Kabbala en theosofie*
Lo Guest

 
*Lezing die op 3 juni 2005 werd gehouden in de theosofische bibliotheek in Altadena, Californië, U.S.A.
 

Eeuwenlang was de kabbala een joodse traditie die niet toegankelijk was voor het gewone volk en in het bijzonder niet voor vrouwen. Zoals Dvora Waysman schreef:

Er was een tijd waarin het woord ‘kabbala’, dat werd vertaald als ‘het ontvangen’, slechts werd gefluisterd. Er werd gezegd dat degene die zich erin verdiepte zonder de juiste voorbereiding – d.w.z. jaren of zelfs tientallen jaren van studie van de bijbel en de talmoed – gek zou kunnen worden.

Men geloofde dat de geschriften in een van de meest belangrijke boeken van de kabbala, de Zohar, het Boek van Pracht of Schittering, behoorden tot het maanovergoten landschap van de mystiek en het occulte. Kennis over de geheimen die erin zijn verborgen – in moeilijk te begrijpen Aramees – kon alleen worden verkregen in de kring van bepaalde geloofsgemeenschappen van de chassidische beweging. De Zohar is waarschijnlijk het meest belangrijke werk van de kabbala. . . .

Toen kwam er iemand, die in feite geen mysticus was, zelfs geen religieuze jood volgens de norm . . . maar hij maakte de geheimen van de kabbala beschikbaar voor iedereen die ze wilde lezen.

De inmiddels overleden prof. Gershom Scholem besteedde drieënzestig jaar van zijn leven aan het samenstellen van een geschiedenis en bibliografie van de joodse mystiek, en aan het vertalen van de Zohar en andere kabbalistische werken in het Engels.
    – Australian Jewish News, 21 september 1984

Een van de weinige mensen uit de 19de eeuw die de kabbala en de waarde ervan begreep was niet alleen niet-joods maar bovendien een vrouw: Helena Blavatsky. Niemand die haar Geheime Leer leest en de vele verwijzingen daarin naar de kabbala opmerkt, zal twijfelen aan haar grondige kennis over deze geschriften. In haar Theosophical Glossary legt ze uit dat de kabbala een mondelinge overlevering was, en dat kabbalisten bestudeerders van de ‘geheime wetenschap’ zijn die de verborgen betekenis van de joodse geschriften interpreteren met behulp van de symbolische kabbala:

De verborgen wijsheid van de Hebreeuwse rabbi’s van de middeleeuwen is ontleend aan de oudere geheime leringen over goddelijke zaken en kosmogonie, die na de periode van de Babylonische ballingschap van de joden werden samengebracht in een theologie. Alle werken die onder de esoterische categorie vallen worden kabbalistisch genoemd.    – blz. 168

Eeuwenlang heeft de wijsheid van de kabbala vele geleerden, filosofen en wetenschappers gefascineerd die hebben geprobeerd haar bron te vinden en haar geheimen te ontdekken. Er zijn veel discussies gevoerd, maar er bestaat nog steeds geen overeenstemming over haar oorsprong. De kabbala zoals wij die kennen is samengesteld uit veel verschillende stromingen van denkers die de bijbel op hun eigen manier interpreteerden en die zijn beïnvloed door het leven en de denkbeelden uit hun eigen tijd. De voornaamste delen van de bijbel die in de kabbala worden onderzocht vormen de thora of wet, de rol met daarin de boeken die worden toegeschreven aan Mozes, en die wordt gebruikt in elke synagoge of tempel waar joodse diensten worden gehouden.

De Zohar of het Boek van Pracht en Schittering is het basiswerk van de joodse mystiek, de meest diepzinnige prestatie van de kabbala. Vanouds wordt ze toegeschreven aan rabbi Simeon ben Yohai en ze dateert uit ongeveer 80 n.Chr. Maar veel hedendaagse onderzoekers denken dat een groot deel ervan niet ouder is dan 1280 n.Chr., toen ze ongetwijfeld werd geredigeerd en uitgegeven door rabbi Moses de Leon uit Spanje. In de Zohar presenteert Moses de Leon, in tegenstelling tot de korte toespelingen en interpretaties van zijn voorgangers, een scala aan interpretaties en preken die betrekking hebben op de hele joodse wereld zoals die zich aan hem voordeed. Veel passages ervan proberen licht te werpen op mystieke ideeën over God, in combinatie met de verschillende stadia van Zijn manifestaties, en op het onderwerp de ziel, haar gradaties en haar bestemming.

Het is interessant om te zien dat over de hele wereld de zoektocht naar god-wijsheid dezelfde gedachtelijnen volgt. Soms schijnen deze ons vreemd toe omdat we de traditie die ze vertegenwoordigen niet volledig begrijpen. Niemand van ons kan bijvoorbeeld met zekerheid het mysterie van de schepping kennen, want niemand van ons was er bewust bij aanwezig. We zien echter dat men altijd heeft aangenomen dat er een beginpunt was, zoals de Zohar zegt:

‘Het ondeelbare punt, dat geen grens heeft en niet kan worden begrepen vanwege zijn zuiverheid en helderheid, zette vanbuiten uit, en vormde een helderheid die het ondeelbare punt als sluier diende’; maar ook laatstgenoemde ‘kon niet worden gezien vanwege het onmetelijke licht ervan. Ook hij zette vanbuiten uit, en deze uitzetting was het kleed ervan. Dus door een voortdurende verheffing (opwaartse beweging) ontstond uiteindelijk de wereld.’    – 1.20a

In onze tijd hebben we het voorrecht getuige te zijn van de geboorte van nieuwe sterren, honderden lichtjaren van ons verwijderd, en dit helpt om een begrip te krijgen van de enorme kracht die in het heelal ingeworteld is en zijn eigen wetten volgt. Als we kijken naar de vele culturen en hun wijzen en filosofen die zich bezighielden met het ontraadselen van de mysteries van het Onkenbare dat ons omringt, zien we dat ze tot dezelfde conclusies zijn gekomen. De Vedische literatuur verwijst naar ‘Niets was’ en later naar Parabrahman (‘voorbij Brahman’), de kabbalisten naar Ain (‘niets’) of Ain Soph (‘zonder einde’, ‘grenzeloos’), en Genesis naar de ‘Geest’ van God die over het water zweefde. In een kabbalistische toelichting uit de 13de eeuw, De Poorten van Licht, lezen we:

De diepte van het oorspronkelijke zijn wordt het grenzeloze genoemd. Omdat het voor alle wezens boven en beneden verborgen is, wordt het ook nietsheid genoemd. Als iemand vraagt ‘Wat is het?’ is het antwoord, ‘Niets’, dat wil zeggen: niemand kan er iets over weten . . . behalve de gedachte dat het bestaat. Het bestaan ervan kan door niemand anders worden begrepen dan door het zelf. Daarom is de naam ervan ‘ik word’.
   – geciteerd door Daniel Matt in The Essential Kabbalah, blz. 67

We vinden in de kabbala ook de gedachte dat er niet zoiets is als een losstaand bestaan:

Alles is verbonden met al het andere tot en met de laagste ring van de keten, en de werkelijke essentie van God is zowel boven als onder, in de hemelen en op aarde, en niets bestaat buiten Hem. En dit is wat de wijzen bedoelen wanneer ze zeggen: Toen God de thora aan Israël gaf, opende Hij de zeven hemelen voor hen, en zij zagen dat daar in feite niets anders was dan Zijn Glorie; Hij opende de zeven werelden voor hen en ze zagen dat daar niets anders was dan Zijn Glorie. Hij opende de afgronden voor hun ogen, en ze zagen dat daar niets anders was dan Zijn Glorie. Mediteer over deze dingen en u zult begrijpen dat Gods essentie is verbonden en samenhangt met alle werelden, en dat alle bestaansvormen met elkaar zijn verbonden en samenhangen, maar voortkomen uit Zijn bestaan en essentie.
   – geciteerd door Gershom Scholem in Major Trends in Jewish Mysticism, blz. 223

Een van de belangrijkste onderwerpen die het menselijke denken door de millennia heen heeft beziggehouden is: Wat gebeurt er met het werkelijke innerlijke zelf wanneer we sterven? De westerse wereld heeft de idee van reïncarnatie verworpen totdat men in de 19de eeuw kennisnam van de oosterse filosofie, en gedachten over de transmigratie van de ziel in leven na leven, opnieuw werden opgewekt. Hiernaar zijn vele verwijzingen, vooral in de oudere kabbala, want de meerderheid van de vroege kabbalisten geloofden in gilgul, het Hebreeuwse woord voor transmigratie. In de Zohar vinden we:

Alle zielen zijn onderworpen aan de beproevingen van transmigratie; en mensen kennen de plannen die de Hoogste met hen heeft niet; ze weten niet hoe ze op elk moment worden geoordeeld, zowel vóór ze de wereld inkomen als wanneer ze haar verlaten. Ze weten niet hoeveel transformaties en mysterieuze beproevingen ze moeten ondergaan; hoeveel zielen en geesten naar deze wereld komen zonder terug te keren naar het paleis van de Goddelijke Koning.

De zielen moeten de Absolute Substantie waaruit ze tevoorschijn zijn gekomen, opnieuw binnengaan. Maar om dit doel te bereiken moeten ze alle volmaaktheden ontwikkelen, waarvan de kiem al in hen is geplant; en als zij niet in één leven aan deze voorwaarde hebben voldaan, moeten ze aan een tweede, een derde, enz., leven beginnen, totdat ze die gesteldheid hebben bereikt die hen geschikt maakt zich met God te herenigen.   – 2.99 e.v.

Een symbool dat in de kabbala veel voorkomt is de levensboom, die het evolutiepad uitbeeldt dat de ziel moet afleggen voordat ze zich opnieuw kan verenigen met Ain Soph. Maar Ain Soph is niet alleen de verborgen wortel van alle wortels, ze is ook het sap van de boom; iedere tak die een eigenschap vertegenwoordigt, bestaat niet op eigen kracht maar op basis van Ain Soph, de verborgen God. En deze Boom van God is als het ware ook het schema van het heelal; hij groeit door de hele schepping heen en spreidt zijn takken door al zijn niveaus, van kether de kroon tot malkuth de wereld.1

 

We zullen de verschillende delen van de levensboom in bovenstaande illustratie kort doornemen. We beginnen met kether de kroon, ook bekend als de bliksemschicht. Hij stroomt verder naar de andere sephiroth te beginnen met hochmah (wijsheid). Hier manifesteert hij zichzelf als abba, de kosmische vader of het mannelijke beginsel, een sterke kracht in de top van de actieve kolom. Dan steekt hij over naar binah (inzicht), die evenals aima, de kosmische moeder, bovenaan de vrouwelijke kolom staat. De actieve en passieve kolommen worden ook wel de zuilen van strengheid en mededogen genoemd, waarbij laatstgenoemde mannelijk is. Op dit punt begint de drie-eenheid van schepping te werken, wanneer de goddelijke energie vanuit een volmaakt evenwicht probeert haar balans te hervinden om de volgende stap te zetten.

De stroom steekt dan onverminderd de centrale kolom over naar hesed (mededogen), en vandaar naar gevurah (oordeel), en gaat verder naar tipheret (schoonheid) die in bijzondere relatie staat tot kether de kroon, omdat ze door middel van de as van de centrale kolom ermee verbonden is. Het enige dat tipheret van kether scheidt is een onzichtbare sephirah die bekendstaat als Daat (kennis), die alleen onder bepaalde omstandigheden actief is. Bij tipheret wordt een evenbeeld verkregen, een weerspiegeling van kether, maar werkzaam op een lager gebied. De emanatie gaat dan over in netzah (eeuwigheid), en dan schuinover naar hod (pracht): zijn functie is om informatie door te geven. Van daaruit begeeft ze zich weer op de centrale kolom en richt zich op yesod (basis). Direct daaronder bevindt zich de laatste sephirah, malkuth (koninkrijk).

Met behulp van de levensboom heeft de kabbala een stelsel opgebouwd van symbolische correspondenties tussen de manifestaties van goddelijke krachten, letters, getallen, en de verschillende delen van het menselijk lichaam. We kunnen dit terugzien in haar uitleg over het wereldwijd bekende symbool van opgeheven handen die een zegening uitdrukken: ‘Dit komt omdat er tien vingers aan de handen zitten, een verwijzing naar de tien sephiroth waardoor de hemel en de aarde werden bezegeld. En die tien komen overeen met de Tien Geboden.’2 Elke hand vertoont 16 letters die overeenkomen met de 32 wegen van wijsheid van de eerste sephirah, de kroon of kether.

In iedere traditie komen we de vragen tegen: Waar komen we vandaan? Wie zijn we? Wat is onze bestemming? en Wat bracht ‘de schepping’ teweeg? Maar in de kabbala of in enige andere traditie is een definitief antwoord op deze vragen nog niet gevonden. Of we het nu hebben over het Onkenbare uit de Veda’s of het Ain Soph van het jodendom, deze gesluierde waarheid blijft een mysterie. Zoals Kenneth Hanson schrijft, de kabbala ‘is een hulpmiddel bij het streven naar spiritualiteit, zonder bekrompen dogmatisme. Ze spoort ons aan om naar de sterren te reiken en tegelijkertijd met beide benen op de grond te blijven.’ Vervolgens zegt hij:

Het is interessant dat het laatste stukje wijsheid dat de Zohar leert een opdracht en een oproep tot actie is: ‘Rabbi Hiyya ging staan en zei ‘Tot nu toe heeft de Heilige Vonk in ons over ons gewaakt; nu is het tijd om ons te gaan inzetten om hem eer te bewijzen!’’

Eerbewijs betekent oprecht gedrag, dat op zijn beurt om een zekere vastberadenheid vraagt. De lezer van de Zohar wordt iets meegegeven om te doen, namelijk van de wereld een wezenlijk betere plaats te maken. Dat is de boodschap en het doel van de mystici.    – blz. 252, 148

 

Noten

  1. Gershom Scholem, Major Trends in Jewish Mysticism, blz. 214.
  2. Geciteerd door Kenneth Hanson in Kabbalah, Three Thousand Years of Mystic Tradition, blz. 117.

 

Aanbevolen literatuur:

  • Henrietta Bernstein, Cabalah Primer
  • H.P. Blavatsky, De Geheime Leer
  • Z’ev ben Shimon Halevi, Tree of Life, An Introduction to the Cabala
  • Gershom Sholem, Kabbalah
  • ————, ed., The Zohar: The Book of Splendor

 

 
Andere artikelen over kabbala
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency