Vanaf zijn 42ste jaar heeft de president-stichter van de Theosophical
Society, kolonel H.S. Olcott, al zijn krachten gewijd aan verbroedering
en het zoeken naar waarheid. Voor hem was theosofie geen nieuw geloof
met een eigen stel overtuigingen; hij lichtte het als volgt toe: ‘we
preken niet een nieuwe religie en zijn niet bezig een nieuwe
sekte te stichten of een nieuwe richting in de filosofie of occulte
wetenschap.’ Hij moedigde iedereen aan om waarheid te zoeken,
in welke religieuze, wetenschappelijke, filosofische, mystieke, ethische
en praktische vorm die voor hen ook maar aantrekkelijk was. Over theosofen
sprak Olcott als ‘rasechte zoekers naar spirituele kennis’
die hun kennis verwerven door ‘intuïtie en overdenking’
en een ‘theosofisch proces van zelfverlichting’. Door wetenschappelijk
onderzoek van fysieke, psychische en spirituele aspecten van de natuur
kan de toegewijde zoeker de wetten en geheimen ervan ontdekken. Maar
die verborgen kanten van de natuur en van de mensheid kan iemand alleen
met succes onderzoeken door een altruïstisch leven te leiden.
Olcott leidde al een actief leven vóór hij met theosofie
in aanraking kwam. Toen hij in de twintig was verrichtte hij baanbrekend
werk in de VS met moderne methoden voor landbouwonderwijs. In de burgeroorlog
deed hij onderzoek naar fraude, corruptie en omkoping, eerst in New
York bij het Federale Bureau voor Rekrutering en Uitbetaling van het
leger en daarna bij de Marinewerven in Washington D.C. Nadat Lincoln
was vermoord, maakte Olcott deel uit van de driekoppige commissie die
de moord onderzocht. Na de burgeroorlog werd hij een succesvolle advocaat
en na 1870 had hij voldoende tijd om zijn interesse voor psychisch en
spiritistisch onderzoek te hervatten. Hij had al jaren voor dagbladen
geschreven en kreeg in 1874 een opdracht van een New Yorkse krant om
onderzoek te doen naar verschijnselen die plaatsvonden in de boerderij
van de familie Eddy in Vermont. Daar ontmoette hij Helena Blavatsky
en al snel werden ze vrienden en bondgenoten. Na verloop van tijd werd
de leraar van Blavatsky ook zijn goeroe. Toen in 1875 de Theosophical
Society in de stad New York werd opgericht, werd hij tot president gekozen
en die functie heeft hij tot zijn dood vervuld. In de eerste jaren van
de Society heeft hij de organisatie financieel gesteund en trad hij
op als haar belangrijkste woordvoerder en spreker.
Niet-christelijke religies werden in de 19de eeuw door Europese kolonisten
slecht begrepen, zwartgemaakt of onderdrukt, en ze verloren daardoor
invloed in het land van hun oorsprong. Nadat Olcott en Blavatsky in
1879 naar India waren verhuisd, werkten ze aan een herleving van oosterse
spirituele tradities en probeerden tegelijkertijd Aziatische filosofie
in het Westen te verspreiden door inheemse geleerden aan te moedigen
om nauwkeurige vertalingen van teksten te maken; ze boden hen ook ruimte
aan in The Theosophist.
De andere grote liefde in het leven van Olcott was het boeddhisme.
Hij werd in 1880 boeddhist en werkte de rest van zijn leven om de positie
van deze geloofsovertuiging sterker te maken. Tot zijn activiteiten
behoorde hulp aan boeddhisten in Ceylon bij het oprichten van scholen
en de vermindering van discriminatie tegen hen; hij schreef een Boeddhistische
Catechismus en werkte later met boeddhisten van veel verschillende
scholen samen om een goede onderlinge verstandhouding te bevorderen
en door algemeen aanvaarde punten te formuleren zodat ze tegenover het
Westen een gezamenlijk front konden tonen.
Olcott bleef reizen en lezingen geven tot eind 1906, toen hij aan boord
van een schip was gevallen en zijn been had verwond. Zijn belangstelling
voor harmonie en begrip in religieuze zaken bleef groot en in zijn korte
afscheidsboodschap van 2 februari 1907 droeg hij theosofen op ‘ter
herinnering aan mij het grootse werk van het verkondigen en in praktijk
brengen van de broederschap van religies voort te zetten’; en
hij gaf uiting aan de wens ‘alle mensen op aarde ervan te doordringen
dat ‘er geen religie bestaat hoger dan de Waarheid’, en
dat de vrede en vooruitgang van de mensheid besloten ligt in de broederschap
van religies’.