezegeld. En
die tien komen overeen met de Tien Geboden.’2
Elke hand vertoont 16 letters die overeenkomen met de 32 wegen van wijsheid
van de eerste sephirah, de kroon of kether.
In iedere traditie komen we de vragen tegen: Waar komen we vandaan?
Wie zijn we? Wat is onze bestemming? en Wat bracht ‘de schepping’
teweeg? Maar in de kabbala of in enige andere traditie is een definitief
antwoord op deze vragen nog niet gevonden. Of we het nu hebben over
het Onkenbare uit de Veda’s of het Ain Soph van het jodendom,
deze gesluierde waarheid blijft een mysterie. Zoals Kenneth Hanson schrijft,
de kabbala ‘is een hulpmiddel bij het streven naar spiritualiteit,
zonder bekrompen dogmatisme. Ze spoort ons aan om naar de sterren te
reiken en tegelijkertijd met beide benen op de grond te blijven.’
Vervolgens zegt hij:
Het is interessant dat het laatste stukje wijsheid
dat de Zohar leert een opdracht en een oproep tot actie is:
‘Rabbi Hiyya ging staan en zei ‘Tot nu toe heeft de Heilige
Vonk in ons over ons gewaakt; nu is het tijd om ons te gaan inzetten
om hem eer te bewijzen!’’
Eerbewijs betekent oprecht gedrag, dat op zijn beurt
om een zekere vastberadenheid vraagt. De lezer van de Zohar
wordt iets meegegeven om te doen, namelijk van de wereld een wezenlijk
betere plaats te maken. Dat is de boodschap en het doel van de mystici.
– blz. 252, 148

Noten
- Gershom Scholem, Major Trends in Jewish Mysticism,
blz. 214.
- Geciteerd door Kenneth Hanson in Kabbalah, Three
Thousand Years of Mystic Tradition, blz. 117.
Aanbevolen literatuur:
- Henrietta Bernstein, Cabalah Primer
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer
- Z’ev ben Shimon Halevi, Tree of Life,
An Introduction to the Cabala
- Gershom Sholem, Kabbalah
- ————, ed., The
Zohar: The Book of Splendor