Boekbespreking
De biologie van de overtuiging: Hoe je gedachten je leven bepalen,
Bruce H. Lipton, Ankh-Hermes, 2007,
254 blz.
Het ‘centrale dogma’ van de moderne orthodoxe biologie is
dat het leven wordt beheerst door genen. In De biologie van de overtuiging
legt celbioloog Bruce Lipton uit dat recent onderzoek heeft aangetoond
dat genetisch determinisme fundamenteel tekortschiet, en presenteert
een zeer leesbaar verslag van de ‘nieuwe biologie’. Hij
zegt dat het onderzoek naar de manier waarop cellen informatie ontvangen
en verwerken laat zien dat het leven van een cel niet door de genen
wordt bepaald, maar door de fysieke en energetische omgeving, die in
het geval van de mens ook onze gedachten omvat. Hij schrijft: ‘De
overtuiging dat we broze biochemische machines zijn die door genen worden
bestuurd maakt plaats voor het inzicht dat we krachtige scheppers van
ons leven zijn en van de wereld waarin we leven’ (blz. 15). De
‘nieuwe’ biologie is een stap vooruit vergeleken met de
oude maar, zoals we zullen zien, ze heeft nog steeds ernstige beperkingen.
Genetische illusies
Sinds het ontcijferen van de genetische code door James Watson en Francis
Crick in 1953 heeft DNA een almachtige positie ingenomen. Aanvankelijk
werd gedacht dat het alleen verantwoordelijk is voor onze fysieke kenmerken,
maar daarna begonnen wetenschappers te beweren dat onze genen ook onze
emoties en ons gedrag beheersen. Lipton zegt dat genen eenvoudig moleculaire
blauwdrukken zijn die bij de bouw van cellen, weefsels en organen worden
gebruikt. Maar zelfs dit gaat te ver: genen zijn blauwdrukken voor de
productie van eiwitten; hoe eiwitten zich verenigen tot cellen, weefsels
en organen wordt niet begrepen.
Vóór het Human Genome Project dachten wetenschappers
dat er één gen nodig is om de blauwdruk te verschaffen
voor elk van de meer dan 100.000 verschillende eiwitten waaruit ons
lichaam bestaat. Omdat er ook meer dan 20.000 regulerende genen zijn,
werd verwacht dat het menselijk genoom minimaal 120.000 genen bevat
die zich in de 23 paren chromosomen bevinden. Genetici waren echter
geschokt toen ze ontdekten dat het menselijk genoom uit slechts ongeveer
25.000 genen bestaat. Meer dan 80% van het DNA waarvan men dacht dat
het nodig was bestaat niet! Het idee van ‘één gen
voor elk eiwit’, dat een basisbeginsel van genetisch determinisme
was, moest daarom naar de prullenbak worden verwezen.
Het totale aantal genen dat bij mensen wordt aangetroffen verschilt
niet veel van dat bij primitieve organismen. De microscopisch kleine
nematode rondworm bekend als Caenorhabditis elegans heeft een
lichaam dat uit 969 cellen bestaat en eenvoudige hersenen van ongeveer
302 cellen, en toch bestaat zijn genoom uit maar liefst 24.000 genen.
Dit betekent dat het menselijk lichaam, dat uit meer dan 50 biljoen
cellen bestaat, slechts 1000 genen méér bevat dan deze
eenvoudige worm. De fruitvlieg heeft 15.000 genen – 9000 minder
dan de primitievere Caenorhabditis worm. Mensen hebben ruwweg
hetzelfde aantal genen als muizen! Zoals geneticus en nobelprijswinnaar
David Baltimore heeft gezegd, ‘het is duidelijk dat we onze ontwijfelbare
complexiteit boven die van wormen en planten niet verwerven door meer
genen te gebruiken. Inzicht in wat het is dat ons onze complexiteit
bezorgt . . . blijft een uitdaging voor de toekomst’ (blz. 68-9).
Darwinisme en epigenetica
Lipton beweert dat genen het leven niet kunnen beheersen, omdat ze
zich niet kunnen aan- en uitzetten. Dat gebeurt door signalen uit de
cellulaire omgeving. Epigenetica, de studie van de moleculaire mechanismen
door middel waarvan de omgeving de activiteit van de genen bepaalt,
is tegenwoordig een gebied van intensief wetenschappelijk onderzoek.
Omgevingsinvloeden, zoals voeding, stress en emoties, kunnen genen wijzigen,
zonder dat hun basis-blauwdruk verandert, en deze wijzigingen kunnen
worden doorgegeven aan toekomstige generaties. Slechts de helft van
de inhoud van de chromosomen bestaat uit DNA; de andere helft omvat
regulerende eiwitten, die in de erfelijkheid een even cruciale rol blijken
te spelen als DNA. Uit studies van de eiwitsynthese blijkt dat epigenetische
factoren 2000 of meer verschillende eiwitten kunnen doen ontstaan op
basis van dezelfde genetische blauwdruk.
Het kerndogma van de biologen (het eerst geformuleerd door Francis
Crick) is de primaire rol van DNA, waarbij informatie in één
richting stroomt van DNA naar RNA naar eiwitten. Lipton pleit daarentegen
voor de primaire rol van de omgeving. Regulerende genen geven richting
aan de activiteit van eiwit-coderende genen, maar omgevingssignalen
bepalen hoe regulerende eiwitten zich binden aan DNA. De stroom van
informatie is dus: omgevingssignaal – regulerend eiwit –
DNA – RNA – eiwit. Informatie kan ook in omgekeerde richting
stromen, maar onderworpen aan strenge beperkingen: RNA kan DNA herschrijven,
eiwit-antilichamen kunnen DNA veranderen, en veranderingen in het DNA
hebben invloed op de binding van regulerende eiwitten.
Het bewijs voor de rol van epigenetische mechanismen is zo overtuigend
geworden dat sommige wetenschappers zich weer gunstig beginnen uit te
spreken over Jean-Baptiste de Lamarck (1744-1829), de vergruisde evolutionair
bioloog die geloofde dat eigenschappen die waren verworven als gevolg
van omgevingsfactoren soms aan nakomelingen kunnen worden doorgegeven.
Het genoom blijkt zeker veel flexibeler te reageren op en gevoeliger
te zijn voor de omgeving dan vroeger werd verondersteld. Het is duidelijk
dat het DNA de biologie niet in de hand heeft, en dat informatie op
andere manieren aan nakomelingen kan worden doorgegeven dan via de basisvolgorde
van het DNA.
Terwijl het traditionele darwinisme evolutie ziet als een in essentie
willekeurig, doelloos en hevig concurrerend proces, stelde Lamarck dat
evolutie gebaseerd is op coöperatieve interactie tussen organismen
en hun omgeving. In Darwin’s Blind Spot (2002) beschrijft
Frank Ryan een aantal opvallende voorbeelden van samenwerking tussen
organismen. Zo is er een gele garnaal die voedsel verzamelt terwijl
ze wordt vergezeld door een gobi-vis die haar tegen vijanden beschermt.
Er is ook een soort heremietkreeft die een roze anemoon bovenop haar
schelp draagt. Vissen en octopussen voeden zich graag met heremietkreeften,
maar wanneer ze deze soort naderen, schiet de anemoon haar felgekleurde
tentakels met hun microscopische reeks giftige pijltjes naar buiten,
en steekt de mogelijke aanvaller. In ruil daarvoor eet de anemoon de
voedselrestjes van de kreeft op.
We weten nu dat genen worden overgedragen tussen leden van dezelfde
soort en van verschillende soorten. Dit onderstreept de gevaren van
genetische manipulatie. Knoeien met de genen van een tomaat, bijvoorbeeld,
zou de hele biosfeer op onverwachte manieren kunnen veranderen. Eén
studie heeft aangetoond dat wanneer mensen genetisch gemodificeerde
levensmiddelen verteren, de kunstmatig gecreëerde genen overgaan
op de heilzame bacteriën in de darm en deze wijzigen. Genoverdracht
tussen genetisch gemanipuleerde landbouwgewassen en omliggende inheemse
soorten heeft geleid tot zeer resistent superonkruid. Zoals Lipton zegt,
wetenschappers knoeien met onze genen en ons milieu zonder te begrijpen
hoe alles met elkaar verbonden is.
Cellen, hersenen, membranen
Hoewel cellen anatomisch eenvoudig lijken te zijn, vertonen ze een
ongelooflijke complexiteit, en maken gebruik van technologieën
die wetenschappers nog nauwelijks beginnen te begrijpen. Evenals mensen
analyseren enkelvoudige cellen duizenden prikkels uit de micro-omgeving
waarin ze zich bevinden, en
selecteren passende gedragsreacties om hun overleven veilig te stellen.
Ze zijn zelfs in staat hun eigen genen te wijzigen.
Lipton verwerpt het orthodoxe idee dat de kern het brein van de cel
is. Als hun kernen en genen worden verwijderd, kunnen cellen tot twee
maanden of langer overleven. Ze blijven complexe, gecoördineerde,
leven-in-stand-houdende gedragingen vertonen, maar sterven tenslotte
– niet omdat ze hun hersenen hebben verloren, maar omdat ze hun
regenererende vermogens hebben verloren en niet in staat zijn
defecte eiwitten te vervangen of zichzelf voort te planten. Met andere
woorden, de kern is de gonade van de cel. Lipton geeft als
commentaar:
De gonaden verwarren met het brein is een begrijpelijke
vergissing, omdat de wetenschap altijd een patriarchale onderneming
is geweest en nog steeds is. Mannen zijn er vaak van beschuldigd met
hun geslachtsklieren te denken, dus het komt niet als een volslagen
verrassing dat de wetenschap onbedoeld de kern van de cel met het
brein ervan heeft verward! – blz.
72
Lipton stelt voor dat het werkelijke brein dat het cellulaire leven
bestuurt het membraan is – het ‘magische mem-brein’,
zoals hij het noemt. Het membraan is een semi-doorlaatbare huid met
drie lagen, slechts zeven miljoenste van een millimeter dik, die de
inhoud van een cel bijeenhoudt. Maar achter de schijnbare eenvoud ligt
een grote functionele complexiteit. Bijvoorbeeld, prokaryoten, waartoe
bacteriën en andere microben behoren, bestaan uit een celmembraan
dat een druppel van het cytoplasma omhult, en toch vertonen ze ‘intelligentie’.
Ze kunnen de aanwezigheid van voedsel waarnemen en zich erheen bewegen,
en ze kunnen giftige stoffen en vijanden herkennen en ontwijkende actie
ondernemen.
In plaats dat de activiteiten van de cel door middel van in de kern
opgeslagen DNA-blauwdrukken worden bepaald, zoals de conventionele biologie
ons wil doen geloven, stelt Lipton voor dat dit wordt gedaan door integrale
membraaneiwitten (IME’s) – waaronder receptoreiwitten (gewaarzijn)
en effectoreiwitten (actie). De effectoreiwitten van het membraan, die
werken in reactie op de moleculaire en stralingsenergie-signalen die
zijn receptoren oppikken uit de omgeving, beheersen het ‘aflezen’
van de genen, zodat versleten eiwitten kunnen worden vervangen of nieuwe
eiwitten worden gemaakt.
De werkingen van de cel worden daarom voornamelijk gevormd door de
interactie met de omgeving, en niet door zijn genetische code. Genen
kunnen een cel of het leven van een organisme niet voorprogrammeren,
omdat het overleven van de cel afhangt van zijn vermogen om zich dynamisch
aan te passen aan een steeds veranderende omgeving. Volgens Lipton is
het membraan, door zijn ‘intelligente’ interactie met de
omgeving en door zo het gedrag te bepalen, het ware brein van de cel;
als het membraan wordt vernietigd, sterft de cel. In meercellige organismen
worden belangrijke functies van het membraan overgenomen door gespecialiseerde
weefsels en organen – het zenuwstelsel, longen, spieren, enz.
Medicijnen en gezondheid
Miljoenen mensen kennen een zwakke gezondheid niet toe aan een combinatie
van mentale, fysieke en emotionele oorzaken, maar eenvoudig aan de onvolkomenheden
van de biochemische mechanismen van hun lichaam. Bij de behandeling
van onhandelbare kinderen, bijvoorbeeld, gaat de voorkeur steeds meer
uit naar medicijnen om hun ‘scheikundige onevenwichtigheden’
te corrigeren, in plaats van zich bezig te houden met wat zich in hun
lichaam en denken werkelijk afspeelt.
Hoewel wetenschappers veel genen in verband hebben gebracht met allerlei
ziekten en karaktertrekken, hebben ze zelden vastgesteld dat één
gen een bepaalde ziekte of karaktertrek veroorzaakt. Lipton wijst erop
dat de ziekten die de plagen van deze tijd zijn – diabetes, hartziekten
en kanker – niet het gevolg zijn van één gen, maar
van complexe interacties tussen verschillende genen en omgevingsfactoren.
Slechts 5% van de patiënten met kanker en hart- en vaatziekten
kunnen hun ziekte toeschrijven aan erfelijkheid.
Hij betoogt dat medicijnen en chirurgie krachtige hulpmiddelen zijn
als ze niet te veel worden gebruikt, maar het idee dat het slikken van
pillen eenvoudige oplossingen biedt is fundamenteel onjuist. Iedere
keer dat een medicijn in het lichaam wordt gebracht om functie A te
corrigeren, stuurt het functie B, C of D onvermijdelijk in de war. Daarom
worden farmaceutische medicijnen geleverd met bijsluiters waarin talloze
bijwerkingen, variërend van irriterend tot dodelijk, worden opgesomd.
Mensen die bijvoorbeeld bij de drogist verkrijgbare antihistaminica
innemen, kunnen verlichting van een allergie ervaren, maar als bijwerking
kunnen ze zich ook suf gaan voelen. Synthetische hormoonvervangende
therapie blijkt verontrustende bijwerkingen te hebben die leiden tot
hart- en vaatziekten en neurale stoornissen zoals beroertes.
Volgens een recente studie zijn iatrogene ziekten – ziekten als
gevolg van een medische behandeling – de belangrijkste doodsoorzaak
in de VS, en bijwerkingen van medicijnen op recept zijn verantwoordelijk
voor meer dan 300.000 doden per jaar.
We zijn door de farmaceutische bedrijven geprogrammeerd
tot een volk van pillen slikkende junkies – met tragische gevolgen.
. . . Door het gebruik van geneesmiddelen op recept om de symptomen
van het lichaam tot zwijgen te brengen, kunnen we onze mogelijke persoonlijke
betrokkenheid in het ontstaan van de symptomen negeren. –
blz. 118, 122-3
Uit onderzoek blijkt dat onze hyper-alerte levensstijl een zware impact
heeft op de gezondheid van ons lichaam. Bijna elke grote ziekte hangt
samen met chronische stress, en het belemmeren van de neuronale groei
door stresshormonen kan tot depressie leiden.
Lipton stelt dat veel meer geld moet worden besteed aan onderzoek naar
alternatieve geneeswijzen, zoals acupunctuur, chiropraktijk, homeopathie,
en massagetherapie, die zijn gebaseerd op de overtuiging dat ‘energievelden’
eraan bijdragen om onze fysiologie en gezondheid in stand te houden.
Het denken beheerst de stof
Het bekende placebo-effect toont dramatisch de genezende kracht van
het denken aan: ‘nep’-medicijnen blijken vaak even effectief
als echte chemische cocktails, op voorwaarde dat patiënten denken
dat ze de ‘echte’ medicijnen ontvangen. Het placebo-effect
is krachtig gebleken bij de behandeling van verschillende ziekten, waaronder
astma en de ziekte van Parkinson. In een studie van ernstig depressieve
patienten, verbeterde de toestand van 50% van degenen die medicijnen
innamen, maar dat gold ook voor 32% van degenen die een placebo innamen.
Bij meer dan de helft van de klinische tests van de zes belangrijkste
antidepressiva deden de medicijnen het niet beter dan de placebo suikerpillen.
Interessant genoeg gaven antidepressiva in de loop van de jaren in klinische
tests steeds betere resultaten, wat erop wijst dat slinkse marketing
een placebo-effect heeft teweeggebracht, waaruit blijkt dat overtuigingen
aanstekelijk zijn. In een studie van patiënten met ernstige kniepijn
verbeterde de toestand van patiënten die werden geopereerd, maar
de toestand van patiënten in de placebogroep (incisies werden in
hun knieën gemaakt en dan weer gehecht) verbeterde evenveel.
Het tegenovergestelde van het placebo-effect is het nocebo-effect.
Negatief denken – waaronder ontmoedigende berichten die artsen
soms aan hun patiënten overbrengen – kan de gezondheid schaden.
Bijvoorbeeld, een man die leed aan slokdarmkanker – een toestand
die op dat moment voor 100% dodelijk werd geacht – overleed een
paar weken na zijn diagnose, maar een autopsie wees uit dat er niet
genoeg kanker in zijn lichaam was om hem te doden. Onze positieve en
negatieve overtuigingen hebben niet alleen invloed op onze gezondheid,
maar op elk aspect van ons leven.
In 1952 gebruikte dr. Albert Mason, een Britse arts, hypnose om met
succes een zeer ernstig geval van wratten te behandelen, die het lichaam
van een 15-jarige jongen voor een groot deel bedekten. Mason was later
geschokt te horen dat de jongen in feite niet leed aan wratten, maar
aan een dodelijke genetische ziekte die congenitale ichthyosis wordt
genoemd. Hieruit blijkt dat het denken zelfs genetische programmering
kan opheffen. Mason probeerde een aantal andere ichthyosis-patiënten
te genezen, maar nooit met eenzelfde succes. Hij schreef dit toe aan
zijn eigen niet te onderdrukken twijfels aan het vermogen van hypnose
om – in tegenstelling tot gewone wratten – deze genetische
aandoening te genezen.
Volgens de kiemtheorie veroorzaken bacteriën en virussen ziekten.
Deze theorie werd in de 19de eeuw ontwikkeld en was aanvankelijk zeer
omstreden. Eén criticus was zozeer ervan overtuigd dat deze onjuist
was dat hij brutaalweg een glas water leegdronk dat Vibrio cholerae
bevatte, de bacteriën die cholera zouden veroorzaken. Tot ieders
verbazing was de overtuiging van de man zo sterk dat hij door de gevaarlijke
ziekteverwekker in het geheel niet werd getroffen! Een andere demonstratie
dat de stof door het denken kan worden beheerst is het vuurlopen: duizenden
mensen zijn erin geslaagd over hete kolen te lopen, terwijl degenen
die twijfelen brandwonden opdoen. Er zijn ook veel onverklaarbare gevallen
van terminale kankerpatiënten die herstellen door spontane remissies.
Lipton zegt dat gedachten
rechtstreeks beïnvloeden hoe de fysieke hersenen
de fysiologie van het lichaam besturen. Gedachte-energie kan de eiwitten
die de functies van de cel bepalen activeren of remmen . . . . Het
is een feit dat het onder controle brengen van de kracht van je geest
effectiever kan zijn dan de medicijnen waarvan je is geleerd
dat je ze nodig hebt. – blz. 135
Hij benadrukt dat hiervoor niet alleen positief denken nodig is, maar
ook het elimineren van de gewoonlijk negatieve en zelfondermijnende
denkpatronen van het onderbewustzijn.
Energie en geest
De ‘nieuwe biologie’ is in essentie nog steeds een materialistische
theorie, die erop gericht is om alles te verklaren in termen van fysieke
materie-energie. Hoewel Lipton zegt dat hij van een agnostische wetenschapper
is veranderd in ‘een uitgesproken mysticus die gelooft dat het
eeuwige leven het lichaam overstijgt’, blijft zijn interpretatie
van ‘geest’ en ‘onsterfelijkheid’ erg beperkt.
Zijn accepteren van het werkelijke bestaan van veel paranormale verschijnselen
is een stap in de goede richting:
Ontdekking na ontdekking inzake de mechanismen van
chemische signaalmoleculen . . . kunnen geen paranormale verschijnselen
verklaren. Spontane genezingen, occulte verschijnselen, verbazingwekkende
bewijzen van kracht en uithoudingsvermogen, het vermogen over hete
kolen te lopen zonder je voeten te branden, het vermogen van acupunctuur
om pijn te verlichten door de ‘chi’ in het lichaam te
laten stromen, en vele andere paranormale verschijnselen, tarten de
newtoniaanse biologie. – blz.
107
Hij zegt niet of hij het werkelijke bestaan accepteert van materialisaties
en dematerialisaties van voorwerpen en entiteiten, de projectie en manifestatie
van ‘astrale lichamen’, en vergelijkbare paranormale verschijnselen
die een veel grotere uitdaging voor het materialistische paradigma vormen.
Het grootste probleem is dat hij ‘geest’ en ‘denkvermogen’
gelijkstelt aan ‘energie’, maar hij lijkt slechts conventionele
vormen van energie te erkennen, zoals elektromagnetische energie (bijvoorbeeld
radiogolven, microgolven, zichtbaar licht, en straling met een zeer
lage frequentie) en akoestische energie. Hij beweert dat elektromagnetische
straling voldoende is als verklaring voor niet alleen het vouwen en
van vorm veranderen van eiwitten, maar ook voor genregulatie en morfogenese
(het proces waarbij cellen zich tot organen en weefsels vormen). Meer
radicale biologen zoals Rupert Sheldrake beweren daarentegen dat nog
niet erkende oorzakelijke factoren – zoals ‘morfische velden’
– nodig zijn om zulke verschijnselen te verklaren. Hetzelfde geldt
voor de instincten en het zelfbewuste denkvermogen.
Lipton spreekt echter over instinctieve gedragingen die worden doorgegeven
aan de nakomelingen ‘in de vorm van genetisch bepaalde instincten’
– maar er is geen degelijk bewijs dat DNA gewoonten codeert. Hij
beschouwt het denkvermogen als ‘immateriële energie’
gezeteld in de prefrontale hersenschors, en lijkt niet te geloven dat
het onafhankelijk van het lichaam kan bestaan. Hij onderschrijft de
conventionele darwinistische opvatting dat de evolutie van hogere zoogdieren
op een of andere manier zelfbewustzijn voortbracht, en verklaart dat
het receptor-effector-eiwitcomplex ‘de fundamentele eenheid van
gewaarzijn en intelligentie’ is, en negeert daarbij de mogelijkheid
dat het denkvermogen vanuit meer etherische niveaus van de werkelijkheid
door fysieke vormen en structuren werkt.
Daartegenover staat de theosofische of oude wijsheid-traditie die zegt
dat het bewustzijn niet op magische wijze door de stof wordt voortgebracht,
maar de ultieme basis van het heelal is; bewustzijn-leven-substantie
is een eeuwige en universele essentie die zich in oneindig veel graden
van dichtheid en in eindeloos gevarieerde vormen manifesteert. De fysieke
wereld is dus de buitenste schil van innerlijke werelden, die bestaan
uit subtielere graden van energie-substantie (astrale, mentale en spirituele),
die niet waarneembaar zijn voor onze normale zintuigen maar even stoffelijk
zijn voor de entiteiten die ze bewonen als onze eigen wereld voor ons.
Evenzo wordt het fysieke lichaam bezield en georganiseerd door innerlijke
‘lichamen’ – zoals een astraal modellichaam, een reïncarnerende
ziel of denkvermogen, en een spiritueel-goddelijk zelf of monade. Sterke
steun voor dit wereldbeeld wordt geleverd door een grote hoeveelheid
wetenschappelijk onderzoek op gebieden zoals fundamentele fysica, ‘nieuwe
energie’, psychische en bewustzijn-gerelateerde verschijnselen,
en herinneringen aan vorige levens. Voor adepten die over de nodige
occulte vermogens beschikken, zijn subtielere gebieden en lichamen zichtbare
en tastbare werkelijkheden.
Materialistische mystiek
Lipton zegt: ‘Wij zijn onsterfelijke spirituele wezens die los
van ons lichaam bestaan’ (blz. 204-5). Hoewel dit heel radicaal
en vooruitstrevend klinkt, blijkt dat wat hij in gedachten heeft veel
alledaagser te zijn dan het bestaan van een onsterfelijke ziel: ‘We
zijn sterfelijk en na ons overlijden . . . zullen onze stoffelijke resten
vergaan en naar de omgeving worden gerecycled’ (blz. 223). Dit
is niets anders dan de gewone materialistische interpretatie van ‘onsterfelijkheid’.
Lipton gaat echter een stap verder, want hij zegt dat zoals een televisietoestel
uitzendingen oppikt die door de lucht worden overgebracht, onze eigen
identiteit evenzo wordt voortgebracht door de informatie die aanwezig
is in de wereld om ons heen, die wordt gedownload door de receptoren
van onze cellen. Het feit dat patiënten die orgaantransplantaties
hebben ondergaan soms melding maken van gedrags- en psychische veranderingen
ziet hij als bewijs dat de ‘uitzending’, of het ‘zelf’
van een individu zelfs na de dood nog steeds aanwezig is. Bijvoorbeeld,
een conservatieve, gezondheid-bewuste Amerikaanse was verbaasd toen
ze na haar hart-longtransplantatie een voorliefde voor bier, kipnuggets
en motorfietsen ontwikkelde. Haar donor bleek een jonge enthousiaste
motorrijder te zijn geweest die van kipnuggets en bier hield. In een
ander geval kreeg een jong meisje na haar harttransplantatie nachtmerries
over een moord, en haar dromen waren zo levendig dat ze leidden tot
de aanhouding van de man die haar donor had vermoord.
Lipton biedt de volgende verklaring:
de getransplanteerde organen bevatten nog altijd
de oorspronkelijke identiteitsreceptoren van de donor en vangen kennelijk
nog altijd dezelfde informatie uit de omgeving op. Hoewel het lichaam
van degene die de organen doneerde dood is, gaat de uitzending van
die organen nog steeds door. –
blz. 213
Maar wat is de aard van deze ‘omgevingsinformatie’? Hoe
ontstaat ze en waar wordt ze opgeslagen? Lipton lijkt te zeggen dat
ze de vorm aanneemt van elektromagnetische straling in onze fysieke
omgeving! Hij voegt eraan toe dat ieder van ons slechts een smalle band
downloadt van het spectrum, dat in zijn totaliteit ‘God’
vormt.
Volgens de theosofie heeft elk fysiek object of elke entiteit, van
atoom tot mens tot melkwegstelsel, een meer etherische innerlijke constitutie
waarin herinneringen kunnen worden bewaard. Dit betekent dat als een
orgaan in een andere persoon wordt getransplanteerd, die persoon onder
bepaalde omstandigheden de herinneringen die ermee verbonden zijn kan
aftappen. Lipton verwerpt echter de gedachte van een ‘cellulair
geheugen’, omdat hij het bestaan van astrale lichamen of van niet-fysieke
vormen van energie-substantie van welke aard ook niet erkent.
Hij beweert dat cel- en orgaantransplantaties niet alleen een model
bieden voor ‘onsterfelijkheid’ maar ook voor reïncarnatie:
Denk eens aan de mogelijkheid dat een embryo in de
toekomst hetzelfde stel identiteitsreceptoren vertoont dat ik nu bezit.
Dan zou dat embryo afgestemd zijn op mijn ‘zelf’. Mijn
identiteit is terug, maar drukt zich via een ander lichaam uit. –
blz. 213-14
Hij gaat uit van het bestaan van een soort ‘technicus’
of ‘geest’ die zich in de omgeving bevindt; daarvan ontvangen
we informatie en daaraan geven we onze ervaringen door, zodat de manier
waarop we ons leven leiden ons huidige karakter beïnvloedt of dat
van iemand in de toekomst die dezelfde ‘informatie’ oppikt.
Deze wisselwerking, zegt hij, ‘komt overeen met het begrip karma’
(blz. 215)! Liptons bekrompen interpretatie van reïncarnatie en
karma is een zeer zwakke en vervormde afspiegeling van de leer die in
de echte mystieke tradities van het Oosten en het Westen te vinden is.
In plaats van een slecht omschreven ‘geest’, die op een
of andere manier elektromagnetische energie voortbrengt en misschien
zelfs daaruit bestaat, en waarvan de oorsprong, de plaats waar deze
zich bevindt en de bestemming door Lipton niet duidelijk worden gemaakt,
gaat de theosofie uit van een reeks innerlijke lichamen of zielen van
niet-fysieke graden van energie-substantie; de lagere vallen na de dood
uiteindelijk uiteen in de fysieke en astrale gebieden, terwijl onze
hogere aspecten veel langer voortbestaan. Al onze gedachten, daden en
ervaringen worden vastgelegd in deze verschillende bewustzijnsvoertuigen
of zielen, zoals alle gebeurtenissen een afdruk achterlaten in de innerlijke
gebieden; en karma verwijst naar de fundamentele tendens van de natuur
om het evenwicht te herstellen door op elke actie een passende reactie
te laten volgen, gericht op degene die voor de oorspronkelijke actie
verantwoordelijk was. Met andere woorden, we oogsten wat we zaaien.
Liptons afgeknotte, aardse soort mystiek sluit de geleidelijke evolutie
van dezelfde essentiële individualiteit van leven tot leven uit.
Volgens de wijsheidstraditie daarentegen keren reïncarnerende zielen
herhaaldelijk terug naar de aarde, waardoor we van onze fouten kunnen
leren en geleidelijk aan ons hogere potentieel kunnen ontvouwen. De
nieuwe astrale en fysieke lichamen door middel waarvan de ziel in elk
leven werkt bevatten veel van de atomen die in het verleden zijn gebruikt,
die het verslag van de vroegere persoonlijkheden met zich meedragen.
Op elk niveau van ons wezen zijn we precies wat we van onszelf hebben
gemaakt; we erven ons eigen verleden. Dat verleden is vaak min of meer
een last, maar we hebben altijd voldoende vrije wil om onszelf ten goede
te veranderen.
Fysieke erfelijkheid is niet eenvoudig een kwestie van genetisch determinisme,
waarbij onze genetische opbouw uiteindelijk het gevolg van toeval is.
Veeleer gaat het om een ziel die tot ouders wordt aangetrokken die het
fysieke lichaam en de omgeving kunnen verschaffen die het meest geschikt
zijn om in haar karmische behoeften te voorzien. Bovendien bevat fysiek
DNA slechts de code voor de eiwitten die de bouwstenen voor ons fysieke
lichaam vormen. Het bepaalt niet de bouw van ons lichaam, en evenmin
bepaalt het onze belangrijkste gewoonten en karaktertrekken –
deze weerspiegelen namelijk processen die in onze innerlijke astrale
en mentale voertuigen plaatsvinden.
Liptons houding ten opzichte van evolutie in het algemeen is eveneens
zeer beperkt. Hij stelt dat er meer samenwerking in de natuur is dan
het traditionele darwinisme toelaat, dat organismen ‘intelligent’
op hun omgeving reageren, en dat de overdracht van erfelijke eigenschappen
niet uitsluitend van DNA afhangt. Maar willekeurige mutaties, spanningen
vanuit de omgeving en epigenetische factoren zijn niet voldoende om
de ongelooflijke verscheidenheid en complexiteit van levensvormen op
aarde te verklaren, of hoe nieuwe typen volledig functionele organismen
de neiging hebben om ongelooflijk snel in de fossiele lagen te verschijnen.
Evenmin verklaren ze het ontstaan van zelfbewustzijn. Daarentegen biedt
de wijsheidstraditie een veel bredere visie, en stelt dat ‘herinneringen’
van de patronen en prototypen uit vroegere evolutiecyclussen de huidige
cyclus leiden en beïnvloeden, waarbij elke fysieke levensvorm een
voertuig is voor een zich ontwikkelend bewustzijnscentrum of monade.
Samengevat: Lipton brengt veel tekortkomingen van de orthodoxe biologie
en evolutietheorie aan het licht, en verschaft een goede samenvatting
van de nieuwste ontwikkelingen in de biologie. We zijn, zoals hij zegt,
‘geesten in stoffelijke vorm’ en moeten op een manier leven
‘die steun biedt aan iedereen en alles op deze planeet’.
Maar hoewel hij gelooft dat de nieuwe biologie een brug vormt tussen
wetenschap en geest, is de ‘spirituele’ visie die hij biedt
erg beperkt. Hij accepteert alleen het bestaan van erkende vormen van
fysieke materie-energie, en negeert het onderzoek dat wijst op het bestaan
van meer etherische gebieden achter en voorbij de fysieke wereld.
– David Pratt
Andere
artikelen over biologie