|
Verbeelding en fantasie
Wat is het essentiële en kenmerkende feit dat zinloze
fantasie scheidt van constructieve verbeelding? Ik geloof dat die twee
erg door elkaar lopen.
De grote Plato gebruikte deze twee woorden wanneer
hij over fantasie sprak en over het vermogen en de kracht van nous.
Het noëtisch vermogen, d.w.z. van nous, is dat wat ideeën en idealen
voortbrengt, dat waarheid ziet en daarom samenhangt met de structuur en
werkingen van het heelal. Fantasie daarentegen is het weerkaatste maanlicht
daarvan in ons kleine menselijke denken. Ik kan me bijvoorbeeld een trambaan
voorstellen van de aarde naar de maan, maar ik kan er niet een bouwen.
Dat is fantasie. Ik kan door alleen woorden te gebruiken, spreken over
een driehoek die een vierkant is, maar dat is onmogelijk, want een driehoek
heeft maar drie zijden; had hij er vier dan zou hij geen driehoek zijn.
Dat is fantasie. Maar als ik groot genoeg zou zijn, zou ik me wonderlijke
waarheden van het heelal kunnen voorstellen, ik zou ze kunnen zien, ik
zou ze kunnen voelen. Dat is de werking van het ware voorstellingsvermogen
in de mens, de waarheid zien; het is intuïtie.
Wat dient de mens als richtsnoer om fantasie
te vermijden en op de juiste manier de verbeelding te gebruiken?
Dat is erg moeilijk te beantwoorden. Het is het
oude, oude probleem. Ik wil graag een schitterend leven leiden, maar mijn
voeten struikelen voortdurend op het pad. Hoe moet ik lopen opdat mijn
pad veilig is? Wat is het moeilijk deze vraag voor iedereen te beantwoorden!
Als richtsnoer, zou ik daarom willen antwoorden, dient een aspiratie die
nooit verzwakt, een verlangen om de waarheid te kennen dat met minder
niet is te bevredigen, een hart dat vol liefde is en in sympathie voor
alle wezens klopt. Met andere woorden: word harmonisch. Probeer u af te
stemmen op het kosmische leven. Dat is het pad, en het is moeilijk. Maar
het is mogelijk en de grote meesters van het leven, die door theosofen
mahâtma’s worden genoemd, zijn degenen die erin slagen dit te doen. De
goden zijn er beter in geslaagd dan de mens en er zijn goden die maar
één stadium hoger dan de mens staan. De christenen noemen hen engelen.
Er zijn goden die nog hoger zijn dan die waarover ik zojuist sprak en
zij staan nog dichter bij het hart van het zijn, en de christenen noemen
deze aartsengelen en zo verder langs de levensladder. Dit is in het begin
een vermoeiende reis, dat is zo, en vol gevaren, maar ze leidt naar het
hart van het heelal en gaat gepaard met een luister die opbloeit tot een
onbeschrijflijke glorie. Geen vooroordelen, een vurig, doordringend intellect,
een verlangen naar een ongesluierd geestelijk inzicht: dit zijn enkele
van de sleutels die u veilig langs het pad leiden, zodat uw voeten daarop
niet zullen struikelen .
PANTHEÏSME EN UNIVERSEEL BEWUSTZIJN
Wat is het verschil tussen pantheïsme en het
theosofische idee van het universele bewustzijn?
Dat is een goede vraag. Het zou gemakkelijk te
verklaren zijn als iedereen filosofie had gestudeerd. Maar ik zal voor
hen voor wie filosofisch denken betrekkelijk onbekend of duister is, proberen
een antwoord te geven dat denk ik iedereen kan begrijpen. De gebruikelijke
opvatting van het pantheïsme, die in het westen heerst, is verward, is
vaag. Er is een algemene gedachte dat achter het heelal – let hierop –
dat achter het heelal zich een kosmische geest bevindt, die daarom onpersoonlijk
wordt geacht, maar die door alle dingen werkt als een allesdoordringend
leven of een allesdoordringende energie en dat zelfs deze ‘alle dingen’
delen zijn van de kosmische geest zelf. Dit is ongeveer wat het westerse
pantheïsme inhoudt, denk ik.
De theosofische opvatting van universeel bewustzijn-leven-substantie
is niet alleen dat zich achter het zevenvoudige of tienvoudige heelal
deze universele bewustzijn-leven-substantie bevindt, maar dat het heelal
zelf een gedeeltelijke manifestatie ervan is door middel van een bijna
oneindig aantal hiërarchieën. Dit betekent natuurlijk niet dat iedere
steen, ieder stukje hout of iedere bloem, enz., god, of een god is, maar
dat de essentiële substantie, de wereldstof, de geeststof, de bewustzijn-energie-substantie
daarin dezelfde is als in mij en in u en in feite overal en zich dus manifesteert
in ontelbare individuele vormen.
Het westerse pantheïsme is een grote stap vooruit naar
de theosofische gedachte, maar is een onvolmaakte stap. Hij gaat niet
ver genoeg. Het is één ding om te zeggen dat er een kosmische geest is
die alles doordringt en dat het heelal de belichaming is van deze kosmische
geest – wat allemaal waar is. Maar het is iets anders om zoals de theosofie
de gedachte geheel uit te werken en erop te wijzen dat dit kosmische leven
als het ware als het zonlicht is dat in ontelbare stralen uiteenvalt,
ontelbare menigten evoluerende wezens die samen de kosmische geest vormen,
hoewel de kosmische geest voortdurend boven hen zweeft en zelfs niet geheel
wordt omvat door het kosmische totaal van de ontelbare individuele manifestaties;
elk zo’n straal of manifestatie is niettemin in diepste wezen en in zijn
wortel die kosmische geest in zijn totaliteit. ‘Gij en het heelal zijn
één.’ Dit is een prachtige gedachte en vereist diep nadenken om de verbazingwekkend
suggestieve reikwijdte ervan te begrijpen.
Nu het volgende: de theosofische filosofie leert dat er
onzichtbare werelden en gebieden en sferen zijn waarvan onze stoffelijke
wereld, gebied of sfeer slechts het uiterlijke kleed is dat dus niet de
kosmische geest in zijn geheel kan omvatten. Het westerse pantheïsme heeft
van dit laatste geen of nauwelijks een idee. Het schijnt te denken dat
er een kosmische geest is die op een of andere manier – ik geloof niet
dat ik ooit heb gehoord dat men heeft geprobeerd het te verklaren – maar
die op een of andere wijze is verbonden met het grofstoffelijke heelal
en dat dit grofstoffelijke heelal op een of andere onverklaarbare manier
een deel is van de kosmische geest; dat is tot op zekere hoogte natuurlijk
waar.
Dat is niet de theosofische leer omdat ze onvolledig is
en als idee onvolmaakt. Dit stoffelijke heelal is slechts het kleed, het
uiterlijke stoffelijke kleed dat niettemin leeft, van een bewuste levensladder,
die zich naar binnen, steeds verder naar binnen en ook naar buiten uitstrekt,
want ruimte per se kent geen richtingen. We kunnen dus in gedachte
van het stoffelijke naar het astrale gaan, van het astrale naar gebieden
en sferen die nog etherischer zijn, van deze laatste naar andere nog etherischer,
vervolgens naar geestelijke gebieden, dan naar goddelijke gebieden en
sferen enz., ad infinitum, en bereiken nooit een einde, hoewel
we zien dat de levensladder min of meer regelmatig is verdeeld in afzonderlijke
gedeelten die we hiërarchieën noemen.
Het westerse pantheïsme heeft geen idee van de reikwijdte
van deze grootse gedachte, maar het is niettemin een stap in de richting
van de prachtige leer van de oude wijsheid, die nu theosofie wordt genoemd.
Theosofen zijn daarom echte pantheïsten, maar in een veel grootsere en
edeler zin dan de westerse gedachten inhouden. Theosofen zijn pantheïsten.
Voor hen leeft in wezen al wat bestaat. Maar alle dingen bestaan in velerlei
graden van evolutie. Het nietige atoom, korstmos op een steen, zeewier,
een plant, een bloem, een spons, de beginfasen van het zogenaamde dierenrijk,
klimmen door al hun verschillende orden en families op naar de mens; en,
volgens onze leringen, zijn er voorbij de mens andere wezens die langs
een eindeloze levensladder opklimmen, zowel binnenwaarts naar de geestelijke
gebieden als buitenwaarts naar de geestelijke gebieden.
Ik zou dus in het kort antwoorden dat het westerse pantheïsme
maar één klein facet is, één kleine stap, naar wat de theosofische leer
is. Niettemin is het uitstekend dat die stap is gezet.
DE BETEKENIS VAN DE TERM CHALDEEËRS
Doelden de oude Griekse en Latijnse schrijvers
werkelijk op de Chaldeeërs als bewoners van Chaldea, of had de term een
meer algemene betekenis?
De zogenaamde Sumeriërs en Akkadiërs waren feitelijk
de eerste immigranten uit India, die de Chaldeeërs en Babyloniërs werden
en later de Assyriërs.
De Chaldeeërs werden door de klassieke Griekse en Latijnse
schrijvers ingewijden genoemd. Dit vond zijn oorsprong in het feit dat
in Latijnse tijden en in mindere mate in latere Griekse tijden, de Latijnen
en Grieken de Mesopotamische landen, of de landen rondom de valleien van
de Eufraat en de Tigris, zagen als het thuisland van wijzen, zoals theosofen
tegenwoordig, terecht of ten onrechte, gewoonlijk ten onrechte, de Tibetanen
zien als een soort geestelijk ras, of als min of meer ontwikkelde wijzen,
wat volstrekt onjuist is.
Deze houding van de Grieken en Latijnen was zo opvallend
dat ze in de latere dagen van Rome en Griekenland, als ze het woord Chaldaios,
of Chaldeeër gebruikten, een astroloog bedoelden, of een geleerde of iemand
die naar men meende een geleerde was in de occulte filosofie. Het misbruik
van deze titel werd door oplichterij en bedrog in Rome echter zo groot
dat de latere Romeinse keizers bijzonder strenge maatregelen namen tegen
wat toen in het algemeen Chaldeeërs werd genoemd.
Maar vóór deze latere klassieke tijden waren er in Chaldea
en in Babylonië occulte scholen die in niet geringe mate hielpen de Grieken
en Romeinen onderricht te geven in de occulte filosofie en het was naar
die perioden dat de term Chaldeeër in de betekenis van geleerde oorspronkelijk
verwees.
Toen Griekenland en Rome nog ‘jong’ waren, d.w.z. vóór
ze de top van hun materiële leven en materiële invloed hadden bereikt,
waren er inderdaad in Chaldea en in Babylonië, en ook in Egypte, occulte
scholen van waaruit zendelingen naar het westen werden gestuurd en dat
was de reden dat de Grieken en Romeinen voortdurend naar het oosten uitzagen
voor licht. Dit verklaart ook dat later iedere bedrieger in Griekenland
en Rome zich baseerde op dat oorspronkelijke feit en zich een Chaldaios
noemde.
het oude amerika, egypte en india
In het voorwoord van een reeks artikelen
van dr. Alexander Wilder over de Egyptische dynastieën, gepubliceerd in
het oude Universal Brotherhood Path, komt de uitspraak voor ‘Egypte
is ouder dan India, en Amerika is ouder dan beide’. Dit voorwoord is ondertekend
door Katherine Tingley.
Deze uitspraak is, naar het schijnt, onverenigbaar
met de vele uitspraken die H.P.B. deed in zowel De Geheime Leer
als Isis Ontsluierd, die erop neerkomen dat India ouder is dan
Egypte en dat Egypte haar beschaving dankt aan India. Bijvoorbeeld het
volgende:
. . . Egypte zelf ontving, in die onbekende eeuwen
waarin Menes regeerde, haar wetten, haar maatschappelijke instellingen,
haar kunsten en haar wetenschappen van het vóórvedische India. – Isis
Ontsluierd, 1:753
. . . Egypte dankt haar beschaving, haar burgerlijke
instellingen en haar kunsten aan India. – Op. cit., 2:518
Egypte dankt haar beschaving, haar rijk en kunsten
– in het bijzonder de bouwkunst, aan het vóórvedische India. – Op.
cit., 2:522
Isis Ontsluierd bevat verschillende andere uitspraken
en De Geheime Leer, 2:471, zegt:
India en Egypte waren twee verwante naties
en de oostelijke Ethiopiërs (Egyptenaren) kwamen uit India, zoals naar
we hopen in Isis Ontsluierd redelijk goed is bewezen. (Deel 1,
blz. 729)
Ik heb horen zeggen dat bepaalde stammen van
Atlantis die, toen Atlantis begon te zinken de komende catastrofe voorzagen,
naar nieuwe landen trokken, en deze landen werden de Amerika’s, werden
Afrika, werden delen van Azië, en dat ze na verloop van tijd alle herinnering
aan hun geboorteland verloren en de stamvaders werden van de oude Amerikanen,
de Maya’s, de Inca’s van Peru en ook de archaïsche Egyptenaren, en
de allereerste Indo-Europeanen.
Vraag: Kunt u enig licht werpen op deze tegenstrijdigheden?
Is het mogelijk dat dr. Wilder dat voorwoord zelf schreef, zoals hij het
voorwoord schreef van Isis Ontsluierd, een voorwoord dat, zoals
wordt erkend, fouten bevat?
Nee, nee. De uitspraak daarin is van Katherine
Tingley en is juist. Amerika was, strikt gesproken, het vijfde continent
dat verscheen omstreeks de tijd dat het vasteland van het Atlantische
continentale stelsel begon te zinken. Maar eeuwen en eeuwen nadat het
eerste deel van de oorspronkelijke Amerika’s boven de wateren van de oceaan
was verrezen, bleven halfcontinenten, quasi-continenten, grote eilanden
van Atlantis nog bestaan. En niet zo heel lang, geologisch gesproken,
nadat de Amerika’s boven de wateren waren verrezen – en nog niet hun exacte
vorm van nu hadden – verschenen de eerste wortels van wat later Egypte
werd, ‘het geschenk van de Nijl’; iets later verscheen het grootste deel
van wat nu het hoogland van Azië wordt genoemd.
Er is absoluut geen tegenstrijdigheid tussen de uitspraken
en ik heb me er vaak over verbaasd waarom men kennelijk naar een tegenstrijdigheid
zoekt waar die niet bestaat. Is het niet mogelijk te begrijpen dat twee
uitspraken hetzelfde kunnen betekenen, maar worden gedaan omdat dezelfde
zaak vanuit twee verschillende hoeken wordt beschouwd? Het is volkomen
juist dat Amerika ouder is dan Egypte en dat Egypte ouder is dan wat nu
India wordt genoemd.
Wat nu India is werd eerst vanuit het noorden gekoloniseerd,
maar bijna tegelijk vanuit het zuiden: vanuit wat in oude tijden, eonen
geleden, Lankâ werd genoemd, het nu verdwenen land waarvan het meest noordelijke
hoogland Ceylon werd genoemd. Lankâ was een van de quasi-continenten waar
ik juist over sprak – ik bedoel het oude Lankâ uit het uitgestrekte stelsel
van Atlantis. De volkeren die het oude Lankâ bewoonden, waarvan Ceylon
[nu Sri Lanka] de meest noordelijke punt of een uitloper is, werden door
de Grieken mythologisch aangeduid als de ‘oosterse Ethiopiërs – wat niet
negers betekent maar oosterlingen, die ‘Ethiopiërs’ werden genoemd op
grond van hun donkere huidskleur – alsof de huid in hoge mate door de
zon was gebruind.
Het oorspronkelijke deel van India ontving dus ook kolonisten
uit het zuiden, van het overblijfsel van het oude Atlantische Lankâ, bewoond,
zoals u zich zult herinneren, door Râvana, de vijand van Râma, en door
Râvana’s legers van ‘apen’ en ‘halfmensen’. De gebruikelijke Sanskrietterm
voor de bewoners van het oude Lankâ was Râkshasa’s.
Voorafgaande aan de tijd waarin het Aziatische Atlantische
Lankâ zijn hoogtepunt van welvaart beleefde, bestond er in wat nu het
gebied van de Atlantische Oceaan wordt genoemd, een groot, uitgebreid
en hoogbeschaafd gebied dat, gedurende de eeuwen van Atlantis, de continentale
ruggegraat ervan vormde. Toen dit continent van Atlantis tenslotte uiteenviel
en verdween, met achterlating van grote en kleine eilanden – een toestand
die bestond nadat ook het oorspronkelijke Aziatische Lankâ was uiteengevallen
en verdwenen – trokken emigranten van deze overblijvende eilanden van
de Atlantische Oceaan oostwaarts en vestigden zich op nieuw land dat uit
de oceaan omhoog was gekomen ten oosten van deze overblijfselen van het
continent van Atlantis en deze nieuwe landen groeiden later aaneen – deze
nieuwe eilanden – en werden wat nu het gebied van het Ethiopisch hoogland
is en de landen iets ten noorden daarvan.
Met het verstrijken van de tijd volgden deze emigranten
van Atlantis, die zich naar het oosten in deze nieuwe landen hadden gevestigd,
de kusten van het oprijzende nieuwe land dat naar het noorden in de Atlantische
Oceaan voortdurend aangroeide; en deze vormden het eerste geslacht van
Atlantiërs dat in latere eeuwen de archaïsche of primitieve Egyptenaren
werden. Bedenk dat het Egypte uit de geschiedenis het ‘geschenk van de
Nijl’ is. De Nijl stroomt in noordelijke richting en in de loop van de
eeuwen heeft ze enorme hoeveelheden bezinksel in haar water meegevoerd
en dit voortdurend op de kust van de Atlantische Oceaan waarin de Nijl
stroomde, afgezet, zodat langzamerhand, in de loop van de eeuwen deze
afzettingen langs de Nijl zich steeds verder in de wateren van de Atlantische
Oceaan uitstrekten, omdat de rivier, in de loop van duizenden jaren, meer
en meer puin en grond bleef aanbrengen, in noordelijke richting met het
water meegevoerd en afkomstig van de bergen van het achterland, Ethiopië
en wat nu Nubië is en de andere daar liggende landen. De hele Nijldelta,
zoals de Grieken haar noemden, met andere woorden het Egypte van vroeger
en van nu, is letterlijk het geschenk van de Nijl.
Deze oorspronkelijke delta werd opnieuw gekoloniseerd
door volgende kolonisten uit een latere tijd vanuit het laatste overblijfsel
van Atlantis, door Plato ‘Poseidonis’ genoemd en dat ongeveer elf of twaalfduizend
jaar vóór zijn tijd bestond; want Poseidonis bestond toen nog in de Atlantische
Oceaan achter de Zuilen van Hercules; en dit Poseidonis was rond die tijd
een groot eiland, min of meer zo groot als het huidige Ierland. Deze Poseidoniërs
waren de nieuwe kolonisten in het Egypte van de delta en bouwden de Piramide
ongeveer zeventig- of tachtigduizend jaar geleden. U ziet dus dat deze
Egyptenaren van de tweede belangrijke immigratiegolf een veel latere immigratiegolf
uit Atlantis vormde dan de eerste waarover ik u heb verteld. De Poseidoniërs
waren bovendien al min of meer van gemengd bloed met de Indo-Europeanen
– het nieuwe ras dat al gedurende enkele eeuwen omlaag trok vanaf het
Aziatische plateau waar ze, als stammen uit Atlantis, een schuilplaats
hadden gevonden vanuit het Atlantische continent dat in doodsstrijd verkeerde.
Bedenk dat deze Indo-Europeanen, die van het Aziatische
plateau omlaag trokken, tot de oorspronkelijke emigratiegolf uit Atlantis
behoorden waarvan ik u vertelde, die oostwaarts trok naar de nieuwe landen
die uit de wateren van het toen verre oosten oprezen.
Nog weer later dan de tijd waarin Poseidonis verzonk,
wat ongeveer twaalfduizend jaar of meer geleden gebeurde, werd Egypte
opnieuw binnengevallen en gekoloniseerd door emigranten uit wat nu Zuid-India
is en die langs twee wegen Egypte binnentrokken. De eerste route was over
de Indische Oceaan naar Ethiopië en de landen rond die landstreek en vandaar
omlaag langs de Nijl, Egypte in, waarbij ze op hun tocht het land veroverden
en bezetten. De andere route was een landroute over wat nu de landengte
van Suez is. Deze laatste immigranten in Egypte vanuit Zuid-India, worden
in de Egyptische optekeningen aangeduid als de ‘zonen van Horus’, de zonnegod,
die uit het oosten kwam.
U ziet dus dat Egypte een eerste of oorspronkelijke immigratie
had van een stam uit Atlantis voordat het historische Egypte was gevormd
door de Nijl. Daarna kwam een tweede en veel latere emigratiegolf van
een gemengde Atlantische stam vanuit Poseidonis naar Egypte; die gemengde
stam vestigde zich ongeveer tachtig, negentig of honderdduizend jaar of
meer geleden in het historische Egypte. Nog weer later kwam een derde
immigratiegolf naar het historische Egypte, misschien acht of negenduizend
jaar of meer geleden en deze immigranten kwamen uit Zuid-India; en deze
laatste immigratie van Indiase stammen uit Zuid-India waren de ‘oosterse
Ethiopiërs’ die zich vermengden met de Atlantische Egyptenaren en zo de
samengestelde raciale stam voortbrachten die de geschiedenis, de opgetekende
geschiedenis, kent als de voortbrenger van de Egyptische dynastieën.
Amerika was dus het oudste continent; Egypte in zijn begintijd
was veel ouder dan India; daarna kwam India; maar ook Zuid-India zond
in latere tijd haar beschaving, haar kunsten, haar mysteriën, de leer
van haar grote mysteriescholen, naar Egypte. Deze laatste Zuid-Indiase
immigranten in Egypte waren zelf een gemengd volk, ten dele van vroeg
Indo-Europese afkomst, maar met een veel sterkere invloed van de oude
Atlantische bewoners van het toen al verzonken en bijna vergeten Atlantische
Lankâ.
beschavingen uit de prehistorie
Archeologen hebben geen overblijfselen van
ontwikkelde beschavingen gevonden ouder dan ongeveer 7000 jaar – niet
lang voor het begin van kaliyuga.
Er is positief bewijs van tientallen duizenden jaren daarvoor,
van een ‘primitieve’ leefwijze – stenen werktuigen, enz., – en negatieve
bewijzen daarvan – afwezigheid van aardewerk, metalen, gebouwen, enz.
H.P. Blavatsky zegt dat het ontbreken van vooruitgang
tijdens de immense periode van het stenen tijdperk het gevolg was van
het zware karma van Atlantis.
Was de mensheid als geheel inderdaad dierlijk
en wild tijdens het stenen tijdperk of bedriegt de schijn en bestond er
een hoge beschaving tijdens de 900.000 jaar sinds de vernietiging van
het vasteland van Atlantis, al ontbreekt het aan voorwerpen die we nu
voor een ‘beschaving’ essentieel achten?
Wreedheid en dierlijkheid beheersen de straten
van onze steden; en u vindt onder ons heel wat voorbeelden van de zogenaamde
mens uit het stenen tijdperk van de archeologen. Er bestaan nu mensen
van het stenen tijdperk, wilde en wrede stammen, die stenen gebruiken;
en ook zijn er nu zogenaamd beschaafde mensen. Daarom is mijn antwoord
nadrukkelijk dat er gedurende de laatste 900.000 jaar beslist hoge beschavingen
hebben bestaan. Gedurende de 900.000 jaar die de vraagsteller noemt, en
dat is niet de volledige tijd sinds de val van de beschaving van Atlantis,
maar zelfs binnen deze kleinere periode van 900.000 jaar, zijn er grote
beschavingen geweest op verschillende delen van de aardbol, die ontstonden,
die bloeiden, die het beste voortbrachten dat ze tot stand konden brengen
toen ze in hun volle kracht waren, en daarna in verval raakten; en er
is geen spoor van overgebleven dat nu als getuige kan dienen. Ons lot
zal precies hetzelfde zijn; maar terwijl deze schitterende beschavingen
in verschillende delen van de wereld bloeiden, waren er ook stenen-tijdperk-mensen,
zoals die er ook nu zijn.
Er zijn verschillende soorten beschavingsgolven die zich
over de aarde bewegen, zoals tijdens de Griekse en Romeinse rijken toen
over de hele wereld de beschaving op een tamelijk laag peil stond, gezien
vanuit het standpunt van louter mechanische prestaties, en in dat opzicht
niet zo hoog was als onze huidige beschaving, maar vanuit een edeler standpunt
hoger dan de beschaving nu is. Het wezen van beschaving is het in het
menselijk leven tot manifestatie brengen van de geestelijke en verstandelijke
eigenschappen en vermogens van mensen, of mensen auto’s en vliegtuigen
hebben of niet.
Als een mens denkt en de vruchten van zijn denken toont
in hoogstaande werken, in literatuur, in de mysteriën, in de religie,
in filosofie, in menselijke vriendelijkheid, dan is dat echte beschaving.
Het is beschaving van een hogere soort dan de onze. Ja, er zijn in het
verleden veel beschavingen geweest, schitterender zelfs dan de onze nu.
Wij hebben onze huidige cyclus van groei nog niet ten volle tot uitdrukking
gebracht, we hebben het hoogste punt nog niet bereikt. Maar dat hoogste
punt is niet veraf en dan is het onze beurt om in verval te raken – tenzij
de theosofische beweging in het hart van de mensheid in het algemeen een
groter verlangen naar geestelijke zaken kan wekken; tenzij onze geestelijke
beweging in het hart en de geest van de mens nieuwe perspectieven kan
openen – perspectieven van waarheid en werkelijkheid, zodat ze hem zal
uitheffen boven de moeilijkheden van de toekomst; en bovenal, tenzij ze
broederlijke welwillendheid, broederlijke liefde kan oproepen.
Ook in onze tijd ziet men ruwe mensen die in de straten
van onze grote steden lopen, typen en voorbeelden van die zuiver denkbeeldige
figuren die de fantasierijke archeologen afschilderen als de ‘oermens’,
of de ‘paleolithische mens’ of de ‘neolithische mens’, of de mens uit
het ‘stenen tijdperk’.
Enkele duizenden jaren vóór Griekenland dat opmerkelijke
stralende hoogtepunt bereikte dat zijn beschaving kenmerkte tijdens de
eeuw van Pericles: enkele duizenden jaren daarvoor bloeide er een beschaving
die de onze beschaamd zou doen staan, eigenlijk een reeks beschavingen
en ze bevonden zich in wat nu Perzië en West-Afghanistan is, en in landen
ten noorden en oosten daarvan, landen die nu kale en verlaten gebieden
zijn. Er bloeiden daar schitterende beschavingen. Er waren ook beschavingen
die met een volmaakt web van kleine en grote steden het gebied bedekten
waar zich nu de Gobivlakten bevinden – een verschrikkelijke woestenij
van zand en verlatenheid, maar waar zich toen talrijke welvarende kleine
en grote steden en dorpen bevonden. Het land kende een hoge beschaving.
Astronomische observatoria en chemische laboratoria kwamen evenveel voor
als bij ons. Wat is ervan over? Niets dan legenden, dromen uit het verleden,
enkele verspreide archeologische resten die volgens de gedegenereerde
bewoners van de Shamowoestijn nu de woonplaats van geesten zijn. Veel
plaatsen op aarde waren het toneel van eens schitterende beschavingen
waaraan nu zelfs geen herinnering is overgebleven.
de ouderdom van de grote piramiden
Wat is de werkelijke ouderdom van de grote
piramiden van het oude Egypte?
Ik zou zeggen dat de grote piramiden op zijn minst
drie zodiakale jaren, of 75.000 jaar oud zijn en misschien ouder, veel
ouder. Elke poging om zelfs bij benadering de ouderdom vast te stellen
hangt af van de geologie van de Nijldelta en dergelijke zaken, die zouden
dienen als tijdcontrole. De grote piramide van Cheops werd gebouwd in
de tijd van de tweede Atlantische immigratieperiode. Na de bouw van de
eerste grote piramiden werden in latere tijden veel andere piramiden gebouwd;
maar tussen deze twee perioden – de oorspronkelijke Atlantische immigratie
en de latere tijdperken – vond de grote immigratie plaats uit het oosten,
uit wat nu Zuid-India is, Ceylon [nu Sri-Lanka], en het andere deel van
het grote eiland waarvan Ceylon het enige overblijfsel is.
De piramide is een typisch Atlantisch bouwwerk; dat is
de reden dat men ze ook vindt in de Nieuwe Wereld, in Yucatan en Mexico;
de beginselen van de piramideconstructie werden naar die landen overgebracht
door Atlantische immigranten van de zinkende Atlantische eilanden.
SVABHÂVA EN DE MONADE
Is wat svabhâva betreft de gedachte juist
dat de verschillende klassen van monaden in alle rijken elk door bepaalde
verschillende typen zelfexpressie gaan – de ene klasse door bepaalde typen
en soorten in elk rijk, een andere klasse van monaden door andere? En
als iedere monade door alle typen moet gaan, van monade tot god, hoe ontwikkelt
deze dan de feitelijke kenmerken van zijn eigen svabhâva?
De svabhâva is de karakteristieke individualiteit
van een wezen of entiteit; de een heeft svabhâva X, een ander svabhâva
Y, weer een ander svabhâva Z, een vierde svabhâva Q, een vijfde svabhâva
P, enz., enz., en deze svabhâva’s zijn de opgeslagen schatten aan ervaringen
uit voorafgaande kosmische manvantara’s. Zo ook met mensen: ieder mens
heeft zijn eigen svabhâva en toch zijn alle mensen, elk door het hoogste
in hem, verbonden met de kosmische monade waarin allen hun oorsprong vonden
in de dageraad van de manvantarische manifestatie en in deze kosmische
monade zullen allen aan het einde van het manvantara weer worden opgenomen.
Wanneer deze individuele monaden bij de dageraad van een nieuw kosmisch
manvantara weer tevoorschijn komen voor een nieuwe levensperiode, doet
elk dat met zijn eigen schat aan verzamelde of vergaarde ervaringen uit
het huidige kosmische manvantara en elk heeft dan zijn eigen verbeterde
of ontwikkelde svabhâva of individuele eigenschappen – of individualiteit.
Deze menigten monaden die voortkomen uit de kosmische monade, d.w.z. uit
haar schoot, vormen zich dan tot de maalstroom, de onbegrijpelijk grote
aantallen, van wezens die gedifferentieerd en gemanifesteerd zijn en die
de verbazingwekkende en boeiende verscheidenheid en verschillen van het
toekomstige kosmische manvantara teweegbrengen; precies zoals de soorten
die zich nu om ons heen bevinden, zoals hierboven toegelicht, werden geboren
uit de ervaringen die tijdens het vorige kosmische manvantara werden opgedaan.
In de loop van de voortwentelende eeuwen van de eindeloze
tijd ontwikkelen de monaden zich dus langzaam en geleidelijk, of liever
ontwikkelen ze hun svabhâva of ‘karakter’ of individualiteit, steeds naar
hogere, edeler en verhevener typen, omdat de svabhâva of individualiteit
van elk groeit van het kleine naar het grotere, van het meer onvolmaakte
naar het meer volmaakte, maar altijd naar buiten brengt wat binnenin is
en niet groeit door van buitenaf iets toe te voegen.
Als we dus in gedachte dit prachtige beeld samenvatten,
zien we dat karma ieder individueel vonkje of druppeltje uit de oceaan
van de kosmische monade verplicht, in de wenteling van het levensrad door
de eindeloze tijd, alle mogelijke fasen van ervaring, zoals deze elkaar
in het kosmische manvantara opvolgen, mee te maken.
Nader bezien is het volstrekt onjuist zich voor te stellen
dat een individuele monade in een van haar evolutiestadia een klein deeltje
uit het delfstoffenrijk is, zoals hoornblende of kwarts of graniet
of wat ook, en in de loop van de tijd langzaam misschien een atoom wordt
in het vlees van een dier, om tenslotte, als een afzonderlijke entiteit,
de monade te worden van een Humboldt of van een Newton of van een Dante
of van een Vergilius. Hier wordt de aandacht ten onrechte gericht op de
monade als een entiteit die gescheiden is of ‘los’ staat van de kosmische
monade, volgens de materialistische opvatting van de wetenschap van vijftig
jaar geleden toen H.P.B. schreef; en dit is heel misleidend. De waarheid
is dat de individuele monade door elk van de natuurrijken gaat en die
helpt vormen, dat ze zich hoe langer hoe meer individualiseert omdat haar
eigen innerlijke svabhâva die uit haar innerlijk stroomt zich steeds meer
tot uitdrukking brengt en dat tenslotte in deze ontwikkeling van binnenuit
naar omhoog het stadium wordt bereikt, waarin de monade in voldoende mate
haar innerlijke en tot dan latente geestelijke, verstandelijke en psychische
vermogens tot uitdrukking kan brengen, en dan in het mensenrijk een Humboldt
of een Newton of een Dante, enz., voortbrengt.
De juiste manier om de leer te verwoorden is dus: de monade,
die zich met andere in elk natuurrijk tot uitdrukking brengt of door deze
verschillende fasen van haar lange evolutionaire pelgrimstocht heen gaat,
ontplooit in ieder stadium, van binnenuit, in steeds toenemende mate,
haar krachten en vermogens en eigenschappen die latent in haar svabhâva
aanwezig zijn.
REÏNCARNATIE EN HET VROEGE CHRISTENDOM
De leer van reïncarnatie werd in de voorchristelijke
tijd algemeen onderwezen en geaccepteerd, maar werd verworpen tijdens
de begindagen van het christendom. Kunt u me zeggen waarom dat gebeurde
en wanneer?
Het werd niet langer geloofd en aangenomen
omdat de christelijke theologie, in de eerste drie of vier of vijf eeuwen
van haar ontwikkeling, tot de ontdekking kwam dat de leer van wederbelichaming,
met haar bijbehorende leer van rechtvaardige, innerlijke vergelding en
compensatie, niet harmonieerde met haar eigen ideeën over verlossing door
‘het bloed van het lam’, naast berouw, ongeacht hoe zwart de zonden van
iemand misschien ook zijn. De leer raakte daarom geleidelijk in vergetelheid
en mensen gingen daarna denken dat ze konden worden ‘verlost’ door te
geloven in Jezus als de ‘enige zoon van God, die door de almachtige God
in de wereld was gezonden om voor onze zonden te sterven; en, als we in
Hem geloven en berouw hebben, zullen we het eeuwige leven deelachtig worden,
omdat we in Zijn bloed zullen zijn gewassen’ – dat wil zeggen, onze ziel,
naar ik veronderstel!
De leer, in de vorm van een voorbestaan zoals die door
de grote kerkvader Origenes werd onderricht, werd formeel anathema verklaard
en veroordeeld op de ‘Huis-Synode’ – wat een andere term is voor een klein
concilie – die onder de kerkvoogd Mennas in Constantinopel werd gehouden
op een tijdstip door de huidige geleerden vastgesteld tussen 538 en 543
(men is niet zeker van het juiste jaar), in verband met de theologische
en andere geschilpunten over de leringen van Origenes, de grote Alexandrijnse
kerkvader, die de christelijke kerk bijna tweehonderd jaar lang, of nog
langer, hadden gekweld. Deze speciale geschilpunten worden de ‘Origenistische
strijd’ genoemd. In de leringen van Origenes lag de gedachte besloten
dat het hele heelal leeft, dat zelfs de sterren levende schepselen zijn
en zielen hebben en daarom zijn betrokken bij morele verantwoordelijkheden;
en verder dat belichaamde zielen zowel een voorbestaan als een nabestaan
moeten hebben, vóór dit leven en na de dood, en dat daarom zielen verantwoordelijk
zijn voor hun gevoelens, gedachten en daden.
Zoals zojuist gezegd was dit een van de leringen van Origenes,
die op de Huis-Synode onder de kerkvoogd Mennas, formeel werd veroordeeld,
anathema en ketters verklaard; en toen dit verbod en deze veroordeling
werden herhaald en bevestigd op het Vijfde Algemene Concilie, ook in Constantinopel
gehouden in 553 onder keizer Justinianus en de sterke arm van de kerk
het anathema kracht bijzette, gesteund door de even sterke arm van de
staat, werd de leer van voorbestaan en van wederbelichaming eerst als
ketterij in diskrediet gebracht en raakte ze tenslotte na korte tijd in
vergetelheid.
Men kan niet zeggen dat de volledige theosofische leer
van reïncarnatie, dat wil zeggen de technische leer zoals wij die nu brengen,
op deze twee concilies van Constantinopel werd veroordeeld en anathema
verklaard: het was de speciale vorm van de stelling die Origenes uiteenzette
in zijn leer van voorbestaan en van morele verantwoordelijkheid die daaruit
voortvloeit, die werd verboden en ketters verklaard. Zijn leer is in veel
opzichten gelijk aan onze volledige leer van reïncarnatie; maar het is
niet precies de theosofische leer, omdat de vorm van Origenes onvolledig
en dus onvolmaakt is. Maak niet de fout dit subtiele onderscheid te negeren
want, doet men dat, dan zal men op een dag misschien door een slimme haarklover
worden betrapt, en in verwarring raken over wat per slot van rekening
slechts woorden zijn. Origenes onderwees ongetwijfeld zijn eigen vorm
van de leer van voorbestaan, namelijk dat de ziel voor de geboorte heeft
geleefd, en dat ze telkens weer zal bestaan en zich in verschillende volkeren
van de wereld zal belichamen, en dus, zoals hij zei, de ene keer een Egyptenaar
zal zijn, een andere keer een Jood, enz. Maar Origenes onderwees de leer
vanuit zijn eigen bijzondere of liever individuele standpunt, en probeerde
haar te verbinden met halfgeformuleerde theologische leringen. Vandaar
dat hij niet de volledige, complete leer van reïncarnatie onderwees zoals
wij dat nu doen.
Als we dus zonder meer zeggen, zonder verder voorbehoud,
dat de twee concilies die in Constantinopel in 538-543 en in 553 werden
gehouden, de theosofische leer van reïncarnatie veroordeelde, en anathema
en ketters verklaarde, is dat riskant omdat het in de eerste plaats onvolledig
en dus onjuist is en in de tweede plaats niet correct want alleen de vorm
die Origenes eraan gaf, werd veroordeeld. Deze vorm is gedeeltelijk juist,
laten we zeggen driekwart is juist, maar toch niet correct uiteengezet.
Het lijdt geen twijfel dat de volledige theosofische leer
van wederbelichaming veroordeeld zou zijn en met nog meer kracht en afschuw
anathema zou zijn verklaard dan de omklede vorm die Origenes eraan gaf.
Tenslotte zou ik hieraan willen toevoegen, als een bewijs dat de geestelijke
krachten in de wereld voortdurend aan het werk zijn, dat ongeveer in de
tijd waarop deze twee concilies de leer van Origenes over voorbestaan
en wederbelichaming veroordeelden, een nieuwe en veel geestelijker stroom
van theologisch onderricht, gebaseerd op neoplatonische en neopythagorische
leringen op ruime schaal ingang vond in de christelijke kerk van toen.
Deze nieuwe stroming kreeg zijn gekristalliseerde en literaire vorm in
de geschriften van de Pseudo-Dionysius, de Areopagiet, beïnvloedde de
hele latere christelijke theologie enorm en wijzigde en vergeestelijkte
haar in hoge mate.
Is er iets opgetekend waaruit blijkt dat Jezus
zelf de leer van reïncarnatie onderrichtte?
Ik geloof niet dat er iets is opgetekend behalve
in de evangeliën zelf, in vage toespelingen van zuiver mystieke aard,
zoals de vraag van Nicodemus; en ook nog de uitspraak: ‘Dit is Elias die
zou komen’; en men moet niet vergeten dat de Farizeeërs van Judea uit
de tijd waarin Jezus zou zijn verschenen de leer van reïncarnatie, in
een of andere vorm, heel goed kenden en accepteerden. Ze was toen evenals
in de wereld van vandaag algemeen bekend en aanvaard, zelfs in veel ruimere
mate dan nu. Men zou, denk ik, verbaasd zijn te ontdekken hoe algemeen
de leer in onze tijd vanzelfsprekend wordt gevonden. Ze wordt niet langer
beschouwd als een vreemde of eigenaardige leer. Ze zit ‘in de lucht’.
Tienduizenden mensen aanvaarden haar openlijk en grote aantallen anderen
aanvaarden haar stilzwijgend, maar praten er niet over omdat ze haar niet
begrijpen; en zo was het ook onder de Farizeeërs en anderen.
Hoe zit het met de aan Jezus gestelde vraag:
‘Wie heeft gezondigd, deze mens of zijn ouders, dat hij blind werd geboren?’
Ja, er zijn vier of vijf van zulke toespelingen,
maar geen rechtstreekse en specifieke uitspraken. Maar als de vraag luidt:
‘Onderwees Jezus Christus reïncarnatie? dan is het juiste antwoord: ik
ben er volkomen van overtuigd dat hij dat deed, want het was zo’n veel
voorkomende leer en in zijn tijd door de beste denkers zo algemeen aanvaard
dat, als hij haar niet op zijn minst accepteerde, hij zou zijn beschouwd
als iemand met een gering inzicht en misschien met geringe ontwikkeling.
Maar er bestaat absoluut geen authentieke optekening dat hij haar verkondigde.
De evangeliën zelf zijn geschreven door mannen die zo’n vijftig tot tweehonderdenvijftig
jaar na de dood van Jezus leefden.
Reïncarnatie was ook een van de meest voorkomende leringen
in het Romeinse Rijk, dat praktisch de hele toenmalige beschaafde Europese
wereld omvatte, buiten Parthië en het oosten. Het Romeinse Rijk omvatte
praktisch geheel Klein-Azië, Egypte, Italië, Griekenland, Gallië, Spanje,
een deel van Duitsland, het grootste deel van Brittannië en gedeelten
van Ierland. Alle Germaanse volkeren geloofden erin; alle Keltische volkeren
accepteerden haar als vanzelfsprekend. Het was een van de Druïdische leringen.
Het behoorde als ‘geestelijke bagage’ tot de intellectuele opvattingen
van die tijd.
de drie logoi
Ik raak in theosofische literatuur vaak in verwarring
door het gebruik van de term logos of logoi die op verschillende plaatsen
op verschillende manieren schijnt te worden gebruikt. Kunt u die kwestie
ophelderen?
Logos is een Grieks woord dat in oorsprong ‘rede’
betekent en tenslotte ook ‘woord’ ging betekenen. Waarom? Omdat wanneer
iemand een ander toespreekt, dit een uiting is van de rede; rede of gedachte
wordt tussen mensen overgebracht door middel van woorden; en uitgaande
van deze eenvoudige gedachte pasten bepaalde filosofische scholen in Griekenland
haar toe als beeldspraak, als een beeld op kosmische processen en zeiden:
Eerst was er de goddelijke rede, de goddelijke gedachte, die, om het leven
en de intelligentie daarin over te brengen een voertuig nodig had, een
woord nodig had om zichzelf tot uitdrukking te brengen. En het woord of
het voertuig werd voortgebracht door het functioneren van de rede, precies
zoals de menselijke spraak wordt voortgebracht door het functioneren van
de menselijke rede, het menselijke denken.
Er zijn natuurlijk vele logoi. Elk gebied heeft zijn eigen
drie logoi: de ongemanifesteerde, de gedeeltelijk of quasi-gemanifesteerde,
de gemanifesteerde; ook genoemd: de eerste, tweede en derde logos. Waarom
is dat zo? Omdat de werkingen en functies en de structuur van de natuur
zich op alle gebieden herhalen – wat in het hoogste is, is in het laagste
en vice versa; of om het anders te zeggen, omdat het gehele heelal
is opgebouwd uit en in hiërarchieën die zich op de verschillende gebieden
herhalen. Daarom heeft elke hiërarchie, met andere woorden elk gebied
zijn eerste logos, zijn tweede logos en zijn derde.
U ziet hoe eenvoudig deze gedachte is; en er is geen reden
in verwarring te raken als men in De Geheime Leer of in andere
geschriften verschillende uitspraken over de logoi of over de derde logos
of de tweede of de eerste ziet. Onderzoek eerst en bepaal dan over welke
hiërarchie of welk gebied wordt gesproken. Daarom zette ik in Beginselen
de eerste en tweede en derde logos op plaatsen ten opzichte van andere,
die volkomen juist zijn, maar onjuist als men deze betrekkelijke posities
overbracht naar het kosmische heelal, want in het kosmische heelal is
mahat de derde logos zoals ook in de mens; âtman de eerste logos, buddhi
de tweede logos, manas, het woord, de rede, de tot uitdrukking gebrachte
rede, de rede die het leven van haar voortbrenger aan anderen doorgeeft
– de derde logos of manas.
De leer is inderdaad heel eenvoudig. Schrik niet van woorden
en denk niet dat er mysteries zijn waar ze niet zijn. Er zijn mysteries
genoeg, zeg ik u, zonder te proberen nieuwe te vinden en dat doen we allemaal!
Zoek eerst uit over welke logos wordt gesproken, op welk gebied wordt
gedoeld; stel daarna andere feiten erover vast; en uw weg wordt zo duidelijk
als u zich maar kunt wensen. U zult geen enkele moeilijkheid ondervinden.
Iedere hiërarchie, dat betekent ieder gebied, heeft zijn eigen drie logoi:
de eerste of hoogste, de ongemanifesteerde voor die hiërarchie of dat
gebied, de hyparxis, zo u wilt; zijn bekleedsel of kroost of uiting, de
tweede logos; het kind of kroost of bekleedsel daarvan, de derde logos.
tegen medische inenting
Wat is het theosofische standpunt inzake
medische inentingen van mensen als preventieve maatregel tegen besmettelijke
ziekten? Is ze ervoor of ertegen en zo ja, waarom?
Al lijdt het geen twijfel dat een injectie met
een virus of zogenaamde antitoxinen uit menselijke en dierlijke lichamen
in de aderen van een ander mens haar uitwerking kan, of inderdaad zal
hebben, men ziet niettemin te vaak over het hoofd dat de injectie met
vreemde giften, vaak van weerzinwekkende oorsprong, in de menselijke bloedstroom,
een ander en onvermijdelijk resultaat moet hebben en dat is het verzwakken
van het normale actieve weerstandsvermogen van het lichaam en van de instinctmatige
productie door het lichaam zelf van stoffen die in een normaal geval worden
geproduceerd om het lichaam te beschermen tegen het binnendringen van
buitenaf, hetzij van ziektekiemen of op een andere manier; en zelfs als
er sprake zou zijn van binnendringing, hun gif te neutraliseren.
Mensen worden maar al te vaak meegesleept – en met verontschuldigingen
aan de vakmensen, medici in het bijzonder – door het besef dat een nieuwe
antitoxine is ontdekt dat, als het lichaam van de mens ermee wordt ingeënt,
naar men hoopt zal verhinderen dat een ziekte zich verspreidt; en daarom
gebeurt het vaak dat mensen die geen teken van de ziekte vertonen worden
ingeënt, eenvoudig als een preventieve maatregel.
Ik wil in verband met deze vraag geen occulte of esoterische
redenen aanroeren, want deze redenen zouden de meeste mensen niet aanspreken
en zouden hen door hun verblindheid en onnadenkendheid misschien zelfs
innemen tegen de theosofie, en tegen theosofen die, volgens hen niet meer
zijn dan ‘zonderlingen’ of ‘halve krankzinnigen’. De zaak moet op zijn
eigen merites worden beoordeeld. De medische annalen vermelden maar al
te veel gevallen waarin een of andere rage werd gevolgd en eerst werd
bejubeld als een godsgeschenk, terwijl later werd ontdekt dat het een
vloek uit de hel was! Het is helaas het kortzichtige standpunt dat gewoonlijk
zegeviert.
Ik wil erop wijzen dat niemand een ziekte oploopt, welke
ook, tenzij de kiemen van die ziekte al in het lichaam zitten en daar
zijn als gevolg van een aanleg voor die ziekte, en deze aanleg zelf is
het gevolg van karmische oorzaken. Het inenten van een overigens gezond
mens met die aanleg met het antitoxine-virus van een of andere afschuwelijke
ziekte, verzwakt niet alleen het lichaam van deze overigens gezonde mens,
maar zal op grond van deze verzwakking zijn lichaam vatbaar maken voor
het krijgen van de latent aanwezige ziekte, ondanks de pogingen van het
lichaam er als bescherming op te reageren; en voorts zal het, vanwege
de verzwakking van het lichaam, dit lichaam ook vatbaar maken voor het
mogelijk binnendringen van andere ziekten.
Ik ben ervan overtuigd dat door middel van striktere hygiënische
en preventieve maatregelen een wijzere toekomstige medische wetenschap
haar pogingen in hoofdzaak zal richten op het uitroeien van ziekten die
zowel mensen als dieren kwellen. Het injecteren van een virus uit ongelukkige
en zieke dieren of uit het lichaam van mensen die lijden aan een afschuwelijke
ziekte, in de bloedstroom van kennelijk gezonde mensen, in de hoop hen
immuun te maken tegen het oplopen van zulke ziekten, heeft op zichzelf
iets bijzonder weerzinwekkends. Plantaardige giften zijn onvergelijkelijk
veel minder gevaarlijk voor het menselijk lichaam als ze op de juiste
manier worden gebruikt als preventief middel, al is het natuurlijk waar
dat sommige plantaardige giften even noodlottig zijn als welke ook.
Samenvattend kan ik daarom zeggen dat ik er absoluut op
tegen ben de bloedstroom van mensen te vergiftigen met een of ander antitoxinevirus
uit het zieke lichaam van mens of dier. Het feit alleen dat dit ingaat
tegen de krachtige stroming in het huidige medische denken is voor mij
van geen enkel belang. De medische wetenschap, zoals alle andere wetenschappen,
verandert zo snel dat de meningen van nu, hoe luid ook wijd en zijd verkondigd,
de afgedankte theorieën van een volgende eeuw worden. De juiste manier
van handelen is daarom, naar het mij toeschijnt, alle natuurlijke, zuivere,
gezonde en normale preventieve maatregelen te nemen, zowel individueel
als op collectief gebied, in het bijzonder sanitaire en hygiënische maatregelen,
en gepaste en behoorlijke aandacht te schenken aan lichaamsbeweging, voeding
en persoonlijke reinheid in allerlei opzichten. Loopt men dan een ziekte
op, dan wordt het een plicht om te proberen de ziekte te genezen op iedere
zuivere en gezonde manier die maar mogelijk is en dat is een volkomen
juiste handelwijze. Volgens mij is het bijzonder twijfelachtig of het,
in welk geval ook, goed of verstandig is mensen voor dat doel in te enten
met een walgelijk virus uit het zieke lichaam van mens of dier. Ik ben
ervan overtuigd dat zo’n inenting tien ergere duivels met zich meebrengt
dan de ziekte zelf.
de aard van het kwaad en de vrije wil in
de mens
In welk opzicht verschilde de stoïcijnse
leer van die van de theosofie over (1) de aard van het kwaad, (2) de vrije
wil in de mens?
We moeten bedenken dat de stoïcijnse filosofie,
inderdaad een groots stelsel van kosmisch denken, slecht wordt begrepen
door de mens van nu die is opgevoed in de christelijke theologische denkwijzen.
De stoïcijnen hadden praktisch dezelfde fundamentele of esoterische leer
als de platonisten en ‘de aard van het kwaad’ is dus ongeveer wat ik heb
uitgelegd in mijn antwoorden op vroegere vragen. Kwaad is onvolmaaktheid,
is onvoldoende evolutie, en dus betrekkelijk; want wat mensen ‘goed’ zouden
noemen, zouden de goden die boven ons staan in feite ‘kwaad’ kunnen noemen
vergeleken met hun eigen supergoedheid.
Het kan worden geïllustreerd aan de hand van licht: er
is zwak licht, licht van matige sterkte en verblindend licht. De wezens
die in het matige licht leven zullen zeggen dat het zwakke licht kwaad
is. Aan de andere kant zullen de wezens die in het verblindende licht
leven zeggen dat het matige licht kwaad is. De aard van het kwaad, zoals
onderwezen in de stoïcijnse filosofie, of in het platonisme, of ook in
de moderne theosofie, is dus eenvoudig onvolmaaktheid. Ieder wezen dat
onvoldoende is geevolueerd om het goddelijke uit zichzelf tevoorschijn
te brengen, althans enigermate, kan ‘kwaad’ worden genoemd vergeleken
met wezens die veel verder zijn ontwikkeld en die dus veel volmaakter
zijn.
Nu iets over de stoïcijnse leer betreffende ‘de vrije
wil in de mens’. Deze stoïcijnse leer is precies dezelfde als een deel
van de theosofische leer over hetzelfde onderwerp; en onthoud alstublieft
dat de kern van het platonisme of het stoïcisme identiek is met de kern
van de theosofie. Maar helaas, deze esoterische kern is door de moderne
mens nooit begrepen als gevolg van zijn christelijke vooroordelen. De
vrije wil in de mens komt voort uit het feit dat de mens een kind is van
het heelal, goddelijk, geestelijk, verstandelijk, psychisch, astraal en
fysiek, zowel als moreel. Daarom komt de vrije wil van de mens voort uit
het hart van zijn wezen, wat hetzelfde is als het hart van het heelal
waarvan hij een kind is, omdat het heelal het grote geheel is; daarom
moet het deel alles hebben wat het grote geheel heeft. U ziet hoe prachtig
deze gedachte werkt: de mens heeft een vrije wil omdat hij van dezelfde
essentie of substantie is als het geestelijke heelal dat vrije wil is
of heeft. Omgekeerd kunnen we aantonen dat er vrije wil is in het heelal
omdat de mens die zelf heeft, omdat de mens een deel is van het geheel
– en het onvoorstelbaar is dat een deel iets kan bezitten dat het geheel
niet heeft.
plato over twee wereldzielen
Wilt u zo goed zijn te verklaren wat Plato
bedoelde met de veel omstreden passage in de Wetten, waarin hij
verwijst naar twee wereldzielen, de een de schepper van het goede, de
ander van het kwade. De passage luidt als volgt:
Athenion: En omdat de ziel alle dingen regelt
en bewoont die bewegen, hoe ze ook bewegen, moeten we dan niet zeggen
dat ze ook de hemelen regelt?
Clenias: Natuurlijk.
Athenion: Eén ziel of meer? Meer
dan één – ik zal voor u antwoorden; in ieder geval moeten we niet veronderstellen
dat er minder dan twee zijn, één de schepper van het goede, de ander van
het kwade. – Wetten, x, 896
In samenhang met de rest van de
filosofie van Plato, waarin voortdurend wordt verwezen naar goddelijke
wezens in het heelal, wordt de verklaring van deze passage onmiddellijk
duidelijk: d.w.z. er bestaat een geestelijk heelal en wat wij in onze
tijd een stoffelijk heelal noemen, en die twee werken natuurlijk samen
en staan onder de algemene leiding of macht van de wereldgeest, die streeft
naar en werkt voor het ‘goede’, terwijl het andere dat deel van de wereld
of het heelal is dat bestaat uit lagere of minder ontwikkelde wezens,
en daarom vergeleken met de hogere wereldziel collectief de schepper van
onvolmaaktheid kan worden genoemd of wat men nu het ‘kwade’ noemt.
Ik zal het antwoord met andere woorden herhalen. Het heelal
is een enorm grote samengestelde hiërarchie of kosmische familie die bestaat
uit wezens in allerlei graden of stadia van evolutie, vanaf de hiërarch
of de allerhoogste goddelijke top van de hiërarchie, tot aan de meest
stoffelijke wezens die de hiërarchie vormen; en deze laatste zijn natuurlijk
de minst ontwikkelde van alle entiteiten in de hiërarchie en vormen daarom
de stoffelijke wereld. De hiërarch of geestelijke entiteit van de hiërarchie
is daarom de bron van alle wetten, orde, liefde, vrede, harmonie, schoonheid,
mededogen, medelijden en werkzame intelligentie in de hiërarchie; en alle
lagere wezens in deze hiërarchie ontlenen wat ze aan harmonie en schoonheid
en vrede, enz., bezitten, aan hun hoogste chef, de hiërarch.
Er zijn dus wat Plato, om woorden te besparen, heel kort
twee ‘zielen’ noemt – één de schepper van het goede en één de schepper
van het kwade; d.w.z. één de oorsprong van wetten en schoonheid en harmonie
en de ander het grote stoffelijke aspect van het leven, dat, omdat het
stoffelijk is, onvolmaakt is ontwikkeld en daarom abstract de ‘schepper
van het kwade’ kan worden genoemd.
Maar let op. Zo’n hiërarchie is slechts één van een ontelbaar
aantal andere soortgelijke hiërarchieën, verspreid over de oneindige gebieden
van het grenzeloze zijn; er zijn dus letterlijk een oneindig aantal ‘wereldzielen’.
Ik wijs enigszins omstandig op dit feit opdat mijn antwoord niet de schijn
wekt op het denkbeeld van een ‘verheven persoonlijke god’ te slaan.
Dit is dus de werkelijke betekenis van de passage van
Plato die u aanhaalt en die voor christenen bijzonder moeilijk is te begrijpen
op grond van hun opvoeding en hun neiging om christelijke denkpatronen
te volgen. Plato was natuurlijk een polytheïst of iemand die gelooft in
een heelal vol godheden en wezens lager dan het goddelijke, die een kosmische
familie vormen, zoals ook theosofen leren. Feitelijk was Plato een theosoof.
het mysterie van de pratyekaboeddha
Over de uitspraak, aangehaald in ‘The Mystery
of the Pratyeka-Buddha’ (Lucifer, augustus 1934), dat het pad van
de pratyekaboeddha ‘in zekere zin een edel pad . . . maar niettemin in
wezen een zelfzuchtig pad is, enz.’, vraagt een briefschrijver of het
pad van de pratyekaboeddha, dat zowel edel als zelfzuchtig is, in feite
niet een derde of middenweg vormt – een ‘grijs pad’ bij wijze van spreken,
dat ligt tussen het volstrekt zelfzuchtige pad van de zwarte magiër
en het volstrekt onzelfzuchtige witte pad van een boeddha van mededogen.
In antwoord op deze vraag kan worden opgemerkt
dat het, louter gemakshalve, mogelijk is over het pad van de pratyekaboeddha’s
te spreken als een derde pad, of wat de vraagsteller een ‘grijs pad’ noemt,
dat ligt tussen het zwarte pad van de zwarte magiër en het witte pad van
de boeddha van mededogen; maar zo’n onderscheid is eerder willekeurig
en voor het gemak dan in overeenstemming met de natuur. Het feit alleen
al dat de pratyekaboeddha’s een soort boeddha’s zijn, toont aan dat hun
pad een ‘wit pad’ is, om de beeldspraak te volgen die de vraagsteller
gebruikte. Maar het is een wit pad dat niettemin een negatief of passief
pad is, in plaats van een daadwerkelijk meedogend en weldadig wit pad,
wat de boeddha’s van mededogen volgen.
We kennen dus het pad van de stof dat omlaaggaat en wordt
gevolgd door de broeders van de schaduw of de zwarte magiërs; we kennen
ook het witte pad dat omhooggaat. In het midden, bij wijze van spreken,
van dit witte pad vinden we de boeddha’s van mededogen die standvastig
voorwaarts gaan, maar niettemin uit vrije wil en uit mededogen in aanraking
blijven met en hulp bieden aan alle wezens die na hen komen en kunnen
worden geholpen: de boeddha’s van mededogen treden dus op als wereldleiders
en wereldgidsen en doen dat vrijwillig en uit mededogen; terwijl we aan
weerszijden, bij wijze van spreken, van hetzelfde witte pad die personen
vinden die, met het oog gericht op het luisterrijke visioen vóór hen,
daardoor worden verblind en als het ware het lijden vergeten van de duizenden
miljoenen wezens die na hen komen.
Deze pratyekaboeddha’s gaan dus vooruit langs het witte
pad, doen niemand enig kwaad, maar worden volledig in beslag genomen door
hun eigen ‘verlossing’ zoals de christenen het uitdrukken. Ze zullen tenslotte
hun bestemming bereiken waar ze eonenlang zullen rusten. Intussen zal
de hoofdstroom van de evolutie, geleid door de boeddha’s van mededogen,
hen inhalen, zodat, als de pratyekaboeddha’s tenslotte ontwaken voor hun
nieuwe periode van evolutie, ze zullen ontdekken dat ze achteraan komen,
zij het nog steeds op het witte pad. Bedenk dat de pratyekaboeddha’s niet
werkelijk slecht zijn, integendeel. Ze zijn zelfs een negatieve of passieve
soort geestelijke invloed in de wereld; maar toch is hun koers er een
die we terecht en naar waarheid kunnen omschrijven als een soort geestelijke
zelfzucht, maar niet een slecht soort zelfzucht zoals het pad van de zwarte
broeders. De pratyeka’s moeten een zuiver leven leiden, hun geest voortdurend
gericht houden op het hemelse visioen vóór zich en niemand kwaad berokkenen;
maar hun hele aandacht is geconcentreerd op hun eigen ‘verlossing’ en
ze vorderen zonder zich bewust te zijn van de ontelbare miljoenen achter
hen die lijden en voortstrompelen.
Dit is prachtig en bondig door H.P.B. verwoord in De
Stem van de Stilte:
Het ruwe pad van het viervoudige dhyâna
leidt slingerend omhoog. Hij die de verheven top beklimt, is in drie opzichten
groot.
Over de hoogten van de pâramitâ’s leidt een nog steiler
pad.
Deze pâramitâ-hoogten zijn de hoogten waarop de
boeddha’s van mededogen hun blik richten, want hun pad is nog steiler
en leidt naar hoogten veel verhevener dan door de pratyekaboeddha’s worden
bereikt.
Deze laatsten zijn dus vegetatief of passief goed, in
plaats van actief goed zoals de boeddha’s van mededogen. Het verschil
is ongeveer zoals we dat vaak tussen twee mensen aantreffen, beiden tamelijk
goed, beiden willen ze over het algemeen het goede doen, maar een van
de twee wil goed doen omdat zijn hart diep door medelijden wordt bewogen
en gaat dus op weg om anderen goed te doen; de andere van de twee droomt
er alleen van goed te doen, maar is toch meer geïnteresseerd in zijn eigen
vooruitgang en de dingen die met zijn eigen voortgang te maken hebben.
De eerste luistert naar elke kreet om hulp en geeft gehoor aan de instincten
en de stem van medelijden; de laatste hoort die kreten wel of niet, maar
wordt zo in beslag genomen door wat hij zichzelf ten doel stelt, de eigen
vooruitgang en vorderingen, dat hij de eerste opdracht van de natuur –
helpen waar hulp nodig is – vergeet en er tenslotte, uit gewoonte, op
zelfzuchtige wijze blind voor wordt.
het noordpoolcontinent
In De Geheime Leer (2:453) vinden
we de volgende uitspraak:
Als wij de leer dus goed begrijpen, strekte het
eerste continent dat tot bestaan kwam, zich als één onafgebroken korst
uit over de hele noordpool en bleef daar tot in deze tijd, voorbij die
binnenzee die aan de weinige poolreizigers die haar hebben waargenomen,
een onbereikbare luchtspiegeling toescheen.
Op blz. 451, noot 3, wordt dezelfde uitspraak
gedaan, gevolgd door:
Alle centrale continenten en landen zullen afwisselend
en herhaaldelijk van de zeebodem oprijzen, maar dit land zal nooit veranderen.
Deze uitspraken schijnen rechtstreeks in strijd
te zijn met de ontdekkingen die in de afgelopen jaren door admiraal Byrd
en anderen zijn gedaan. Onlangs zei de admiraal in een artikel dat er
zich een poolzee bevindt boven de noordpool die circa 10.000 voet diep
is en een continentaal plateau boven de zuidpool, ongeveer 10.000 voet
boven zeeniveau.
Hoe kunnen deze twee uitspraken met elkaar in
overeenstemming worden gebracht?
We moeten nooit vergeten dat het H.P. Blavatsky
in veel gevallen niet was toegestaan alles wat ze wist bekend te maken,
maar alleen uitspraken kon doen die voldoende waren om de intuïtie van
haar leerlingen te wekken en om hen nieuwe wegen van onderzoek te doen
inslaan. Let wel dat ze de uitspraak die het eerst door de vraagsteller
wordt aangehaald begint met het woord als. ‘Als wij de leer dus
goed begrijpen . . .’ Zoals Shakespeare zegt, heeft het woord als
veel verdienste!
We moeten bedenken dat de ontdekkingen van Peary en Byrd
(de laatste voor een groot deel gebaseerd op de ontdekkingen van Peary,
althans wat conclusies betreft) hoewel ogenschijnlijk nauwkeurig genoeg,
nadere bevestiging nodig hebben. Verder, dat volgens de leringen van de
esoterische filosofie, het stoffelijke landmassief rond de noordpool mystiek
het heilige onvergankelijke land wordt genoemd, dat niet fundamenteel
verandert vanaf het begin van een manvantara – een ronde – tot haar einde.
Dit betekent in het geheel niet dat dit landmassief onaangeroerd blijft
door en immuun is voor de natuurlijke eeuwig werkzame krachten die over
de hele aardbol heersen. Integendeel, de poolgebieden zijn, evengoed als
andere gebieden, onderhevig aan veranderingen van verschillende aard,
kleinere verzakkingen, kleinere verheffingen. Op deze manier vinden er,
net als in andere gebieden, voortdurend wijzigingen plaats in de zogenaamde
topografie van het oceanische landmassief dat de noordpool in alle richtingen
omringt.
De betekenis hiervan moet voldoende duidelijk zijn. Het
continentale massief van de noordpool is, van het begin van de ronde tot
haar einde, nooit onderhevig aan de volledige en continentale opheffingen
en verzinkingen die alle andere landmassieven ondergaan tijdens de lange
perioden waaruit een ronde bestaat. Het tweede of Hyperboreïsche continent
en Lemurië, Atlantis en ons eigen vijfde continent zijn òf al verdwenen
òf zullen in de toekomst verdwijnen. De woelige wateren van de oceaan
rollen nu, of zullen rollen, waar eens die archaïsche landmassieven bestonden
of, in het geval van ons tegenwoordige continentale stelsel, nog bestaan.
Hier ligt het verschil tussen al die continentale gebieden, uit het verleden
of van de toekomst – elk het continentale stelsel van een wortelras, uit
het verleden of van de toekomst – en het heilige ‘onvergankelijke’ landstelsel
dat de noordpool omringt.
Het land van de noordpool is, zoals hierboven gezegd,
onderhevig aan dezelfde eeuwige topografische vormveranderingen als andere
delen van de aarde, maar die zijn geringer van aard: kleine delen verzinken,
andere kleine delen verheffen zich. Het geografische centrum van de aarde
aan de noordpool kan zich op zekere tijd wel of niet onder water bevinden,
maar daaromheen bevindt zich nog steeds hetzelfde zich enigszins wijzigende,
enigszins veranderende continentale stelsel dat in het ene tijdperk meer
water dan land en in een ander meer land dan water te zien geeft, maar
dat, als continentaal stelsel, nooit die enorme en universele verzinkingen
meemaakt waaraan alle andere delen van het oppervlak van de aarde tijdens
het cyclische verloop van de eeuwen zijn onderworpen – de twee ‘einden
van de aarde’ uitgezonderd. Dezelfde algemene opmerkingen gelden voor
de zuidpool.
Dit is dus de verklaring van wat ten onrechte een raadsel
werd genoemd, alleen omdat bepaalde uitspraken te letterlijk zijn opgevat
en de kwestie niet voldoende is bestudeerd. Neem een hypothetisch geval,
dichter bij de equator. Zo’n geval zou zich in werkelijkheid nooit kunnen
voordoen, maar het illustreert waar het mij om gaat. Neem het Australische
massief: Australië, Tasmanië, Nieuw-Zeeland en de omringende archipel.
Veronderstel dat dit continentale stelsel nooit volledig verzinkt, maar
niettemin is onderworpen aan kleinere of gedeeltelijke rampen die de topografische
vorm van het massief geheel veranderen. Het verdwijnt nooit als geheel,
maar zijn vorm wijzigt zich voortdurend als gevolg van de veroveringen
van de zee op bepaalde plaatsen en de verheffingen boven de zee van tot
dan toe verzonken delen van het grote continentale gebied. Dit kan niet
gebeuren, zoals gezegd, behalve aan de polen, en het is precies wat daar
wel is gebeurd en zal blijven gebeuren tot het einde van het huidige
ronde-manvantara. Hoewel het in het begin een aaneengesloten stelsel of
massief was, verandert het noordelijke continent door de eeuwen heen maar
verdwijnt nooit volledig. Het is onderhevig aan voortdurende wijzigingen
in zijn topografie, als gevolg van het verzinken en verrijzen van delen
ervan. Het feitelijke geografische centrum aan de pool kan boven of onder
water zijn, maar het omringende stelsel van eilanden, grote en kleine,
schiereilanden, enz., blijft bestaan, ondanks alle kleinere veranderingen,
vanaf het begin van het ronde-manvantara tot haar einde. Nooit vindt het
als geheel een graf in de golven in de onpeilbare diepten van de oceaanbodem.
HET SCHRIJVEN VAN DE VIER EVANGELIËN
Wat is er bekend over het tijdstip
waarop de evangeliën van het Nieuwe Testament werden geschreven?
Er is niets definitief bekend over de exacte
tijd waarop de vier evangeliën van het Nieuwe Testament oorspronkelijk
werden geschreven. De eerste drie worden door christenen de ‘synoptische
evangeliën’ genoemd, naar een Grieks woord dat ‘samen zien’ betekent;
de gedachte daarachter was dat ze een veel op elkaar lijkend algemeen
beeld geven van de beweerde voorvallen in het leven van Jezus – wat niet
het geval is. Niemand, zelfs niet de meest bekwame christelijke of sceptische
geleerden, weet wanneer een van de vier evangeliën werd geschreven, al
hebben christelijke apologeten geprobeerd voorlopige data vast te stellen.
Sceptische geleerden aan de andere kant, die niet onder invloed staan
van de christelijke denkwijze of -richting, zijn praktisch tot dezelfde
conclusie gekomen, of tot dezelfde gedachte, dat al deze evangeliën in
Alexandrië werden geschreven, vermoedelijk tussen de eerste en derde eeuw
van de christelijke jaartelling. Deze zelfde geleerden zijn vrijwel dezelfde
mening toegedaan dat geen enkele van de evangeliën werd geschreven door
de apostel van wie het de naam draagt: Mattheus schreef niet Mattheus,
Lucas schreef niet Lucas, Marcus schreef niet Marcus en
ook Johannes schreef niet Het evangelie naar Johannes; en ze zeggen
dat dit blijkt uit het feit dat de titels van deze vier Griekse evangeliën
luiden ‘Het evangelie naar’ – het Griekse woord is kata,
dat ‘volgens’ of ‘naar de opvatting van’ betekent.
Algemeen wordt verondersteld, tenminste verondersteld
door een groot aantal onafhankelijk denkende geleerden, dat Het evangelie
naar Mattheus het oudste van de vier evangeliën is – maar sommigen
zeggen dat van Marcus. De meeste geleerden denken dat de vier evangeliën,
omdat er naast sterke overeenkomsten ook sterke verschillen en zelfs tegenstrijdigheden
bestaan, door verschillende mensen, in verschillende tijden in de eerste
drie eeuwen van de christelijke jaartelling, mogelijk de eerste twee,
werden geschreven; d.w.z. De evangeliën naar Mattheus en Marcus werden
geschreven naar het patroon van een oorspronkelijk en quasi-mystiek ouder
geschrift, genaamd ‘Het evangelie naar de Hebreeërs’, waarvan echter geen
spoor is overgebleven.
Men zou hieraan kunnen toevoegen dat het vierde evangelie,
Het evangelie naar Johannes, vooral in zijn eerste alinea’s, er
sterk van getuigt te zijn geschreven door een christen die tot het platonische
denken neigde.
Hoe (d.w.z. volgens welke methode) werden de
huidige boeken van het Nieuwe Testament gekozen uit een groot aantal andere
en als ‘het woord van God’ verkondigd?
Ook dit is een moeilijke vraag om te beantwoorden,
omdat de meningen zo sterk verschillen. Oudere orthodoxe christenen, vooral
de geestelijken onder hen, zeggen dat elk evangelie werd geschreven door
de apostel van wie het de naam draagt; maar geleerden hebben dit nu volstrekt
verworpen en weerlegd. De vier ‘canonieke’ boeken of de evangeliën die
nu worden geaccepteerd als de orthodoxe, zijn de vier die het meest succesvol
de tijd hebben overleefd van de buitengewoon kritieke en verbitterde geschillen
onder de christelijke sekten tijdens de eerste eeuwen van de christelijke
jaartelling – in de tijd van wat de vroeg-christelijke kerk wordt genoemd.
Niemand weet waarom nu juist deze vier zijn bewaard gebleven – maar men
heeft er wel veel gissingen naar gedaan.
Er zijn veel andere ‘evangeliën’ die nog bestaan en die
worden nu ‘apocrief’ genoemd, wat in de moderne betekenis wil zeggen evangeliën
van twijfelachtige echtheid, of die zijn afgewezen; sommige vertakkingen
van de christelijke kerk staan toe dat ze uit belangstelling worden gelezen
of ter stichting maar niet als leerstuk. De meeste van deze apocriefe
evangeliën – een twintigtal of meer, geloof ik – zijn in het Engels vertaald
door Hone, een Engelsman. Er moet worden gezegd dat de apocriefe evangeliën
alle veel minder gematigd zijn wat inhoud betreft, veel minder terughoudend
in het verhaal, veel meer wonderen bevatten dan de huidige zogenaamde
vier canonieke evangeliën.
Er is een oud verhaal, dat waarschijnlijk vijftienhonderd
jaar of meer teruggaat tot de eerste eeuwen van de christelijke kerk,
en is opgetekend door een onbetekenende schrijver, Pappus geheten, die
een eigenaardig en interessant verhaal vertelt over het feit dat in een
kerk, tijdens een van de concilies, veel evangeliën waren verzameld; en
omdat de christelijke theologen – bisschoppen en anderen – die daar bijeenwaren
niet konden beslissen welke ‘het woord van God’ bevatten, werden alle
evangeliën een nacht lang in het koor of het heilige der heiligen van
genoemde kerk geplaatst – de deuren werden gesloten en ieder ging heen.
In de ochtend, zo luidt het verhaal, werden alle evangeliën, behalve de
vier nu geaccepteerde, op de grond aangetroffen; deze vier lagen op het
altaar en werden geacht daar door de engelen van God te zijn geplaatst
en moesten daarom als de canonieke geschriften worden aanvaard. Dit verhaal
heeft natuurlijk geen enkel gezag en wordt algemeen door de christenen
verworpen. Waarschijnlijk werden de huidige boeken van het Nieuwe Testament,
waartoe ook behoren de Handelingen, de Brieven, enz., tenslotte
uitgekozen of orthodox geacht na veel getwist en gediscussieer in de eerste
eeuwen van de christelijke kerk. Dit is het enig mogelijke antwoord dat
kan worden gegeven, want de geschiedenis zwijgt over het onderwerp.
suggestie en autosuggestie
Dat hypnotisme gevaarlijk is weet ik maar
al te goed; is autosuggestie even slecht? Ik heb begrepen dat dat zo is
– maar dan moet Christian Science een heel gevaarlijk geloof zijn!
Autosuggestie kan voor edele doeleinden worden
gebruikt en voor lage, wat volstrekt duidelijk moet zijn. Autosuggestie
betekent eenvoudig zichzelf gedachten en dus daden suggereren; en is het
niet duidelijk dat men op dezelfde manier waarop men kan denken over edele
dingen en heiligheid, kan denken over zondigen of laagheid? Het hangt
ervan af wat voor soort suggestie het is, heilig of onheilig.
Wat Christian Science betreft, dit is slechts het geloof
van een moderne vereniging van ‘ontkenners’, met een filosofie, als we
die naam eraan mogen geven, die, al bevat ze veel goede elementen, wat
te verwachten is, niettemin volgens mij noch werkelijk christelijk, noch
werkelijk wetenschappelijk is. Het is een soort idealistische leer die
erop neerkomt dat materie niet bestaat en dat alleen het lagere bewustzijn,
dat zij de ‘sterfelijke geest’ noemen, het kwaad in de wereld voortbrengt
– een stelling die, op die manier botweg uitgesproken, vermoedelijk niemand
zal ontkennen; met als enige uitzondering dat theosofen beweren dat materie
en het kwaad wel ‘bestaan’, anders hoefden ze niet te worden ontkend.
De stof noch het kwaad zijn in absolute zin aanwezig, maar ze bestaan
wel. Met andere woorden, het is wat theosofen mâyâ noemen of de bedrieglijke
aard van het bestaande stoffelijke heelal. Zowel theosofen als christian
scientists zijn het echter eens over de duidelijke stelling dat het goede
harmonie is en het kwade disharmonie, en dat het onze heilige plicht is
te proberen ons te verbinden met de geestelijke elementen in ons en te
weigeren ons onder de heerschappij van de onedele elementen van ons wezen
te plaatsen.
In antwoord op het eerste deel van de vraag zou ik erop
willen wijzen dat hypnotisme bijzonder gevaarlijk kan zijn en dat psychische
beïnvloeding, vooral in de vorm van suggestie, niet alleen bijzonder gevaarlijk
is als onwetenden erin liefhebberen, maar ook als zij die het onderwerp
hebben bestudeerd het in praktijk gaan brengen; want men heeft de wijsheid
nodig van een Boeddha of een Jezus en het hart van een Boeddha of een
Jezus om te weten hoever men kan gaan en waar men moet stoppen.
Over het geheel genomen is suggestie een van de meest
subtiele en minst begrepen krachten van de menselijke geest, al wordt
ze niettemin dagelijks en voortdurend in praktijk gebracht en vaak zonder
het te weten, in alle rangen van de menselijke samenleving. In dit verband
moeten we de leer van karma niet vergeten met zijn strikte werking waardoor
een mens verantwoordelijk is voor alles wat hij doet, verantwoordelijk
voor zijn gedachten en voor zijn gevoelens en dus voor zijn daden en dat
de natuur hem op de meest strikte wijze ter verantwoording roept, ‘tot
de laatste cent’ zoals het gezegde luidt, voor alles waarvoor hij zichzelf
verantwoordelijk maakt door zijn gedachten en gevoelens en dus door zijn
daden.
de mens gemaakt naar zijn eigen beeld
In De Geheime Leer (1:295) staat:
. . . de Pelgrim, . . . die elke levens-
en bestaansvorm heeft doorworsteld en daarin heeft geleden, is nog maar
tot de bodem van het dal van de stof gekomen, halverwege zijn cyclus,
als hij zich heeft vereenzelvigd met de collectieve mensheid. Deze heeft
hij naar zijn eigen beeld gemaakt.
Wat betekent deze laatste zin? Hoe ‘naar zijn
eigen beeld’?
Een mens reproduceert zichzelf op aarde vanuit
zijn eigen innerlijke zelf, uit de elementen van zijn eigen innerlijke
wezen. Het is duidelijk dat een mens niet iets anders kan zijn dan wat
hij zelf is; en omdat zijn innerlijke natuur zich ontwikkelt, zal hij
in zijn stoffelijke, astrale en vitale delen steeds verbeterde en meer
volmaakte instrumenten en geschiktere voertuigen reproduceren om de geestelijke,
verstandelijke en psychische aard in hem tot uitdrukking te brengen. Een
mens is dus zijn eigen vader of voortbrenger en een mens is in toekomstige
levens zijn eigen kind – of kinderen; ik bedoel dat een mens van zichzelf
in dit leven maakt wat hij in het volgende leven en in toekomstige levens
zal zijn. Een mens is een samengestelde entiteit en bestaat uit een goddelijk,
een geestelijk, een verstandelijk, een psychisch en een vitaal-astraal-stoffelijk
deel. Zijn lagere delen vloeien voort uit zijn hogere delen, zoals de
eik voortvloeit uit het leven en de stoffelijke bestanddelen binnen de
eikel.
Dit is dus de sleutel tot de verklaring, die zeer mystiek
is, maar heel mooi en heel diepzinnig; en wanneer de ‘pelgrim’, die hier
in de taal van H.P.B. de gezamenlijke menigte evoluerende monaden vertegenwoordigt,
het menselijke stadium heeft bereikt, brengt hij dus opnieuw de mensheid
voort naar zijn eigen beeld. Zo wordt de mens door evolutie tot stand
gebracht als een onvolmaakt beeld van de inwonende of innerlijke god;
en de hier bedoelde god is de innerlijke geestelijke godheid, de immanente
christus, de innerlijke god, of de innerlijke boeddha. In het hart van
ieder wezen bevindt zich een bron van energie die ‘schaduwen’ of ‘beelden’
van zichzelf in de stoffelijke werelden reproduceert. Deze ‘schaduwen’
of ‘beelden’ van haarzelf zijn haar verschillende lichamen, en omdat het
schaduwen van haarzelf zijn, zijn het kennelijk beelden van haarzelf.
Daarom reproduceert de ‘pelgrim’, een naam die H.P.B. in deze passage
gebruikt voor de collectieve menigte monaden, de mensheid – wat de naam
is voor de gezamenlijke menigte mensen – naar zijn eigen beeld of beelden.
de ziel, het intermediaire beginsel
Als de ziel, naar ik heb begrepen, almachtig
is, waarom moet ze zich dan in de stoffelijke werelden manifesteren?
De ziel is niet almachtig, de geest wel, maar de
ziel niet. De mens bestaat van hoog naar laag uit een goddelijk deel,
een geestelijk deel, een verstandelijk deel, een begeertedeel en een vitaal-astraal-stoffelijk
deel. De mens bestaat uit alle essenties in het heelal, van de hoogste
tot de laagste. Het hoogste deel in de mens is almachtig, tenminste in
dit heelal, maar de ziel niet. De ziel is het tussenliggende deel, het
deel tussen de geest en het lichaam; en het is de ziel die leert en zich
ontwikkelt. Het is de ziel die zegt: ‘Ik ben ik’; maar het is de geest
die zegt: ‘Ik ben’. Ziet u het verschil? ‘Ik ben’ is hetzelfde overal
in het heelal. Ieder schepsel, waar ook, voelt ‘ik ben’. Maar de ziel,
met haar weerkaatste bewustzijn – zoals de maan het licht van de zon weerkaatst
– beseft niet dat ze in wezen hetzelfde is als het heelal en maakt onderscheid
of een scheiding tussen andere zielen en zichzelf en zegt ‘ik ben ik’,
en ‘jij bent jij’. Nu is dat niet erg hoog. Het is zoals iemand die zegt:
Ik ben een Zweed, ik ben een Engelsman, ik ben een Duitser. Dat is juist
tot op zekere hoogte, maar het is niet het hoogste. Het edelste deel van
ons zegt: ik ben een zoon van het goddelijke, mijn thuis is het heelal,
ik ben overal thuis. Iedereen is mijn broeder omdat iedereen uit dezelfde
bron komt als ik. Het heelal is mijn thuis.
De geest is universeel, is betrekkelijk almachtig; maar
de ziel, de menselijke ziel, is een lerend schepsel; ze is nog niet volledig
ontwikkeld.
de leer van de drieëenheid
Waaraan ontleenden de eerste christenen hun
leer van de drieëenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest?
De eerste christenen ontleenden het essentiële
– ik bedoel niet al het latere theologische gekibbel over de drieëenheid,
maar het essentiële van de leer – aan de oude heidenen, vooral aan de
grote volkeren van het Midden Oosten, zoals Egypte, Babylonië, Perzië,
Syrië, enz. Veel van deze oude volkeren, of alle, hadden een prachtige
mystieke theologie, die het bestaan leerde van een kosmische leven-intelligentie,
die ze, voor het gemak vaak omschreven als de ‘Vader’. En omdat het heelal
evolueerde of zich manifesteerde, werd de eerste en meest geestelijke
periode van deze manifestatie de ‘Zoon’ van de kosmische Vader genoemd,
of het kosmische intelligentie-leven en in het oude Griekenland werd daar
mystiek vaak over gesproken als de logos, of rede of het woord van de
Vader, wat precies de term was die de christenen aannamen voor hun goddelijke
‘Zoon’, die ze op hoogst merkwaardige wijze verwikkelden in een web van
tegenstrijdigheden met de overigens prachtige en edele figuur Jezus Christus
genaamd. De Heilige Geest, zeiden deze oude mystieke theologen, was de
geest van liefde, harmonie en vrede die het heelal doordringt.
We zien dus dat dit drietal kan worden gezien als een
drieëenheid en werd overgenomen door de christenen, tenminste wat de hoofdzaken
betreft, te weten de kosmische fundamentele essentie, waarover vaak werd
gesproken als leven-intelligentie-substantie, doordrongen van de geest
van liefde, orde, en wet en harmonie, ‘heilige geest’ genoemd; en altijd
was er de ‘zoon’ of de logos, die de feitelijke intelligente scheppende
macht was.
leren door te lijden
Zou u zeggen dat theosofie leert dat pijn
en lijden deel uitmaken van het oorspronkelijke plan?
Deze vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden
als op het eerste gezicht lijkt, want, kan ik zomaar zondere nadere aanduiding
zeggen dat het voor mensen nodig is leed, pijn, lijden en ellende mee
te maken – moet ik zonden en het doen van kwaad daaraan toevoegen? – en
zo een leer van het kwaad prediken? Daarom zal ik mijn antwoord op de
volgende manier inkleden en gebruikmaken van het bekende gezegde: Er moet
kwaad op aarde zijn, maar wee de kwaaddoener! Begrijpt u de gedachte?
Ze is heel diepzinnig. Onvolmaakte wezens leren inderdaad door lijden
en pijn omdat ze verkeerde dingen doen. Daar leren ze door. Zie hoe mooi
en vriendelijk moeder natuur is. Ze laat ons leren zelfs wanneer wij haar
geboden of wetten overtreden. Maar als we dat doen, oogsten we pijn, oogsten
we leed, wordt ons hart gebroken door de ellende die we zelf hebben gezaaid.
Een vreemde maar ware paradox! We leren door het kwaad dat we doen. Maar
grote genade, wat lijden we daardoor en dat is niet nodig. De natuur is
zo genadig dat we zelfs kunnen leren van het kwaad dat we toch doen, van
de slechte dingen die we doen. Maar we kunnen leren zonder kwaad te doen
en dan lijden we niet en ondergaan we geen pijn.
In het kort zou ik dus zeggen: Ja, we leren door lijden
en pijn, maar dat hoeft niet. Er zijn andere manieren om te leren. Er
zijn bijvoorbeeld voor een kind andere manieren om te leren dat vuur brandt
dan de riskante en pijnlijke manier de vinger in de vlam te steken. We
bezitten ons denkvermogen, ons intellect, onze intuïtie, het scherp waarnemende
bewustzijn.
de symboliek van de slang
Waarom zagen de Ouden de slang als een symbool
van wijsheid, terwijl ze nu vaak wordt geassocieerd met bedrog en het
kwaad?
Waarom zou de slang een ‘leugenaar’, een ‘bedrieger’
en die meelijwekkende figuur uit de middeleeuwse theologie, de duivel,
de ‘vader van de leugen’ zijn genoemd? Waarom heeft men gedacht dat de
slang in de Hof van Eden, die het eerste mensenpaar verleidde tot kwaad
doen, een belichaming of het symbool van satan was? Waarom is de slang
het symbool geworden van het opwekken tot het kwaad, van het kwaad doen,
van bedrog? Of, aan de andere kant, waarom is de stille, kruipende slang
met haar langzame, kronkelende gang het symbool geworden van wijsheid
of van de ingewijde, zoals in de uitdrukking toegekend aan een zeer verheven
bron in het christelijke Nieuwe Testament: ‘Wees dan wijs als slangen
en argeloos als duiven’?
Het antwoord is eenvoudig genoeg. Zoals de natuurkrachten
op zichzelf neutraal zijn en, als gevolg van het gebruik of misbruik door
mensen, worden wat de mens ‘goed’ of ‘kwaad’ noemt, zo kan ook een wezen
in de natuur, als het symbolisch wordt aangewend, in goede of slechte
zin worden gebruikt. Een dergelijk gebruik als symbool hangt af van bepaalde
karaktertrekken of eigenschappen die de menselijke geest, door gedachteassociatie,
kiest uit of afscheidt van andere kenmerken of eigenschappen en in symbolische
of figuurlijke zin gebruikt om abstracte of concrete ideeën aan te duiden.
Dit feit blijkt bijvoorbeeld in het Sanskriet, waarin ingewijden van beide
soort, d.w.z. van zowel het pad van de rechterhand als van de linkerhand
worden aangeduid met woorden die doen denken aan ideeën of kenmerken van
slangen. De eerste soort, ook genoemd de broeders van het licht, worden
aangeduid als nâga’s; terwijl de broeders van de duisternis of van de
schaduwen worden aangeduid als sarpa’s, en dit laatste woord is ontleend
aan de werkwoordswortel srip, die ‘kronkelen’ betekent, ‘kruipen’
op een sluwe en heimelijke wijze en dus figuurlijk ‘bedriegen’.
We zien hier wat de voornaamste reden is dat de slang,
waarschijnlijk in alle landen en beslist in alle tijden, is gebruikt als
een symbool of zinnebeeld voor enerzijds de broeders van het licht en
hun dienaren en anderzijds voor de broeders van de duisternis en hun slaven.
De reden is duidelijk, want zowel de broeders van het licht als de broeders
van het duister zijn brandpunten van kracht, van subtiel denken en handelen,
van wijsheid en energie, in het eerste geval terecht en rechtmatig toegepast
en dus behorende tot de ‘rechterhand’; en in het andere geval, ten onrechte
of ten kwade toegepast voor de ‘linkerhand’. Maar, let wel, in beide gevallen
heeft het gebruik betrekking op ingewijden, want de ingewijden van de
rechterhand en van de linkerhand zijn in één opzicht gelijk: zij maken
subtiel gebruik van de krachten van de natuur, van geheime wijsheid of
liever geheime kennis. Dezelfde natuurkrachten werden door beiden gebruikt
– de ene klasse gebruikte deze krachten voor onpersoonlijke en heilige
doeleinden; de andere klasse gebruikte dezelfde krachten en energieën
voor onheilige en slechte doeleinden. De ene groep bestaat, zoals zojuist
gezegd, uit de nâga’s, de geestelijke ‘slangen’ van het licht, die subtiel,
weldadig, heel wijs zijn en begiftigd met het geestelijke vermogen het
kleed af te werpen, d.w.z. de huid of het lichaam, wanneer de ingewijde
oud is geworden, en naar believen een nieuwer, jonger en sterker lichaam
aan te nemen. Deze groep is altijd humaan, veroorzaakt nooit ergernis,
werkt voortdurend voor het welzijn van de mens, rustig en onopvallend
in haar werkzaamheden, ten dele om de toejuichingen van dwaze mensen te
voorkomen.
De andere groep bestaat uit insinuerende, wereldwijze,
sluwe, oneerlijke wezens, boosaardig wat motieven en daden betreft en
dus heel gevaarlijk, terwijl ze toch van dezelfde krachten als de eerste
groep gebruikmaakt, maar voor kwade doeleinden. Daarom ziet men dat aan
de ene kant in alle belangrijke oude geschriften over ‘slangen’ wordt
gesproken als symbolen van wijsheid, van de zonen van het licht die over
kracht, kennis, liefde en roem beschikken, als zonen van de zon; en aan
de andere kant dat over ‘slangen’ wordt gesproken als symbolen van de
duistere broeders, vaak de zwarte broeders geheten, die in wezen, vanuit
het standpunt van de natuur, boosdoeners zijn, bezig met hun onheilige
werk om hart en ziel van de mens te bedriegen, en maar al te vaak slagen
in hun duivels werk door middel van leugens en verkeerde voorstellingen.
de betekenis van de swastika
Als het symbool van de swastika wordt gebruikt,
in welke richting moeten de armen dan zijn gebogen, naar rechts of naar
links? Zou u willen uitleggen wat het betekent als men ziet dat de armen
naar de ene of de andere kant zijn gebogen. Is het ene aspect goed en
het andere slecht?
Het heeft werkelijk geen enkele betekenis – althans
voor het gebruik nu – in welke van de twee richtingen de armen van de
swastika zijn gebogen. H.P.B. gebruikte ze in het begin met de armen in
de ene richting en in haar latere werk met de armen in de andere richting
gebogen; en ik geloof niet dat deze vormen opzettelijk werden gekozen.
Het gebeurde toevallig dat ze in de ene of de andere richting werden getekend.
De waarde van de swastika ligt in de diepe betekenis van haar structuur;
en de manier waarop de armen zijn gebogen is nu van weinig belang.
Laten we de vraag meer in detail bekijken: Veronderstel
dat de armen van de swastika naar rechts zijn gebogen, wat betekent dat
de swastika naar links loopt of draait. Dit zou kunnen betekenen dat de
swastika zich beweegt op het pad van de linkerhand; maar het zou ook kunnen
betekenen dat de gebruiker op het pad van de rechterhand zich daarvan
afwendt om ongelukkigen op het linker te helpen. Stel nu dat ze zich in
de andere richting beweegt, van links naar rechts. Iemand zou hier kunnen
zeggen dat deze vorm betekent dat de swastika zich op het pad van de linkerhand
bevindt en probeert zich te bewegen naar iemand op het pad van de rechterhand
om die te schaden; of men zou evengoed kunnen zeggen dat de gebruiker
zich op het pad van de linkerhand bevindt en vandaar op weg is naar het
pad van de rechterhand.
U ziet dus dat er een aantal verschillende interpretaties
bestaat, dat elke manier juist kan worden geacht en dat de kwestie is
terug te brengen tot één van zuiver persoonlijke voorkeur. De meesten
van ons geven de voorkeur aan de vorm die we bij het drukken op de meeste
van onze boeken en brochures en gewoonlijk in ons zegel gebruiken.
Met de mystieke aspecten verbonden aan driehoeken is het
heel anders gesteld, want de richting waarheen de top van de driehoek
wijst heeft een heel oude en specifieke betekenis. Als de top van een
driehoek omlaag wijst betekent dat een val of afdaling van de geest in
de stof, d.w.z. een aantrekking naar de stoffelijke wereld; omgekeerd,
als de top omhoog wijst betekent dat een opgang naar de zon of in de geest,
zoals een vlam omhoog stijgt en verdwijnt in een piek of punt. De vervlochten
driehoeken duiden niet op het verlangen van iemand in de ene of de andere
richting te gaan, maar zijn slechts een uitbeelding van de eeuwig tegengestelde
krachten van de natuur: de geestelijke energie die omhooggaat en wordt
vertegenwoordigd door de driehoek met de top omhoog; en de stoffelijke
of afdalende energie of energieën die omlaaggaan, vertegenwoordigd door
de driehoek met zijn top omlaag. Als deze twee driehoeken op deze manier
zijn verenigd, worden ze het zegel of symbool van Vishnu of Siva genoemd,
of wat westerlingen soms het zegel van Salomo noemen.
Ik ontken natuurlijk niet dat het bij een zorgvuldig en
nauwkeurig archeologisch onderzoek van de swastika mogelijk is te bewijzen
dat een van de twee vormen in het verre verleden door onze eigen school
werd geprefereerd; maar dat kan, denk ik, niet gemakkelijk worden bewezen
en ik wijs er alleen op als een mogelijkheid. Op het ogenblik zou ik geen
kritiek hebben op iemand die de armen van de swastika in de ene of andere
richting buigt, want men kan in beide manieren een goede en een slechte
betekenis vinden. De ware betekenis van de gebogen armen van de swastika
is beweging, d.w.z. voorwaartse beweging, wat vooruitgang betekent, evolutie,
natuurlijk gecombineerd met de andere symboliek van de gekruiste lijnen,
de verticale en de horizontale.
De drie verbonden lopende benen, die het wapen vormen
van het eiland Man, hebben in een andere vorm dezelfde mystieke betekenis
van vooruitgang in de een of andere richting, en wel een heel beeldende
vorm. Dit interessante en merkwaardige symbool bestaat uit drie benen
die alle met grote snelheid in dezelfde richting lopen en bij de heup
met elkaar zijn verbonden; de afstand tussen de drie benen rond de cirkel
is gelijk, wat betekent dat elk been van het andere been is gescheiden
door een hoek van 120 graden, al wordt in dit wapen of embleem de cirkel
niet afgebeeld – tenzij men de omtrek van het zegel waarop het symbool
is gegraveerd als cirkel ziet.
de zeven juwelen van wijsheid
Wat is de betekenis van de zeven juwelen
van wijsheid zoals die in uw boek Beginselen van de Esoterische Filosofie
worden besproken?
Gezamenlijk omvatten ze de volledige schat aan
wijsheid en kennis die voor de mens mogelijk is. Alle inwijdingen in de
geheime school zijn niets anders dan uitbreidingen van het inzicht in
deze zeven fundamentele beginselen van kennis die nadrukkelijk verwijzen
naar de structuur en de bouw van het heelal om ons heen – een structuur
en een bouw die niet alleen op dit laagste kosmische gebied bestaan dat
we het stoffelijk heelal noemen, maar ook omdat ze die in feite opbouwen,
in en op alle gebieden, regionen en sferen van het onzichtbare heelal.
De hele Geheime Leer van H.P.B. werd bij wijze
van spreken geschreven rond deze kernpunten van esoterisch denken, deze
zeven schatten van wijsheid, deze zeven mysteriesleutels, ‘juwelen’ zoals
ze terecht zijn genoemd. Verder zijn alle religieuze en filosofische boeken
van de Ouden, vooral die over de mysteriën, rond deze juwelen geschreven.
Deze zeven juwelen worden altijd ter bestudering gegeven aan chela’s die
nog maar net hun voeten op het pad hebben gezet. Ze worden ook gegeven
aan chela’s die hoger staan dan de vorige, hoger omdat ze sterker zijn,
meer weten, meer voelen, meer beseffen, meer zien. Ze worden ook ter bestudering
gegeven aan de mahâtma’s zelf door nog grotere leraren van de laatstgenoemde
groten; en ik denk dat het geen overdrijving zou zijn te beweren dat de
goden zelf op hun azuren tronen deze zeven juwelen van wijsheid bestuderen,
evenals wij mensen, maar ze bestuderen met hun eigen goddelijke en doordringende
begripsvermogen. Deze juwelen zijn inderdaad vol diepe betekenis en hoe
meer men ze bestudeert, hoe meer men gaat beseffen dat het esoterische
sleutels zijn die alle poorten van begrip van het eigen innerlijke, ja
innerlijkste zelf openen.
Men kan deze zeven juwelen niet begrijpen, zelfs niet
onvolkomen, vóór men tenminste is begonnen ze zelf te zijn. De enige juiste
manier om iets te begrijpen is het te zijn. Niemand kan liefde begrijpen
die niet liefheeft; en ik bedoel hiermee niet iets puur sentimenteels,
al hoort ook dit bij de algemene regel. Niemand kan de rede begrijpen
die niet zelf gaat redeneren. Niemand kan gevoel begrijpen of voelen tenzij
hij iemand begint te worden die voelt.
Daarom zeg ik dat de zeven juwelen in handen worden gegeven
van neofieten, van chela’s, van gevorderde chela’s, van meesters, ja zelfs
van de nirmânakâya’s, omdat het kosmische sleutels zijn, wondersleutels.
U zult deze zeven juwelen aantreffen in alle oude heilige geschriften,
verspreid weliswaar, maar u zult ze vinden als u ernaar zoekt. Alleen
in de theosofische boeken vindt u ze opgesomd of ingedeeld. Niettemin
zult u ze, zoals gezegd, in alle oude heilige geschriften van de wereld
vinden: misschien niet allemaal bijeen in één enkel geschrift, misschien
slechts twee of drie in één geschrift, misschien één hier en één daar
en een derde ergens anders, met aanwijzingen over het bestaan van de andere
in de lijst; maar als u ze bestudeert en ze dus leert herkennen als u
ze bij het lezen tegenkomt, zult u ze in deze oude werken vinden. Misschien
worden ze met andere namen aangeduid, en verklaard op een manier die anders
is dan waarmee u in theosofische lectuur vertrouwd bent, maar dit alles
is niet meer dan het kleed waarin deze wondersleutels zijn gehuld. Waar
het om gaat is dat deze wondersleutels op de door mij genoemde plaatsen
kunnen worden gevonden.
Tenslotte ben ik zo vrij te zeggen dat er geen interessant
probleem is dat zich bij de studie van de theosofie kan voordoen dat niet
kan worden opgelost door een diepgaande studie van deze sapta-ratnâni
of zeven juwelen van wijsheid.
het vraagstuk van de schepping
Als we terugzien naar het begin van alle
dingen, de oorsprong van het leven – hoe is het dan mogelijk dat er iets
kon bestaan, dat iets kon worden geschapen uit helemaal niets? Wie is
de kracht die dit schiep?
Dat is een ouderwetse vraag. Ik denk dat alleen
in de christelijke religie dit verkeerde idee bestaat dat de kosmische
geest een schepper is die, uit het niets – een vacuüm, volstrekte leegte
– het heelal schiep. Men vindt deze leer bij geen ander deel van de mensheid,
althans niet zo slecht geformuleerd, behalve misschien onder enkele primitieve
stammen. Men vindt haar niet in een andere grote religie; en verder vindt
men haar niet in de oorspronkelijke leringen van het christendom. Men
vindt haar alleen in de theologische werken van bepaalde kerkvaders en
hun volgelingen. Alle oudere religies van de mensheid, de grootste filosofieën
die het menselijke genie heeft voortgebracht, leren dat ons heelal en
alles daarin voortkomt uit de schoot van de kosmische ruimten, als wederbelichamingen
van wat eerder bestond; zoals ook het ego van de mens, de ziel van de
mens vanuit de geestelijke werelden in de stoffelijke wereld komt en na
de dood de geestelijke werelden weer ingaat voor rust, alleen om in de
volgende incarnatie weer in de stoffelijke wereld te verschijnen, om weer
te sterven, weer te rusten en opnieuw te verschijnen.
Zoals de menselijke ziel op die manier reïncarneert, en
uit de boezem van de onzichtbare werelden komt, zo verschijnen de heelallen
in de grenzeloze ruimte periodiek uit de boezem van het oneindige; ze
volgen hun majestueuze banen zoals we die aan de nachtelijke hemel zien
– sterren, nevelvlekken, interstellaire ruimten – volbrengen hun lange,
eeuwenlange perioden van evolutie en verdwijnen dan om op een hoger gebied
weer te verschijnen; want evolutie of ontwikkeling heerst overal in het
heelal, zoals ook hier op aarde.
Hoe weet u dat de mens en het heelal werden ‘geschapen’?
We hebben daar geen bewijs voor. Het is een theorie. Het is fantasie.
Alles wat we weten is dat dingen verschijnen en leven en verdwijnen en
dat andere dingen verschijnen en leven en verdwijnen; en alle grote filosofen
en religieuze denkers uit oude tijden en de grootste wetenschappers van
nu, zijn geneigd te zoeken naar een heelal dat uit de boezem van de ruimte
verschijnt, zijn evolutionaire loop volbrengt en sterft zoals een mens
sterft. Alle filosofische scholen van de hindoes leren deze zelfde waarheid;
en ze wijzen op de analogie met de mens. De mens verschijnt uit een microscopische
levenskiem. Hij wordt geboren als baby, groeit naar volwassenheid, doet
zijn werk en sterft. Maar waar kwamen die krachten die we een mens noemen
vandaan? Het is geen toeval. Toeval is een ouderwets woord dat moderne
wetenschappelijke denkers hebben verworpen. Bedenk dat de mens zelf, een
kind van het heelal, alles in zich heeft wat het heelal heeft: het goddelijke,
het geestelijke, het verstandelijke, het psychische, het astrale, het
vitaal-stoffelijke; en daarom is de mens de regel waarnaar we het heelal
kunnen beoordelen, want wat in het geheel is, is in het deel. De mens
zelf heeft een geest, heeft een vermogen waarmee hij kan doordringen tot
de geest van het heelal omdat de twee één zijn.
de evolutionaire drang
Wat is de oorzaak en het doel van de evolutionaire
drang die alle wezens beïnvloedt?
De drang achter de evolutie en het doel waarnaar
deze drang ons voortdrijft, is eenvoudig de goddelijke honger in het heelal
om groter te worden, vooruit te gaan, te groeien: Excelsior! Het is het
heelal aangeboren. Waarom dat zo is kan niemand zeggen. Misschien weten
de goden het niet. Het enige wat wij mensen kunnen zeggen is dat het zo
is. Alles groeit en verlangt ernaar groter te worden, grootser te worden,
op te klimmen, vooruit te gaan, zich te ontwikkelen; en het doel is zelfbewust
één te worden met het grenzeloze – iets wat nooit kan worden bereikt!
Daarin ligt oneindige schoonheid, want er is geen absoluut einde aan groei,
wat wil zeggen vooruitgang of evolutie in schoonheid, en pracht en wijsheid
en liefde en kracht. Het grenzeloze heelal is ons thuis.
Wat we in de atomen een blind streven of blinde strijd
naar verbetering kunnen noemen, wordt in de mens een zelfbewust verlangen
om te groeien, de erkenning dat de mens een groeiend iets is, een zoon
van de goden; en deze zelfde drang wordt in de goden een goddelijk weten
dat ze delen zijn van het heelal en groeien om in grotere mate en zelfbewust
deel te hebben aan het werk van het heelal.
uitleg over de ‘groepsziel’
Sommige theosofen spreken vaak over wat zij
een ‘groepsziel’ noemen, en verwijzen dan kennelijk naar de monaden van
planten en dieren. Wat zijn de leringen over dit denkbeeld van een ‘groepsziel’?
De term ‘groepsziel’ wordt gebruikt in een poging
een woord te vinden dat, hoe onvolmaakt ook, de bijzondere verzamelingen
entiteiten beschrijft die zich min of meer op hetzelfde gebied of in hetzelfde
stadium van evolutie bevinden en die zich daarom min of meer als groepen
of verzamelingen wederbelichamen. In één opzicht is de term ‘groepsziel’
ongelukkig omdat hij de gedachte oproept dat er slechts één ziel is op
hetzelfde gebied die zich manifesteert door middel van alle individuele
leden van zulke verzamelingen en dat is niet juist.
Als de vraagsteller wil bedenken dat individualiteit als
een verworven factor in de cyclische, organische evolutie definitief wordt
verwezenlijkt, zij het vooralsnog onvolmaakt, wanneer een evoluerende
monade het punt bereikt dat ze zelfbewustzijn verwerft, zoals bij de mens,
dan zal hij gemakkelijk de gedachte achter de term ‘groepsziel’ begrijpen.
Delfstoffen bijvoorbeeld lijken enorm veel op elkaar; d.w.z. delfstoffen
in een bepaalde groep of aggregaat zijn alle aan elkaar gelijk, al zijn
er natuurlijk verschillende groepen of aggregaten binnen de grotere groep
monaden die hun kracht in het delfstoffenrijk manifesteren of tot uitdrukking
brengen. Hetzelfde geldt voor planten. Zo is er bijvoorbeeld de groep
van de eiken of van de pruimenbomen of van de rozenstruiken of van de
aardbeien of van het pampasgras of van de dadelpalm, enz., enz. Maar alle
planten samen kunnen weer worden gezien als een nog grotere en algemenere
groep die we het plantenrijk noemen.
Als we omhooggaan in de schaal van organische wezens,
komen we bij het dierenrijk, waar individualiteit nog beter waarneembaar
is; en toch kan men van dieren nauwelijks zeggen dat ze een zelfbewust
individueel bestaan hebben bereikt. Ze zijn bewust; ze hebben het zwakke
bewustzijn van zelfbewustzijn en tonen dat; maar ze handelen niet als
individuen met een wil en onderscheidingsvermogen in de mate waarin de
mens dat doet.
Als we het mensenrijk bereiken, treden we een nieuw rijk
binnen, omdat het het rijk van zelfbewustzijn is, van individuele monadische
activiteit. Maar zelfs hier geldt de algemene regel; het hele mensenrijk
kan in een bepaalde zin een verzameling worden genoemd, wat voldoende
duidelijk is, van kleinere raciale groepen die het samenstellen of er
de samenstellende delen van vormen.
De lezer hoeft de gedachte, die hierin kort is geschetst,
slechts in beide richtingen door te trekken, vooruit en achteruit, en
hij zal gemakkelijk iets begrijpen van de aard van de elementalenrijken
in het begin en van de dhyâni-chohanische rijken die het mensenrijk vooruit
zijn.
Ik herhaal dat de term ‘groepsziel’, mits goed begrepen,
voldoende zegt; maar hij is ongelukkig om de reeds genoemde reden.
waar ben ‘ik’?
Waar ben ‘ik’ in hemelsnaam in deze wildernis
van svabhâva’s en individualiteiten en ikken en innerlijke goden? Wie
ben ik en waar ben ik? Ik ben zevenvoudig, ik heb zeven âtmans of godheden
die samenwerken om mij te maken tot wat ik ben, zoals chemische elementen
samenwerken om een wezen te vormen; maar welke delen van deze samenstelling
zijn dat deel van mij dat meewerkt en ‘ik’ zegt, dat kleine onbelangrijke
deel van mij dat zo agressief is? Welk deel van mij is ik en welk deel
is dat niet?
De mens is zijn hele zevenvoudige wezen, van het
goddelijke omlaag via alle tussenstadia, zelfs tot aan het lichaam. Het
geheel is het individu, bij wijze van spreken. We kunnen het voor ons
denken misschien tot uitdrukking brengen als een zuil van schoonheid,
een lichtkolom, die zich uitstrekt van het goddelijke naar de stoffelijke
mens. Waar ons centrum van bewustzijn op een bepaald moment is, dat is
volgens mij het deel waarover we op dat moment spreken als ons ik. Bij
de dieren zit dat hier beneden, wij mensen hebben het iets hoger; de meesters
hebben het nog wat hoger; de boeddha’s en christussen nog hoger, de godheden
op een nog hogere plaats van de schaal. Het hele zevenvoudige wezen is
hijzelf, bij wijze van spreken, en zijn ik is dat punt waar hij zich op
dat moment van zichzelf bewust is.
Natuurlijk verandert dit niet het andere feit dat juist
omdat er in de mens verschillende monaden zijn, er ook verschillende wezenlijke
monadische ikken of ego’s zijn. Maar dat is een ander verhaal.
verloren zielen, achterblijvende ego’s en
de afdaling van de stof
In De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett
staat op blz. 53 het volgende:
De stof die geheel van de geest blijkt te zijn
losgemaakt, komt terecht in de nog lagere werelden – in de zesde
‘poort’ of ‘weg van wedergeboorte’ van het planten- en delfstoffenrijk
en van de primitieve diervormen. Vandaar gaat de stof, die in de werkplaats
van de natuur is vermalen, zielloos terug naar haar moederbron;
terwijl de ego’s die van hun droesem zijn gezuiverd, in staat worden
gesteld opnieuw voorwaarts te gaan. Hier is het dat de achterblijvende
ego’s bij miljoenen omkomen.
Heeft dit betrekking op de leer van de verloren
zielen of op een andere leer?
Het verbaast me helemaal niet dat deze passage
u in verwarring brengt want ze is heel compact, buitengewoon diepzinnig
en slaat op zijn minst op twee dingen. Eerst schrijft de meester hier
over stoffelijke substantie die, vanwege de neiging omlaag te gaan, niet
langs de klimmende boog omhoog kan gaan. Ze zet de weg omlaag voort en
valt tenslotte uiteen in haar samenstellende elementen. Dat gebeurt in
de ‘planeet van de dood’, als u me begrijpt. Dit heeft betrekking op stof
die ‘geheel van de geest is losgemaakt’, met andere woorden stof in haar
laagste hiërarchische of grove vorm. Dan zegt de meester verder dat de
stof die zo van de geest is losgemaakt of, met andere woorden die zielloos
is geworden, d.w.z. die zich heeft losgerukt van de leidende invloed van
de belichaamde zielen, terugkeert naar haar primitieve aard of element;
de ego’s of ‘zielen’ daarentegen die zo zijn bevrijd van hun te grove
stoffelijke gehechtheid, hervatten hun vooruitgang, maar moeten dat doen
door nieuwe voertuigen of omhulsels van bewustzijn te ontwikkelen tussen
zichzelf en de grove stof die ze na het verbreken van de band met de oude
voertuigen niet meer hebben.
De stof die op deze wijze op weg is zich los te maken
van de leidende energie van de geest of ‘ziel’ valt, als het ware, op
haar omzwervingen of rondgangen in lagere rijken: als bijvoorbeeld de
stof het mensenrijk verlaat, zich zo losmaakt van de geest, wordt ze aangetrokken
tot de dieren-, planten- en delfstoffenrijken, en de monaden die deze
stof die zo is losgemaakt samenstellen, monaden die in hun eerste of elementaire
stadia van evolutie zijn, keren terug naar de moederbron, zoals hierboven
gezegd, waar ze hun eigen omzwervingen omhoog weer beginnen.
Als naar de stofzijde wordt verwezen, zoals hierboven
is beschreven, heeft dit betrekking op de levensatomen of monaden in het
levensatoomstadium die niet kunnen opstijgen of hun contact met de geest
kunnen handhaven. Hun verdere evolutionaire neiging is naar omlaag; en
bedenk in dit verband dat alle materiële substantie essentieel uit levensatomen
bestaat. Het hout van de tafel vóór mij bestaat uit levensatomen die door
deze bijzondere fase van hun evolutionaire pad gaan. Het goud in mijn
zegelring bestaat eveneens uit levensatomen in een minerale fase; de levensatomen
die de stof van mijn kleding samenstellen, evenals de levensatomen van
mijn vlees of van mijn beenderen – en ook die van u – zijn levensatomen
die door die bijzondere fase van hun myriaden omzwervingen gaan.
Er zijn echter menigten levensatomen die in vorige manvantarische
manifestaties voldoende zijn vergeestelijkt of ontwikkeld zodat ze, als
ze in dit manvantara het laagste punt van evolutie bereiken, dat veilig
kunnen passeren en verder de weg omhoog kunnen gaan – bezield.
Maar vele miljoenen, miljarden, biljoenen, quadriljoenen – ja, een ontelbaar
aantal levensatomen – hebben dat veilige punt in hun evolutie nog niet
bereikt waarop ze hun ontwikkeling in dit manvantara, verbonden
met de geest, kunnen voortzetten; en het zijn deze levensatomen
– of monaden in deze toestand – die de materiële substanties vormen die
in de lagere gebieden afdalen, daar worden vermalen in de werkplaats van
de natuur en zielloos verder gaan ‘terug naar de moederbron’. Niettemin
hadden de ego’s of ‘zielen’ die evolueerden en een verzameling van deze
levensatomen gebruikten als voertuigen of lichamen, allang het veilige
punt in hun evolutie bereikt en voelden ze niet langer de aantrekking
naar de stof zoals deze afdalende monaden of levensatomen; daarom passeren
die ego’s, omdat ze quasi-geestelijk zijn, het keerpunt of gevaren-punt
volkomen veilig en vervolgen ze hun evolutie, hoewel ontdaan of bevrijd
van hun onwaardige atomaire voertuigen.
Vervolgens zegt de meester: ‘Hier is het dat de achterblijvende
ego’s bij miljoenen te gronde gaan.’ Deze zin heeft betrekking
op bepaalde menigten achtergebleven of onontwikkelde levensatomen of monaden
of ‘ego’s die, omdat ze niet voldoende zijn vergeestelijkt om het gevarenpunt
te passeren, in de maalstroom terechtkomen, omlaag worden getrokken en
daar voor dat manvantara te gronde gaan. Deze laatste ego’s zijn niet
de eerdergenoemde ego’s waarover werd gesproken als ‘gezuiverd van hun
droesem’, en die opnieuw hun weg omhoog vervolgen. Deze ego’s die bij
miljoenen te gronde gaan zijn de hoogste klasse van materiële monaden,
maar nog niet voldoende vergeestelijkt, zoals eerder gezegd, om het gevarenpunt
te passeren en langs de opgaande boog omhoog te klimmen.
Als we onze aandacht richten op de menselijke ego’s zien
we een derde klasse die bestaat uit de minst gevorderden van de hierboven
besproken eerste klasse. Ik heb het nu over dat betrekkelijk kleine aantal
vertraagde of onontwikkelde menselijke ego’s die op een bepaald punt van
de opgaande boog achter beginnen te raken en vermoeid worden van het klimmen,
bij wijze van spreken; en langzaamaan worden ze achtergelaten tot ze tenslotte
niet verder kunnen en geleidelijk terugzakken naar de stof. Dit zijn voorbeelden
van wat theosofen ‘verloren zielen’ noemen. Het zijn de ego’s die zo in
de stof zijn verzonken, zo beneveld door de uitwasemingen, als het ware,
van de laagste rijken van de aarde dat, wanneer ze in hun evolutie langs
de neergaande boog tenslotte onze planeet D, deze aarde, bereiken, ze
niet ver kunnen gaan of ver kunnen opstijgen met de rest van het leger
van voortgaande ego’s die meer vergeestelijkt zijn; en dit komt omdat
ze nog te zwaar stoffelijk zijn en daarom hun aantrekking niet naar omhoog
maar naar omlaag is; en dat zijn wat we ‘verloren zielen’ noemen. Het
zijn heel zeldzame gevallen; ze komen bij de mensheid even zeldzaam voor
als de meesters aan de andere pool van het zijn in het mensenrijk. Niettemin
is het aantal verloren zielen, door de eeuwen heen en in totaal, betrekkelijk
groot.
Deze vraag is dus, zoals u gemakkelijk kunt zien, heel
diepzinnig en moeilijk te beantwoorden, omdat ze zoveel overeenkomstige,
maar toch verschillende aspecten van leringen behelst. Ik zal proberen
twee voorbeelden te geven die de kwestie in uw geest misschien zullen
ophelderen. Elk systematisch heelal, hoewel per se een organisch
wezen, d.w.z. een eenheid of een individualiteit, is niettemin samengesteld,
d.w.z. bestaat uit verschillende delen, ja uit verschillende eleme |