Prometheus
Armin Zebrowski

 

Prometheus: Ja, ik zorgde ervoor dat stervelingen hun lot niet meer vooraf zagen.
Koor: Wat voor middel vond u tegen deze kwelling?
Prometheus: Ik liet een blinde hoop wonen in hun hart.
Koor: Dat was een groot voordeel dat u de stervelingen gaf.
Prometheus: Bovendien gaf ik aan hen vuur.
Koor: Wat! Beschikken wezens van amper een dag nu over vuur met vlammende ogen?
Prometheus: Ja, en daarmee zullen ze vele vaardigheden leren.
     – Aeschylus, De geketende Prometheus

Waarheen we ook kijken, ieder volk en iedere cultuur heeft zijn verhalen, fabels, en heldenlegenden. Deze ogenschijnlijk onschuldige mythen en verhalen zijn vaak veilig buiten het bereik van godsdienstige en politieke censuur en leven duizenden jaren voort terwijl ze verschillende soorten kennis belichamen: het boek Hamlet’s Mill, bijvoorbeeld, laat overtuigend zien dat veel mythen vol zitten met kennis van de astronomie. Maar bovenal doen deze overleveringen een beroep op onze innerlijke natuur. Elk verhaal geeft ons de gelegenheid ons te vereenzelvigen met de hoofdrolspelers, terwijl de intrige in het voorbijgaan betrekking heeft op verschillende situaties die ons onze sterke en zwakke kanten laten zien. Op die manier gaan we nadenken en kunnen we inzichten verwerven die we in ons eigen leven kunnen toepassen. Als we daartoe bereid zijn, kunnen we de sluiers en filters van een verhaal laag na laag verwijderen en zo het kernthema bereiken dat gaat over ons innerlijke zelf. Laten we dit eens proberen te doen met de prachtige oude Griekse verhalen over Prometheus.

De verhalen vertellen ons dat, na het ontstaan van de wereld alles zijn plaats had gevonden. Maar één schepsel, dat in staat was verheven gedachten te ontwikkelen, ontbrak nog. Toen Kronos heerste op de Olympus, besloten de onsterfelijke goden een gouden ras van sterfelijke mensen te vormen. Prometheus, die wist van het goddelijke zaad dat in de aarde sluimerde en dat nog maar kortgeleden gescheiden was van de hemelse ether, mengde klei met stromend water. Hij vormde het naar de gelijkenis van de allesbeheersende goden, en ook met eigenschappen van alle dieren. Op deze manier kwamen de eerste mensen tot aanzijn. In de loop van de eeuwen, nadat Zeus de oude goden had verbannen naar de Tartarus, bevolkten mensen de aarde, maar ze sjokten gedachteloos voort als in een droom. Ze wisten niet hoe ze moesten zien, horen of begrijpen, of hoe ze iets met hun handen moesten maken. Het medeleven van Prometheus bracht hem ertoe voor hen het door Zeus verborgen verboden goddelijke vuur te stelen, waardoor hij aan hen vaardigheden en wetenschappen kon onderwijzen waarmee ze al hun latente vermogens konden gebruiken.

De door de diefstal boos geworden Zeus smeedde wraak op zowel de mensheid als haar weldoener. Hij liet Hephaestus, de smid van de goden, een prachtige maagd maken, Pandora, die door Athene, Aphrodite, en andere goden, werd begiftigd met rampzalige gaven. Wanneer een doos, die ze bij zich had, op aarde werd geopend, zouden alle onheil en ziekten eruit ontsnappen en zich onder de mensheid verspreiden. Eén enkel ding dat goed was, de hoop, was niet ontsnapt toen ze het deksel dichtklapte. Intussen werd Prometheus weggesleept naar de meest verafgelegen woestijn op aarde en met onverbrekelijke ketenen vastgeklonken aan een rots boven een angstwekkende afgrond. Elke dag kwam een adelaar en at van zijn lever die ’s nachts weer aangroeide. Hij verdroeg deze kwelling eeuwenlang tot Hercules hem bevrijdde.

Deze mythe doet denken aan verhalen in vele andere overleveringen over goddelijk vuur dat aan de mensheid werd gebracht. H.P. Blavatsky zegt hierover:

De allegorie van het vuur van Prometheus is een andere versie van de opstand van de trotse Lucifer [‘lichtbrenger’], die in de bodemloze afgrond werd geslingerd, of eenvoudig op onze aarde, om als mens te leven. Ook van de Lucifer van de hindoes, de Mahasura, wordt gezegd dat hij jaloers werd op het schitterende licht van de schepper, en dat hij aan het hoofd van lagere Asura’s (niet goden maar geesten) in opstand kwam tegen Brahma, waarvoor Shiva hem in Patala heeft geslingerd. Maar, omdat in de hindoemythen de filosofie hand in hand gaat met allegorische verbeelding, laat men de duivel berouw hebben en geeft men hem de gelegenheid tot vooruitgang.    – De Geheime Leer 2:267-8vn

Ook in het hindoeïsme zijn het de manasaputra’s of ‘zonen van het denkvermogen’, die de mensheid het vuur van het denken brachten. In de Oud-Noorse Edda is de naam van de god Loki – een bloedbroeder van Odin – afkomstig van het woord liuhan ‘verlichten’.

Wat is nu de innerlijke betekenis achter deze speciale verhalen? Langgeleden had de vroege mensheid een bepaalde graad van evolutie bereikt, maar ‘denkers’ waren nog niet geboren: de natuur was erin geslaagd om een geschikt lichaam te ontwikkelen, maar het beginsel dat de ziel schenkt, het vuur van zelfbewust denken, was nog niet opgewekt. Tot op zekere hoogte hadden Adam en Eva een bestaan in het paradijs zonder zelfbewustzijn. Evenals Lucifer is Prometheus een allegorische weergave van het incarneren van ons hogere zelf, het ontwaken van het actieve zelfbeschouwende vermogen tot denken. Dit thema is daarom van grote betekenis voor de menselijke evolutie. Daarover schreef Blavatsky:

Het is te danken aan deze opstand van het verstandsleven tegen de sombere inactiviteit van de zuivere geest, dat we zijn wat we zijn – zelfbewuste denkende mensen, met de vermogens en eigenschappen van de goden in ons, zowel ten goede als ten kwade. Daarom zijn de opstandelingen onze verlossers. . . . Alleen door de aantrekkingskracht van de contrasten kunnen de twee tegengestelden – geest en stof – op aarde worden samengevoegd en kunnen ze, gelouterd in het vuur van zelfbewuste ervaring en lijden, voor eeuwig met elkaar zijn verenigd.    – De Geheime Leer 2:113

Doordat de goden zich gedurende die ontwikkelingsperiode met ons verbonden, werd het ons mogelijk kennis en wijsheid te verkrijgen. Maar waarom werd Prometheus zo wreed gestraft? Andere legenden opperen een mogelijk motief; in Genesis lezen we bijvoorbeeld:

En de Here God zei, ‘Zie, de mens is geworden als een van ons door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom van het leven nemen, zodat hij in eeuwigheid zou leven’. Toen zond de Here God hem weg uit de Hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij was genomen. En Hij verdreef de mens; Hij stelde ten oosten van de Hof van Eden de cherubijnen op en een vlammend zwaard dat heen en weer zwaaide om de weg naar de boom van het leven te bewaken.    – 3:22-4

Zoals met de doos van Pandora ontstond alle kwaad in deze wereld door het verenigen van de spirituele en de menselijke wereld. Veel commentatoren zien hierin een kwestie van schuld, maar dit raakt niet de kern van de zaak: Adam en Eva werden uit het paradijs verdreven, want nu ze over de kracht van het denken beschikken, bestaat er voor hen niet langer een paradijs. De mens, uitgerust met het goddelijke vermogen van zelfbeschouwend denken, kan deze nieuw verworven kracht om te scheppen of te vernietigen gebruiken om prachtige dingen tot stand te brengen of grote misdaden te begaan. Eens zullen we opstijgen en opnieuw een mensenras opbouwen dat de goden waardig is, maar we hebben nog een lange weg te gaan om het ‘ik ben ik’ (egocentrisch besef) te overwinnen en te komen tot het ‘ik ben’ (universeel bewustzijn).

Dit evolutieproces wordt ook in de symboliek duidelijk weerspiegeld. Geest, voorgesteld als een verticale lijn, is verbonden met de stoffelijke wereld, voorgesteld door een horizontale lijn. Samen vormen die het kruis, de zoon of derde logos. Als deze logos actief wordt, zoals bij het ontwakende vermogen tot denken door het incarneren van het hogere zelf, dan begint het kruis te draaien. Het draaien van het kruis doet de swastika ontstaan, een symbool dat in veel religies is te vinden. Onder de ruïnes van het oude Troje werd een groot aantal aardewerkschijven gevonden die dit symbool bevatten in twee vormen: en . Ook Pramantha, de vedische timmerman, verenigt zich met Arani, de natuur of Maya (illusie). Ze brengen de goddelijke jongen Agni voort, de god van het vuur. In de bijbel is Jozef eveneens een timmerman, een meesterbouwer, en Maria doet sterk denken aan Maya. Hun kind is de mensheid, begiftigd met het vuur van zelfbewust denken verleend door de Heilige Geest. Is de zoon van de schepper – die aan het kruis is genageld – niet het symbool van dit proces dat dezelfde duidelijke taal spreekt als de legende van Prometheus, de geest geketend aan het kruis van de stof? Zoals Blavatsky zegt, ‘de gekruisigde titan is het gepersonifieerde symbool van de collectieve logos, de ‘menigte’, en van de ‘Heren van Wijsheid’ of de hemelse mens, die in de mensheid incarneerde’ (De Geheime Leer 2:466).

Ons wordt ook gezegd dat het lijden van Prometheus – ‘hij die vooruitziet’ – zal ophouden. Hij die zich voor de mensheid heeft geofferd, wordt uit medelijden verlost door de halfgod Hercules, een zoon van Zeus, ondanks het feit dat hij de onverwoestbare ketenen (karma) niet kan wegnemen. Niettemin zal de aasgier – onze lagere natuur – niet langer komen om aan de lever van de titan te pikken. De verstandelijke ontwikkeling van de mens, die door de incarnatie van het hogere zelf werd versneld, raakte uit balans omdat de fysieke en morele ontwikkeling geen gelijke tred konden houden. Wanneer we eenmaal ons innerlijke evenwicht hebben hervonden, zullen we onze ware aard en bestemming erkennen, de geketende god in ons bevrijden, en als mensheid de duisternis van onwetendheid overwinnen.

 
Andere artikelen over Griekse filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise winter 2008

© 2007 Theosophical University Press Agency