De
Anugita
Rudi Jansma
De Bhagavadgita – het lied van de
heer – is een tweegesprek tussen Arjuna, degene die de oorlog
moet aanvoeren en winnen voor de Pandava’s, en zijn wagenmenner,
de god Krishna. Allegorisch gaat het om de innerlijke strijd die ieder
mens moet voeren tegen zijn lagere zelf. Krishna geeft daarin onderricht
over verschillende facetten van het pad van yoga, het pad dat de innerlijke
mens is voorbestemd te gaan en dat leidt tot vereniging met het goddelijke
dat zijn essentie is.
De Anugita – de nazang – legt
het accent op jñana-yoga, de yoga van kennis via concentratie
van het denken, en de methoden om die concentratie te bereiken. Beide
gita’s hebben gemeen dat ze het lopende verhaal van het Mahabharata
overstijgen en een aantal werkelijk occulte leringen bevatten.
De Anugita ligt besloten in een vervolg van het tweegesprek
tussen Arjuna en Krishna in het Mahabharata, maar nu nadat
de oorlog is gewonnen en Arjuna zijn rechtmatige paleis heeft betrokken:
Nadat hij zijn koninkrijk in ongeschonden
staat in bezit had genomen verheugde Arjuna zich in het gezelschap
van Krishna en zei: ‘Toen de oorlog op het punt stond te beginnen
. . . werd ik mij bewust van uw grootsheid en van uw goddelijke vorm.
Maar, o Kesava, alles wat u me daarvóór uit genegenheid
voor mij verklaarde, is helemaal uit mijn ontaarde geest verdwenen
. . . – blz. 30
Krishna is daar niet blij mee en beschuldigt Arjuna
ervan onvoldoende vertrouwen en een slecht verstand te hebben. Krishna
is in zijn huidige bewustzijn niet in staat te herhalen wat hij in de
Bhagavadgita heeft gezegd. Maar hij zal een oud verhaal vertellen
dat een brahmaan die uit de hemel was gekomen hem vertelde over het
onderricht dat een brahmaanse leerling van een hoge ingewijde ontving.
De brahmaan was bereid aan Krishna’s wens te voldoen, die –
uit mededogen voor alle levende wezens – wilde vernemen wat de
plichten zijn die moeten worden vervuld om de uiteindelijke bevrijding
uit het aardse bestaan en uit de ellende te verwezenlijken. Dus, hoewel
Krishna de Anugita aan Arjuna vertelt, lijkt hij deze niet
van zichzelf te hebben. Het geheel wordt aan Krishna verteld door de
brahmaan. In zijn onderricht wordt weer gebruikgemaakt van allerlei
verhalen, waarin andere figuranten optreden. De Anugita is
dus een raamvertelling. Maar aan het einde van het laatste hoofdstuk
van de Anugita vraagt Arjuna aan Krishna wie eigenlijk die
brahmaanse leraar was. En Krishna antwoordt: ‘Ik ben de leraar
. . . en mijn denken is mijn leerling. . . . Het was hetzelfde als wat
ik u al eerder vertelde, toen het moment van de strijd was aangebroken.’
Over de ingewijde leraar die het eerste deel van
de Anugita uitspreekt wordt gezegd dat hij ‘bij herhaling alle
kennis had verworven en door alle ervaringen was heengegaan over het
komen en gaan van alle wezens’(blz. 31), en dat hij ‘zich
bewoog als een bevrijde mens die de volmaking had bereikt’(blz.
32).
Uit de theosofische literatuur weten we dat iemand
die deze graad van geestelijk ontwaken heeft bereikt, een boeddha of
zeer hoge ingewijde is. Aan hem wordt dus, ter wille van het welzijn
van alle levende wezens, gevraagd wat de eigenlijke betekenis van de
dharma is – de religie en verheven plicht van ieder wezen dat
het streven naar het einddoel van zijn evolutie bewust ter hand wil
nemen.
Deze volmaakte wijze begint zijn antwoord op dit
verzoek met de volgende woorden:
O goede vriend, stervelingen die door
hun handelen van gemengde aard zijn, of van een verdienstelijk en
zuiver karakter, bereiken òf deze wereld als resultaat daarvan,
òf zullen verblijven in de wereld van de goden. Maar in geen
van die werelden zult u eeuwig geluk ervaren; in geen ervan zult u
eeuwig kunnen vertoeven. Steeds weer valt men terug vanuit zo’n
hoge positie die men met moeite heeft verkregen. –
blz. 32
Als wij, zoals de meeste mensen, ons gewone leven
leiden, onze dagelijkse handelingen verrichten en gedachten koesteren
die niet buitengewoon goed of slecht zijn, zullen we, na gestorven te
zijn en enige tijd van rust en verwerking te hebben ondergaan, weer
opnieuw in deze wereld incarneren. Maar diegenen onder ons die een verdienstelijk
en zuiver karakter hebben gehad tijdens hun leven, zullen gedurende
langere tijd – misschien vele honderden of duizenden jaren –
verblijven in wat in onze literatuur devachan, letterlijk de plaats
waar de goden verblijven, wordt genoemd. Maar de theosofie leert ook
dat het devachan een tijdelijke bewustzijnstoestand is – het product
van dat deel van het denkvermogen dat tussen dood en geboorte niet uiteenvalt.
Deze toestand is weliswaar van een goddelijke schoonheid en heerlijkheid,
waarin al onze geestelijk gerichte voorstellingen en aspiraties in vervulling
gaan, maar toch bestaat ze geheel uit illusies in die zin dat het denken
zich nog niet van de ketens van het eindige heeft verlost. Daarom zegt
deze wijze dat, ook al heeft men deze positie wellicht met grote inspanning
verkregen, men er toch weer uit terugvalt, om te incarneren in deze
stoffelijke wereld, tot men werkelijk alle illusies heeft overwonnen.
De wijze spreekt uit eigen ervaring en bewuste
herinnering als hij zegt:
Overmand door lust en woede, en overweldigd
door verlangen, kwam ik terecht in onaangename en ellendige leefomstandigheden
als gevolg van fouten die ik beging. Keer op keer stierf ik en steeds
weer werd ik geboren. Ik at vele verschillende soorten voedsel en
dronk van diverse borsten, en had diverse vaders en moeders van verschillend
karakter; en, o zondeloze, ik beleefde vreemde genoegens en onvoorstelbare
vormen van lijden. Geregeld leed ik door gescheiden te worden van
degenen van wie ik hield, en werd ik verbonden met mensen om wie ik
niet gaf. Ook verlies van rijkdom van wat ik met moeite had vergaard
moest ik ervaren; de droeve smaad van zowel prinsen als familieleden;
extreme en schrijnende pijn, zowel mentaal als lichamelijk. Ik onderging
ook verschrikkelijke vernederingen, stierf gewelddadige doden en belandde
in gevangenissen; eenmaal viel ik in de hel en onderging de martelingen
in het verblijf van Yama, de god van de doden. Ik ben vele malen gebukt
gegaan onder ouderdom, chronische kwalen en talloze tegenslagen voortvloeiend
uit de paren van tegenstellingen. Toen heb ik op zekere dag, toen
ik diep door ellende werd gekweld, eindelijk mijn hele wereldse levensloop
achter me gelaten door onverschillig te worden voor aardse zaken,
en heb ik mijn toevlucht genomen tot het vormloze beginsel. Nadat
ik van dit pad in de wereld had vernomen, heb ik mijzelf erin geoefend,
en daarna heb ik door de gunst van de atman (het Zelf) deze volmaaktheid
verkregen.
– blz. 32
In deze ene alinea doet hij ons de hele leer van
de cyclussen, de verschillende bestaanstoestanden, de leer van karma
en het doel van de pelgrimstocht van de monade (jiva) door vele incarnaties
heen uit de doeken. Hij doet dit niet vanuit de theorie, maar vanuit
zijn eigen weten. ‘Ik zal hier niet terugkomen (op deze aarde)’
(blz. 33), verklaart hij. Maar dat betekent nog niet dat zijn taak is
afgelopen. Want hij zegt: ‘Ik onderzoek de onzichtbare werelden
en mijn eigen gelukkige omzwervingen daarin vanaf het moment van manifestatie
van alle wezens tot aan mijn bereiken van volmaaktheid.’ (blz.
33.)
Dit geeft dus aan dat, nadat hij zich zijn eenheid
met, en niet-afgescheidenheid van, het al, dat wil zeggen het mystieke
pad, heeft gerealiseerd, hij het pad van de occultist betreedt. In de
moderne theosofische leringen wordt voor het eerst openlijk een duidelijke
schets of plattegrond gegeven voor het pad door de innerlijke en kosmische
gebieden van het heelal die bekend staan als loka’s en tala’s,
en de relatie met de bewustzijnsgebieden van alle levende wezens en
deze kosmische gebieden gedurende hun lange evolutionaire pelgrimstocht.
In de Anugita worden alleen de drie lagere loka’s expliciet
genoemd, maar er wordt herhaaldelijk een hint gegeven over het bestaan
van de hogere loka’s die zich op de ongemanifesteerde gebieden
bevinden.
De leerling laat deze unieke kans om met zo’n
groot leraar in contact te komen niet voorbijgaan, en overstelpt hem
met de vragen die elke ware aspirant bezighouden:
Hoe vergaat het lichaam, en hoe wordt
het weer voortgebracht? Hoe wordt iemand die zich in deze kwellende
rondgang van het wereldse leven beweegt daarvan bevrijd? En hoe laat
de ziel (jiva) de stoffelijke wereld achter zich en geeft ze het lichaam
op dat daaruit is opgebouwd? En als ze dan bevrijd is van het stoffelijk
lichaam, hoe verkrijgt ze dan een ander? En waar krijgt de mens te
maken met de verrekening van de goede en slechte daden die hijzelf
heeft gedaan? En waar blijven de resultaten van daden die zijn uitgevoerd
door iemand die nu van zijn lichaam is bevrijd? –
blz. 34
De wijze leraar geeft hem daar uitgebreid antwoord
op. Hij zegt onder andere:
Alle wezens leven voortdurend in angst
voor geboorte en dood; en . . . men ziet dat ze steeds weer hun lichaam
verlaten en weer een baarmoeder binnengaan wanneer de krachten van
hun vroegere daden zijn uitgeput. Wederom ondergaat een mens dezelfde
kwellingen. [Bij zijn geboorte worden zijn] gewrichten bijna uit hun
voegen getrokken en hij ondervindt veel hinder van het vruchtwater,
waardoor hij kou lijdt. . . .
Al de werelden die de stellaire sferen
vormen, de sfeer van de maan en ook die van de zon die we in deze
wereld zien stralen door zijn eigen luister, zijn de verblijven van
mensen die tijdens hun leven verdienstelijk hebben gehandeld. Maar
al deze zielen vallen steeds weer terug als gevolg van de uitputting
van hun karma aldaar. En ook in de hemel zijn er verschillen tussen
lagere, hogere en gemiddelde bestaanstoestanden. En ook daar is er,
zelfs al geniet men de schitterendste visioenen, geen uiteindelijke
voldoening. . . .
De goede of slechte daden van de ziel
kunnen niet worden tenietgedaan. Ze gaan van het ene lichaam over
naar het andere en komen ieder overeenkomstig hun eigen karakter tot
rijping. Zoals een vruchtboom een grote hoeveelheid fruit kan opleveren,
zo levert verdienstelijk handelen dat met een zuiver hart wordt gedaan
een rijkdom aan zegeningen op. Dat geldt ook voor slechte daden die
door een zondige geest worden verricht, want deze leiden tot veel
ellende. Want het is de jiva die het denken aanzet tot handelen. En
luister nu verder hoe een jiva die in karma is ingebed, en wordt overweldigd
door begeerte en woede, een baarmoeder binnengaat. In de baarmoeder
van een vrouw verkrijgt hij als gevolg van zijn daden een goed dan
wel een min of meer gehandicapt lichaam, dat wordt gevormd uit mannelijk
zaad en ‘bloed’. – blz.
35-7
Daarna wordt een uitgebreide uiteenzetting gegeven
over het incarnatieproces en de verbanden tussen de verschillende vormen
van cyclisch bestaan en karma.
Maar er is bevrijding mogelijk uit deze cyclus
van ellende waaraan men door onwetendheid is gekluisterd:
Iemand die op de juiste wijze ziet dat
genoegens en smart vergankelijk zijn, dat het lichaam een onheilig
samenstel is, dat handelen tot vernietiging leidt, en die zich realiseert
dat het weinige dat men geluk kan noemen eigenlijk ook leed is, zo
iemand zal de andere oever bereiken van deze verschrikkelijke en zeer
moeilijk over te steken oceaan van het wereldse leven. Hij die door
de sluier heen kan kijken, ziet, hoewel hij door geboorte, dood en
ziekte wordt geteisterd, toch het ene beginsel van bewustzijn
in alle wezens. Dan wordt hij onverschillig voor al het wereldse en
zoekt nog slechts naar de allerhoogste zetel.
– blz. 39
Helaas vertrekt deze grote ingewijde aan het einde
van hoofdstuk 4, nadat hij, zo zegt hij, het hele mysterie heeft overgedragen.
Hij heeft inderdaad de hoofdlijnen van de esoterische leer weergegeven,
en wel op een heel waarachtige manier. Interessant is dat er bepaalde
uitdrukkingen en passages in voorkomen die ons aan het boeddhisme doen
denken. Zo wordt de term ‘voor het welzijn van alle levende wezens’
in de mond genomen, een term die met name door de mahayanaboeddhisten
zeer veelvuldig wordt gebruikt. In de Bhagavadgita komen deze
woorden niet voor. Daar is sprake van een samenspraak, waarbij Krishna
onderwijs geeft uit genegenheid voor zijn vriend en leerling Arjuna
om hem tot zijn plicht aan te zetten en yoga te beoefenen. Wel wordt
het doen van het goede tegenover anderen genoemd, maar het dienen van
het welzijn van alle levende wezens als motivatie zien we pas in de
Anugita.
Ook zien we dat de brahmaan die tot Krishna spreekt,
uit de hemel is neergedaald om zijn onzelfzuchtige wens te beantwoorden.
Maar nergens wordt expliciet de boeddhistische en theosofische leer
besproken over het pad van mededogen. Deze zegt dat het mogelijk is
om, nadat men in dit universum alles heeft geleerd wat er te leren valt,
de gelukzaligheid van nirvana af te wijzen en uit mededogen terug te
keren naar de in ellende en in misleiding ploeterende mensenwereld.
De wijze legt steeds de nadruk op de cyclus van geboorte en dood, het
lijden dat dit inhoudt met zijn verschillende bestaanstoestanden, en
de mogelijkheid en het pad om zich hieruit te bevrijden, en hoe dit
te doen. Men zou hierin de vier edele waarheden van het boeddhisme kunnen
herkennen.
‘Hoe dit te doen’ is in de Anugita
het pad van jñanayoga, het pad van kennis door middel van studie
en contemplatie, van het in praktijk brengen van de juiste ethiek, en
het beoefenen van de juiste levenswijze om het lichamelijke en psychische
gestel van de mens in een optimale conditie te brengen om dit pad te
kunnen gaan. Het wordt ook duidelijk dat dit een moeilijk pad is dat
vele niveaus kent en vele levens in beslag neemt.
Westerse geleerden speculeren er via indirecte
bewijsvoering over dat de Anugita 200 tot 600 jaar v.Chr. is
geschreven, hoewel de grote Indiase filosoof Sankaracharya zegt dat
Vyasa, die ook de rest van het Mahabharata waaronder de Bhagavadgita
zou hebben geschreven, de Anugita heeft samengesteld. Als hij
daarmee dezelfde Vyasa bedoelt, zou deze gita eveneens ruim 5000 jaar
oud zijn. De genoemde boeddhistische elementen zouden kunnen doen vermoeden
dat de huidige versie aan het papier is toevertrouwd door een schrijver
die al bekend was met het boeddhisme, en de belangrijkste elementen
daarvan op positieve wijze had geassimileerd. Dat neemt niet weg dat
de Anugita als zodanig veel ouder kan zijn. Er is nergens een
concrete verwijzing naar een boeddha of het boeddhisme. Het kan ook
zijn dat Gautama Boeddha niet de enige en de eerste was die deze universele
ideeën naar voren bracht, en dat ze onder de mensheid zo oud zijn
als de loge van mededogen zelf. Bovendien, als deze in zijn tijd al
bekend waren, kan prins Siddhartha, die later Gautama de Boeddha zou
worden, deze ook hebben gelezen en er inspiratie uit hebben geput.
De Engelse vertaler, Kashinath Telang, maakte voortdurend
gebruik van bestaande Sanskrietcommentaren van twee Indiase interpretators
van eeuwen geleden over wie weinig bekend is. Een van hen, Nilakantha,
herkent in een bepaalde tekst in hoofdstuk 34 een verwerping van een
hele reeks opvattingen die vertegenwoordigd worden door boeddhistische
scholen die zich in de loop van de eeuwen hebben ontwikkeld, en hij
noemt al die scholen bij naam. De scholen ontstonden echter geruime
tijd na de data die zelfs de westerse academici aan de Anugita
toeschrijven. Het kan dus zijn dat vergelijkbare disputen over heikele
onderwerpen die later vorm kregen in het boeddhistische denken, al veel
eerder bestonden onder brahmaanse geleerden.
Laten we nu teruggaan naar onze boekbespreking
en de draad oppakken waar we waren gebleven. De grote ingewijde en de
leerling gaan ieder hun eigen weg. Maar de Anugita gaat door,
en er volgt een lang gesprek, voornamelijk in de vorm van een reeks
verhalen, tussen een brahmaan en zijn vrouw, dat 15 hoofdstukken in
beslag neemt.
Deze gesprekken gaan over andere onderwerpen dan
door voornoemde ingewijde werden aangeroerd. Er wordt uitgebreid ingegaan
op de betekenis van de zintuigen en hun relatie tot manas en buddhi,
ofwel verstand en inzicht. Zo zegt het verstand tegen de zintuigen:
De neus kan zonder mij niets ruiken, de
tong niets proeven, het oog niets zien, en de huid wordt zonder mij
geen enkel object gewaar. Zonder mij hoort het oor geen enkel geluid.
Ik ben de eeuwige leider te midden van alle zintuigen. Zonder mij
komen de zintuigen nooit tot uiting, maar zijn als een lege woning.
– blz. 50
Maar de zintuigen antwoorden tegen het verstand:
Het zou inderdaad waar zijn wat u meent,
indien u, zonder ons, de genietingen zou kunnen ervaren die van de
zinsobjecten zijn afgeleid. Als er, wanneer wij er niet meer zouden
zijn, toch plezier is en een basis voor het leven, en u toch nog genoegens
beleeft, of wanneer u, als wij ons hebben teruggetrokken, vanuit uzelf
van bestaande objecten kunt genieten dan is het waar wat u gelooft.
– blz. 50
De vijf prana’s of levensstromen, hun verhouding,
hun functies in relatie tot de ademhaling, spraak, spijsvertering, excretie
en onderhoud van het lichaam en zijn afbraak en de dood, worden langdurig
besproken. Interessant is dat Blavatsky en ook De Purucker uitgebreid
commentaar hebben geleverd op onder andere de passages betreffende deze
onderwerpen. De Purucker geeft aan dat de prana’s niet alleen
(en niet in de eerste plaats) de vitale stromen in het lichaam beschrijven,
maar dat ze ook verband houden met de kosmische vitaal-magnetische paden
waarlangs levende wezens tussen de hemellichamen reizen tijdens hun
innerlijke pelgrimages van de slaap en de dood. De commentaren van Blavatsky
helpen ons een dieper begrip te krijgen van wat anders voor ons bijna
onbegrijpelijk zou zijn. Blavatsky heeft trouwens een aantal hoofdstukken
van de Anugita van uitgebreid commentaar voorzien. Deze staan
alle bij elkaar in het boek The Vedanta Commentaries of H.P. Blavatsky
van Henk Spierenburg, en ik heb al deze, en andere theosofische commentaren
in mijn Nederlandse vertaling verwerkt, hetzij in noten, hetzij in de
vertaling zelf.
De brahmaan beantwoordt onvermoeibaar de vragen
van zijn vrouw, die van zichzelf vindt dat ze geen erg helder verstand
heeft en niet erg intelligent is. Maar ze stelt hele wijze en intuïtieve
vragen, en je vraagt je soms af of ook toen al, net als tegenwoordig,
vrouwen soms eigenlijk wijzer zijn dan hun mannen. De laatsten voeren
het hoogste woord, weten het met hun verstand prima uit te leggen en
zullen nooit toegeven dat hun vrouw dat allang wist.
De brahmaan verklaart met name de betekenis van
de brahmaanse rituelen, en legt uitgebreid uit hoe men de uiterlijke
handelingen van het ritueel als symbolen dient te zien, en zelfs dat
er een tijd komt dat men dit soort bijzaken geheel achter zich kan laten.
De brahmaan zegt tegen zijn vrouw:
Er bestaan geen voorschriften voor het
bereiken van de uiteindelijke verlossing die zeggen dat dit of dat
moet worden gedaan of nagelaten. Maar de kennis van de dingen die
het welzijn van het Zelf dienen, komt naar voren bij degenen die kunnen
horen en zien. Men dient zich zoveel mogelijk van die dingen eigen
te maken die leiden tot waarneming van zowel zichtbare als onzichtbare
dingen die in dit verband van praktisch nut zijn; en er zijn honderden
en duizenden dingen die een vorm bezitten die op verschillende manieren
beschreven kunnen worden. Dan nadert men steeds dichter tot dat waar
voorbij niets bestaat. – blz. 73-4
De offerpriesters die de rituelen uitvoeren hebben
steeds een andere betekenis. Als de brahmaan spreekt over tien offerpriesters,
bedoelt hij daarmee de vijf waarnemingszintuigen en de vijf organen
waarmee handelingen worden verricht, de handen, voeten, etc. Als hij
spreekt over zeven offerpriesters bedoelt hij de vijf zintuigen met
het verstand en het onderscheidend begrip samen. De vijf offerpriesters
zijn de vijf prana’s, enz. Ook hebben alle objecten en handelingen
die bij de rituelen te pas komen een betekenis die ook voor ons begrijpelijk
is, en die ons sleutels verschaffen tot betekenissen die anders voor
niet-brahmanen onbegrijpelijk zouden zijn.
Door de aandacht die aan de prana’s en de
zintuigen en de beheersing ervan wordt gegeven, zou de oppervlakkige
lezer tot de conclusie kunnen komen dat het hier om hathayoga gaat.
Dit wordt echter door de oude commentator Nilakantha ontkend. Hij wijst
deze ‘yoga’, die eeuwen na hem in het westen (en ook in
India) zo populair zou worden, met klem van de hand. Volgens de andere
commentator, Arjuna Misra, verklaart dit hoofdstuk de pranayama of het
regelen van de adem bij yogaoefeningen. Als reactie op Arjuna Misra’s
opvatting zegt Blavatsky dat als men niet vooraf de twee hogere zintuigen
(boven de vijf bekende) heeft verkregen of tenminste volledig heeft
begrepen, deze methode tot de hathayoga behoort, die door de werkelijke
ingewijden wordt afgekeurd. Die is nadelig voor de gezondheid en kan
zich alleen nooit tot rajayoga ontwikkelen (GL 1:126).
Een van de onderwerpen die ter sprake komen in
het gesprek tussen de brahmaan en zijn vrouw gaat over het al of niet
geoorloofd zijn van dierenoffers. Hij vertelt een verhaal over een dispuut
tussen een asceet en een priester die juist bezig is het offeren van
een geit voor te bereiden. Het lijkt wel of het gaat over een meningsverschil
tussen een boeddhist en een brahmaan. De asceet is faliekant tegen dierenoffers
en verwerpt daarbij de autoriteit van de veda’s. Maar de brahmaan
meent juist dat hij zijn religieuze plicht alleen kan vervullen door
in overeenstemming met de oude vedische voorschriften te handelen. De
tekst in de Anugita luidt:
Een asceet die aanwezig was bij een offerplechtigheid
en zag dat er water over een offerdier werd gesprenkeld, sprak tegenover
de adhvaryu zijn afkeuring uit over het vernietigen van leven. De
adhvaryu antwoordde hem: ‘Deze geit wordt niet vernietigd. Het
schepsel zal erdoor in een gelukkiger toestand komen, aldus de vedische
tekst. Want dat deel van de geit dat de aarde toebehoort zal naar
de aarde gaan; wat uit het astrale water voortkomt zal water binnengaan.
Zijn oog zal de zon binnengaan, zijn oor de vier richtingen, en zijn
levensstromen zullen terugkeren naar de lucht. Ik bega geen overtreding,
want ik houd mij aan de geschriften. –
blz. 61
Maar de asceet antwoordt:
De ouden leren ons dat het zich onthouden
van het doden van levende wezens de belangrijkste van alle plichten
is. Wij komen op voor het standpunt dat alleen offerhandelingen dienen
te worden verricht waarbij het doden van dieren niet is betrokken.
Onze stelling is dat geen levende wezens gedood dienen te worden.
– blz. 62
Het is bekend dat ook Boeddha het doden van dieren
bij offers openlijk afwees. Het dispuut gaat nog geruime tijd door met
heel verstandelijke argumenten van beide kanten. De tekst laat in het
midden wie nu uiteindelijk gelijk heeft. Opvallend is dat Arjuna in
de Bhagavadgita ook protesteerde tegen het doden, namelijk
van degenen die in het vijandelijk leger stonden opgesteld. Maar Krishna
overtuigt hem dan toch zijn plicht als militair te doen, en ‘noch
over de levenden noch over de doden te treuren’. Als we de Bhagavadgita
allegorisch bekijken, heeft Krishna gelijk: ieder mens moet op zijn
pad zijn lager zelf verslaan. Maar als men de Bhagavadgita
en de veda’s letterlijk neemt, zoals vaak gebeurt in India, rechtvaardigen
deze het doden van dieren en mensen voor geestelijke doelen. Dit dispuut
is het overdenken waard in onze tijd met zijn oorlogszuchtige en dieronvriendelijke
wereldcultuur.
Behalve in dit verhaal wordt geweldloosheid nog
een aantal malen beklemtoond in de Anugita. Er wordt steeds
weer gesproken over het belang en de betekenis van vroomheid. Maar de
meest essentiële uitspraak hierover luidt: ‘Geweldloosheid
is de hoogste vroomheid, geweld daarentegen is van goddeloze aard’
(blz. 93), en ‘Geweldloosheid ten opzichte van alle wezens wordt
als de hoogste van alle plichten gewaardeerd. Dit is de hoogste zetel,
die vrij is van kwelling, en heilig van karakter.’ (blz. 107-8.)
Geweldloosheid, ahimsa, is een van de kernbegrippen in de ethiek van
het hindoeïsme – denk bijvoorbeeld aan Gandhi – en
in het boeddhisme, en natuurlijk ook in het christendom, maar bij het
jainisme is geweldloosheid echt ‘de hoogste vroomheid’ die
tot in voor westerse opvattingen extreme vormen wordt doorgevoerd, en
die de jain uiteindelijk naar de hoogste bevrijding zal leiden. Jains
kennen geen dierenoffers, geen oorlog, zijn strikte vegetariërs
en doden geen enkel levend wezen, hoe minuscuul ook, zelfs geen vlam
van het vuur.
Er komen heel wat onderwerpen aan de orde in het
gesprek tussen de brahmaan en zijn vrouw. En dat terwijl het orthodoxe
hindoeïsme in het algemeen geen hoge dunk heeft van vrouwen –
ze zijn vaak nog minder dan (mannelijke) kastelozen. Ik heb ergens gelezen
dat zelfs vrouwen de verlichting kunnen bereiken, maar ze moeten
dan wel eerst sterven en als man worden herboren. Maar kennelijk wordt
dit rollenpatroon in de onorthodoxe Anugita niet onderkend.
De clou komt aan het eind. Want Arjuna, nieuwsgierig geworden naar wie
die man en die vrouw zijn, vraagt aan Krishna: ‘Waar bevinden
zich nu die vrouw van de brahmaan en waar die hoogste van de brahmanen,
door wie beiden de volmaking werd bereikt?’ En Krishna antwoordt:
‘Weet dat mijn manas de brahmaan is, en dat mijn buddhi de vrouw
van de brahmaan is. En hij over wie is gesproken als de kshetrajña
– het hogere, geestelijke ego – dat ben ik zelf.’
(blz.74.)
Vervolgens vraagt Arjuna aan Krishna hem het Brahman,
dat het hoogste object van kennis is, te verklaren. Krishna antwoordt
door middel van een vertelling over een leraar en een jonge brahmaanse
leerling. De leraar vertelt de jongen:
Wij beschouwen slechts kennis als het
allerhoogste, en het afstand doen van wereldse genoegens als de beste
ascese. En hij die op volkomen heldere wijze begrijpt wat het ware
object van kennis is, dat onweerlegbaar is – het zelf dat in
alle wezens verblijft, . . . is het hoogste respect waardig. De geleerde
die het tegelijkertijd bestaan van het Brahman en zowel de manifestaties
daarvan als de scheiding ertussen, en aldus het ene en het vele kan
begrijpen, is van elke ellende verlost. Iemand die niets verlangt
en geen egoïsme meer kent, komt in aanmerking voor eenwording
met het Brahman, zelfs terwijl hij nog in deze wereld vertoeft. Degene
die de waarheid kent betreffende de eigenschappen van de natuur, die
de totstandkoming van alle wezens begrijpt, die geen enkel onderscheid
kent tussen wat van mij en wat van jou is, die volkomen vrij is van
egoïsme, is bevrijd. – blz. 76
Nu begint er een nieuwe cyclus die zeventien hoofdstukken
(het 20ste t/m het 36ste en laatste) in beslag neemt: de ontmoeting
tussen de rishi’s en het Brahman:
In vroeger tijden ontmoetten de grote
rishi’s . . . die naar kennis verlangden elkaar. Ze waren alle
paden gegaan en waren moe van hun eigen inspanningen. . . . [Ze] verhoogden
zich naar het niveau van het Brahman, en daar ontmoetten zij het Brahman
dat volmaakt gezuiverd is van alle zonden. Nadat zij deze verheven
ziel die daar in volkomen rust zat hadden begroet, stelden deze grote
rishi’s vervuld van bescheidenheid deze vraag die van het allerhoogste
belang is: ‘Hoe dient men op de juiste wijze te handelen? Hoe
raakt men verlost van zonden? Welke paden zullen ons geluk brengen?
Wat is waarheid en wat leugen? . . . En wat is vernietiging, en wat
bevrijding, en wat de geboorte en dood van levende wezens? –
blz. 77
Ik geef u slechts een kleine selectie uit de tekst:
Brahman sprak: ‘Het is satya, de
waarheid waaruit alle vrij bewegende en vastzittende wezens voortkwamen.
Zij worden voortgebracht door de zelfbewuste scheppende wil van het
goddelijke wezen. . . . Het Brahman is de waarheid; tapas, de scheppende
wil is de waarheid; Prajapati is de waarheid; de waarheid is dat waaruit
alle wezens voortkomen; en het universum dat uit alle wezens bestaat
is de waarheid. Daarom zijn brahmanen die voortdurend de mentale yoga
beoefenen, die geen woede en verdriet meer kennen en die onveranderlijk
hun plicht doen, zeer waarheidlievend.’ –
blz. 77
Een aantal hoofdstukken wordt gewijd aan de drie
kwaliteiten, sattva, rajas en tamas, ofwel goedheid, hartstocht en geestelijke
duisternis, waarover ook in de Bhagavadgita heel wat wordt
gezegd. De diverse eigenschappen van die drie kwaliteiten worden uitgebreid
besproken, hun gevolgen, en ook hun interactie en wederzijdse afhankelijkheid.
Iemand die op correcte wijze de namen
kent van dat wat niet wordt waargenomen, van de drie kwaliteiten en
van de zuivere werkingen ervan, zal wanneer hij bevrijd is van het
lichaam, de waarheid begrijpen over alle dingen die van elkaar te
onderscheiden zijn, en terwijl hij verschoond is van elke vorm van
ellende, wordt hij bevrijd van deze drie kwaliteiten. –
blz. 85-6
Hij zegt verder: ‘De eeuwige schoot van Brahman
is tweevoudig: het volhardend verwerven van kennis, en het doen van
goede daden. Aldus zeggen de geleerden.’ Hiermee wordt uiting
gegeven aan de essentie van jñanayoga.
Het kenmerk van het denken is meditatie.
Het kenmerk van een goed mens is zijn onopvallendheid. Het kenmerk
van devotie is handeling, en van kennis is het kenmerk verzaking [van
wereldse illusies]. Daarom behoort een geleerde verzaking te beoefenen
en voorrang te geven aan kennis. De verzaker die kennis bezit, bereikt
het hoogste doel. En terwijl hij duisternis achter zich laat en niet
meer onderhevig is aan dood en ouderdom, gaat hij naar dat waar geen
tweede van is. – blz. 94
Serieuze bestudering en het in het hart sluiten
van de theosofie, en haar in praktijk te brengen, leidt uiteindelijk
tot onsterfelijkheid, en tenslotte tot éénwording met
het Brahman van ons universum.
. . . allen denken er zo over dat alles
voortkomt uit het ongemanifesteerde en weer wordt opgenomen in het
ongemanifesteerde. Hij die zelfs maar één moment aan
het einde van zijn leven gelijkmoedigheid bereikt, en het ware zelf
ziet, is geschikt voor de onsterfelijkheid. Terwijl hij zijn zelf
in zijn zelf geconcentreerd houdt, zelfs al is het maar één
ogenblik, gaat hij, als gevolg van de kalmte van het zelf, naar het
onuitputtelijke doel van degenen die kennis bezitten. –
blz. 105
De Anugita is een schitterend boek, en
het is heel jammer dat het niet algemener bekend is in de wereld en
dat we tot de 21ste eeuw hebben moeten wachten op een Nederlandse vertaling.
Ik hoop dat velen er evenveel, en nog meer, genoegen, moed en stimulans
uit putten als ik, en dat de Anugita het innerlijke welzijn
van alle levende wezens zal bevorderen.
De Anugita
is verkrijgbaar bij de boekhandel of bij Uitgeverij
Ankh-Hermes:
184 blz., index, gebonden, €17,50, isbn 9020219634.
Religie
en filosofie: hindoeïsme