Ik weet niet of er een persoonlijke God is. Ik zie
niet in hoe ik dat kan weten; en ik zie niet in dat het ertoe doet
of ik dat weet. Wat van belang is, denk ik, is hoe ik omga met mijzelf
en met anderen. Ik denk dat ik een gedragslijn kan volgen voor mezelf
en tegenover mijn medemens die een basis kan vormen voor een geschikte
religie, een religie die spiritualiteit, schoonheid en sereen geluk
kan omvatten.
– James
Weldon Johnson
Het verhaal van de vrije menselijke geest is vanaf het begin voor het
grootste deel het verhaal van de eindeloze strijd tussen dogma en twijfel.
We bouwen onze denkstelsels, stellen dogma’s en geloofsbelijdenissen
op, en dan gaan we ze betwijfelen, tenslotte ontgroeien we ze en gaan
op zoek naar een nieuwe waarheid. Ons onderzoekend vragen stellen is
op die manier een van de krachtigste en doeltreffendste bondgenoten
geweest van de vrije geest. Zonder het bijtende zuur van het onderzoekende
denken, dat de ijzeren kettingen van geloof aanvreet die denken, geest
en lichaam van de mens gevangen hebben gehouden, zouden onze opvattingen
nog steeds eeuwig en onveranderlijk lijken, onze vooroordelen zouden
zich blijven voordoen als waarheid, en onze trotse dogmatische stelsels
zouden ons voor altijd ervan overtuigen dat we de uiteindelijke, onweerlegbare
waarheid over de mens, het leven, en God bezitten.
Twijfel was de snede van het mes dat de rommelige ondergroei van onze
mentale jungle afsneed, zodat er een open plek kon ontstaan vrij van
de zich vasthechtende wijnranken van oude vooroordelen en heilig bijgeloof,
waarvan de grootste deugd hun ouderdom was. Zonder dat eerste aanhoudende
stellen van vragen waarop de oude antwoorden niet meer voldeden, zonder
dat eerste opruimen van intellectueel puin, zonder die oprechte twijfel
die zelfs het heiligste geloof uitdaagt om haar geloofsbrieven te tonen
en de redenen te geven waarom we erin zouden moeten geloven, zou er
geen verandering of groei mogelijk zijn geweest. Zulke stelsels waren
twijfelachtig – en er werd aan getwijfeld. Het resultaat was opstand
na opstand naarmate de rebelse menselijke geest zich verdiepte in datgene
waarvan vol vertrouwen werd beweerd dat het de uiteindelijke wijsheid
was.
In deze situatie van de eeuwige strijd tussen verstard geloof en het
frisse zich openstellende denken scheen de speciale soort twijfelaar,
die we agnosticus noemen, een blijvende bijdrage te leveren aan het
bevrijden van de menselijke geest. De agnosticus was niet de enige twijfelaar
aan diepgewortelde dogma’s – altijd talrijker en krachtiger
waren zij die, zoals Luther en Calvijn, het versteende stelsel slechts
aanvielen om er een ander even star en monolithisch voor in de plaats
te stellen. Maar de agnosticus volgde een heel ander pad. Hij vernietigde
niet de ene gevangenis alleen maar om een andere op te bouwen; hij gaf
de voorkeur eraan de fundering weg te graven van alle gevangenissen
van geloof, omdat hij nooit kon geloven dat gevangenissen geschikte
woningen zijn voor de menselijke geest. De agnosticus heeft eeuw na
eeuw zijn medemens rustig eraan herinnerd dat geloof geen kennis is
maar slechts mening bekrachtigd door emotionele overtuiging, en dat
een van onze geliefde menselijke gewoonten was beweren te weten wat
we in werkelijkheid niet weten maar waarvan we slechts hopen, geloven
en willen dat het waar is.
Aan de machtigste religies en filosofieën, de meest overtuigende
geloven die alles hebben beloofd van vrede voor de ziel op aarde tot
een gouden harp in de hemel, heeft de agnosticus de moed gehad de pijnlijke
vraag te stellen: Weten we werkelijk? Hij is nog verder gegaan en verzekerde
dat we van veel van de dingen waar we dogmatisch zo zeker van waren
in feite niets kunnen weten. Dienen we deze geestesgesteldheid
te eren als een bevrijdende invloed, of ervoor op onze hoede te zijn
als een gevaar voor onze spirituele veiligheid en sociale betrekkingen?
Deze tijd is ongetwijfeld even dogmatisch als elke andere, en welke
mogelijk waardevolle rol dient de agnosticus daarin te spelen?
Elke filosofie heeft haar gevaren en zwakheden, en we moeten erkennen
dat het agnosticisme, ook al heeft het de mensheid een grote dienst
bewezen, daarop geen uitzondering is. Er zit een waardevolle les in
het verhaal van de agnosticus: dat zelfs wanneer je het knapste idee
neemt en er een vast stelsel van maakt, je je al snel in de greep bevindt
van slechts een ander dogmatisme. Dit gevaar wordt bijzonder goed geïllustreerd
door wat er gebeurde toen de agnostische opvatting voor het eerst verscheen
in de westerse traditie als de Griekse school van sceptici. Ze hadden
genoeg van de eindeloze strijd tussen rivaliserende dogmatische filosofieën
over de aard van het heelal, en kwamen tot de conclusie dat al deze
tegenstrijdige verklaringen over het leven alleen maar aantonen dat
de mens niet in staat is iets met zekerheid te weten.
Deze filosofie die uitging van de gezonde agnostische positie waarin
ze zich afvroegen of de meer dogmatische denkers eigenlijk wel wisten
waarover ze het hadden, ontwikkelde zich geleidelijk tot een heel andere
positie: niet alleen dat we de waarheid niet kennen, maar dat we die
onmogelijk kunnen kennen (wat de agnosticus moet verwerpen als een nieuw
dogma). Al gauw horen we de Sceptische school zeggen: ‘Niemand
weet, en niemand kan iets weten’. Dit ontkennende dogma werd niet
alleen toegepast op filosofie en kosmologie, maar ook op zaken van het
dagelijks leven en morele keuze.
In de grond van de zaak is er een eenvoudige directe vraag die aan
elke filosofie, religie, en idee die beweert een betere manier aan te
bieden zou moeten worden gesteld: moedigt ze de zoektocht aan naar een
grotere waarheid en diepere kennis? Niet dat ze antwoord geeft op al
onze vragen, maar spoort ze mensen aan om meer te bereiken dan wat ze
tot nu toe hebben bereikt? Door de eeuwen heen heeft de agnosticus de
mensheid geconfronteerd met de vaak van pas komende noodzakelijke vermaning
dat er veel zaken zijn waarover we ons oordeel moeten opschorten –
‘we weten het in feite niet’ – en de mensen geadviseerd
om voorzichtig te zijn bij het betreden van het dunne ijs van hun onwetendheid.
Deze openhartige bekentenis van menselijke beperkingen kan in drie richtingen
voeren. Ten eerste kunnen we zoals de vroege sceptici tot de conclusie
komen dat, omdat er veel dingen zijn die we niet weten, we ze daarom
nooit zullen weten. Dit is dogmatische twijfel, en daarvoor is net zo
min plaats in de waarlijk agnostische geest als voor de dogmatische
verzekering betreffende elke niet aangetoonde zaak.
De tweede mogelijkheid is dat we tot de slotsom komen – omdat
er enkele belangrijke problemen zijn waarover we maar heel weinig weten
– dat we onze inspanning moeten verhogen om onze magere voorraad
kennis uit te breiden. Dit soort van agnostische houding heeft de opkomst
van de wetenschap bevorderd en heeft het onderzoek naar waarheid uitgebreid
naar alle levensgebieden en daarbuiten naar het Onbekende dat ons omringt.
En de derde vrucht van het agnosticisme: als we bekennen dat er veel
dingen in het leven van de mens zijn waarvan we nu niet kunnen verwachten
echte controleerbare kennis te hebben – de oude vragen over God,
onsterfelijkheid en menselijke bestemming, die de godsdienst altijd
heeft geprobeerd te beantwoorden – als we niet werkelijk weten
en niet kunnen verwachten binnenkort erachter te komen, laat ons dan
grootmoediger en verdraagzamer zijn tegenover de oprechte pogingen van
alle mensen om antwoorden te vinden en te geloven overeenkomstig wat
hen het meest redelijk lijkt in afwezigheid van feitelijke kennis!
In deze tweede en derde richting vinden we de werkelijke waarde van
deze filosofie. Maar vreemd genoeg werd haar bijdrage het minst gewaardeerd,
want de critici ervan waren zo bezorgd over de veiligheid van de heilige
waarheden die de agnosticus in twijfel trekt, dat ze niet in staat waren
het feit te vatten dat de agnostische weg, afgezien van het bevrijden
van mensen van dogma’s die gebaseerd zijn op onwetendheid, hen
aanspoorde om paden van steeds ruimere kennis te volgen op terreinen
waar deze nu gering is, en om een warmer begrip en waardering te koesteren
voor anderen, waar we nu slechts opgeklopte mening en vurig geloof aantreffen.
De agnosticus heeft ons meer dan alle anderen geholpen de diepe waarheid
te zien in Gilbert Murray’s opvatting dat ‘de essentie van
religie het bewustzijn van een uitgestrekt onbekende is’. In deze
geest was de agnosticus een bevrijder van verstarde dogma’s en
een zoeker naar meer waarheid dan we tot nu toe bezitten.
En is er nu, te midden van daverende propaganda, kreten van haat, oproepen
tot hersenloos geweld, en de duizenden tonnen van meningen, voortgebracht
ter consumptie en die de plaats van het denken innemen, geen behoefte
aan onderzoekende, sceptische denkers? Een werkzaam tegengif zou een
terugkeer betekenen, tenminste gedeeltelijk, naar de wezenlijke agnostische
houding tegenover alle gebieden van kennis die nog moeten worden onderzocht:
sceptisch maar ontvankelijk; vragend maar vol vertrouwen.
In onze tijd moeten we het terrein van het volhardende zoeken naar
nog onbekende waarheid sterk uitbreiden. We moeten die onderzoekende
geest moedig gebruiken bij al onze aangelegenheden, zowel openbaar als
privé, waar hartstochtelijke meningen zich voordoen als bewezen
kennis, waar ingeworteld vooroordeel zich hult in het gewaad van eeuwige
waarheid. Hoewel onze tijd ons confronteert met de gevolgen van noodlottige
beslissingen die niet zullen wachten en die geen verantwoordelijke burger
uit de weg kan gaan, zal het altijd een teken van spirituele rijpheid
zijn om te erkennen dat er grenzen zijn aan wat we weten en niet toe
te staan kennis voor te wenden die we nog niet hebben bereikt –
maar ook om dapper genoeg te zijn om te handelen volgens de beproefde
levenswaarheden die we tot dusver hebben ontdekt en ten volle te leven
in het lichtvlekje dat we hebben voortgebracht in de omringende duisternis
waarin we nog moeten doordringen.