Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoud pagina vooruit

Spiritisme

Een ‘geest’ doet mededelingen over materialisaties

[‘Spiritualism, A “spirit” testifies on materializations’, The Path, januari 1894, blz. 300-4]

Vorige maand gaven we twee voorspellingen van de ‘geest’ Jim Nolan zoals die enkele jaren geleden door het Religio-Philosophical Journal werden weergegeven. Deze ‘geest van een overledene’ heeft zich over verschillende onderwerpen heel duidelijk uitgesproken, en in dit artikel worden enkele van zijn inzichten over de materialisatie van ‘geest-vormen’ behandeld.

De manier waarop werd gecommuniceerd moet nader worden toegelicht. Er wordt beschreven dat dit gebeurde door middel van zijn ‘gematerialiseerde spraakorgaan’. Dit is wat soms de ‘onafhankelijke stem’ wordt genoemd. Bij deze verschijnselen was het medium niet in trance gebracht, maar sprak gewoon verder, en de stem weerklonk dan vanuit de lucht of vanuit de muur. Sceptici beweren natuurlijk dat het alleen maar buiksprekerij van het medium is, maar er zijn veel betrouwbare en scherpzinnige getuigen die bevestigen dat na zorgvuldig onderzoek bleek dat hier geen sprake van was, en dat in verschillende gevallen de stem duidelijk werd gehoord, terwijl het medium op hetzelfde moment sprak. Nu is dit helemaal niet onmogelijk, want er zijn twee soorten geesten die hun stem vanuit wat lege ruimte schijnt te zijn, kunnen laten horen. De ene soort bestaat uit geesten van levende mensen die grote occulte krachten hebben verworven, en de andere soort uit bepaalde grove entiteiten die in kamaloka bestaan.

De seances waarover in dit artikel wordt bericht, werden vanaf 13 oktober 1877 in het R-P Journal beschreven. In antwoord op de eerste vraag zei de stem van Jim Nolan dat hij ‘de processen van het materialiseren van geesten’ kende, en hem werd toen verzocht een volledige uitleg te geven van dat soort materialisaties. De theorie dat een geest zich zou kunnen materialiseren wordt in zijn antwoord volledig verworpen, en trekt de identiteit waarop elke zogenaamde geest zich beroept in twijfel, maar de spiritisten hebben zijn opvattingen niet aanvaard. Hij zei:

Vraag: Wilt u het proces volledig uitleggen, zonder daarbij dieper op de scheikundige eigenschappen van de verschillende samenstellende delen in te gaan dan voor een juist begrip van uw mededelingen nodig is?

Antwoord: U begrijpt dat elektrisch geladen deeltjes in een verduisterde kamer in een toestand van rust verkeren. Ze worden dan door de geesten verzameld en op elkaar gestapeld tot er een vorm is ontstaan. Na voltooiing van deze gematerialiseerde vorm onttrekken we magnetisme aan het medium, of gebruiken magnetisme dat we uit de kring van de aanwezigen kunnen krijgen, en bekleden daarmee de elektrisch geladen deeltjes van het zojuist voltooide fysieke lichaam. Dan gaat de geest die vorm binnen en gebruikt deze op precies dezelfde manier als u uw fysieke vorm gebruikt, waarbij hij deze door sterke wilskracht beheerst. Er zijn ook andere manieren van materialisatie. Soms verzamelen we alleen elektrische deeltjes en projecteren daarop het gezicht van een of andere geest. Dan wordt een weerkaatst beeld zoals in een spiegel gezien. Of we plaatsen deze verzamelde elektrisch geladen deeltjes eerst op een oppervlak, bijvoorbeeld een vel papier, vervolgens bekleden we dit oppervlak met bepaalde scheikundige bestanddelen uit de atmosfeer, en daarop projecteren we elektrisch de vorm van een gezicht. U kunt dan duidelijk herkennen op wie de geest lijkt, bijvoorbeeld op een jong meisje van niet ouder dan 16 jaar. Het medium kan met een laagje worden bedekt, zodat het sprekend op haar lijkt, of zodat het lijkt op een oude man van 90. Soms begeven de geesten zich onder het publiek. Vaak komt het medium naar voren, bedekt met zo’n laagje, en ziet er precies uit als uw overleden familielid, maar als dat laagje vervliegt, staat het medium weer vóór u.

Toen daarna een vraag werd gesteld over het bedrog dat door mediums werd gepleegd wanneer ze zich voordoen als de geest naar wie wordt gevraagd, maakte hij naar aanleiding daarvan de volgende interessante opmerkingen:

De enige manier om daaraan te ontkomen is door zelf zuiver te zijn. Ik durf te zeggen dat wanneer u vanavond 20 mensen in deze kamer bijeenbrengt die materialisaties willen zien, 10 van hen liever hebben dat het medium uit het kabinet naar buiten komt en een van hun vrienden uitbeeldt, mits het bedrog niet duidelijk aan het licht wordt gebracht, dan dat ze naar huis gaan zonder enige manifestatie te hebben gezien. De geesten zien dit en – al is het niet bepaald eervol – helpen het medium een handje. Het komt bij materialisaties zelden voor dat meer dan twee of drie vormen van het totale aantal dat zich op een seance komt manifesteren, als nieuwe vormen worden gematerialiseerd; dezelfde vorm wordt telkens opnieuw gebruikt met een ander laagje eroverheen. Wat voor zin heeft het om voor iedereen een afzonderlijk huis te bouwen die daarin voor een bepaald doel maar kort zijn intrek wil nemen? Een ander punt is dat de gematerialiseerde vorm die zichtbaar wordt gemaakt nooit tot het fysieke deel van die geest heeft behoord, want zulke materialisaties bestaan slechts uit scheikundige, elektrisch geladen en magnetische deeltjes of elementen die door de groep actieve of leidende geesten uit de atmosfeer worden verzameld.

Op 27 oktober van hetzelfde jaar werd aan Nolan gevraagd om uit te leggen wat er bij dematerialisatie van geest-vormen gebeurt. Hij zei toen:

In zulke gevallen wordt er een zwarte of verduisterde atmosfeer overheen gelegd. In werkelijkheid dematerialiseert die vorm niet. Als dat wel gebeurde, zou de vorm niet zo snel weer tevoorschijn kunnen worden gebracht. Als een lichaam wordt gematerialiseerd, worden de samenstellende deeltjes ervan door de geesten bijeengebracht en op elkaar gestapeld, tot de gewenste vorm is verkregen. Indien deze deeltjes weer worden gescheiden, keren ze terug tot de elementen waartoe ze vroeger hebben behoord, en kunnen we die slechts met nog meer moeite opnieuw verzamelen. Als de vorm uit het gezicht verdwijnt en u denkt dat hij is gedematerialiseerd, hebben de geesten hem in veel gevallen gehuld in een donkere atmosfeer om hem aan het gezicht van de aanwezigen te onttrekken.

De vragen die op 17 november 1877 werden gesteld, hielden verband met het hier besproken onderwerp; in één daarvan, de vierde van die dag, werd gevraagd of er weefsels, zoals kledingstukken, worden gematerialiseerd om daarna te blijven bestaan. Nolan antwoordde terecht:

Nee, zulke weefsels worden niet gematerialiseerd. De geest kan zich in kleding hullen die van een of andere plaats op aarde afkomstig is, en die is dan in elk opzicht materieel. Het is voor geesten onmogelijk om een weefsel of kledingstuk zodanig te materialiseren dat deze op uw aarde blijft bestaan. Het is voor een door geesten gematerialiseerd kledingstuk onmogelijk op het stoffelijk gebied te blijven bestaan.

Op een andere seance die op dezelfde plaats werd gehouden en door hetzelfde tijdschrift in het nummer van 27 oktober 1877 werd beschreven, ging de eerste vraag aan Nolan over het geheugen. Zijn antwoord bevestigde de oude opvattingen over het astrale licht, alleen noemde hij het ‘magnetisch licht’. Toen hij over het geheugen sprak, lichtte hij zijn standpunt toe en zei:

In de oudheid noemde men een bepaald licht dat ieder mens omgeeft en uit hem emaneert, het astrale licht, waarop, zoals men toen onderwees, elke gedachte of daad van het individu werd afgedrukt. Wij geesten . . . noemen deze emanatie een magnetisch licht. . . . Alle daden tijdens het leven worden in het astrale licht van elk individu gefotografeerd . . . en het astrale licht slaat alle bijzonderheden op die u van dag tot dag overkomen.

Dit alles is theosofisch en waar. Het heeft een veel verdergaande strekking dan het onderwerp ‘materialisaties’, en indien daaruit de juiste conclusies worden getrokken, zal het veel theorieën omverwerpen die door de spiritisten zelf werden bedacht of aan hen werden gegeven door een van de ‘liegende geesten’ over wie Nolan sprak.

We raden spiritisten en theosofen aan om aan al deze opmerkingen van Jim Nolans geest aandacht te besteden. Eerstgenoemden hebben ze jarenlang genegeerd, en ook de conclusies die daaruit zijn te trekken, en hebben de wijsheid ervan ontkend door in strijd ermee te handelen. Het woord van één ‘geest’ zou bij hen toch zwaarder moeten wegen dan het getheoretiseer van een levende volgeling van mediums. Op het gebied van waaruit deze manifestaties komen, moet de ‘geest’ meer kennis over deze verschijnselen hebben dan de mensen die hier op dit gebied nog in het lichaam leven. En als we ontdekken – zoals in het geval van Nolan – dat heel wat theosofische en occulte wijsheid wordt onthuld door middel van zijn medium, dat toen niet in verbinding stond met de Theosophical Society, en dat hij toelichtingen geeft die overeenstemmen met wat veel onderzoekers van de theosofie als waar hebben leren kennen, dan wegen zijn meningen zwaarder dan die van spoken die alledaagse gedachten verkondigen of de vooropgestelde meningen van het medium of van de aanwezigen nog meer helpen versterken.

Nolans toelichtingen rekenen volledig af met de identiteit van de zogenaamde geesten. Ze zijn grotendeels in overeenstemming met het occultisme; eigenlijk verschillen ze helemaal niet van de verklaringen van soortgelijke astrale en psychische verschijnselen die door occultisten en theosofen worden gegeven. Ze werpen ongetwijfeld veel van de spiritistische theorieën omver, en daarom hechten spiritisten er geen geloof aan, want als ernaar werd geluisterd en gehandeld, dan zouden ze tot theosofie leiden. In veel van zijn andere antwoorden zegt Nolan dingen die, wanneer men er aandacht aan had besteed, het spiritisme al lang zouden hebben gezuiverd van de onzin die door mediums zo overvloedig wordt verspreid, en die het spiritisme voor de wereld waardevol zouden hebben gemaakt. Hij drong eropaan dat mediums zuiver zijn en geen contact hebben met de wereld. Hij vroeg om op te houden met het handelen in wonderen, het zoeken van bevrediging van nieuwsgierigheid, het egoïstisch uithoren voor zakelijke of andere doeleinden van voorbijgaande aard; hij drong eropaan op een verstandige manier vragen te stellen en onderzoek te doen; zijn verzoeken werden echter geweigerd, zijn raadgevingen in de wind geslagen, en daarop verdween hij. Er zijn mensen die denken, en misschien terecht, dat hij geen ontlichaamd spook was maar de geest van een verstandig, levend mens die probeerde om, nabij het laagste punt van de cyclus van het ‘spiritisme’, een nieuwe methode te introduceren en zo mogelijk een wederopleving teweeg te brengen van werkelijk onderzoek naar paranormale verschijnselen in een organisatie van mensen die daarop al grotendeels waren voorbereid. Maar hij werd verloochend en genegeerd.

Op basis van wat hij heeft gezegd kunnen we het volgende afleiden als getuigenis vanuit de wereld die door spiritisten de geestenwereld wordt genoemd:

(a) Dat geen enkele ‘gematerialiseerde vorm’ de vorm van de geest is die aanspraak daarop maakt.

(b) Dat al die vormen slechts elektromagnetische schimmen zijn die mensen kunnen misleiden, want het zijn slechts weerkaatsende oppervlakken.

(c) Dat de daarvoor nodige bouwstoffen worden onttrokken aan het medium en de aanwezigen, waardoor de levenskrachten van alle aanwezigen worden verminderd.

(d) Dat wat het gezicht van de overledene zou zijn in veel gevallen slechts een beeld is dat aan het astrale licht is ontleend en op het elektrochemisch gemagnetiseerde oppervlak is geprojecteerd, wat misleiding nummer twee is.

(e) Dat het astrale licht – of zo’n middenstof – en zijn eigenschappen bekend zijn op het bovenzinnelijke gebied waar deze verschijnselen vandaan komen.

(f) Dat het astrale licht de beelden bevat, bewaart en zo nodig weerkaatst van mensen die deze aarde hebben verlaten, en dus ook van diegenen die nog leven, en bovendien van alle gebeurtenissen.

(g) Dat, omdat geen van de aanwezigen de feiten van het bovenzinnelijke gebied en zijn bewoners kent – met uitzondering van de enkelen die ‘inzicht’ hebben – alle aanwezigen zijn overgeleverd aan de genade van de spoken en beelden en dat, omdat door een spooklandbewoner zelf wordt verklaard dat hooguit twee of drie vormen worden gebruikt voor het veel grotere aantal zogenaamde persoonlijkheden dat zich aan ons voordoet, het hele vraagstuk van de identiteit van de geesten die zich bekendmaken aan twijfel onderhevig is. Dit is altijd door theosofen beweerd en aan het einde van 1877 duidelijk en krachtig door H.P. Blavatsky gezegd, die, zoals theosofen weten, tijdens haar leven herhaaldelijk verklaarde dat alle verschijnselen veel ‘paranormale trucs’ inhouden.

(h) Dat we onder verwijzing naar punt c verklaren dat het bijwonen van seances voor de aanwezigen vol gevaren is door het verlies aan levenskracht als gevolg van het verbruik van fysieke en zenuwkracht die aan hun lichaam wordt onttrokken om de verschijnselen teweeg te brengen, of deze nu materialisaties zijn of iets anders. Door deze ‘geest’ wordt duidelijk aangetoond dat een materialisatie-seance bovengenoemde gevaren oplevert. En indien iemand de moeite neemt om te lezen wat H.P. Blavatsky tegen haar zuster zei1 over wat ze met helderziende ogen zag op seances, zal hij de gevaren nog beter inzien. Spoken waaraan de naam ‘geesten’ werd gegeven waarden rond als inktvissen die klaarstonden om zich op ieder sensitief persoon te storten en levenskracht aan hem te onttrekken; ze omhulden zo iemand, zagen eruit als grote sponzen, en verdwenen daarop en namen de vorm van die persoon aan, die daarna ongetwijfeld over zoveel energie minder beschikte.

1. A.P. Sinnett, Incidents in the life of H.P. Blavatsky, 1886, blz. 178-9.

Men kan ten slotte concluderen dat er door Jim Nolan een bepaald punt naar voren is gebracht waarover de volgelingen van mediums en ‘geesten’ moeten beslissen of hij gelijk heeft of niet. Indien hij gelijk heeft, zoals vanuit een filosofisch oogpunt het geval schijnt te zijn, behoren alle daarvan afwijkende theorieën te worden verworpen. Een spiritist zou in ieder geval een goede reden moeten opgeven waarom de inzichten van dit spook, die in veel opzichten overeenstemmen met de theosofie, geen ingang hebben gevonden en waarom hij een leugenaar of een dwaas zou zijn en alle andere spoken wijzen.

William Q. Judge


Theosofische inzichten, blz. 327-32

© 2023 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag