HOOFDSTUK 13

HET EVOLUTIEPROCES. ZELF, EGO EN ZIEL: ‘IK BEN’ EN ‘IK BEN IK’.

Niets in de natuur ontstaat plotseling daar alles aan dezelfde wet van geleidelijke evolutie is onderworpen. Denk u eenmaal het proces van de maha cyclus in, van één bol, en u begrijpt alle. De ene mens wordt geboren zoals de andere, het ene ras evolueert, ontwikkelt zich en gaat ten onder zoals alle andere rassen. De natuur volgt hetzelfde patroon, van de ‘schepping’ van een heelal tot die van een muskiet. Houd bij het bestuderen van de esoterische kosmogonie uw geestelijk oog gericht op het fysiologische proces van de menselijke geboorte; ga van oorzaak naar gevolg, en stel al voortgaande vast dat er overeenkomsten zijn tussen de geboorte van een mens en die van een wereld . . . De kosmologie is de gespiritualiseerde fysiologie van het heelal, want er is maar één wet. – De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 79

Vanavond lezen we het volgende fragment uit De Geheime Leer (1:207-8):

    De monadische of liever kosmische essentie (als zo’n term is toegestaan} van het delfstoffen-, het planten- en het dierenrijk verschilt wat betreft de trap van ontwikkeling. Toch is deze door de hele reeks van cyclussen heen dezelfde, van het laagste elementalenrijk tot het devarijk toe. Het zou heel misleidend zijn zich voor te stellen dat een monade een afzonderlijk wezen is, dat zich langzaam langs een bepaald pad door de lagere rijken voortsleept en na een onberekenbaar aantal transformaties opbloeit tot een menselijk wezen; kortom, dat de monade van een Humboldt afkomstig is van de monade van een atoom hoornblende. In plaats van ‘de delfstoffenmonade’ te zeggen, zou de nauwkeuriger uitdrukkingswijze van de natuurwetenschap, die elk atoom differentieert, vanzelfsprekend zijn geweest: ‘de monade die zich manifesteert in die vorm van prakriti, die men het delfstoffenrijk noemt’ . . . Omdat de monaden niet samengesteld zijn, zoals Leibnitz terecht stelde, worden ze in hun verschillende graden van differentiatie bezield door de geestelijke essentie waaruit de monade in feite bestaat, en niet door het aggregaat van atomen, dat slechts het voertuig en de substantie is waarin de lagere en hogere graden van intelligentie werken.

    Het is misschien goed, voordat ik mijn toelichting geef, u te herinneren aan de twee algemene wensen die Katherine Tingley had toen ze het initiatief tot deze bijeenkomsten nam; ten eerste, het verduidelijken van de leringen in het prachtige werk van H.P. Blavatsky; en ten tweede, het geven van criteria, criteria die de leringen betreffen, geen criteria in dogmatische zin, maar geestelijke criteria die ieder van ons in gedachten kan houden en kan toepassen wanneer hij een boek leest over de oude wereldreligies of de recente theorieën over die religies zoals ze door hedendaagse denkers worden verkondigd.
    Tegenwoordig wordt de wereld eenvoudig overstroomd met boeken van allerlei aard over quasi-geestelijke en zogenaamd psychische en quasi-psychische zaken. Voor iemand die de kernleringen van de theosofie niet kent, die niet zoals H.P. Blavatsky vertrouwd is met de leringen van de oude wijsheidsreligie, op basis waarvan al deze verschillende zaken kunnen worden getoetst en bewezen, kan er sprake zijn van veel begripsverwarring, aarzeling en twijfel over de werkelijke betekenis ervan. Veel van deze boeken zijn namelijk heel knap geschreven, maar goed kunnen schrijven is geen teken of bewijs dat een schrijver de ideeën uit de oudheid goed heeft begrepen; zo’n vermogen is niet meer dan de gave om bepaalde gedachten – de inzichten van de schrijver zelf – helder en vaak heel verdienstelijk weer te geven; maar alleen verdienstelijk kunnen schrijven bewijst niet dat een schrijver over goede en geschikte maatstaven beschikt om de oude waarheid te toetsen.
    Als we dan ook deze leringen van de oude wijsheidsreligie (theosofie) kennen en ze goed begrijpen, bezitten we criteria waarmee we voor onszelf kunnen vaststellen of een bepaalde leer van een oude of moderne religie, of een of andere theorie van een oude of hedendaagse denker, in overeenstemming is met die oorspronkelijke geestelijke en natuurlijke kennis die aan de eerste leden van het eerste en werkelijk denkende mensenras werd geopenbaard door de geestelijke wezens aan wie wij ook onze innerlijke essentie en ons innerlijk leven ontlenen, en die in werkelijkheid ons eigen tegenwoordige geestelijke zelf zijn. Omdat het beslist geen criteria zijn in dogmatisch religieuze zin, zijn ze niet ‘noodzakelijk voor de verlossing’. Of bijvoorbeeld hemelen en hellen werkelijk bestaan, hangt niet af van mensen die dat aanvaarden of verwerpen. We bedoelen dat theosofie ons criteria geeft die op dezelfde manier een toetssteen zijn als de feiten die een deskundige in de wiskunde of scheikunde of in een andere tak van wetenschap of natuurfilosofie kan ge bruiken om vast te stellen of iets nieuws, dat hem onder ogen komt, overeenkomt met de waarheden die hijzelf en zijn medewerkers al hebben vastgesteld.
    Op de vorige bijeenkomst hebben we het verschil tussen de geest en de ziel noodgedwongen slechts vluchtig en in hoofdlijnen behandeld. De geest is het onsterfelijke element in ons, de eeuwige vlam in ons, die nooit sterft, die nooit werd geboren en die gedurende het hele mahâmanvantara zijn eigen aard, essentie en leven behoudt, en die bepaalde stralen of bekleedsels of zielen – wij zelf – naar ons wezen en naar onze verschillende gebieden omlaagzendt. Deze stralen vormden op hun weg omlaag de levensessenties van een hiërarchie, ongeacht of we daarbij aan onze eigen zelven als individuele mensen denken of aan het atoom, het zonnestelsel of de universele kosmos.
    We zullen vanavond meer in het bijzonder aandacht besteden aan de aard van het zelf en het ego en aan de verschillen daartussen; en als de tijd het toelaat, zullen we tamelijk uitvoerig stilstaan bij een leer die westerlingen vreemd in de oren klinkt, maar die niettemin in zich de kern, het wezen bevat van de emanatie-evolutie en die ons ook laat zien wat onze bestemming is. Het is die bestemming die ons zowel omlaag als daarna omhoog voert, terug naar onze geestelijke bron, maar we bezitten dan iets meer – of liever zijn iets meer – dan we bezaten – of waren – toen we aan onze lange evolutionaire pelgrimstocht begonnen.
    Voordat we een schets geven van de aard van het zelf en van het ego en het verschil ertussen, geven we een korte uiteenzetting van wat we bedoelen als we over karma spreken, omdat dit nu nodig is. Zoals we allen weten is karma een Sanskrietwoord dat is afgeleid van de Sanskriet wortel kri, een werkwoord dat ‘maken’ of ‘doen’ betekent. Door aan de wortel kri of de stam kar, die volgens een van de regels van de Sanskriet grammatica van de wortel kri komt, het suffix ma toe te voegen, krijgen we het abstracte zelfstandige naamwoord karma. Het betekent letterlijk ‘het doen, het maken’, en dus ‘handeling’. Het is een technische term, dat wil zeggen een term waarmee een hele reeks filosofische leringen samenhangt.
    Als het om een vertaling gaat, kunnen we voor onze beschouwingen het best het woord gevolgen nemen, omdat dit woord ‘gevolgen’ of ‘vruchten’ de meest voorkomende toepassing ervan schijnt te zijn in de technische betekenis van de esoterische filosofie. Karma is geen wet, en werd niet door een god gemaakt. Zoals we weten is een door mensen gemaakte wet een gedragsregel of een rechtsorde die door een wetgever is vastgesteld en verbiedt wat verkeerd is en oplegt en voorschrijft wat goed is. Dat is karma niet. Karma is de gewoonte van de universele en eeuwige natuur, een ingewortelde fundamentele gewoonte, die zo werkt dat een daad onvermijdelijk een onontkoombaar gevolg heeft, een reactie van de natuur waarin we leven. Het werd door A.P. Sinnett, een van de eerste helpers van H.P. Blavatsky, de ‘wet van ethische veroorzaking’ genoemd, een ontoereikende en misleidende term, omdat karma in de eerste plaats meer is dan ethisch; het is zowel geestelijk als stoffelijk en alles daartussen. Het is van toepassing op de geestelijke, mentale, psychische en stoffelijke gebieden. Veel beter is te spreken over de ‘wet van oorzaak en gevolg’, omdat dit algemener is, maar zelfs deze omschrijving voldoet niet. De wezenlijke betekenis van deze leer is dat wanneer iets in een toestand van belichaamd bewustzijn handelt, dit onmiddellijk een keten van oorzaken in beweging brengt, die op elk gebied werkt dat door die keten wordt bereikt en tot waar haar kracht zich uitstrekt.
    Menselijk karma ontstaat in de mens zelf. Wij zijn de scheppers en de verwekkers ervan, maar we lijden er ook door of we worden erdoor gelouterd als gevolg van onze eigen vroegere handelingen. Maar wat is deze gewoonte eigenlijk, das Ding an sich, zoals Kant zou hebben gezegd, deze ingewortelde fundamentele gewoonte van de natuur, die haar doet reageren op een oorzaak die is gelegd? Dat is een vraag waarop we op een later tijdstip uitvoeriger moeten ingaan dan vanavond mogelijk is, maar we kunnen er dit over zeggen: het is de wil van de geestelijke wezens die ons in vroegere kalpa’s of grote manvantara’s zijn voorgegaan, en die nu goden zijn; hun wil en denken besturen en beschermen het mechanisme, de vorm en het wezen van het heelal waarin we leven. Deze grote wezens waren eens mensen in een vroeger groot manvantara. Het is onze bestemming uiteindelijk aan hen gelijk te worden en in hun gelederen te worden opgenomen als we de evolutie in de kalpa met succes volbrengen.
    Zoals H.P. Blavatsky heeft uiteengezet, weeft de mens vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood een web van daden en gedachten om zich heen – en al deze brengen gevolgen voort, sommige onmiddellijk, andere later. Elke handeling is een zaad. Dat zaad zal volgens de leer van svabhâva onvermijdelijk de gevolgen teweegbrengen die erbij horen en geen andere.
    Svabhâva is, zoals we weten, de leer van de essentiële aard van iets, dat wat het maakt tot wat het is en niet tot iets anders: dat wat de lelie een lelie doet zijn, en niet een roos of een viooltje; dat wat maakt dat het ene wezen een paard is, een ander een vlieg, en weer een ander een grasspriet, enz. – zijn essentiële natuur.
    Bij het bespreken van de hiërarchieën hebben we in vorige bijeenkomsten opgemerkt dat elke hiërarchie voortkomt uit haar eigen zaad, haar eigen zaadlogos of het hoogste deel ervan, haar kroon of top; en dat alles zich daaruit ontrolt, zich uit het zaad ontvouwt en uit het zaad tot aanzijn komt. Op die manier ontwikkelt het menselijk lichaam zich als het ware uit een microscopisch zaad tot de mens die wij kennen, die deel is van de hem omringende natuur, omdat hij een samengesteld wezen is. Alle samengestelde dingen zijn tijdelijk en vergankelijk. Als ze niet samengesteld waren, zouden ze zich op geen enkele manier kunnen manifesteren. Hun samengesteldheid, hun samengestelde natuur, stelt ze in staat te leren, deel te hebben aan en als manifestatie één te zijn met het hele gemanifesteerde heelal om ons heen.
    Op eerdere bijeenkomsten hebben we gesproken over de prachtige leer van de oude stoïcijnen van Griekenland en Rome, de krasis di’ holou, de ‘vermenging met alles’, de ‘dooreenmenging van alles’. Wanneer deze leer op de goden werd toegepast, noemden de oude stoïcijnen haar theocrasie – niet theocratie, wat iets anders betekent. Theocrasie betekent de ‘vermenging van de goden’, zoals menselijke gedachten zich op aarde vermengen.
    Het zelf blijft op zijn eigen gebied eeuwig zichzelf, maar als het zich manifesteert, vermengt het zich, als we die term mogen gebruiken, met de sferen van de stof door stralen uit te zenden, evenals de zon; door zich als de goddelijke straal tot uitdrukking te brengen. Deze schiet omlaag in de geestelijke wereld en vandaar in de wereld van het intellect en vervolgens in de psychische wereld en dan in de astrale en de stoffelijke wereld. Hij schept in elk van deze stadia, op elk gebied van de hiërarchie, een voertuig, een omhulsel, een bekleedsel, een gewaad, en deze, zojuist met verschillende namen aangeduid, worden op het hogere gebied zielen genoemd en op het lagere, lichamen. Het is de bestemming van deze zielen – gewaden, voertuigen of omhulsels van de geest – tenslotte tot het goddelijke te worden verheven.
    Er bestaat een enorm verschil tussen zuiver onbewust geestesleven en volledig zelfontwikkelde, zelfbewuste spiritualiteit. De monade begint haar cyclische reis als een niet-zelfbewuste godsvonk en beëindigt haar als een zelfbewuste god, maar ze doet dit door assimilatie van het gemanifesteerde leven en door de verschillende zielen met zich mee omhoog te voeren die ze op haar cyclische pelgrimstocht heeft voortgebracht; ze brengt haar innerlijke essentie in hen tot ontplooiing en door hen komt ze tot kennis en ontstaat er een band met andere monaden en andere ziel-zelven. Het proces van evolutie, de ontwikkeling van de mogelijkheden en vermogens van het goddelijke zaad bestaat uit de verheffing van de ziel (of liever de zielen) tot het goddelijke door middel van het zelf.
    We kunnen ons nu afvragen: Wat is het verschil tussen het zelf en het ego? We weten dat het individuele zelf een geestelijk of liever een monadisch ‘atoom’ is. Het is dat wat in alle dingen zegt ‘ik ben’ en daarom zuiver bewustzijn is, direct bewustzijn, geen weerspiegeld bewustzijn. Het ego is dat wat zegt ‘ik ben ik’ – indirect of weerspiegeld bewustzijn; bewustzijn dat als het ware op zichzelf wordt teruggekaatst en zijn eigen mâyâvische bestaan als een ‘afzonderlijke’ entiteit ziet. Wat een prachtige leringen zijn dit, want als we deze leer goed begrijpen, betekent dat voor ons geestelijke verlossing; als we haar verkeerd begrijpen, betekent het dat onze weg omlaaggaat! Intense zelfzucht bijvoorbeeld wijst op een verkeerd begrip ervan en, hoe paradoxaal het ook klinkt, onpersoonlijkheid op een juist begrip. Zoals Jezus in de eerste drie evangeliën, Mattheüs, Marcus en Lucas, zegt en daarmee uitdrukking geeft aan een van de leringen van de oude wijsheid: ‘Want ieder die zijn leven wil behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.’
    Hier hebben we in een ‘duister gezegde’ de ware betekenis van iets dat we op de vorige bijeenkomst tot op zekere hoogte hebben bestudeerd: de leer van het verlies van de ziel. Genoemde woorden die aan Jezus zijn toegeschreven en driemaal zijn herhaald, bevatten de innerlijke betekenis van dit mysterie: het hoe en waarom ervan.
    Laten we terugkeren tot de vreemde leer die hierboven is genoemd, vreemd voor westerse oren en het westerse denken. U zult zich herinneren dat H.P. Blavatsky de processen van evolutie en ontplooiing herhaaldelijk beschrijft als een afdaling van de geestelijke essentie in de stof langs de schaduwboog, waarbij ze steeds dichter, compacter en zwaarder wordt naarmate ze dieper in de oceaan van de stoffelijke wereld doordringt, totdat ze een zeker punt passeert – het keerpunt van de krachten die in haarzelf ontstaan en haar in dat mahâmanvantara voortstuwen. Dan begint ze langs de opgaande lichtende boog opnieuw omhoog te klimmen om terug te keren naar de godheid waaruit ze als een straal of stralen voortkwam. Deze monadische essentie, deze monadische stroom die begint te evolueren bestaat net als een leger uit een bijna oneindig aantal individuele monaden. We kunnen ze geestelijke atomen noemen, niet-zelfbewuste godsvonken. Bij hun afdaling in de stof – die eeuwig aanwezig is en is voortgekomen uit het oneindige aantal evoluerende wezens in alle stadia van ontwikkeling, die hen waren voorgegaan – vergaren ze, of liever, ontlenen ze aan dat contact en die vermenging weerspiegeld of indirect bewustzijn (zelfbewustzijn). Ze beginnen meer te ontwikkelen dan alleen het gevoel of liever het eenvoudige besef van ‘ik ben’, of zuiver bewustzijn; ze beginnen zich zelfbewust één te voelen met al wat is. De niet-zelfbewuste godsvonk begint tot de zelfbewuste erkenning te komen van haar eigen essentiële en inherente goddelijkheid. Ze ontwikkelt zelfbewustzijn, en dit zelfbewustzijn is wat we het ego noemen, het besef van ‘ik ben ik’, een deel of een straal van het Al, dat zich van deze prachtige waarheid bewust wordt.
    Laten we nu aandacht schenken aan de hiërarchie van de mens die uit het zelf voortkomt als het zaad ervan – tien stadia: drie op het arûpa of onstoffelijke gebied en zeven (of misschien beter zes) op het gebied van de stof of de manifestatie. Op elk van deze zeven (of zes) gebieden ontwikkelt het zelf of de paramâtman een omhulsel of gewaad, waarbij de hogere zijn geweven uit geest of licht, zo u wilt; en de lagere uit schaduw of stof. Elk van deze omhulsels of gewaden is een ziel; en tussen het zelf en de ziel – elke ziel – bevindt zich het ego. Eerst is er het zelf, het goddelijke wezen, de goddelijke entiteit of monade achter alles. Daaruit ontwikkelt zich het ego, zoals een zon zich uit zijn eigen essentie ontwikkelt, en volgt de karmische lijnen of wegen van de herinneringen of ‘resultaten’ of ‘vruchten’ uit het voorafgaande grote manvantara en dus strikt overeenkomstig de skandha’s in zijn eigen natuur. Dit ego komt in aanraking en vermengt zich met de stof en de andere menigten intelligenties van dit mahâmanvantara. Zoals uit het zaad een groen blaadje tevoorschijn komt dat een boom wordt met zijn takken en twijgen en zijn ontelbare bladeren, zo brengt het ego uit zichzelf zijn omhulsel of voertuig voort dat uit licht of uit schaduw is geweven, afhankelijk van het gebied of het punt waarop hij zich bevindt; en dit etherische, geestelijke of astrale gewaad van het ego is de ziel – dat wil zeggen, een ziel.
    Er zijn in de mens vele zielen. Er zijn eveneens vele ego’s in de mens; maar achter al deze ego’s en zielen is de eeuwige vlam, het zelf. Bedenk dat ook de oude Egyptenaren leerden dat er verschillende zielen in de mens bestaan, vele zelven en verscheidene ego’s. Tot nu toe hebben we niet vaak over de oude Egyptische leringen gesproken; dat komt omdat ze buitengewoon moeilijk zijn en in ingewikkelde symbolen en allegorieën zijn ingekleed. Van alle oude stelsels zijn ze misschien wel het meest verborgen, het meest versluierd door beeldspraak en figuurlijke voorstellingen. Maar de oude waarheden liggen erin besloten; het zijn dezelfde eeuwenoude leringen.
    Welnu, evolutie is het ontplooien, het ontwikkelen, het te voorschijn brengen uit het innerlijke goddelijke zaad van al zijn latente vermogens, zijn individuele kenmerken of de essentie van zijn wezen, kortom zijn svabhâva. De evolutie heeft echter niet alleen tot doel te voorschijn te brengen wat in elk individueel zaad ligt besloten, maar is er ook op gericht dat elke individuele monade, elk ego en elke ziel uit de stof waarin ze werkt andere minder vergevorderde entiteiten aantrekt die deel van haar gaan uitmaken en die ze met zich mee zal voeren op de opgaande boog van de evolutionaire reis.
    Ieder van ons is dus een potentiële christus, een potentiële christos, en omdat ieder van ons innerlijk een christos is, zou ieder van ons ook een ‘verlosser’ van zijn medemensen moeten zijn en van alle lagere wezens onder hem die onder zijn leiding en invloed staan. Als een man of vrouw de atomen van zijn of haar lichaam slecht behandelt of goed, wordt hij of zij voor het goddelijk tribunaal van zijn eigen zelf als het ware door karma verantwoordelijk gesteld; hij zal daarvan tot de laatste penning rekenschap moeten afleggen. Ziet u hoe deze prachtige leer ons mensenras waardigheid schenkt en verheft en hoe verheven de betekenis van de leringen van onze leraren is in dit licht! De mens is verantwoordelijk, want wanneer hij zelfbewustzijn heeft verworven, hoe gering ook, wordt hij daardoor een schepper en naar die mate verantwoordelijk. Hij wordt een medewerker van de goden en het is zijn bestemming zich bij hen aan te sluiten als een van hen.
    Als de levensstroom, als de stroom monaden, of als een individuele monade het laagste punt van de manvantarische cyclus veilig is gepasseerd, en halverwege de vierde ronde veilig het pad heeft afgelegd dat naar omlaag voert, en erin slaagt de weg omhoog te beginnen langs de lichtende boog, is voor haar tot op zekere hoogte het gevaar geweken, maar nog niet helemaal, omdat diezelfde beproeving zich halverwege elke ronde herhaalt. Maar het midden van de vierde ronde is het meest kritieke punt. We weten allen wat er met een ronde wordt bedoeld en met de zeven die we moeten doorlopen voordat we onze evolutionaire pelgrimstocht op deze planeet hebben voltooid. Maar als de monadische vonk veilig door elk van de drie volgende ronden heenkomt, zal ze in de laatste ronde, op de laatste of zevende bol en in het laatste ras van die bol, zich hebben ontwikkeld tot een dhyân-chohan, een ‘heer van meditatie’ – al bijna een god. Na het lange nirvâ.na dat ons wacht als de zeven ronden zijn doorlopen – en dat nirvâ.na is een periode van onuitsprekelijk geluk die overeenkomt met het devachan tussen twee levens op aarde – zullen diegenen van ons die de reis met succes hebben voltooid, deze heren van meditatie zijn geworden, de voorlopers, de makers, de bouwers, de goden van de toekomstige planeet die het kind zal zijn van deze, zoals deze bol – Terra – het kind was van onze moeder – de maan; en zo steeds verder, maar altijd hoger en hoger op de sporten van de wonderlijke ladder van het kosmische leven.
    Zo is de vreemde en prachtige leer, vreemd en verbazingwekkend voor westerse oren. Een eindeloze reeks gedachten vloeit hieruit voort. Denk aan de bestemming die voor ons ligt! Maar het is ook verstandig de andere kant uit te zien. Laten we nu en dan onze blik van het morgenlicht afwenden en in de andere richting kijken. Bedenk dat we aangeboren en onontkoombare morele verantwoordelijkheden hebben, als het om ethische problemen gaat. We bezitten in zekere mate kennis; en daarom macht en verantwoordelijkheid. Achter ons komen oneindige aantallen wezens, die lager staan dan wij, en die moeizaam de weg om hoog volgen. Ieder van hen bevindt zich op hetzelfde pad dat wij hebben betreden en ieder moet datzelfde pad gaan dat met het bloed van onze eigen voeten is bevlekt. Moeten zij falen doordat wij hen niet helpen? Ze zullen het gevaarlijke punt moeten passeren zoals wij hebben gedaan; want volgens de lering is er halverwege elke evolutie een pad omlaag, dat naar gebieden voert die grover en stoffelijker van aard zijn dan de onze.
    Toen onze planeet haar emanatie-evolutie begon, of liever daartoe werd aangezet, waren de dhyân-chohans van de maanketen daarin de stuwende krachten, dat wil zeggen, zij die daar de evolutionaire reis met succes hadden volbracht. Achter hen kwamen wij, in zeven klassen, de meest ontwikkelden, de minder en nog minder ontwikkelden, enz., de dieren, de planten en de delfstoffen.
    De tijd die ons vanavond ter beschikking staat is bijna verstreken, maar er is nog één punt dat we beslist, zij het vluchtig, moeten aanroeren. Toen Leibniz sprak over de inherente drang in iedere monade die haar tot manifestatie aanzet, putte hij uit de oude boeken en uit de pythagorische en neoplatonische leringen die hij bestudeerde, en hij bedoelde daarmee hetzelfde als wij, wanneer we over svabhâva spreken, namelijk de essentiële natuur van iets. Op één punt in zijn lering moeten we echter nog wijzen en wel waar hij in feite zegt dat onze wereld de best mogelijke wereld in het heelal is. Wie van u bekend is met de grote Franse filosoof Voltaire, zal zich misschien zijn boek Candide herinneren, of ‘Optimisme’, waarin Voltaire kennelijk een aanval doet op de optimistische theorieën van Leibniz en waarin twee figuren voorkomen, de verstokte irrationele optimist dr. Pangloss, en de jongeman, Candide. Deze, een leerling van dr. Pangloss, is een jonge filosoof, een door en door zelfzuchtige optimist, die alle tegenslagen in het leven met grote onverschilligheid en kalmte aanvaardt en om menselijke ellende glimlacht. Voltaire wijdt aan deze twee figuren een passage (Candide, hfst. 6), waarin hij met de scherpte en kernachtigheid die zo’n groot sieraad van de Franse geest zijn, zegt, Si c’est ici le meilleur des mondes possibles, que sont donc les autres? – ‘Als dit de beste van alle mogelijke werelden is, hoe staat het dan met de andere?’ Inderdaad een veelzeggende opmerking en een heel juiste. Het is niet de best mogelijke van alle werelden. Lang niet. Het zou er voor ons mensen droevig en hopeloos uitzien als het zo was! Toch had de grote Duitse filosoof gelijk in die zin, dat het de best mogelijke wereld is die er door het karma van de wereld kon zijn of kon worden voortgebracht; en als ze niet beter is, zijn wijzelf daarvoor grotendeels verantwoordelijk.
    In deze amusante verwijzing naar de theorieën van Leibniz en Voltaire zien we de ware betekenis van het woord optimisme. Onze eigen verheven filosofie geeft ons een veel ruimere visie, een dieper inzicht in de dingen en een grondiger begrip van het zogenaamde levensraadsel. Alles is relatief, is een van de belangrijkste leringen van de esoterische filosofie. Er zijn nergens absoluten (in de gewone Europese betekenis van dat woord). Alles is relatief omdat alles met alle andere dingen is verbonden en verstrengeld. Als er iets absoluuts in Europese zin bestond, zou dat niets anders kunnen zijn dan de doodse stilte en onveranderlijkheid van volstrekte en uiterste volmaking, wat onmogelijk is, omdat er in zo’n geval in geestelijk, mentaal of enig ander opzicht geen groei, geen toekomstige groei en geen vroegere ontwikkeling zouden zijn of kunnen zijn.
    Op de volgende bijeenkomst zullen we ons bezighouden met het onderwerp van de zogenaamde hellen en hemelen; want deze tak van ons onderzoek is een onmisbaar deel van de psychologische kant van onze studie die we op de vorige bijeenkomst begonnen. Vanavond zeggen we alleen dat alle leringen en dogma’s en stellingen van de grote wereldreligies in wezen op een min of meer verborgen waarheid zijn gebaseerd, die gewoonlijk in hoge mate door onwetendheid en fanatisme of door beide is verduisterd. Laten we er tot besluit duidelijk op wijzen dat er geen hellen en geen hemelen zijn, zoals deze gewoonlijk worden opgevat, maar levens- en ervaringsgebieden die overeenkomen met elke klasse van de myriaden graden van levende entiteiten. Zoals Jezus volgens de evangeliën van de christenen moet hebben gezegd: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen’. Er zijn in de eindeloze kosmos voor alle klassen van zielen ontelbare plaatsen van vergelding, geluk of leed; en in deze karmisch bepaalde sferen vinden de talloze evoluerende entiteiten van alle klassen de juiste en precies bij hen passende plaats.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 152-62

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag