De
Theosophical Society: vroeger en nu
In 1877, twee jaar na het oprichten van de Theosophical Society, publiceerde
Blavatsky haar eerste grote werk, Isis
ontsluierd – twee delen die laten zien dat theosofische
ideeën overal in oude en nieuwe religies voorkomen en hun grondslag
hebben in de natuur. In 1878 vertrokken Blavatsky en Olcott naar India,
waar ze werkten om de waarde van de oosterse religies en filosofieën
onder de aandacht te brengen van vooral diegenen die door de invloed
van westerse materialistische denkbeelden hun eigen tradities begonnen
te verwerpen. Ook stelden ze religieus bijgeloof en dogmatisme aan de
kaak. Bovendien moedigde Blavatsky de studie aan van westerse mystieke
tradities, zoals het gnosticisme, de kabbala, de vrijmetselarij en de
leer van de rozenkruisers. In 1879 richtte ze het eerste theosofische
tijdschrift op, The Theosophist, dat gewijd was aan oosterse
filosofie, kunst en literatuur, occultisme en spiritualiteit.
In 1885 verliet Blavatsky India en keerde terug naar Europa en vestigde
zich tenslotte in Londen. Daar voltooide ze in 1888 haar meesterwerk,
De geheime leer,
dat een veelomvattend beeld geeft van de kosmos en de mens, en mythisch,
religieus en wetenschappelijk materiaal uit vele culturen bijeenbrengt
als illustratie van de universaliteit van de theosofische denkbeelden.
Als reactie op de vele vragen van belangstellenden naar een eenvoudige
inleiding schreef ze De sleutel
tot de theosofie, en voor wie ernstig ernaar streeft de altruïstische
idealen van de theosofie in praktijk te brengen De
stem van de stilte, aforismen die het hart van de leer van
het mahayanaboeddhisme belichamen. Blavatsky gaf een nieuwe impuls aan
het theosofische werk in het Westen en richtte het tijdschrift Lucifer
(‘lichtbrenger’) op waarvan ze hoofdredactrice werd. Ze
stierf in Londen in 1891.
De afgelopen 100 jaar heeft de hedendaagse Theosofische Beweging zich
opgesplitst in verschillende onafhankelijke organisaties. Elk daarvan
probeert op haar eigen manier de doelstellingen van de Society in praktijk
te brengen. Enkele jaren na Blavatsky’s dood splitste
de Society zich in twee organisaties: de Society die H.S. Olcott
en Annie Besant volgde en haar internationale hoofdkwartier behield
in Adyar bij Madras in India; en de Society die W.Q.
Judge volgde, die haar internationale hoofdkwartier eerst in New
York had en later in Californië – achtereenvolgens in Point
Loma, Covina en sinds 1950 in Pasadena. In Nederland heten ze respectievelijk
de Theosofische Vereniging en het Theosofisch Genootschap (Pasadena).
Bij het overlijden van Judge in 1896 werd Katherine
Tingley erkend als opvolger. Zij maakte over de hele wereld reizen
en stichtte in verschillende landen scholen, en legde nadruk op praktische
humanitaire hulpverlening, opvoeding, gevangenishervorming en wereldvrede.
In 1900 verplaatste zij het internationale hoofdkwartier naar Point
Loma, Californië; daar stichtte ze de Rajayoga-school en het Rajayoga-college,
de Theosofische Universiteit en de School for the Lost Mysteries of
Antiquity. Tingley bouwde het eerste Griekse openluchttheater in Amerika,
en vormde symfonieorkesten bestaande uit stafleden en studenten aan
het hoofdkwartier. In 1909 vormde een groep onder leiding van Robert
Crosbie een andere theosofische organisatie, de United Lodge of Theosophists
(Geünieerde Loge van Theosofen).
Toen Katherine Tingley in 1929 overleed volgde G.
de Purucker haar op als leider van de Society. Hij gaf vele lezingen
en onderrichtte verschillende groepen van privéstudenten. Zijn
grootste bijdrage aan de theosofische beweging was zijn weergave en
toelichting van de basisdenkbeelden van de theosofie die zijn te vinden
in Blavatsky’s Geheime Leer en in andere werken. Kort
voor zijn dood verplaatste hij het internationale hoofdkwartier naar
Covina, Californië, dichtbij Los Angeles.
Na de dood van De Purucker werd de Society drie jaar lang bestuurd
door het Kabinet van de TS. In 1945 werd kolonel Arthur
L. Conger erkend als leider van de Society. Hij gaf een impuls aan
de uitgeverij door te zorgen dat de klassieke theosofische geschriften
altijd in druk beschikbaar zijn en dat daarnaast nieuwe publicaties
konden verschijnen. Bovendien herstelde hij het theosofische werk in
Europa na de Tweede Wereldoorlog. Hij verplaatste het internationale
hoofdkwartier van de Society naar Pasadena, Californië.
Toen Conger in 1951 overleed werd James
A. Long leider. Long legde de nadruk op het toepassen van theosofie
in het dagelijks leven, waarbij wordt geprobeerd het natuurlijke karma
van ieder moment te lezen. Hij richtte het tijdschrift Sunrise
op. Een aantal mensen erkenden Long niet, maar volgden William Hartley.
Ze vormden een eigen organisatie die in Nederland bekendstaat als het
Theosofisch Genootschap (Point Loma, Covina).
Na de dood van Long in 1971 werd hij opgevolgd door Grace F. Knoche.
Ze moedigde samenwerking en wederzijds respect tussen de theosofische
organisaties aan. Evenals Long legde ze de nadruk op de dagelijkse beoefening
van altruïsme en mededogen.
Het lijkt mij dat ieder mens in zichzelf de kracht
heeft om te doen wat nodig is: in stilte en onopgemerkt de leiding
van zijn hogere zelf te volgen. Maar we moeten in deze oefening volharden;
bovenal moeten we een onvoorwaardelijk vertrouwen stellen in de kracht
van ons innerlijke licht om ons leven te verlichten. Als ieder van
ons standvastig de leiding ervan volgt, zullen we na verloop van tijd
een belichaming van mededogen, begrip, kennis, en hulpvaardigheid
worden . . .
– Duizend
lichten aansteken, blz. 193
Op 18 februari 2006 is Grace F. Knoche overleden;
ze werd opgevolgd door Randell C. Grubb, de huidige leider van de Society.
De Theosophical Society (Pasadena) volgt haar oorspronkelijke programma
en steunt theosofische bibliotheken, openbare bijeenkomsten en studiegroepen.
Ze biedt ook een aantal theosofische
cursussen voor wie theosofie op een meer gestructureerde manier
wil bestuderen. De uitgeverij van de Society, Theosophical University
Press (TUP) voorziet in theosofische boeken in het Engels, terwijl TUPA
Nederlandse vertalingen daarvan publiceert.