De onderzoekende menselijke geest
Peter H. Samson

 

Ik weet niet of er een persoonlijke God is. Ik zie niet in hoe ik dat kan weten; en ik zie niet in dat het ertoe doet of ik dat weet. Wat van belang is, denk ik, is hoe ik omga met mijzelf en met anderen. Ik denk dat ik een gedragslijn kan volgen voor mezelf en tegenover mijn medemens die een basis kan vormen voor een geschikte religie, een religie die spiritualiteit, schoonheid en sereen geluk kan omvatten.
      – James Weldon Johnson

Het verhaal van de vrije menselijke geest is vanaf het begin voor het grootste deel het verhaal van de eindeloze strijd tussen dogma en twijfel. We bouwen onze denkstelsels, stellen dogma’s en geloofsbelijdenissen op, en dan gaan we ze betwijfelen, tenslotte ontgroeien we ze en gaan op zoek naar een nieuwe waarheid. Ons onderzoekend vragen stellen is op die manier een van de krachtigste en doeltreffendste bondgenoten geweest van de vrije geest. Zonder het bijtende zuur van het onderzoekende denken, dat de ijzeren kettingen van geloof aanvreet die denken, geest en lichaam van de mens gevangen hebben gehouden, zouden onze opvattingen nog steeds eeuwig en onveranderlijk lijken, onze vooroordelen zouden zich blijven voordoen als waarheid, en onze trotse dogmatische stelsels zouden ons voor altijd ervan overtuigen dat we de uiteindelijke, onweerlegbare waarheid over de mens, het leven, en God bezitten.

Twijfel was de snede van het mes dat de rommelige ondergroei van onze mentale jungle afsneed, zodat er een open plek kon ontstaan vrij van de zich vasthechtende wijnranken van oude vooroordelen en heilig bijgeloof, waarvan de grootste deugd hun ouderdom was. Zonder dat eerste aanhoudende stellen van vragen waarop de oude antwoorden niet meer voldeden, zonder dat eerste opruimen van intellectueel puin, zonder die oprechte twijfel die zelfs het heiligste geloof uitdaagt om haar geloofsbrieven te tonen en de redenen te geven waarom we erin zouden moeten geloven, zou er geen verandering of groei mogelijk zijn geweest. Zulke stelsels waren twijfelachtig – en er werd aan getwijfeld. Het resultaat was opstand na opstand naarmate de rebelse menselijke geest zich verdiepte in datgene waarvan vol vertrouwen werd beweerd dat het de uiteindelijke wijsheid was.

In deze situatie van de eeuwige strijd tussen verstard geloof en het frisse zich openstellende denken scheen de speciale soort twijfelaar, die we agnosticus noemen, een blijvende bijdrage te leveren aan het bevrijden van de menselijke geest. De agnosticus was niet de enige twijfelaar aan diepgewortelde dogma’s – altijd talrijker en krachtiger waren zij die, zoals Luther en Calvijn, het versteende stelsel slechts aanvielen om er een ander even star en monolithisch voor in de plaats te stellen. Maar de agnosticus volgde een heel ander pad. Hij vernietigde niet de ene gevangenis alleen maar om een andere op te bouwen; hij gaf de voorkeur eraan de fundering weg te graven van alle gevangenissen van geloof, omdat hij nooit kon geloven dat gevangenissen geschikte woningen zijn voor de menselijke geest. De agnosticus heeft eeuw na eeuw zijn medemens rustig eraan herinnerd dat geloof geen kennis is maar slechts mening bekrachtigd door emotionele overtuiging, en dat een van onze geliefde menselijke gewoonten was beweren te weten wat we in werkelijkheid niet weten maar waarvan we slechts hopen, geloven en willen dat het waar is.

Aan de machtigste religies en filosofieën, de meest overtuigende geloven die alles hebben beloofd van vrede voor de ziel op aarde tot een gouden harp in de hemel, heeft de agnosticus de moed gehad de pijnlijke vraag te stellen: Weten we werkelijk? Hij is nog verder gegaan en verzekerde dat we van veel van de dingen waar we dogmatisch zo zeker van waren in feite niets kunnen weten. Dienen we deze geestesgesteldheid
te eren als een bevrijdende invloed, of ervoor op onze hoede te zijn als een gevaar voor onze spirituele veiligheid en sociale betrekkingen? Deze tijd is ongetwijfeld even dogmatisch als elke andere, en welke mogelijk waardevolle rol dient de agnosticus daarin te spelen?

Elke filosofie heeft haar gevaren en zwakheden, en we moeten erkennen dat het agnosticisme, ook al heeft het de mensheid een grote dienst bewezen, daarop geen uitzondering is. Er zit een waardevolle les in het verhaal van de agnosticus: dat zelfs wanneer je het knapste idee neemt en er een vast stelsel van maakt, je je al snel in de greep bevindt van slechts een ander dogmatisme. Dit gevaar wordt bijzonder goed geïllustreerd door wat er gebeurde toen de agnostische opvatting voor het eerst verscheen in de westerse traditie als de Griekse school van sceptici. Ze hadden genoeg van de eindeloze strijd tussen rivaliserende dogmatische filosofieën over de aard van het heelal, en kwamen tot de conclusie dat al deze tegenstrijdige verklaringen over het leven alleen maar aantonen dat de mens niet in staat is iets met zekerheid te weten.

Deze filosofie die uitging van de gezonde agnostische positie waarin ze zich afvroegen of de meer dogmatische denkers eigenlijk wel wisten waarover ze het hadden, ontwikkelde zich geleidelijk tot een heel andere positie: niet alleen dat we de waarheid niet kennen, maar dat we die onmogelijk kunnen kennen (wat de agnosticus moet verwerpen als een nieuw dogma). Al gauw horen we de Sceptische school zeggen: ‘Niemand weet, en niemand kan iets weten’. Dit ontkennende dogma werd niet alleen toegepast op filosofie en kosmologie, maar ook op zaken van het dagelijks leven en morele keuze.

In de grond van de zaak is er een eenvoudige directe vraag die aan elke filosofie, religie, en idee die beweert een betere manier aan te bieden zou moeten worden gesteld: moedigt ze de zoektocht aan naar een grotere waarheid en diepere kennis? Niet dat ze antwoord geeft op al onze vragen, maar spoort ze mensen aan om meer te bereiken dan wat ze tot nu toe hebben bereikt? Door de eeuwen heen heeft de agnosticus de mensheid geconfronteerd met de vaak van pas komende noodzakelijke vermaning dat er veel zaken zijn waarover we ons oordeel moeten opschorten – ‘we weten het in feite niet’ – en de mensen geadviseerd om voorzichtig te zijn bij het betreden van het dunne ijs van hun onwetendheid. Deze openhartige bekentenis van menselijke beperkingen kan in drie richtingen voeren. Ten eerste kunnen we zoals de vroege sceptici tot de conclusie komen dat, omdat er veel dingen zijn die we niet weten, we ze daarom nooit zullen weten. Dit is dogmatische twijfel, en daarvoor is net zo min plaats in de waarlijk agnostische geest als voor de dogmatische verzekering betreffende elke niet aangetoonde zaak.

De tweede mogelijkheid is dat we tot de slotsom komen – omdat er enkele belangrijke problemen zijn waarover we maar heel weinig weten – dat we onze inspanning moeten verhogen om onze magere voorraad kennis uit te breiden. Dit soort van agnostische houding heeft de opkomst van de wetenschap bevorderd en heeft het onderzoek naar waarheid uitgebreid naar alle levensgebieden en daarbuiten naar het Onbekende dat ons omringt.

En de derde vrucht van het agnosticisme: als we bekennen dat er veel dingen in het leven van de mens zijn waarvan we nu niet kunnen verwachten echte controleerbare kennis te hebben – de oude vragen over God, onsterfelijkheid en menselijke bestemming, die de godsdienst altijd heeft geprobeerd te beantwoorden – als we niet werkelijk weten en niet kunnen verwachten binnenkort erachter te komen, laat ons dan grootmoediger en verdraagzamer zijn tegenover de oprechte pogingen van alle mensen om antwoorden te vinden en te geloven overeenkomstig wat hen het meest redelijk lijkt in afwezigheid van feitelijke kennis!

In deze tweede en derde richting vinden we de werkelijke waarde van deze filosofie. Maar vreemd genoeg werd haar bijdrage het minst gewaardeerd, want de critici ervan waren zo bezorgd over de veiligheid van de heilige waarheden die de agnosticus in twijfel trekt, dat ze niet in staat waren het feit te vatten dat de agnostische weg, afgezien van het bevrijden van mensen van dogma’s die gebaseerd zijn op onwetendheid, hen aanspoorde om paden van steeds ruimere kennis te volgen op terreinen waar deze nu gering is, en om een warmer begrip en waardering te koesteren voor anderen, waar we nu slechts opgeklopte mening en vurig geloof aantreffen. De agnosticus heeft ons meer dan alle anderen geholpen de diepe waarheid te zien in Gilbert Murray’s opvatting dat ‘de essentie van religie het bewustzijn van een uitgestrekt onbekende is’. In deze geest was de agnosticus een bevrijder van verstarde dogma’s en een zoeker naar meer waarheid dan we tot nu toe bezitten.

En is er nu, te midden van daverende propaganda, kreten van haat, oproepen tot hersenloos geweld, en de duizenden tonnen van meningen, voortgebracht ter consumptie en die de plaats van het denken innemen, geen behoefte aan onderzoekende, sceptische denkers? Een werkzaam tegengif zou een terugkeer betekenen, tenminste gedeeltelijk, naar de wezenlijke agnostische houding tegenover alle gebieden van kennis die nog moeten worden onderzocht: sceptisch maar ontvankelijk; vragend maar vol vertrouwen.

In onze tijd moeten we het terrein van het volhardende zoeken naar nog onbekende waarheid sterk uitbreiden. We moeten die onderzoekende geest moedig gebruiken bij al onze aangelegenheden, zowel openbaar als privé, waar hartstochtelijke meningen zich voordoen als bewezen kennis, waar ingeworteld vooroordeel zich hult in het gewaad van eeuwige waarheid. Hoewel onze tijd ons confronteert met de gevolgen van noodlottige beslissingen die niet zullen wachten en die geen verantwoordelijke burger uit de weg kan gaan, zal het altijd een teken van spirituele rijpheid zijn om te erkennen dat er grenzen zijn aan wat we weten en niet toe te staan kennis voor te wenden die we nog niet hebben bereikt – maar ook om dapper genoeg te zijn om te handelen volgens de beproefde levenswaarheden die we tot dusver hebben ontdekt en ten volle te leven in het lichtvlekje dat we hebben voortgebracht in de omringende duisternis waarin we nog moeten doordringen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise herfst 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency