De werkingen van de natuur worden gekenmerkt door orde en harmonie.
De planeten bijvoorbeeld bewegen zich in regelmatige banen rond de
zon; water kookt altijd bij 100 graden Celsius op zeeniveau; uit appelpitten
komen altijd appelbomen voort en geen andere soort; elektronen hebben
altijd dezelfde elektrische lading. In een wereld waarin geen regelmaat
en orde heersen, zou alles geheel onvoorspelbaar zijn en het leven
zoals wij het kennen kon niet bestaan.
Deze regelmatigheden worden in het algemeen toegeschreven aan natuurwetten,
waarvan men veronderstelt dat ze eeuwig en transcendent zijn en in
zekere zin al vóór de geboorte van het stoffelijk heelal
bestonden. Volgens de christelijke theologie werden deze wetten door
God ontworpen en bestaan ze in zijn geest. Hoewel de materialistische
wetenschap het idee van God verwerpt, accepteert ze toch het bestaan
van onveranderlijke wetten. Hoe deze wetten onafhankelijk van het
zich ontwikkelende heelal kunnen bestaan en tegelijk erop inwerken,
is nogal mysterieus. Rupert Sheldrake zegt het volgende:
Ze beheersen stof en beweging, maar zijn zelf noch
materieel, noch in beweging . . . Zelfs bij afwezigheid van God
hebben ze veel van zijn traditionele kenmerken gemeen. Ze zijn alom
tegenwoordig, onveranderlijk, universeel en zichzelf onderhoudend.
Niets kan er voor hen verborgen blijven en niets ligt buiten hun
macht.1
Een variatie op het thema van onstoffelijke wetten is dat, in plaats
van eeuwig te zijn, er naarmate de natuur zich ontplooit, nieuwe wetten
ontstaan, die daarna universeel van toepassing zijn. Met andere woorden,
de schepping van het eerste atoom, de eerste zon, het eerste kristal,
eiwit, enz., brengt het spontaan verschijnen van relevante wetten
en regels met zich mee. Een heel andere zienswijze is dat de regelmatigheden
van de natuur meer op universele gewoonten lijken die in het evoluerende
heelal zijn ontstaan en dat een soort geheugen in de natuur inherent
is. Volgens Sheldrake’s hypothese van vormende oorzakelijkheid
wordt de stoffelijke wereld door morfische velden georganiseerd en
gecoördineerd; deze bevatten een ingebouwd geheugen en de patronen
van activiteit uit het verleden beïnvloeden die van nu door morfische
resonantie.
Sheldrake verklaart dat morfische velden noch een vorm van stof,
noch van energie zijn. Maar het is vreemd dat hij het idee verwerpt
dat onstoffelijke wetten op de stoffelijke wereld zouden kunnen inwerken,
maar wel suggereert dat de onstoffelijke morfische velden dat op de
een of andere manier wèl kunnen. Als morfische velden iets
zijn, moeten ze een niet-fysieke, meer etherische vorm van energie-substantie
zijn, een mogelijkheid die Sheldrake niet geheel uitsluit.2
Vanuit een theosofisch gezichtspunt zouden niet-materiële, vrij
zwevende wetten, die tijd en ruimte, stof en energie te boven gaan,
geen enkele invloed kunnen hebben op de stoffelijke wereld, en zijn
natuurwetten gewoonten, maar gewoonten van levende entiteiten. G.
de Purucker zegt het als volgt: ‘Dit woord wet is eenvoudig
een abstractie, een uitdrukking voor het handelen van entiteiten
in de natuur.’3 Binnen en achter
de stoffelijke wereld zijn er werelden of gebieden die uit fijnere
graden van stof bestaan, die alle worden bewoond door bepaalde entiteiten
in verschillende stadia van evolutionaire ontwikkeling. De hogere
entiteiten vormen collectief de ‘ziel’ van de natuur die
via de elementale natuurkrachten werkt.
Strikt genomen zijn er geen mechanisch werkende natuurwetten, omdat
er geen wetgevers zijn. De geestelijke entiteiten op hogere
niveaus regeren niet over de lagere werelden – dat
is een overblijfsel van het theologische idee van goddelijke interventie.
Net als de lichaamsfuncties zoals de spijsvertering, het kloppen van
het hart, de ademhaling en de groei normaal door onze automatische
wil worden geregeld, zo is de stoffelijke wereld het lichaam van hogere
werelden, en zijn de regelmatigheden van de natuur de instinctieve
gevolgen op dit gebied van de willen en energieën van entiteiten
die op innerlijke gebieden verblijven.
Sheldrake schrijft:
De gewoonten van de meeste soorten fysische, chemische
en biologische systemen bestaan al miljoenen, zelfs miljarden jaren.
Vandaar dat het merendeel van de systemen die natuurkundigen, chemici
en biologen bestuderen, langs zulke diep ingesleten groeven van
gewoonten gaan, dat ze wezenlijk onveranderlijk zijn. De systemen
gedragen zich alsof ze door eeuwige wetten worden geregeerd,
omdat de gewoonten zo goed zijn gevestigd.4
Dit zou ook van toepassing kunnen zijn op de wezenlijk onveranderlijke
wiskundige beginselen die de structuur beheersen van de hiërarchieën
van de werelden en gebieden, zichtbare en onzichtbare, die de universele
natuur vormen. Het getal tien bijvoorbeeld, werd door veel oude filosofen,
Pythagoras inbegrepen, beschouwd als het ‘volkomen getal’,
dat ten grondslag ligt aan de structuur van het heelal. Men kan van
een hiërarchie van werelden zeggen dat ze uit tien gebieden of
sferen bestaat, waarvan elk in tien subgebieden kan worden onderverdeeld.
Al deze gebieden doordringen elkaar, maar omdat ze bestaan uit energie-substanties
die met verschillende snelheden trillen, kan alleen het laagste, stoffelijke
gebied door onze lichamelijke zintuigen worden waargenomen.
Hoe hebben melkwegstelsels, sterren, planeten en de onvoorstelbare
verscheidenheid van levensvormen, die we op aarde aantreffen, kunnen
evolueren? Sheldrake wijst op drie verschillende manieren waarop men
de creativiteit van de natuur kan zien. Ze kan worden toegeschreven
(a) aan het blinde en doelloze toeval, (b) aan een scheppende kracht
die de natuur doordringt en te boven gaat, of (c) aan een creatieve
stuwkracht die inherent is aan de natuur. Hij zegt dat een uitspraak
over deze mogelijkheden alleen kan worden gedaan vanuit een metafysisch
standpunt en op grond van intuïtie.
Vanuit een theosofisch gezichtspunt is de eerste hypothese onaanvaardbaar,
aangezien het toeval geen enkele rol speelt in de natuur; toeval is
alleen een woord dat onze onwetendheid verbergt. Zoals de natuurkundige
D. Bohm en de wetenschappelijke schrijver F.D. Peat opmerken: ‘Wat
in het ene verband willekeur is, kan zich in een ander breder verband
openbaren als eenvoudige orders van noodzakelijkheid.’5
Volgens de tweede hypothese daalt de creativiteit af in de stoffelijke
wereld van ruimte en tijd vanuit een hoger, transcendent gebied dat
lijkt op geest. Terwijl de theosofie aanvaardt dat er hogere, oorzakelijke,
geestachtige gebieden bestaan achter de stoffelijke wereld, trekt
ze Sheldrake’s vermoeden in twijfel dat zulke rijken volkomen
onveranderlijk en ‘geheel tijdloos’ zouden moeten zijn.6
Alle gebieden werken op elkaar in en evolueren, hoewel de hogere gebieden
naar verhouding van meer blijvende aard zijn dan de lagere.
De derde hypothese zegt dat creativiteit
afhangt van toeval, strijd en noodzaak . . . Ze
is geworteld in de voortgaande processen van de natuur. Maar tegelijkertijd
komt ze voor binnen het kader van hogere systemen van orde. Nieuwe
soorten ontstaan bijvoorbeeld binnen de ecosystemen; nieuwe ecosystemen
binnen Gaia; Gaia binnen het zonnestelsel; het zonnestelsel binnen
de melkweg; de melkweg binnen de groeiende kosmos.7
Al speelt het blinde toeval geen rol in het theosofische stelsel,
creativiteit is wèl geworteld in de processen van de natuur
en is nauw verbonden met ‘hogere systemen van orde’, die
hogere gebieden en subgebieden omvatten. De creatieve kracht –
of liever krachten – waarop wordt gezinspeeld in hypothese
(b) bevinden zich in feite in deze hogere sferen en zijn de bron van
de creatieve stuwkracht waarop in hypothese (c) wordt gezinspeeld.
Sheldrake erkent niet het bestaan van hogere oorzakelijke werelden,
maar erkent wel het bestaan van een onstoffelijk gebied van verschillende
typen morfische velden. Maar wat is precies het verband tussen dit
gebied en de stoffelijke wereld? Een nieuw morfisch veld zou met het
eerste verschijnen van een nieuw systeem tot aanzijn komen, of dat
een molecule, een melkwegstelsel, een kristal of een plant is. Deze
nieuwe organisatiepatronen ontstaan door een spontane, creatieve sprong
en geven daarna leiding aan de ontwikkeling van volgende gelijksoortige
systemen en worden door herhaling in toenemende mate een gewoonte.
Maar,
er kunnen op ieder niveau van organisatie nieuwe
morfische velden ontstaan binnen en uit velden van hoger niveau.
Creativiteit werkt niet alleen opwaarts vanaf de bodem, waardoor
nieuwe vormen ontstaan vanuit minder ingewikkelde systemen door
spontane sprongen, ze werkt ook vanaf de top naar omlaag door de
creatieve activiteit van de velden op hoger niveau.8
Sheldrake suggereert dat alle morfische velden uiteindelijk kunnen
zijn ontstaan uit het oorspronkelijke veld van het heelal en acht
het mogelijk dat dit universele veld verband zou kunnen houden met
voorafgaande heelallen.
Velden spelen een fundamentele rol in de moderne wetenschap: men
zegt dat stof uit energie bestaat, die door velden wordt georganiseerd.
‘Velden’, zegt Sheldrake, ‘zijn in de plaats gekomen
van zielen als onzichtbare, organiserende beginselen.’9
Hij gaat zelfs zover dat hij het universele veld van de zwaartekracht
vergelijkt met het neoplatonische idee van de wereldziel. Hoewel dit
duidelijk een overdrijving is, aangezien de wereldziel iets veel hogers
en spirituelers is dan de velden die bij natuurkundigen bekend zijn,
kunnen de morfische gedrags- en mentale velden die door Sheldrake
worden geponeerd, worden beschouwd als velden van hoger niveau en
tonen enige gelijkenis met wat in het theosofisch denken de dierlijke
en de menselijke ziel worden genoemd. Praktisch alle religieuze en
mystieke tradities leren dat ons stoffelijk lichaam slechts het laagste
niveau van onze constitutie is, en dat er een hoger deel in ons is
dat de lichamelijke dood overleeft. Hoewel Sheldrake niet uitdrukkelijk
de mogelijkheid van overleving en reïncarnatie overweegt, is
er in zijn theorie niets dat ze uitsluit.
Het is belangwekkend dat hij betoogt dat morfische velden nooit helemaal
verdwijnen wanneer de soort of de entiteit die ze organiseren sterft:
Wanneer een bepaald georganiseerd systeem ophoudt
te bestaan, zoals wanneer een atoom zich splitst, een sneeuwvlok
smelt, een dier sterft, verdwijnt het organiserend veld ervan van
die plaats. Maar in een ander opzicht verdwijnen de morfische velden
niet: het zijn potentiële organiserende, beïnvloedende
patronen en kunnen weer op andere tijden en plaatsen in stoffelijke
vorm verschijnen, waar en wanneer de stoffelijke omstandigheden
er geschikt voor zijn. Wanneer ze dat doen bevatten ze in zich de
herinnering aan hun vorige stoffelijke bestaansperioden.10
Dit zou verklaren hoe het komt dat de kenmerken van voorouderlijke
soorten, zelfs als ze al miljoenen jaren zijn uitgestorven, plotseling
weer kunnen verschijnen, een verschijnsel dat bekend is als reversie,
atavisme of terugslag. Er zijn onder de in de hele wereld gevonden
fossielen ook veel voorbeelden die erop wijzen dat bepaalde evolutionaire
wegen worden herhaald: organismen met eigenschappen die bijna identiek
zijn aan vorige soorten, verschijnen steeds weer. Wanneer we deze
gedachte een stap verder doortrekken, is het dan niet denkbaar dat
dezelfde geïndividualiseerde ‘velden’ van hoger niveau
zich herhaaldelijk in stoffelijke vorm manifesteren en voor een lijn
van continuïteit zorgen tussen het ene leven of de ene belichaming
en de volgende?
De theosofie zegt dat alle entiteiten – atomen, dieren, mensen,
planeten, zonnen en heelallen – zich wederbelichamen, dat wil
zeggen, door cyclische perioden van activiteit en rust gaan, van openbaring
en ontbinding. Ze worden alle bezield door geestelijke monaden, die
de verschillende vormen gebruiken die door de diverse rijken van de
natuur worden geboden om evolutionaire ervaringen op te doen. Evolutie
is zonder een voorstelbaar begin en zonder een voorstelbaar einde.
Alles bestaat omdat het eerder heeft bestaan en geen ontwikkeling
of verworvenheid gaat ooit verloren, maar blijft afgedrukt op het
astrale licht of akasa dat als een soort geheugen van de natuur werkt.
H.P. Blavatsky zegt het als volgt: ‘de geestelijke oervormen
van alle dingen bestaan in de onstoffelijke wereld voordat deze dingen
zich op aarde materialiseren.’
Alles wat is, was en zal
zijn, IS eeuwig, zelfs de ontelbare
vormen, die alleen eindig en vergankelijk zijn in hun objectieve,
maar niet in hun ideële vorm. Ze bestonden als ideeën
in de eeuwigheid en wanneer ze heengaan, zullen ze als weerspiegelingen
blijven bestaan. Noch de vorm van de mens, noch die van een dier,
plant of steen is ooit geschapen, en pas op ons gebied
begon deze vorm te ‘worden’, d.w.z. zich te objectiveren
tot zijn huidige mate van stoffelijkheid, of zich van binnen
naar buiten uit te breiden, van de meest verfijnde en bovenzinnelijke
essentie tot zijn meest grove verschijning. Onze menselijke vormen
hebben daarom in de eeuwigheid bestaan als astrale of etherische
prototypen; . . .11
Met andere woorden, wanneer de evolutiecyclus op een bepaalde planeet
eindigt, blijven alle evolutionaire vormen en wegen als ‘weerspiegelingen’
afgedrukt op de hogere gebieden. Wanneer de volgende periode van activiteit
aanbreekt, zullen deze herinneringen of levenszaden weer worden gewekt
en geactiveerd, en verschaffen de prototypen en blauwdruk voor de
nieuwe evolutiecyclus. Alle dingen bouwen daarom voortdurend voort
op wat in het verleden werd bereikt; wij volgen de voetstappen van
wat eerder is geweest.
Er is nooit een tijd geweest dat er niets was. Ons westerse verstand
is geneigd om deze gedachte nogal afschrikwekkend te vinden en geeft
er de voorkeur aan om tenminste een absoluut begin aan te nemen, waarvoor
niets bestond en waarop het heelal uit niets tot aanzijn kwam. Maar
de gedachte dat iets wordt geschapen uit een letterlijk niets is een
onlogisch bedenksel: ‘de Occulte leer zegt, ‘Niets
wordt geschapen, maar het wordt slechts omgevormd. Niets kan
zich in dit heelal manifesteren – van een hemellichaam tot een
vage, snelle gedachte – wat niet al in het heelal aanwezig was;
. . .’’12 Het bestaan van
evolutieplannen en prototypen betekent echter in geen geval dat alles
onbuigzaam is voorbeschikt, want hoewel de hogere gebieden van de
werkelijkheid de lagere helpen te coördineren, behouden de lagere
gebieden een mate van autonomie en creatieve vrijheid en wijzigt het
plan zelf zich door iedere evolutiecyclus.
Over het onderwerp God schrijft Sheldrake:
een opvatting van de natuur zonder God moet een
creatief eenheidsbeginsel inhouden, dat de hele kosmos omvat en
de polariteiten en dualiteiten verenigt die in het hele natuurrijk
worden aangetroffen. Maar dat staat niet veraf van de opvatting
van de natuur met God.13
Hij wijst erop dat in plaats van de theïstische opvatting dat
God ver weg is en afgescheiden van de natuur, God ook zou kunnen worden
beschouwd als immanent in de natuur en toch tegelijk als de eenheid
die de natuur overstijgt. Hij haalt de vijftiende-eeuwse mysticus
Nicholas van Cusa aan: ‘De Godheid is het invouwen en ontvouwen
van al wat bestaat. De Godheid is in alle dingen en wel zo dat alle
dingen in de Godheid zijn.’14 Paulus
verkondigt een gelijksoortig pantheïstisch idee als hij zegt
dat de Godheid dat is waarin ‘wij leven, ons bewegen en zijn’
(Handelingen 17:28).
Het goddelijke kan zeker niet minder zijn dan onze meest verheven
voorstelling en moet daarom de oneindigheid zelf zijn. Maar als het
goddelijke oneindig is, kan het zich niet buiten de natuur
bevinden, anders zou er geen ruimte overblijven voor het heelal! Het
goddelijke is het heelal – niet alleen het stoffelijke
heelal, maar alle eindeloze hiërarchieën van werelden en
gebieden die het grenzeloze Al vullen en in feite vormen. Het goddelijke
is dus immanent, alomtegenwoordig en de wortel van alles. Omdat het
groter is dan elk van zijn individuele expressies, kan het ook worden
beschouwd als transcendent. Dit pantheïsme onderkent een universeel
leven dat alles zonder uitzondering vult en bezielt, dat alles bevat
en in alles is besloten. Sheldrake noemt dit panentheïsme,
aangezien hij pantheïsme omschrijft als de zienswijze dat het
goddelijke in alles immanent is, maar niet transcendent is. Maar dit
is een nogal willekeurige definitie.
De oneindigheid bestaat uit een oneindig aantal wereldsystemen en
binnen iedere hiërarchie van werelden kunnen alle entiteiten
die voorbij het stadium van de mens zijn gekomen, geestelijke wezens
of goden worden genoemd, wat wil zeggen wezens die betrekkelijk volmaakt
zijn vergeleken met onszelf. Het totaal van de meest gevorderde wezens
in elk systeem van werelden kan worden beschouwd als het goddelijke
voor die hiërarchie. Maar dit is niet God in de traditionele
betekenis, want geen god is zo hoog dat er geen hogere bestaat.
Alles in onze hiërarchie van werelden komt voort uit dezelfde
goddelijke bron en is voorbestemd om in de voleinding van de tijd
daarin terug te keren, om gedurende talloze aeonen te rusten voor
weer verder te gaan op een evolutionaire pelgrimstocht als deel van
nog hogere werelden. Evolutie is een fundamentele gewoonte van de
natuur en voltrekt zich in cyclische perioden van activiteit en rust,
in een nooiteindigende, altijd stijgende spiraal van vooruitgang,
waarin altijd nieuwe en grotere ervaringsgebieden bestaan om zelfbewuste
meesters van het leven te worden.
Verwijzingen
- R. Sheldrake, The Presence of the Past,
Vintage, 1989, blz. 12.
- Zie deel 1 van dit artikel, ‘Morfische velden
en het geheugen van de natuur’, Sunrise (41:6), nov/dec
1992, blz. 196.
- G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische
Filosofie, Theosophical University Press Agency, Den Haag,
1998, blz. 169.
- R. Sheldrake, The Rebirth of Nature, Bantam
Books, 1991, blz. 128-9.
- D. Bohm and F.D. Peat, Science, Order &
Creativity, Routledge, 1989, blz. 133.
- The Rebirth of Nature, blz. 194.
- Idem.
- Idem, blz. 195.
- Idem, blz. 83.
- The Presence of the Past, blz. xviii-xix.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:88,
309.
- Idem, 1:629.
- The Rebirth of Nature, blz. 196.
- Aangehaald in idem, blz. 198.