Persoonlijke herinneringen aan Grace F. Knoche*
Will Thackara
*Vertaald uit Theosophical History,
april 2006, blz. 11-15.
We noemden haar Grace en ze was een
heel loyale vriend. In november 1968 ontmoette ik haar voor het eerst.
Mijn buurman, Doug Russell, had mij enkele maanden eerder over theosofie
verteld, en als een zich natuurlijk ontvouwend karma werd ik uitgenodigd
om James A. Long te ontmoeten, die toen leider van de Theosophical Society
was. Grace was Jims persoonlijke secretaresse, en tijdens dat eerste
bezoek zat ze onopvallend vlakbij met een schrijfblok in de hand en
racete haar pen stilletjes over het papier om in steno alles te noteren
waarover we spraken. Later hoorde ik van Doug dat Jims gesprekken soms
materiaal of onderwerpen opleverden die konden worden gebruikt in het
tijdschrift Sunrise en voor discussiegroepen. Grace’s
taak was om zulke gesprekken vast te leggen en uit te schrijven –
vaardigheden die ze had geleerd als studente aan het theosofische hoofdkwartier
in Point Loma waar ze was geboren (haar ouders, Grace Green en J. Frank
Knoche, waren stafleden). Ik was vooral onder de indruk toen Doug me
vertelde dat ze 100 woorden per minuut kon typen en, als 22-jarige voor
wie het theosofische gedachtegoed nieuw was, dacht ik hoe wonderbaarlijk
het karma was dat Jim had voorzien van zo’n kundige secretaresse!
In de loop van de jaren daarna, kwam ik te weten dat Grace ook verschillende
secretariële en redactionele functies had vervuld bij de voorgangers
van Jim, Gottfried de Purucker en Arthur L. Conger, en niet te vergeten
haar bijdrage had geleverd als studente in de tijd van Katherine Tingley.
Dan was er ook nog de viool. Ieder
jong kind in Point Loma werd een muziekinstrument gegeven en nam deel
aan het muziekprogramma van de school. Toen Grace een tiener was, werd
ze uitgenodigd om de 4de viool te spelen in het schoolorkest (Walter
Damrosch, dirigent van het New Yorkse Symfonieorkest had hier vroeger
leiding aan gegeven en prees het muzikale vakmanschap ervan). Uiteindelijk
werd ze 1ste violiste en soliste – een van de spannendste ervaringen
uit haar leven. Ik heb haar nooit horen spelen, maar ze zei dat toen
ze volwassen was, ze al snel de gedachte aan een muzikale carrière
liet varen: ‘Er zijn in de wereld voldoende violisten, maar niet
zoveel mensen die voor theosofie werken.’ Niettemin, zo vertelde
ze een keer tegen een van onze TS-stafleden, had G. de Purucker haar
aangeraden haar muziek niet volledig op te geven: dat er veel
manieren waren – die elkaar niet uitsluiten – waarop iemand
theosofie kan dienen. Ze werd zich ervan bewust dat als iemand een musicus
is dan zou, hoe edel het motief ook is, het ontkennen van dat deel van
zichzelf neerkomen op ‘het ontkennen van een wezenlijk deel van
zijn ziel’.
Toen Grace in 1971 leider werd, was
dit even natuurlijk als de verandering van het jaargetijde. Ik had Jim
Long eerder naar zijn opvolger gevraagd en zijn antwoord was eenvoudig
en eerlijk. Hij zei dat hij niet wist wie het zou worden, en dit niet
zou weten tot het moment waarop hij stierf; als hij het wel zou weten,
zou hij onbewust proberen om diegene voor te bereiden, en dat zou precies
verkeerd zijn. Het leven zal die persoon trainen en het leven zal hem
of haar selecteren. Het was in feite geen kwestie van keuze. Gezien
de integriteit van Grace is het duidelijk dat ze die verantwoordelijkheid
nooit op zich zou hebben genomen tenzij ze er absoluut zeker van was
dat het haar taak was (zie haar artikel, ‘Publicatie
van de KTMG-verslagen’, vertaald uit The Theosophical
Forum, februari 1948, dat in Impuls nr. 33, dec 2005,
is opgenomen).
Grace was toen 62. Haar bestudering
van theosofie en de geschiedenis ervan gedurende een heel leven was
vollediger dan van wie dan ook. Ze had nauw samengewerkt met drie leiders,
had in de Point Loma-scholen lesgegeven in Hebreeuws, Grieks, Sanskriet,
vioolspelen, beeldhouwen en schilderen, lezingen gegeven, veel theosofische
artikelen geschreven, meegeholpen aan het redigeren van het tijdschrift
Sunrise, en veel gereisd om wereldwijd leden te bezoeken –
een lange leerperiode volgens elke maatstaf. Dit doet me denken aan
een ander gesprek met Doug Russell. Begin 1974 reden we naar de bergen
waar we beiden veel van hielden. Ik dacht aan Grace en omdat ik wist
dat Dougs werk als management consultant hem in contact had gebracht
met veel directeuren van bedrijven en andere leiders (hij was een bestuurslid
van de Young Presidents Organization), vroeg ik hem welke essentiële
eigenschap kenmerkend was voor de besten van hen. Hij antwoordde onmiddellijk
dat het zijn ervaring was dat werkelijk leiderschap voortkomt uit dienstbetoon
en te leren een goede dienaar te zijn. Dit heeft niets te maken met
onderworpenheid, maar om een goede leider te zijn moet iemand eerst
weten hoe hij anderen moet dienen. Hij kende geen enkele werkelijke
leider die niet was gerijpt door een grondige carrière van dienstbetoon
en de plichtsvervullingen die daarmee gepaard gingen. En de beste leiders
hadden diegenen gediend die zelf dienaren waren. Over Grace zei Doug
eenvoudig – en die mening heeft hij nog steeds – dat zij
‘het leidinggevende vermogen had om elk bedrijf te runnen’.
Als ik nu op haar leven terugkijk, dan was haar 97 jaar van dienstbetoon
onvoorwaardelijk, zonder enige persoonlijke ambities. Zij leefde
naar het advies van de oude wijzen: ‘om als niets in de ogen van
de wereld te zijn’.
Mededogen, intelligentie, vrijgevigheid,
wijsheid, bescheidenheid, kracht, geduld en sprankelende humor: Grace
was tijdens haar leiderschap een voorbeeld van al deze kwaliteiten en
nog veel meer, die nu verder leven in haar geschriften, onze gedeelde
herinneringen aan haar, en door haar afdruk op de gedachteatmosfeer
van de wereld. Toch was Grace zo ontzettend toegankelijk en menselijk
in haar benadering, omdat ze besefte dat hoe onvolmaakt we ook mogen
zijn, we allemaal op een bepaalde manier ernaar streven om een beter
mens te zijn. Ze moedigde mensen aan om zelf initiatief te nemen bij
het op ons nemen van onze verantwoordelijkheden, terwijl ze ons eraan
herinnerde dat we deel uitmaken van een eeuwige broederschap die de
kosmos omvat, en dat geen enkele verheven taak ooit door iemand alleen
wordt volbracht.
Haar grootste steun gaf ze in kleine
pakketjes, zoals een kaart of brief die op de een of andere manier een
sleutel bevatten tot het omgaan met moeilijke situaties, of die je eenvoudig
een goed gevoel over jezelf gaven. Jaren geleden schreef ze op een stukje
papier, nu verweerd door de tijd, de woorden van Benjamin Disraeli,
de Engelse minister-president van koningin Victoria: ‘Het geheim
van succes is vastberadenheid’. Eén geheim van het succes
van Grace – in feite geen geheim want ze vertelde het aan anderen
– was dat ze altijd probeerde om te werken met het beste in iemand,
en het aan mensen zelf overliet om hun eigen tekortkomingen aan te pakken.
Heel vaak werden een paar bemoedigende woorden een beschermende talisman
voor het hele leven. ‘Als je aan het eind van je Latijn bent,’
zei ze eens, ‘houd dan vol!’ Doe dan één stap
tegelijk, concentreer je op de taak of plicht die vóór
je ligt en doe deze zo goed mogelijk. Het leven zal ons nooit opzadelen
met een last, hoe pijnlijk of moeilijk ook, die groter is dan we kunnen
dragen. En als we onze plicht vervullen, zullen we worden geholpen.
Zo werkt de natuur.
Een van de nadelen van leiderschap
is dat je een bliksemafleider bent voor kritiek. De manier waarop Grace
daar meestal mee omging was eenvoudig: ze zei dat de voordeur altijd
openstond voor eerlijke en openhartige discussies, maar ze adviseerde
ons om roddels en onjuiste geruchten te negeren, omdat een reactie daarop
onze energie aftapt en de aandacht afleidt van ons scheppende werk voor
broederschap. Er waren natuurlijk enkele opvallende uitzonderingen,
zoals Peter Washingtons bevooroordeelde en verkeerd geïnformeerde
verslag van H.P. Blavatsky en andere theosofische leiders die een gepubliceerd
antwoord nodig maakten (Notes on ‘Madame Blavatsky’s
Baboon’); en ook H.P.
Blavatsky en de SPR met Vernon Harrisons weerlegging van het
Hodgson Rapport uit 1885. Aan de andere kant was Grace altijd royaal
naar bezoekende onderzoekers en geleerden door ze toegang tot de bibliotheek
en archiefmateriaal te verschaffen, ze zelfs te helpen met hun manuscripten,
omdat ze goed wist dat een strikt academische benadering hen geen inzicht
zou verschaffen in de innerlijke doeleinden van theosofie of de geschiedenis
ervan. Daarover merkte ze soms in de woorden van Seneca op: ‘De
tijd brengt de waarheid aan het licht’.
Een groot deel van Grace’s tijd
was gewijd aan het uitbreiden van de uitgaven van de Society door middel
van Theosophical University Press, waarbij ze zich concentreerde op
de hedendaagse theosofische standaardwerken. Tijdens haar ambtsvervulling
werd The Secret Doctrine van H.P. Blavatsky vier keer herdrukt
– en niet in kleine oplagen; en de volledige tekst van bijna alle
TUP-titels werd gratis toegankelijk gemaakt op de website van de Society
(www.theosociety.org). Grace’s
eigen boeken en artikelen getuigen van de toepasbaarheid van theosofie
als een leidende wijsheid waarnaar men werkelijk kan leven. Duizend
Lichten Aansteken: een theosofische visie zal beslist een van de
beste inleidende werken blijven, en ik heb enkele doorgewinterde theosofen
hun verbazing en waardering horen uiten – terwijl ze dachten dat
ze de basisgedachten wel begrepen – over hoe krachtig het boek
direct in hun behoefte voorzag. Verder is er het tijdschrift Sunrise
waarmee Grace nauw was verbonden sinds de oprichting ervan in 1951 door
James A. Long. Door haar getalenteerde redactie moedigde Grace ons niet
alleen aan te schrijven, maar ze leerde ons hoe te schrijven
– tenminste beter dan we deden. Sunrise is nog steeds
een eigentijdse handreiking naar het algemene publiek en biedt theosofische
perspectieven op wetenschappelijke, religieuze en filosofische thema’s
en hun toepassing in het dagelijks leven.
Naast het literaire en administratieve
werk, de openbare bijeenkomsten, studiegroepen, persoonlijke gesprekken
en een enorme schriftelijke correspondentie, moedigde Grace vriendschappelijke
betrekkingen aan tussen verschillende theosofische organisaties, in
het besef dat hoewel filosofische leringen en benaderingen kunnen verschillen,
we dezelfde doeleinden van universele broederschap en het opheffen van
de oorzaken van het lijden delen. Misschien was het meest zichtbare
hoogtepunt van samenwerking de theosofische presentatie op het Parlement
van Religies van de Wereld in 1993 in Chicago, dat gezamenlijk door
de TS Adyar, de Geünieerde Loge van Theosofen, en de TS Pasadena
werd georganiseerd. Grace dacht met warmte terug aan alle mensen die
samenkwamen, niet als leden van afzonderlijke organisaties, maar als
theosofen en vrienden. Het werkte – en werkt nog steeds.
Gedurende ongeveer de laatste tien
jaar, droeg Grace in toenemende mate verantwoordelijkheden over aan
de jongere stafleden, want ze wist dat haar tijd om te vertrekken onvermijdelijk
zou komen. ‘Ik zou niet wensen dat iemand 100 jaar oud werd!’,
zei ze vaak. Maar ze wist dat het moment van vertrek in handen van karma
ligt en dat ze tot die tijd haar werk zou doen. Een van haar laatste
taken was om de laatste correctiefase van haar te verschijnen boek,
Theosophy in the Qabbalah af te ronden. Op haar 97ste verjaardag,
ongeveer een week nadat ze ziek werd, hoorden we dat Grace stervende
was. Het kwam zo uit dat op dezelfde dag de omslagontwerpster, Patrice
Hughes, die helemaal niet op de hoogte was van het ziekbed van Grace,
een conceptontwerp langs bracht (ze kwam die avond naar een theosofische
studiegroep). Rond 21.30 nam ik het mee naar het huis van Grace en vroeg
of ze nog bereid was tot één aangelegenheid van de Press.
Natuurlijk was ze dat. Daar op haar bed keek ze goedkeurend naar het
ontwerp, maar wees op een regel in kleine letters en vroeg wat er stond
(ze had haar bril niet op). ‘Dat is jouw naam, Grace, op een kleine
typefout na. Er staat: Grace M. Knoche.’ Ze antwoordde, ‘Wel,
je zorgt er wel voor dat dat wordt veranderd.’ Ze bedankte me
en ik weet dat ze Patrice dankbaar was. Dat was ons laatste gesprek;
afscheid nemen was niet nodig.
Twee nachten later, verliet ik mijn
huis in een hevige stortbui op weg naar een openbare bijeenkomst, een
Vrijdagavond Discussie in de bibliotheek van ons hoofdkwartier. Het
onderwerp was reïncarnatie. Juist toen ik naar buiten ging, was
er een bliksem die werd gevolgd door een lange rollende donder. Ik dacht
bij mijzelf, ‘Grace werd in Point Loma geboren tijdens een hevige
stortbui – het zou net iets voor haar zijn om nu ook daarin te
vertrekken’. En dat was ook zo, iets meer dan zeven uur daarna.
Een week later kwamen leden en vrienden
bijeen in de overvolle ruimte van de Bibliotheek om aan het leven van
Grace eer te betonen. De bibliothecaris Jim Belderis opende de bijeenkomst
met de mededeling dat er geen voorbereide toespraken of lofprijzingen
zouden worden gehouden, maar nodigde ons allen uit om herinneringen
en blijken van waardering met elkaar te delen. Deze zou hij aanvullen
met het voorlezen van e-mails van mensen van over de hele wereld die
er niet bij konden zijn.
Er waren veel verschillende verhalen,
ontroerende en humoristische, aangrijpende en diepzinnige. In al deze
herkenden we de Grace die ieder van ons kende. Een van de eerste mensen
die iets zei was een kunstenaar die zich herinnerde dat Grace haar had
gezegd om ‘te bloeien waar we zijn geplant’. Een ruimtevaartingenieur
begon met ‘In 1972 leerde ik Grace voor het eerst kennen door
de bladzijden van Sunrise . . .’ en toen werden de emoties
hem te veel – hoewel iedereen zijn onuitgesproken verhaal hoorde.
Een directrice uit de zorgsector zei dat ze Grace haar hele leven had
gekend, maar 52 jaar had geslapen tot ze het boek van Grace, Duizend
Lichten Aansteken, las, waardoor ze wakker werd. Een gastspreker
op de Vrijdagavond Discussies vertelde hoe hij uitkeek naar deze bijeenkomsten
omdat de spontane opmerkingen van Grace op de een of andere manier aanvulden
en verduidelijkten wat hijzelf niet onder woorden kon brengen. De kapper
van Grace gedurende de laatste dertig jaar vertelde over haar hartelijke
en innemende vriendschap. En een Mormoonse vriendin vertelde ons dat
Grace het Book of Mormon samen met haar had gelezen. Een medewerker
van het Internationale Rode Kruis vertelde hoe Grace hem had aangemoedigd
om zijn eigen levenspad te volgen als een onafhankelijke theosoof en
merkte op dat ze hem enige tijd later op TV had gezien tijdens de hulpverlening
bij een ramp. Ze had daarna gebeld en gezegd hoe blij ze was te zien
dat hij ‘zijn karma deed’. Een steeds terugkerend thema
in de verhalen en e-mails was hoe Grace ons wist te doordringen met
vertrouwen: vertrouwen in onszelf, in de toekomst van de TS, en in de
innerlijke goedheid van de mensheid ondanks onze problemen.
Grace gebruikte vaak de metafoor van
een oosters tapijt om te illustreren hoe we met onze menselijke onvolmaaktheden
konden omgaan. Als er een fout werd gemaakt, zou de wever deze niet
verwijderen, maar in het patroon verwerken. Ik denk dat de metafoor
nog een andere toepassing heeft. Na het overlijden van Grace hebben
velen laten weten hoezeer ze haar zullen missen en het is alleen maar
natuurlijk om verdriet te voelen wanneer zo’n loyale vriend en
mentor ons uiterlijk verlaat. Maar in feite heeft Grace een deel van
haarzelf in het weefsel van ons leven geweven en dat zal altijd
bij ons blijven.
Andere
artikelen over theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen